01.09.1978 - Omzendbrief D.I. 875 - D.C. 46.550
INVORDERING EN GESCHILLEN
TARIEF VAN GERECHTKOSTEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN | D.I. 875 |
D.C. 46.550 |
Bijlage : 1 koninklijk besluit Brussel, 1 september 1978.
- Hierbij gaat de tekst van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is gewijzigd door de koninklijke besluiten van 23 november 1976 en 22 juni 1978.
- De omzendbrief van 21 oktober 1969 nr. D.C. 148.801 (D.I. 875) vervalt.
*
* *
Een exemplaar van onderhavige omzendbrief zal door de gewestelijke directeurs bezorgd worden aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2, evenals aan de advocaten van de administratie.
Voor de Directeur-generaal : De Adviseur a.i.,
R. CHARUE
Bon O.S.D. nr. 395/78
KONINKLIJK BESLUIT VAN 30 NOVEMBER 1970
tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (1)
(Belgisch Staatsblad van 3 december 1970)
Art. 1. (gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 november 1976). – De sommen die in de zin van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek invorderbare kosten zijn wegens de verrichting van bepaalde materiële handelingen omvatten een rechtsplegingsvergoeding en een uitgavenvergoeding, waarvan het tarief in dit besluit is vastgesteld.
De vergoedingen worden begroot voor elke aanleg en ten aanzien van elke partij die door een advocaat bijgestaan wordt en een eigen belang heeft. Indien eenzelfde advocaat verscheidene partijen bijstaat die een gemeenschappelijke vordering instellen of concluderen in dezelfde zin, wordt de vergoeding tussen hen verdeeld.
De vergoedingen zijn niet verschuldigd wegens handelingen verricht voor strafgerechten, voor de jeugdrechtbank zitting houdende in andere dan burgerlijke zaken, of voor een gerecht waaraan de zaak ingevolge een beslissing van de arrondissements- rechtbank is onttrokken. Hetzelfde geldt in geval van verschijning voor de rechter ten einde een overeenkomst inzake arbeidsongevallen of beroepsziekten te doen acteren of wanneer de verweerder, vóór de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, met uitzondering van de bij artikel 6 bepaalde uitgavenvergoeding voor de reeds verrichte materiële handelingen.
(1) Het opschrift van dit koninklijk besluit is vervangen door artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 november 1976.
Art. 2. De vaste rechtsvergoeding voor de onderscheidene materiële handelingen die in elke aanleg dienen te worden verricht in het kader van de hierna opgesomde rechtsplegingen, wordt vastgesteld als volgt :
1° Rechtspleging in laatste aanleg voor de vrederechter, de rechtbank van eerste aanleg, de jeugdrechtbank, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, of rechtspleging voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank F | 300 |
2° Rechtspleging in eerste aanleg voor de jeugdrechtbank en de arbeidsrechtbank F | 900 |
3° Rechtspleging in eerste aanleg voor de vrederechter, de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of rechtspleging in hoger beroep voor de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel F | 1 500 |
4° Rechtspleging voor he Arbeidshof F | 1 200 |
5° Rechtspleging voor het Hof van beroep F | 2 000 |
6° Rechtspleging voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of van de rechtbank van koophandel, voor de rechter in kort geding of de beslagrechter F | 1 000 |
Art. 3. (gewijzigd door artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 november 1976). – De in artikel 2, 2° 3° en 4°, bedoelde vergoedingen worden met tweederde verminderd indien de eis er enkel toe strekt een veroordeling tot de betaling van een geldsom van minder dan 10.000 F te doen uitspreken, en met een derde indien de eis er enkel toe strekt een veroordeling tot de betaling van een geldsom van meer dan 10.000 F maar van minder dan 25.000 F te doen uitspreken.
De in artikel 2 bedoelde vergoedingen worden verdubbeld wanneer de ingestelde eis ertoe strekt een veroordeling tot de betaling van een geldsom van meer dan 100.000 F te doen uitspreken. Die vergoedingen worden met drievierde verminderd wanneer de verweerder, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten.
De bij artikel 2, 6°, bepaalde vergoeding wordt eveneens verdubbeld ten voordele van de vervolgende partij die een of meer verzoekschriften heeft ingediend in een rechtspleging inzake onroerend beslag of beslag op zeeschepen en binnenschepen, onverminderd de vergoedingen, die bij dit besluit worden toegekend in geval van rechtspleging ingeleid door dagvaarding voor de beslagrechter.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel wordt het bedrag van de vordering bepaald overeenkomstig de regelen vastgesteld in artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek tot bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. In afwijking van artikel 561 echter wordt, indien inzake uitkering van onderhoud betwist is, de waarde van de vordering voor het berekenen van de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het bedrag van de annuïteit of van de twaalf maandelijkse termijnen.
Art. 4. (gewijzigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 1978). – Een aanvullende vaste rechtsplegings- vergoeding van 500 F wordt toegekend :
1° in geval van uitvoering van elke beslissing waarbij een persoonlijke verschijning van de partijen, de heropening van de debatten, een deskundigenonderzoek, een getuigenverhoor, een overlegging van stukken, een schriftonderzoek, een verhoor van partijen, een plaatsopneming, een eedaflegging of een rekening en verantwoording, zoals in het geval van een tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken, wordt gelast;
2° in geval van verzet tegen een bij verstek uitgesproken beslissing, maar dan allen ten voordele van de partijen die niet zelf verzet doen en behoudend het geval voorzien bij artikel 5, tweede lid;
3° in geval van verwijzing van de zaak naar de arrondissementsrechtbank;
4° in geval van uitlegging of verbetering van een rechterlijke beslissing;
5° in geval van verschijning bij een door de wet opgelegde poging tot minnelijke schikking die voorafgaat aan de instelling van de vordering.
Art. 5. De bij artikel 2, 1° en 3°, bepaalde vergoedingen eventueel verminderd overeenkomstig artikel 3, zijn van toepassing op het in artikel 1340 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verzoekschriften.
De bij artikel 4, 2°, voorgeschreven aanvullende rechtsplegingsvergoeding wordt evenwel niet toegekend in geval van verzet tegen de beschikking bedoeld in artikel1343 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 6. De uitgavenvergoeding wordt vastgesteld op een vast bedrag van 500 F in elk van de volgende gevallen :
1° voor het uitvoeren van de formaliteiten voorgeschreven met het oog op de openbaarmaking van een vordering of van een rechtelijke beslissing;
2° voor het neerleggen van een akte strekkende tot hervatting van het geding;
3° voor de overschrijving van een vonnis of een arrest inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed of omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding;
4° voor het indienen van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 1056, 2°, en in artikel 1320 of voor het verzenden van een ter post aangetekende brief als bedoeld in artikel 1056, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
5° voor de verklaring van de derde-beslagname, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1453 of artikel 1455 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 7. Geen enkele vergoeding voor de rechtspleging en uitgaven wordt toegekend voor de rechtspleging tot het bekomen van rechtsbijstand.
Voorts heeft het feit rechtsbijstand te genieten geen invloed op de toekenning van de in de voorgaande artikelen bepaalde vergoedingen.
Art. 8. Dit tarief wordt gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met honderd tien punten; telkens als het indexcijfer met tien punten stijgt of daalt, worden de in artikelen 2 tot 6 bedoelde sommen met 10 pct. vermeerderd of verminderd.
Art. 9. Voor de geschillen die aanhangig zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 september 1969, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27oktober 1969, maar alleen voor de rechtsgedingen waarin de debatten nog niet gesloten zijn of waarin ze zouden heropend worden. De bepaling van de aanleg geschiedt alleen voor de berekening van de vergoedingen overeenkomstig de vroegere bepalingen.
Art. 10. Onder voorbehoud van de overgangsmaatregelen in artikel 8, laatste lid, bepaald, wordt het koninklijk besluit van 12 september 1969, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 oktober 1969 op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit, opgeheven.
Art. 11. Onze Minister van Justitie wordt met de uitvoering van dit besluit belast.
