Circulaire nr. Ci.RH.51/509.389 dd. 17.07.1998

CIRC 17.07.98/1

Circulaire nr. Ci.RH.51/509.389 dd. 17.07.1998


Bull. nr. 785, pag. 1789

AANGIFTEN IN DE RPB
Aangifteformulier.
Invulling van de aangifte.
Wijziging van de aangifte in de RPB van het aj. 1998.


Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2.

I. INLEIDING

1. Deze circulaire bespreekt de voornaamste wijzigingen die aan het aangifteformulier 276.5 (RPB) voor het aj. 1998 zijn aangebracht.

II. AANGIFTEN 276.5

2. Ingevolge inzonderheid het KB 20.12.1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (V 2484 - Bull. 769), werden de vakken van de aangifte grondig herschikt.

De aangifte in de RPB en de desbetreffende toelichting hebben de volgende wezenlijke wijzigingen ondergaan.

A. Toelichting rubriek "Onderworpen belastingplichtigen"

3. Aanvulling van het 1e lid, b), 2°, ingevolge art. 2, W 6.7.1997 tot wijziging van artikel 180 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (V 2530 - Bull. 777), dat art. 180, 2°, WIB 92, heeft gewijzigd, waardoor met ingang van het aj. 1998 het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen en het gemeentebedrijf haven van Oostende aan de RPB zijn onderworpen.

Aanvulling van het 1e lid, c), 7°, ingevolge art. 3, W 14.7.1997 tot wijziging van artikel 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de uitvoering van artikel 104, 3°, i, van hetzelfde Wetboek (V 2526 - Bull. 776), dat art. 181, 7°, WIB 92, heeft gewijzigd (loutere aanpassing van de verwijzing naar art. 104, 3°, b, d, e, h en i, 4° en 4bis, WIB 92), waardoor erkende instellingen die zich bezighouden met het natuurbehoud of de bescherming van het leefmilieu en erkende verenigingen en instellingen die hulp verlenen aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen aan de RPB zijn onderworpen.

B. Vak II, B en bijhorende toelichting

4. Het nieuwe vak II ("Meerwaarden") wordt uitgesplitst in de subrubrieken "A. Meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen of op sommige zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen" (d.i. het vroegere vak IV), "B. Meerwaarden op gebouwde onroerende goederen of op sommige zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen" (d.i. een nieuwe subrubriek) en "C. Meerwaarden op belangrijke deelnemingen" (d.i. het vroegere vak V).

5. Invoeging ingevolge de art. 32, 33 en 49, 4e lid, KB 20.12.1996, die de art. 223 en 225, WIB 92, hebben vervangen, waardoor de in art. 220, 3°, WIB 92, vermelde rechtspersonen vanaf 1.1.1997 eveneens belastbaar zijn op de meerwaarden op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen die n.a.v. een in art. 90, 10°, WIB 92, vermelde overdracht onder bezwarende titel worden verwezenlijkt. Het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig de art. 101, §§ 2 en 3, en 103, § 3, WIB 92, d.w.z. volgens de regels zoals inzake PB (art. 223, 8°, WIB 92). Die meerwaarden zijn in beginsel belastbaar tegen het tarief van 16,5 % (art. 225, 2e lid, 5°, WIB 92), te verhogen met de aanvullende crisisbijdrage van 3 opcentiemen zoals vermeld in art. 463bis, WIB 92.

In de voormelde nieuwe subrubriek "B. Meerwaarden op gebouwde onroerende goederen of op sommige zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen" moeten derhalve de meerwaarden worden aangegeven die n.a.v. een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, met uitzondering van het recht van erfpacht, het recht van opstal of een gelijkaardig onroerend recht (in voorkomend geval moeten de tijdens het belastbare tijdperk geleden verliezen op die goederen of rechten worden afgetrokken), ingeval:

a)die gebouwde onroerende goederen onder bezwarende titel zijn verkregen en binnen vijf dagen na de datum van verkrijging zijn vervreemd;
b)die gebouwde onroerende goederen zijn verkregen bij schenking onder levenden en zijn vervreemd binnen drie jaar na de akte van schenking en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging onder bezwarende titel door de schenker;
c)de belastingplichtige een gebouw heeft opgetrokken op een ongebouwd onroerend goed dat hij onder bezwarende titel of bij schenking onder levenden heeft verkregen, voor zover:
  • de bouwwerken een aanvang hebben genomen binnen vijf jaar na de verkrijging van de grond onder bezwarende titel door de belastingplichtige of door de schenker, en
  • het geheel binnen vijf jaar na de datum van de eerste ingebruikname of verhuring van het gebouw werd vervreemd,
met uitsluiting echter van de meerwaarden vastgesteld ter gelegenheid van de onteigeningen of overdrachten waarvan sprake is in art. 93bis, 3°, WIB 92.

Het voormelde is niet van toepassing op de meerwaarden (of verliezen) verwezenlijkt op gronden waarop gebouwen zijn opgetrokken waarvan de verkoopwaarde lager is dan 30 % van de verkoopprijs van het geheel.

C. Vak III, B en bijhorende toelichting

6. Het nieuwe vak III ("Pensioenen en pensioenbijdragen, kosten en minderwaarden") wordt zodanig uitgesplitst dat in de subrubriek A.1 en 2 respectievelijk de "Belastbare pensioenen en pensioenbijdragen (d.i. het vroegere vak VII) en de "Niet verantwoorde kosten" (d.i. het vroegere vak VI) moeten worden aangegeven, zijnde kosten waarop de belasting niet wordt vermeerderd ingeval geen of ontoereikende VA zijn gedaan, terwijl in de subrubriek B.1 tot 6 de kosten en minderwaarden moeten worden vermeld waarop de in art. 220, 2°, WIB 92, vermelde rechtspersonen met ingang van het aj. 1998 eveneens belastbaar zijn, zijnde kosten en minderwaarden waarop de belasting wordt vermeerderd ingeval geen of ontoereikende VA zijn gedaan.

7. Invoeging ingevolge de art. 31, 33 en 49, 1e lid, KB 20.12.1996, die de art. 222 en 225, WIB 92, hebben vervangen, waardoor de in art. 220, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen, naast de voormelde "belastbare pensioenen en pensioenbijdragen" en de "niet verantwoorde kosten", met ingang van het aj. 1998 eveneens belastbaar zijn op de volgende kosten en minderwaarden:

de geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in art. 30, WIB 92 (art. 53, 6°, WIB 92);
de kosten voor niet-specifieke beroepskledij en de toekenningen aan derden ter vergoeding voor dergelijke kosten (art. 53, 7° en 11°, WIB 92);
50 % van de restaurant- en receptiekosten, de kosten voor relatiegeschenken en de toekenningen aan derden ter vergoeding voor dergelijke kosten (art. 53, 8° en 11°, WIB 92);
de kosten van allerlei aard m.b.t. tot jacht, visvangst, yachten of andere pleziervaartuigen en lusthuizen, behalve indien en in zover de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uit hoofde van de eigen aard daarvan noodzakelijk zijn, of in de belastbare bezoldigingen van de begunstigde personeelsleden of bedrijfsleiders zijn begrepen, en de toekenningen aan derden ter vergoeding voor dergelijke kosten (art. 53, 9° en 11°, WIB 92);
alle kosten in zover deze op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen, en de toekenningen aan derden ter vergoeding voor dergelijke kosten (art. 53, 10° en 11°, WIB 92);
de in art. 38, 11°, WIB 92, vermelde sociale voordelen die zijn toegekend aan werknemers en bedrijfsleiders en gewezen werknemers en bedrijfsleiders of hun rechthebbenden (art. 53, 14°, WIB 92);
25 % van de kosten en de minderwaarden m.b.t. het gebruik van in art. 66, WIB 92, vermelde personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, met uitzondering van de brandstofkosten.

Dienaangaande kan voor nuttige inlichtingen worden verwezen naar de in de Com.IB 92 verstrekte onderrichtingen aangaande de art. 53, 6° tot 11° en 14° en 66, WIB 92, die inzake RPB mutatis mutandis van toepassing zijn.

8. Overeenkomstig art. 225, 2e lid, 1°, WIB 92, wordt de belasting op de in vak III, B, 1 tot 6 vermelde kosten en minderwaarden berekend tegen het tarief van 39 % (te verhogen met de aanvullende crisisbijdrage van 3 opcentiemen zoals vermeld in art. 463bis, WIB 92).

D. Vak V, B en bijhorende toelichting, rubriek "Eenmalige buitengewone bijdrage"

9. Het nieuwe vak V ("Forfaitaire belasting en bijdrage van elektriciteitsproducenten") wordt uitgesplitst in de subrubrieken "A. Forfaitaire belasting" (d.i. het vroegere vak IX) en "B. Eenmalige buitengewone bijdrage".

10. Invoeging ingevolge art. 1, § 1, KB 19.8.1997 tot invoering van een éénmalige aanslag ten laste van de elektriciteitsproducenten, met toepassing van de artikelen 2, §§ 2 en 3, en 3, U 1, 4° en 5° van de wet van 26.7.1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (V 2525 - Bull. 776).

Hierdoor zijn, uitsluitend voor het aj. 1998, de in art. 34, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V 2073 - Bull. 702) bedoelde elektriciteitsproducenten, bovenop de in het voormelde art. 34 bedoelde bijzondere aanslag, een buitengewone bijdrage verschuldigd van 1.500 miljoen F. Voor de berekening van het gedeelte van de buitengewone bijdrage die per elektriciteitsproducent moet worden geheven, is het art. 35, § 2, van dezelfde wet van toepassing.

De aandacht wordt erop gevestigd dat geen aanvullende crisisbijdrage van 3 opcentiemen wordt gevestigd op de in vak V, B bedoelde éénmalige buitengewone bijdrage verschuldigd door elektriciteitsproducenten.

E. Vak VI en bijhorende toelichting

11. Inlassing van een nieuw vak VI ("Voorafbetalingen") waar het bedrag van de gedane VA m.b.t. de belasting op:

  • de in vak III, B vermelde kosten en minderwaarden (zie nrs. 6 tot 8);
  • de in vak IV vermelde dividenden toegekend door bepaalde intercommunales (d.i. het vroegere vak VIII);
  • de in vak V vermelde forfaitaire belasting en bijdrage van elektriciteitsproducenten (zie nrs. 9 en 10),
en het referentienummer vermeld op het "rekeninguittreksel VA" moeten worden ingeschreven.

F. Vak VII "Verkregen inkomsten onderworpen aan de roerende voorheffing"

12. Ingevolge de herschikking van de vakken van de aangifte zijn de vroegere vakken II en III respectievelijk de vakken VII en VIII geworden.

In vak VII, A werden de litt. 1 tot 3 aangepast (het vroegere vak II, A, litt. 1 en 2), ingevolge art. 7, W 16.4.1997 houdende diverse fiscale bepalingen (V 2507 - Bull. 773), dat art. 262, 1°, WIB 92, heeft vervangen, waardoor de aan de RPB onderworpen belastingplichtigen zelf de RV verschuldigd zijn m.b.t. inkomsten van roerende goederen en kapitalen en loten van effecten van leningen:

a)van Belgische oorsprong die zonder inhouding of storting van RV werden toegekend of betaalbaar gesteld, inzoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een RV is verschuldigd;
b)van buitenlandse oorsprong die zonder enige inhouding of storting van RV in België zijn geïnd of verkregen, inzoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een RV is verschuldigd;
c)van buitenlandse oorsprong die zonder bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon in het buitenland werden geïnd of verkregen, inzoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een RV is verschuldigd.

Vak VIII heeft t.o.v. het vorige aj. geen wijzigingen ondergaan.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Directeur,
G. DELSOIR