Aanschrijving nr. 84 dd. 15.12.1970
AANSCHRIJVING 70/084
Aanschrijving nr. 84 dd. 15.12.1970
Invoer
Deze aanschrijving heeft tot doel een commentaar te geven op de artikelen 3, 23, 24 en 34 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en op het koninklijk besluit nr. 7 van 12 maart 1970 betreffende de invoer.
Bij artikel 3 van het Wetboek, is de invoer van goederen, door wie ook gedaan, aan de belasting onderworpen. Artikel 23 van het Wetboek bepaalt dat, onder invoer dient te worden verstaan, het binnenkomen van een goed op Belgisch grondgebied, met uitsluiting van de delen van het Belgisch grondgebied waar de belasting niet wordt toegepast krachtens een koninklijk besluit.
Krachtens de artikelen 3 en 23 van het Wetboek, is de belasting verschuldigd door het louter materieel feit goederen over de Belgische grens te brengen en men dient zich niet af te vragen :
1. of de persoon die invoert een belastingplichtige is, een overheidslichaam, een in België of in het buitenland gevestigde particulier, enz.;
2. of die persoon de goederen verkregen heeft ingevolge een kontrakt (aankoop, schenking, inbreng in vennootschap, verdeling, enz.) of dat zij ze in eigendom bezit, hetzij omdat hij ze heeft voortgebracht, of hetzij dat hij ze geërfd heeft;
3. of de goederen al dan niet het voorwerp zullen uitmaken van een commerciële handeling (wederverkoop) of een industriële handeling (bewerking) in het land, of dat ze bestemd zijn om in het land te worden verbruikt of om terug te worden uitgevoerd.
De taks zal echter niet geëist worden, in de gevallen waar een vrijstelling is ingesteld door de artikelen 24 en 43 van het Wetboek of door artikel 42 van het Wetboek.
Tenslotte is de taks niet verschuldigd voor de invoer van goederen die niet als roerende goederen uit hun aard worden aangemerkt (geld, in België geldige postzegels, fiscale bandjes).
De in het buitenland gevestigde belastingplichtigen die in België geen vaste inrichting hebben, en die het inzicht hebben hier te lande een handeling te verrichten ( invoer, levering van goederen, dienstverrichting) zijn gehouden, alvorens hier die handeling te verrichten, een hier gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (Wetboek, art. 55).
De toepassingsmodaliteiten van artikel 55 van het Wetboek maken het voorwerp uit van een koninklijk besluit.
Hoofdstuk I.
Voorwaarden waaronder goederen op het grondgebied van het
Rijk mogen worden gebracht.
1. Reden van bestaan van die voorwaarden.
De invoer van goederen in België is onderworpen aan zekere voorwaarden, die tot doel hebben de invoerder te verplichten aangifte te doen bij een daartoe speciaal aangewezen kantoor, van enerzijds, de aard, de hoeveelheid en de waarde van de goederen die hij invoert en, anderzijds, van de bestemming die aan de goederen zal worden gegeven.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 7, van 12 maart 1970, bepaalt dan ook dat wanneer de douanereglementering van toepassing is aan de grens, de invoer van goederen onderworpen is aan de voorwaarden gesteld in die reglementering, zelfs wanneer de ingevoerde goederen wegens hun aard, hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
Hetzelfde artikel bepaalt anderdeels dat, wanneer de douanereglementering aan de grens niet van toepassing is, de invoer van goederen onderworpen is aan door de Minister van Financiën vast te stellen voorwaarden.
2. Grenzen waar de douanereglementering niet meer van toepassing is of niet meer van toepassing zal zijn.
A. Belgisch-Luxemburgse grens.
Ingevolge de tussen België en het Groothertogdom Luxemburg bestaande economische unie, vormt het grondgebied van die landen slechts één enkel douanegebied. Daaruit volgt dat het overschrijden van de Belgisch-Luxemburgse grens niet beschouwd wordt als een invoer of een uitvoer wat de toepassing van invoerrechten betreft.
Al is de douanegrens hier verdwenen, de fiscale grens blijft bestaan. Voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, blijft de verzending van goederen naar het Groothertogdom Luxemburg een uitvoer en de tegenovergestelde beweging een invoer.
B. Belgisch-Nederlandse grens.
Door een overeenkomst gesloten tussen de drie Benelux-landen tot eenmaking van hun douanegebied, zal de douanereglementering niet meer van toepassing zijn aan de Belgisch-Nederlandse grens vanaf 1 januari 1971. Voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde echter, blijft de verzending van goederen naar Nederland een uitvoer en de tegenovergestelde beweging een invoer.
3. Grenzen waar de douanereglementering van toepassing blijft.
Op 1 januari 1971 blijft de douanereglementering van toepassing aan de zeegrens, alsook aan de Belgisch-Franse, en de Belgisch-Duitse grens.
Die regeling bepaalt dat de invoer van goederen moet gebeuren langs geoorloofde wegen die naar een douanekantoor leiden waar de goederen moeten worden aangeboden en worden aangegeven tijdens de openingsuren van het kantoor. Die verplichting geldt niet enkel wanneer invoerrechten of accijns moeten worden betaald, maar eveneens wanneer de goederen vrijgesteld zijn van die belastingen.
De douaneregeling is inzake de BTW van toepassing, zelfs wanneer de over die grenzen ingevoerde goederen niet belastbaar zijn met invoerrechten uit hoofde van hun aard, hun herkomst of om gelijk welke andere reden (kon. besl. nr. 7, art. 1, tweede lid).
Het niet naleven van die verplichtingen wordt beschouwd als een overtreding van de verplichting de belasting te voldoen.
4. Inzake de belasting over de toegevoegde waarde opgelegde verplichtingen voor het brengen van goederen over de Benelux-binnengrenzen.
Die verplichtingen zullen worden verklaard in een ministerieel besluit (kon. besl. nr. 7, art. 1, derde lid). Verwacht kan worden dat bedoeld besluit, aan die grenzen dezelfde verplichtingen zal opleggen als die welke inzake douane bestaan voor het brengen van goederen op het grondgebied van het Rijk.
5. Aangifte van de goederen.
Na over de grens te zijn gebracht, moeten de goederen worden aangeboden en aangegeven voor een bepaalde bestemming, op een douanekantoor, of indien het gaat om goederen ingevoerd over een Benelux-binnengrens, op een kantoor dat de rol van douanekantoor vervult (kon. besl. nr. 7, art. 3).
De aangifte gebeurt mondeling of schriftelijk.
Zij dient schriftelijk te geschieden op een formulier dat overeenstemt met het door de administratie opgestelde model :
1 o wanneer het gaat om een invoer over een andere grens, dan een Benelux-binnengrens, ongeacht de bestemming van de goederen.
2 o wanneer het gaat om een invoer over een Benelux-binnengrens, voor een bestemming die niet het verbruik is.
De aangifte gebeurt mondeling bij invoer over een Benelux-binnengrens van voor het verbruik aangegeven goederen (kon. besl. nr. 7, art. 2, § 2).
In de regel eist de douanereglementering de afgifte van een kopiefactuur tot staving van de aangifte. Een zelfde regeling zal gevolgd worden voor de invoeren over de Benelux-binnengrenzen, ook indien de aangifte mondeling gebeurt. Is er geen factuur dan zal door de administratie worden aangewezen welk stuk de kopiefactuur vervangt. De Administratie kan ook in bijzondere gevallen ontheffing toestaan van de verplichting een kopiefactuur of ander stuk af te geven. Dat zal onder meer gebeuren bij invoer van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en, vanaf 1 juli 1972, voor firma's bij wie een controle op een andere plaats dan de grens zal mogelijk blijken.
6. Bestemming van de goederen.
De aangifte moet aan de goederen een van de vier volgende bestemmingen geven :
het verbruik, de doorvoer, het entrepot of de tijdelijke vrijstelling (besluit nr. 7, art. 2, 1, 1ste lid).
De aangifte ten verbruik kan gebeuren met voldoening van de BTW, met vrijstelling van de BTW onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 20 tot 24 van het koninklijk besluit nr. 7, of met vrijstelling bij toepassing van artikel 42 van het Wetboek.
De andere drie bestemmingen kunnen gegeven worden aan de goederen die slechts tijdelijk in het land verblijven. De invoer voor die bestemmingen, bekomen de vrijstellingen ingesteld door artikel 24 van het Wetboek, onder de voorwaarden gesteld door de artikelen 12 tot 14 en 25 tot 28 van het koninklijk besluit nr. 7.
Wanneer de invoerder aan de ingevoerde goederen een bepaalde bestemming geeft voor de toepassing van de invoerrechten, dan moet hij, behoudens afwijking, de goederen voor de BTW dezelfde bestemming geven (kon. besl. nr. 7 art. 2, 1, tweede lid).
Die bepaling heeft tot doel te vermijden dat de invoerrechten zouden geïnd worden door een land, terwijl de goederen in dat land niet werkelijk zullen worden verbruikt.
Voorbeeld :
Een machine wordt ingevoerd over Antwerpen en is bestemd voor een koper gevestigd in Frankrijk. Bij die invoer, mag de aangever de machine niet ten verbruik aangeven voor de invoerrechten en een document van vrijstelling doen geldig maken voor de toepassing van de BTW. Inderdaad, in dat geval zouden de invoerrechten door de Belgische Staat worden opgestreken, terwijl de machine in Frankrijk zal worden gebruikt.
Die regel zal echter slechts toepasselijk zijn wanneer de gegeven bestemming op douanegebied ook kan gegeven worden voor de BTW. Aldus, kunnen goederen op de proef met tijdelijke vrijstelling van invoerrechten worden ingevoerd, maar zij moeten ten verbruik worden aangegeven voor de toepassing van de BTW, want geen enkele vrijstelling van die laatste belasting bestaat in dat geval.
Er zijn anderzijds afwijkingen van dit principe noodzakelijk. Inderdaad, bij invoer in België van goederen bestemd om te worden verbruikt in het Groothertogdom Luxemburg, worden de invoerrechten dikwijls in België voldaan, en in een gemeenschappelijke kas gestort. Voor de toepassing van de BTW kan de administratie toestaan dat zulke invoeren gebeuren onder een doorvoerregeling.
Hoofdstuk II.
Invoer met voldoening van de BTW.
Afdeling 1. - Berekening van de BTW.
7. Tarieven.
De BTW-tarieven verschuldigd bij invoer van goederen zijn dezelfde als bij leveringen in het binnenland (6, 14, 18, 25 pct.). Hetzelfde geldt voor de egalisatiebelasting (15 of 33 pct.).
Die tarieven zijn aangeduid, naast de post van het tarief voor invoerrechten, in de brochure « Tarief van de BTW bij invoer » die eerlang zal verschijnen.
Voor de invoer van goederen in aan particulieren gerichte kleine zendingen of die zich bevinden in de persoonlijke bagage van reizigers, zal een forfaitair tarief vastgesteld worden bij ministerieel besluit (kon. besl. nr. 7, art. 35, § 1).
8. Wijziging van de tarieven.
De datum voor het bepalen van het BTW-tarief wordt vastgesteld volgens de inzake invoerrecht geldende regels; ook al heeft de invoer betrekking op goederen die wegens hun aard, hun herkomst of om enig andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn (z. bijlage 1).
9. Bijzondere regels.
Wanneer goederen tijdelijk worden ingevoerd met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrecht, terwijl de BTW verschuldigd is, dan wordt de douane-aangifte beschouwd als een aangifte ten verbruik voor de BTW en die aangifte stelt op definitieve wijze het toepasselijk BTW-tarief vast. Wanneer later, het invoerrecht dat op het tijdstip van de invoer niet werd voldaan, betaald wordt of eisbaar wordt, dient een herziening van de heffing te geschieden, rekening houdend met de maatstaf van heffing bepaald door artikel 34 van het Wetboek en met het tarief toepasselijk op het tijdstip waarop het document van tijdelijke vrijstelling werd afgegeven; van het aldus verkregen bedrag van de BTW wordt de vroeger betaalde BTW afgetrokken.
Voorbeeld.
Een machine, waarde 1.000.000 frank, gefabriceerd in Engeland wordt ingevoerd te Antwerpen met bestemming een persoon die ze op proef heeft gekocht. Bij de invoer, vraagt en bekomt de aangever vrijstelling van invoerrecht. De BTW is onmiddellijk eisbaar, daar geen enkele bepaling van het koninklijk besluit nr. 7, een vrijstelling instelt voor invoer van een op de proef aangekocht goed. Verschuldigd 1.000.000 tegen 18 pct. = 180.000 frank.
Indien later de koper op proef, de machine definitief koopt, wordt het invoerrecht, bij veronderstelling 20 pct., eisbaar d.i. 1.000.000 tegen 20 pct. = 200.000 frank, en de BTW moet geheven worden op het bedrag van het invoerrecht, dat een van de elementen is van de maatstaf van heffing (Wetboek, art. 34), dat geeft een bijkomende BTW van 36.000 frank (200.000 tegen 18 pct.).
Afdeling 2. - Maatstaf van heffing van de BTW.
10. Principe.
Wanneer de ingevoerde goederen werden verkregen tegen betaling van een prijs, is die prijs, vermeerderd met bepaalde kosten, de maatstaf van heffing.
Gaat het om een invoer zonder betaling van een prijs, dan wordt de normale waarde van het ingevoerde goed als maatstaf van heffing aangemerkt (Wetboek, art. 33).
In bepaalde gevallen geldt evenwel een minimummaatstaf van heffing.
A. Invoer van goederen verkregen tegen betaling van een prijs.
11. Elementen van de maatstaf van heffing.
De BTW wordt berekend over het totale bedrag van de koopprijs en van de lasten en andere prestaties die de leverancier oplegt.
De volgende kosten moeten aan de koopprijs worden toegevoegd, voor zover ze daarin niet reeds zijn begrepen :
a) de kosten van gewone en gebruikelijke verpakking;
b) de kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering, vanaf de plaats van verzending in het buitenland tot op de plaats van bestemming hier te lande;
c) de commissielonen en alle andere bijkomende kosten;
d) de ter zake van invoer verschuldigde rechten, belastingen, taksen en heffingen, met uitzondering van de BTW zelf;
e) in voorkomend geval, de kosten van het werk dat de geadresseerde voor de invoer aan de goederen heeft verricht of heeft laten verrichten.
12. Koopprijs.
De in aanmerking te nemen koopprijs is de prijs die moet worden betaald door de geadresseerde, d.w.z. de persoon op wiens naam de BTW wordt voldaan.
Indien de BTW in de prijs is begrepen, wordt het bedrag van die belasting verkregen door de formule
(P X t)/(100 + t) waarin P de prijs inclusief de BTW is en t het tarief van de BTW.
Voorbeeld :
Stel dat de prijs inclusief BTW 118.000 F is Het bedrag van de in de prijs begrepen
BTW = (118.000 X 18)/(100 + 18) = 18.000 F.
Prijs zonder BTW = 100.000 F.
13. Prijs uitgedrukt in een vreemde munt.
Wanneer de prijs is uitgedrukt in een vreemde munteenheid, is de toe te passen wisselkoers die welke overeenstemt met de pariteit die is opgegeven bij en erkend door het Internationaal Monetair Fonds (I.M.F.), tenzij de fluctuaties van de koers van die munteenheid verder van de pariteit afwijken dan krachtens de regelen van de genoemde instelling is toegestaan.
Ten aanzien van landen die geen pariteit bij het I.M.F. hebben opgegeven of waarvan de opgegeven pariteit door het Fonds niet wordt erkend, maar waarvan de munteenheid wordt genoteerd op de officiële valutamarkt van België, is de toe te passen wisselkoers de laatste verkoopkoers genoteerd op die valutamarkt.
Voor andere munteenheden dan hiervoor bedoeld en voor de munteenheid van een land dat abnormale wisseltechnieken toepast, zoals variabele of multiple wisselkoersen, wordt de toe te passen wisselkoers vastgesteld door de Minister van Financiën (Wetboek, art. 27).
Indien de partijen zelf in hun overeenkomst een wisselkoers hebben bepaald, geschiedt de omrekening tegen de overeengekomen wisselkoers.
14. Kosten van verpakking.
De kosten van gewone en gebruikelijke verpakking moeten aan de koopprijs van de goederen worden toegevoegd. Deze regel is toepasselijk niet alleen wanneer de verpakking niet teruggenomen wordt door de leverancier, maar ook wanneer ze hem moet worden teruggezonden.
De niet gewone of niet gebruikelijke verpakkingsmiddelen zijn goederen die onderscheiden zijn van de goederen die zij bevatten. Zij dienen belast te worden tegen het tarief dat hun eigen is.
De kosten van verpakking (gewone of gebruikelijke, of niet) moeten nochtans niet bij de prijs worden gevoegd wanneer de verpakkingsmiddelen met tijdelijke vrijstelling van de BTW worden toegelaten onder de voorwaarden van artikel 25, bijlage 19 o, van het besluit nr. 7. Het spreekt echter vanzelf dat een herziening van de maatstaf van heffing plaats heeft indien deze verpakkingsmiddelen niet wederuitgevoerd worden.
15. Kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering.
Onder kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering die bij de koopprijs worden gevoegd, moeten worden verstaan, die kosten vanaf de plaats van verzending in het buitenland tot op de plaats van bestemming hier te lande.
De kosten moeten bij de koopprijs worden gevoegd ongeacht of de verkoper ze voorgeschoten heeft en ze afzonderlijk aan zijn koper in rekening brengt dan of de koper ze krachtens een overeenkomst tussen de partijen bij aankomst moet betalen. De kosten moeten ook bij de prijs worden gevoegd wanneer de koper het vervoer met eigen middelen verricht.
Onder kosten van met vervoer gepaard gaande handelingen moeten worden verstaan, de kosten in rekening gebracht aan de geadresseerde voor diensten die betrekking hebben op het vervoer van de ingevoerde goederen, zoals het slepen, het laden, het ontladen, het behandelen het wegen, enz.
Wanneer de goederen « franco bestemming » zijn verkocht, dient er uiteraard niets bij de koopprijs te worden gevoegd. Maar in tegenstelling met wat bepaald is inzake de berekening van het invoerrecht mag geen enkele som van de prijs worden afgetrokken wegens kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering die betrekking hebben op het deel van het traject in België na de aangifte tot verbruik.
16. Plaats van bestemming.
In de regel is de plaats van bestemming de plaats waarnaar de goederen verzonden worden vanaf het vertrekpunt in het buitenland en waar de geadresseerde de ingevoerde goederen in bezit neemt. Het komt de geadresseerde toe de plaats van bestemming aan te duiden en aan de hand van de vervoersdocumenten te bewijzen dat de goederen verzonden worden van de plaats van dedouanering tot de plaats waar hij ervan in het bezit gekomen is.
17. Commissieloon en andere bijkomende kosten.
De in de maatstaf van heffing te begrijpen commissielonen zijn de vergoedingen betaald aan makelaars en mandatarissen die betrokken waren bij de aankoop van goederen, waarvan de levering in het buitenland plaats heeft gehad.
Als bijkomende kosten moeten worden aangemerkt de kosten die met de invoer zijn verbonden en die normaal voor de aangifte ten verbruik worden gemaakt. Worden niet bedoeld : de kosten van een zuiver vrijwillige daad, van een fout of van een nalatigheid van de invoerder of die het gevolg zijn van toeval.
Hoeven dus niet in de maatstaf van heffing te worden begrepen onder meer, de magazijnrechten voor opslag in het douane-entrepot, de nalatigheidsinteresten voor de niet tijdige betaling van het invoerrecht alsmede de som betaald voor de diensten van de commissionair-verzender, van de commissionair bij het vervoer of van de grensexpediteur die door de invoerder met de aangifte ten verbruik werd belast.
18. Rechten, belastingen, taksen en heffingen.
Hieronder verstaat men - met uitzondering van de BTW zelf - alle belastingen waarvan de betaling samengaat met de aangifte ten verbruik en die derhalve in de waarde van de goederen zijn begrepen wanneer deze door de douane worden vrijgegeven tot vrije beschikking van de invoerder. Deze belastingen zijn : het invoerrecht, de bijzondere accijns, de verbruikstaks.
Bij de koopprijs moeten worden gevoegd de som betaald voor bepaalde goederen als vergunningsrecht, vergunningszegel of landbouwheffing, alsmede de rechten wegens sanitair onderzoek, de bij de invoer aan sommige controleorganisaties verschuldigde vergoedingen.
Hetzelfde geldt voor de compenserende heffingen en andere heffingen die verschuldigd zijn bij de invoer van sommige goederen ter uitvoering van verordeningen van de Europese Economische Gemeenschap.
Voor de landbouwheffingen moet de op de invoervergunning vermelde som in aanmerking worden genomen.
19. Bewerking in het buitenland.
Bij de koopprijs moeten worden gevoegd de kosten van het werk dat de geadresseerde of een voor diens rekening handelend persoon de goederen voor hun invoer in het land heeft laten ondergaan.
Voorbeeld : een handelaar, nl in het buitenland ongebleekte weefsels te hebben gekocht, gelast een industrieel of een ambachtsman in het buitenland deze weefsels te verven; bij de invoer van de geverfde weefsels is de BTW verschuldigd over de koopprijs verhoogd met de prijs van het verven en met de andere bijkomende kosten.
20. Sommen die niet tot de maatstaf van heffing behoren.
De volgende sommen behoren niet tot de maatstaf van heffing, niet alleen wanneer ze betrekking hebben op de koopprijs maar eveneens wanneer ze de andere elementen betreffen die deel uitmaken van de maatstaf van heffing (kosten van vervoer enz.) : R1 o de sommen die van de prijs mogen worden afgetrokken als korting. Die regel is toepasselijk zonder dat dient te worden nagegaan of de klant werkelijk de korting verkrijgt.
2 o de prijsverminderingen die aan de geadresseerde zijn toegekend en door deze laatste zijn verkregen op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd is. Zij kunnen worden toegekend als bonificatie, commissie, korting of onder een gelijkaardige benaming. Het heeft geen belang dat ze pas na verloop van een bepaalde tijd betaalbaar zijn, maar vereist is dat de geadresseerde daarop een verworven recht heeft op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd is.
3 o de interesten wegens niet tijdige betaling. Hier worden niet alleen de interesten bedoeld die in rekening worden gebracht omdat de termijn van de betaling niet in acht werd genomen, maar ook de conventionele interesten die door de klant moeten worden betaald omdat de leverancier hem betalingsfaciliteiten heeft toegestaan.
4 o de sommen voorgeschoten door de leverancier voor uitgaven die hij ten name en voor rekening van zijn koper heeft gedaan, voor zover dat die uitgaven zelf niet in de maatstaf van heffing moeten worden begrepen.
B. Invoer zonder betaling van een prijs.
21. Normale waarde.
Wanneer de invoer niet het gevolg is van een contract waarbij de eigendom van het goed wordt overgedragen (b.v. invoer door de eigenaar) of wanneer de ingevoerde goederen zijn verkregen zonder vergoedingen (b.v. schenking), of tegen een prestatie die niet of niet uitsluitend uit een geldsom bestaat (b.v. inbreng in vennootschap), wordt de maatstaf van heffing bij invoer bepaald door de normale waarde van het ingevoerde goed. Deze waarde is de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd wordt, in dezelfde handelsfase voor het ingevoerde goed kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
De kosten hiervoor opgesomd hoeven bij toepassing van de normale waarde niet meer bij de maatstaf van heffing te worden gevoegd.
De normale waarde mag niet worden verward met de douanewaarde, inderdaad, de douanewaarde begrijpt niet de kosten van vervoer vanaf de plaats van dedouanering tot de plaats van bestemming hier te lande, noch de belastingen en andere rechten verschuldigd bij de invoer (zie nr. 18).
C. Gemene bepalingen.
22. Minimummaatstaf van heffing.
Ten aanzien van goederen die aan invoerrecht zijn onderworpen naar hun waarde, mag de maatstaf van heffing van de BTW in geen geval lager zijn dan de waarde waarover het invoerrecht wordt berekend, vermeerderd met dat recht.
23. Afronding.
De maatstaf van heffing hoeft voor de berekening van de BTW niet te worden afgerond, wel het bedrag van de BTW. Wanneer het bedrag van de verschuldigde BTW een fractie van een frank bevat, moet die fractie afgerond worden op de hogere of op de lagere frank naargelang ze al dan niet 50 centiem bereikt.
Die afronding wordt verricht per document en, in voorkomend geval, afzonderlijk voor de BTW en voor de egalisatiebelasting (kon besl. nr. 8, art. 1). Indien voor de ingevoerde goederen die op een zelfde document zijn vermeld, verschillende tarieven van toepassing zijn, moet alleen het totaal van de BTW of van de egalisatiebelasting afgerond worden. Het staat de belanghebbende evenwel vrij de afronding te doen per tarief.
Afdeling 3. - Voldoening van de BTW.
A. Tijdstip van voldoening.
24. Principe.
De BTW is verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen in het land worden binnengebracht. Zij is opvorderbaar en moet in principe worden voldaan op het tijdstip van het indienen van de aangifte ten verbruik.
Op die regel zijn twee uitzonderingen :
1 o De Minister van Financiën kan uitstel van betaling toestaan tot bij het verstrijken van een termijn van ten hoogste tien dagen te rekenen vanaf de invoer (kon. besl. nr. 7, art. 4).
2 o De betaling kan worden verlegd naar het binnenland in de gevallen bedoeld in de nrs. 36 en 37.
B. Personen die de BTW moeten betalen.
25. Geadresseerde.
De BTW wordt voldaan op naam van de geadresseerde van de ingevoerde goederen (kon. besl. nr. 7, art. 5). Het bepalen van deze persoon is belangrijk om de maatstaf van heffing van de verschuldigde taks te bepalen en om de persoon aan te duiden die de aftrek van de bij invoer betaalde taks mag verrichten.
26. Verkrijger of overnemer.
De geadresseerde is de verkrijger of overnemer aan wie de goederen worden verzonden op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd is (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 1).
De verkrijger of overnemer moet de goederen verkregen hebben op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, d.w.z. op het tijdstip van de invoer en de goederen moeten hem verzonden zijn van de plaats van binnenbrengen in het land tot de plaats waar hij er de beschikking over heeft.
Er hoeft niet te worden nagegaan of de goederen verkregen of overgenomen zijn in uitvoering van een contract houdende overdracht of aanwijzing van eigendom, onder bezwarende titel of om niet, of indien het om in hun soort bepaalde goederen gaat of de eigendomsoverdracht verricht wordt voor de invoer.
27. Eigenaar.
Wanneer er geen verkrijger of overnemer is, is de geadresseerde degen die eigenaar is van de goederen (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 1).
Hier wordt onder meer bedoeld de voortbrenger in het buitenland die goederen van zijn produktie invoert.
28. Verkoper of vorige verkoper.
Om commerciële of technische redenen zou de verkoper of de vorige verkoper er belang kunnen bij hebben als geadresseerde op te treden om aan zijn koper niet de identiteit van zijn leverancier te laten kennen of hem niet te laten weten dat de hem geleverde goederen uit het buitenland komen. Het is evenwel van belang dat in zulk geval de verkoper of de vorige verkoper de mogelijkheid heeft de ter zake van de invoer van de goederen betaalde belasting af te trekken. Daarom kunnen, alleen de verkopers of vorige verkopers die in België gevestigd zijn of er een vaste inrichting of aansprakelijke vertegenwoordiger hebben, de hoedanigheid van geadresseerde nemen.
Indien dan de verkoper of de vorige verkoper de hoedanigheid van geadresseerde heeft is de levering aan de koper niet belastbaar ingevolge de artikelen 15, § 1, en 16 van het Wetboek omdat het vervoer van de goederen begonnen is in het buitenland. Dit zou tot abnormale toestanden kunnen leiden. Daarom bepaalt art. 51, § 4, van het Wetboek dat, indien de belasting regelmatig werd betaald op naam van de verkoper die de hoedanigheid van geadresseerde heeft, de leveringen door deze laatste of eventueel de daarop volgende leveringen geacht worden hier te lande te zijn verricht en aldus de belasting opeisbaar maken.
Voorbeeld :
A, in België gevestigd, koopt goederen in het buitenland voor 10.000 F. De kosten van vervoer en andere bijkomende kosten, bedragen 2.000 F (BTW niet inbegrepen). A verkoopt de goederen terug aan B voor 15.000 F, alle leveringskosten inbegrepen (prijs franco bestemming) met uitzondering van de BTW.
1 o De goederen zijn verzonden aan B en worden door hem ingevoerd; B is dus de geadresseerde :
De levering van de goederen door A aan B heeft plaats in het buitenland en is dus niet onderworpen aan de BTW. Bij de invoer betaalt B de BTW op zijn naam op de prijs van 15.000 F.
2 o De goederen zijn verzonden aan B maar A neemt de hoedanigheid van geadresseerde :
Bij de invoer betaalt A de BTW op zijn naam op de prijs van 12.000 F. Bij toepassing van artikel 51, § 4, van het Wetboek zal de levering van A aan B geacht worden hier te lande te zijn verricht en zal ter zake van die levering de belasting eisbaar zijn op 15.000 F.
29. Speciale gevallen.
1 o Verzending van goederen aan een commissionair of aan een door artikel 13, § 2, van het Wetboek met een als commissionair gelijkgesteld persoon.
Die tussenpersonen worden als koper of als verkoper aangemerkt door artikel 13 van het Wetboek. De regels van nrs. 26 en 28 hiervoor zijn op hen toepasselijk.
2 o Verzending van een aan een hier te lande gevestigd persoon in huur gegeven goed.
De eigenaar van de ingevoerde goederen moet de geadresseerde zijn en niet de huurder.
3 o Verzending van een goed naar een depothouder.
Wanneer de goederen verzonden worden naar een depothouder die geen consignataris is mag deze depothouder niet de hoedanigheid van geadresseerde nemen.
4 o Zending van een goed op zicht, op proef of in consignatie.
Degene aan wie de goederen verzonden worden op zicht, op proef of in consignatie kan de geadresseerde zijn op voorwaarde :
1 o dat die persoon een belastingplichtige is die een maandaangifte of een kwartaal aangifte moet indienen; R2 o dat, indien hij de goederen niet koopt, ze terug uitvoert;
3 o dat de persoon die op zicht, op proef of in consignatie verzendt, geen vaste inrichting of aansprakelijke vertegenwoordiger heeft in België (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 2, 1 o).
In beginsel, zouden de op zicht (verkoopaanbieding) of op proef of in consignatie (verkoop onder opschortende voorwaarde) gezonden goederen, ten verbruik moeten worden aangegeven met betaling van de taks op naam van de eigenaar van de goederen aangezien op het tijdstip waarop de taks verschuldigd is die goederen nog niet gekocht werden.
De strikte toepassing van dat principe houdt noodzakelijk in dat de vreemde verkoper, die de belasting die hij bij de invoer zou betalen. zou willen aftrekken, een aansprakelijke vertegenwoordiger zou dienen aan te stellen indien hij geen vaste inrichting hier te lande bezit.
De bereikte oplossing maakt het niet noodzakelijk dat de verkoper een aansprakelijke vertegenwoordiger zou aanstellen voor een handeling die misschien een alleenstaande handeling zal zijn.
Op te merken is dat, in tegenstelling met wat onder de regelingen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen gebeurde, de drie juridische figuren waarbij een goed ter beschikking van een mogelijke koper kan worden gesteld om hem de kwaliteit van de goederen die hij wenst te kopen te kunnen laten beoordelen, op dezelfde manier zullen behandeld worden in het stelsel van de BTW.
Krachtens de algemene principes kan de mogelijke koper onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk de belasting aftrekken die hij bij de invoer zal betaald hebben. Geen enkele herziening van de heffing of van de verrichte aftrek dient te worden gedaan indien de geadresseerde de ingevoerde goederen koopt of ze terug uitvoert. Maar, indien de mogelijke koper de goederen hier te lande opnieuw ter beschikking van zijn medecontractant stelt zal hij de heffing en de aftrek die hij heeft gedaan moeten herzien, volgens te bepalen modaliteiten.
5 o Zending van een goed dat een bewerking, een verwerking of een herstelling moet ondergaan voor de wederuitvoer.
Onder dezelfde voorwaarden als die gesteld voor de zending op zicht, op proef of in consignatie mag de werkaannemer of de loonwerker de geadresseerde zijn (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 2, 2 o
Met die oplossing kan de werkaannemer of loonwerker, eventueel, de vrijstelling geregeld door artikel 43 van het Wetboek of de verlegging van de heffing op grond van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7 inroepen.
De geadresseerde zal de taksen kunnen aftrekken die hij bij de invoer heeft betaald. Geen enkele herziening van de heffing en de aftrek dient te worden verricht als de geadresseerde de ingevoerde goederen koopt of wederuitvoert. Indien echter de geadresseerde de goederen hier te lande opnieuw ter beschikking stelt van zijn medecontractant zal hij de heffing en de aftrek die hij heeft gedaan moeten herzien volgens te bepalen modaliteiten.
30. Personen die gehouden zijn tot voldoening van de BTW.
De geadresseerde, de aangever (d.w.z. de persoon die de aangifte doet op het douanekantoor) en zijn lastgever zijn hoofdelijk gehouden tot voldoening van de BTW. De aangever en zijn lastgever zijn ontheven van die verplichting wanneer ze niet als geadresseerde zijn opgetreden en als de belasting in het binnenland moet worden voldaan op de wijze aangeduid onder de nrs. 36 tot 41 (kon. besl. nr. 7, art. 8).
Zijn er eveneens toe gehouden de BTW te voldoen de aansprakelijke vertegenwoordiger van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige, alsmede sommige personen die een overtreding hebben begaan (zie Wetboek, art. 70, § 4, en art. 73, § 4).
C. In te reiken documenten tot verzekering van de voldoening.
31. Documenten 45A, 45B, en lijsten 45A bis en 45B bis.
Met het oog op de voldoening van de BTW, dient de aangever een document op te stellen dat hij moet voorleggen aan de ontvanger der douane samen met de aangifte ten verbruik (kon. besl. nr. 7, art. 9)
Dat document kan zijn :
1 o een document 45A, gedrukt op wit papier, wanneer de geadresseerde een belastingplichtige is, een kleine detaillist onderworpen aan de egalisatiebelasting of een landbouwondernemer onderworpen aan het bijzonder stelsel bedoeld in artikel 57 van het Wetboek;
2 o een document 45A, gedrukt op geel papier, wanneer de geadresseerde een niet-belastingplichtige is;
3 o een document 45B, gedrukt op roze papier, wanneer de geadresseerde een belastingplichtige is en de invoer plaatsvindt zonder betaling van de BTW of met voldoening van de BTW tegen een tarief dat lager is dan het hoogste tarief dat van het ingevoerde goed verschuldigd kan zijn. De aangever moet dan op het document in een door hem ondertekende verklaring, de wettelijke, reglementaire of administratieve bepaling vermelden waarbij de vrijstelling of de voldoening van de belasting tegen een lager tarief wordt geregeld (kon. besl. nr. 7, art. 9, § 1).
Lijsten 45A bis, gedrukt op wit of geel papier, en lijsten 45B bis, gedrukt op roze papier, bestaan voor het vervolg van de aanduiding van de goederen wanneer de ruimte hiertoe op de documenten 45A of 45B onvoldoende is. Die lijsten moeten worden gehecht aan de documenten 45A of 45B die ze vervolledigen.
De documenten 45A of 45B en de lijsten 45A bis of 45B bis moeten in tweevoud worden opgesteld. Een exemplaar is bestemd voor de Administratie en wordt door de douane ingehouden; het andere exemplaar is bestemd voor de aangever en wordt hem terugbezorgd (kon. besl. nr. 7, art. 9, § 1). De aangever is ertoe gehouden dat exemplaar aan de geadresseerde te overhandigen die het moet bewaren. Indien de geadresseerde voor de ingevoerde goederen een factuur ontvangt, dient hij op het exemplaar voor de aangever van het document een verwijzing naar de factuur aan te brengen en op de factuur een verwijzing naar het document (kon. besl. nr. 7, art. 11).
32. Afzonderlijk document per geadresseerde. - Gegroepeerde zendingen.
Een afzonderlijk document 45A of 45B moet worden opgemaakt voor iedere geadresseerde.
Ingeval van groepagezending moeten al de documenten vergezeld zijn van een samenvattend borderel waarin, per document, naam en adres van de geadresseerde, het aantal, de soort, de merken en de nummers van de colli, de hoeveelheid en de waarde van de goederen en het bedrag van de BTW weergegeven zijn (kon. besl. nr. 7, art. 9, § 2).
D. Wijzen van voldoening van de belasting.
33. Betaling op het douanekantoor.
De voldoening van de BTW en, eventueel van de egalisatiebelasting, vindt plaats op het douanekantoor op een der volgende wijzen :
1 o Door middel van fiscale plakzegels.
De zegels worden in hun geheel aangebracht op de keerzijde van het exemplaar voor de aangever van de documenten 45A of 45B.
Het aanbrengen van de zegels wordt, zo nodig, voortgezet op een of meer supplementaire documenten 45A of 45B of op de lijsten 45A bis of 45B bis, wanneer dergelijke lijsten aan de documenten 45A of 45B werden gehecht.
De zegels worden onbruikbaar gemaakt door de ontvanger der douane.
2 o Door zegeling met een zegelmachine in bepaalde douanekantoren.
In dat geval wordt de belasting in geldspecie voldaan aan de ontvanger van het douanekantoor. De afdruk van de zegelmachine wordt aangebracht op de keerzijde van de documenten 45A of 45B en, eventueel, op de keerzijde van de lijsten 45A bis of 45B bis.
3 o Door zegeling met een door de aangever gebruikte zegelmachine.
Om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen door middel van zijn zegelmachine moet de aangever een vergunning van de Administratie hebben bekomen (kon. besl. nr. 7, art. 6, § 1, derde lid).
4 o In geldspecie.
Deze wijze van voldoening is toepasselijk voor de betaling van de belasting die verschuldigd is voor de goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers of van de belasting die verschuldigd is door personen die toevallig invoeren doen.
34. Verlegging van heffing.
De voldoening van de ter zake van de invoer verschuldigde belasting wordt niet altijd gedaan op het douanekantoor. In de gevallen en onder de voorwaarden die hierna worden onderzocht, mag de voldoening van de belasting worden verlegd naar het binnenland.
35. Begrip.
De verlegging van de heffing is een wijze van voldoening van de BTW die het de belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een maandaangifte of van een kwartaalaangifte, mogelijk maakt, de belasting niet te betalen op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, maar ze te vermelden in vak 13 van zijn maandaangifte of zijn kwartaalaangifte en ze, in de mate dat hij dat mag doen krachtens de algemene regelen, onmiddellijk af te trekken in vak 21 van dezelfde aangifte.
Deze wijze van voldoening mag dus niet worden gebruikt door particulieren, door aan de egalisatiebelasting onderworpen belastingplichtigen, door aan de bijzondere regeling ingesteld door artikel 57 van het Wetboek onderworpen landbouwondernemers, of door in het buitenland gevestigde belastingplichtigen die geen vaste inrichting hebben hier te lande of er geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben.
Bovendien mag deze wijze van voldoening slechts gebruikt worden in de twee volgende gevallen :
1 o voor de invoeren met aangifte ten verbruik die gedaan worden over de Benelux-binnengrenzen, onder de voorwaarden opgesomd in nr. 36 (kon. besl. nr. 7, art. 6, § 2);
2 o voor de tijdelijke invoeren van materieel bestemd voor het uitvoeren van werken van alle aard, onder de voorwaarden opgesomd in nr. 40 (kon. besl. nr. 7, art. 7).
Invoer over de Benelux-binnengrenzen.
36. Voorwaarden.
De verlegging van de heffing is verplicht wanneer de invoer van goederen gedaan wordt over de Benelux-binnengrenzen en wanneer de volgende voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn.
1 o de goederen moeten worden aangeboden op één der kantoren die door een ministerieel besluit zullen worden aangeduid;
2 o de goederen moeten mondeling ten verbruik worden aangegeven;
3 o de goederen moeten worden ingevoerd ter bestemming van een belastingplichtige die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen;
4 o de goederen moeten worden ingevoerd door die belastingplichtige :
a) ofwel ingevolge een contract gesloten met een persoon die gevestigd is in België of in een van de landen waarmee België een verdrag tot wederzijdse bijstand inzake de heffing van de omzetbelasting heeft gesloten. De hier bedoelde landen zijn in feite alleen het Groothertogdom Luxemburg en Nederland;
b) ofwel ingevolge een zending vanuit een inrichting welke die belastingplichtige bezit in het Groothertogdom Luxemburg of Nederland;
5 o de goederen moeten zich in het Groothertogdom Luxemburg of in Nederland in het vrije verkeer bevinden inzake invoerrechten en accijns.
Materieel voor het uitvoeren van werken van alle aard.
37. Beginsel.
Het materieel bestemd voor de uitvoering van werken van alle aard mag tijdelijk worden ingevoerd met verlegging van de heffing van de BTW.
38 . Materieel bestemd voor het uitvoeren van werken.
Begrip.
Het begrip materieel bestemd voor het uitvoeren van werken van alle aard is breed. Het begrijpt op een algemene wijze alle materieel dat rechtstreeks of onrechtstreeks dient voor het uitvoeren van werken (apparaten, werktuigen, instrumenten van alle aard, heftoestellen, vervoermaterieel, verpakkingen, containers, enz.).
Het is van geen belang dat de werken al dan niet worden gedaan ter uitvoering van een werkaannemingscontract of dat ze al dan niet worden gedaan door de eigenaar van her materieel of door de persoon die het materieel invoert.
Het is zonder belang of de werken worden gedaan voor rekening van een particulier of van een overheidslichaam of dat het materieel voortkomt van een lidstaat van de E.E.G. of van een andere Staat.
39. Betekenis van de verlegging van de heffing.
Door de verlegging van de heffing kan hij die er van geniet dezelfde voordelen bekomen als wanneer hem bij de invoer van het materieel een vrijstelling van BTW zou zijn verleend (1). Door de verlegging worden bovendien de beperkingen, de formaliteiten en de controles die de stelsels van vrijstelling over het algemeen meebrengen vermeden. Aldus is hij die de verlegging kan toepassen er niet toe gehouden : R1 o de BTW aan de grens te betalen of een borg te storten tot zekerheid van de voldoening van die BTW. Aangezien de BTW dan slechts moet worden betaald op het tijdstip waarop ze mag worden afgetrokken wordt in feite uitstel van betaling bekomen en wordt de voorfinanciering van de belasting vermeden;
2 o een document van vrijstelling te laten geldigmaken op het tijdstip van de invoer van het materieel in het land;
3 o het materieel tot bepaalde doeleinden te gebruiken.
40. Voorwaarden.
Het materieel bestemd voor de uitvoering van werken van alle aard mag worden ingevoerd met verlegging van de heffing wanneer de navolgende voorwaarden zijn vervuld :
1 o het materieel mag niet langer dan één jaar in het land verblijven;
2 o het materieel moet de eigendom zijn van een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die hier te lande geen vaste inrichting heeft, maar die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen.
Er valt op te merken dat de in het buitenland gevestigde eigenaar die werken in het land uitvoert, of die het ingevoerde materieel verhuurt aan een in het land of in het buitenland gevestigde persoon, in de regel een dienst verricht die in België aan de BTW is onderworpen, en bijgevolg een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen.
Er wordt geen bijzondere vergunning vereist om de verlegging van de heffing toe te passen bij de invoer van de goederen in het land. De in het buitenland gevestigde eigenaar moet echter, voor de invoer, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.
41. Document 45C en lijst 45C bis.
Bij de invoer moet de aangever op het douanekantoor een document 45C, gedrukt op groen papier, voorleggen.
Er bestaan lijsten 45C bis, gedrukt op groen papier, om de omschrijving van de goederen voort te zetten, wanneer hiertoe onvoldoende ruimte is op de documenten 45C.
De documenten 45C en de lijsten 45C bis moeten in tweevoud worden opgesteld. Een der exemplaren is bestemd voor de Administratie en wordt ingehouden door de douane, het andere exemplaar is bestemd voor de aangever en wordt hem teruggegeven.
De aangever moet, in een door hem ondertekende verklaring, de wettelijke, reglementaire of administratieve bepaling vermelden waarbij de verlegging van de heffing wordt toegestaan (kon. besl. nr. 7, art. 7, § 3).
42. Afwijking.
In afwijking van nr. 40, 2 o, zal aan de belastingplichtigen die hier te lande een vaste inrichting hebben, kunnen worden toegestaan de verlegging van de heffing van de bij de invoer verschuldigde belasting toe te passen. Die vergunning zal worden afgeleverd door de Centrale Administratie; ze zal de voorwaarden van de invoer van het materieel in het land vaststellen en zal op het ogenblik van de invoer moeten worden voorgelegd aan de ontvanger der douane van het invoerkantoor (kon. besl. nr. 7, art. 7, § 4).
43. Invoer door een andere persoon dan die aangeduid in nr. 40, 2 o.
Het materieel dat toebehoort aan een persoon die geen vaste inrichting in het land heeft en die geen belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, mag worden ingevoerd met volledige vrijstelling van de BTW, onder de voorwaarden gesteld in artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 7.
Hoofdstuk III.
Invoer van goederen zonder voldoening van de belasting.
Afdeling 1. - Vrijstellingen bedoeld in artikel 24, 1 o, van het Wetboek.
44. Doorvoer.
De invoer van goederen die voor doorvoer worden aangegeven gebeurt met volledige vrijstelling van de BTW. De doorvoer is onderworpen aan de inzake douane gestelde voorwaarden, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht zijn onderworpen (kon. besl. nr. 7, art. 12 en 13, § 1 ) .
45. Verzaking aan de doorvoer.
Wanneer onder een stelsel van doorvoer zijnde goederen een nieuwe bestemming krijgen (verbruik, entrepot, tijdelijke vrijstelling), worden ze geacht te worden ingevoerd op het tijdstip waarop ze die nieuwe bestemming krijgen (kon. besl. nr. 7, art. 13, § 2).
Wanneer de goederen voor het verbruik worden aangegeven zijn de regels uiteengezet in de nrs. 7 tot 23 toepasselijk. Het tarief en de belastbare basis worden bepaald op het tijdstip dat de goederen ten verbruik worden aangegeven.
46 . Entrepot.
De invoer van goederen die in een openbaar, particulier of fictief entrepot worden opgeslagen heeft plaats met volledige vrijstelling van de BTW (kon. besl. nr. 7, art. 12).
De opslag en het verblijf in entrepot, gebeuren onder de voorwaarden en beperkingen gesteld inzake douane, ongeacht of de goederen belastbaar of niet belastbaar zijn met invoerrecht of accijns en ongeacht het land van herkomst (kon. besl. nr. 7, art. 14, § 1).
47. Uitslag uit het entrepot.
Wanneer de goederen uit het entrepot worden uitgeslagen voor een nieuwe bestemming (verbruik, doorvoer, tijdelijke vrijstelling) worden ze geacht te worden ingevoerd op het tijdstip waarop ze voor die nieuwe bestemming worden aangegeven (kon. besl. nr. 7, art. 14, § 3). Wanneer de goederen voor het verbruik worden aangegeven zijn de in de nrs. 7 tot 23 vastgestelde regels toepasselijk. Het tarief en de belastbare basis worden bepaald op het tijdstip van de aangifte ten verbruik.
48. Overdracht van goederen in entrepot.
De overdracht van in entrepot opgeslagen goederen gebeurt met vrijstelling van de BTW.
Wanneer de goederen die in entrepot werden overgedragen naderhand uit het entrepot worden uitgeslagen voor het verbruik, blijft de vrijstelling van de BTW slechts behouden voor de overdracht aan de geadresseerde en, in voorkomend geval, voor de vorige overdrachten (kon. besl. nr. 7, art. 14, § 2).
Voorbeeld :
Wij veronderstellen een persoon A, gevestigd in het buitenland.
A voert goederen hier te lande in en slaat ze op in entrepot. Die verrichting gebeurt met gehele vrijstelling van de BTW.
A draagt de goederen in entrepot over aan B, gevestigd in België voor 1.000 F. Die overdracht is vrijgesteld van de BTW.
B verkoopt de goederen voor 1.200 F aan C, gevestigd in België en C vraagt aan B om de goederen aan hem te zenden.
Twee gevallen kunnen zich voordoen :
1 o C neemt de hoedanigheid aan van geadresseerde van de goederen.
De overdracht door B aan C vond plaats in het entrepot. Zij is dus vrijgesteld van de BTW. Wanneer de goederen het entrepot verlaten, worden ze geacht te zijn ingevoerd op dat tijdstip en, bij onderstelling, worden ze aangegeven voor het verbruik. De aangifte ten verbruik zal gebeuren met voldoening van de BTW op naam van C. De BTW wordt berekend over de aankoopprijs van C, dit is 1.200 F.
De gehele vrijstelling van de BTW die werd toegestaan bij de overdracht door A aan B en door B aan C wordt behouden.
2 o B neemt de hoedanigheid aan van geadresseerde.
De overdracht door B aan C gebeurt in het entrepot. Zij is vrijgesteld van de BTW. Bij het verlaten van het entrepot worden de goederen geacht op dat tijdstip te worden ingevoerd en, bij onderstelling, worden zij aangegeven voor het verbruik. De aangifte ten verbruik zal gedaan worden met betaling van de BTW, over de prijs van 1.000 F op naam van B.
In dat geval blijft de vrijstelling behouden voor de overdracht door A aan B, geadresseerde van de goederen. Zij vervalt voor de overdracht door B aan C.
Afdeling 2.- Vrijstellingen bedoeld in artikel 24, 2 o, van het Wetboek.
49. Algemeenheden.
De invoer van goederen in de gevallen omschreven in hoofdstuk IV van de Inleidende bepalingen van het Tarief van invoerrechten, is geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de BTW, ook al zijn de goederen niet aan invoerrecht onderworpen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden (Wetboek, art. 24, 2 o).
De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de goederen vrij van invoerrecht mogen worden ingevoerd hebben het voorwerp uitgemaakt van het ministerieel besluit van 17 februari 1960, houdende regeling van de vrijstellingen inzake invoerrecht.
De artikelen 16 tot 33 van het koninklijk besluit nr. 7 bepalen de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de goederen mogen worden ingevoerd met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de BTW.
In bepaalde gevallen is de vrijstelling van de belasting afhankelijk van dezelfde voorwaarden die gesteld zijn inzake invoerrecht.
In andere gevallen is de vrijstelling van de belasting afhankelijk van voorwaarden die eigen zijn aan de BTW.
Er bestaan anderdeels gevallen waarin vrijstelling van invoerrecht wordt verleend terwijl er geen vrijstelling van de BTW is. Het omgekeerde komt eveneens voor.
Tenslotte belet het feit dat iemand bij invoer aanspraak kan maken op vrijstelling van de BTW, niet dat die persoon wanneer hij aan de vereiste voorwaarden voldoet, de verlegging van de heffing zou toepassen in plaats van vrijstelling te vragen.
50. Algemene voorwaarden.
De invoer of de wederinvoer van goederen mag gebeuren met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de BTW onder de navolgende algemene voorwaarden :
1 o Een vergunning moet bekomen zijn voor de invoer. Die vergunning kan mondeling of schriftelijk worden verleend, algemeen of bijzonder zijn.
2 o Wanneer de goederen tijdelijk met vrijstelling worden ingevoerd moeten ze worden wederuitgevoerd binnen de termijn die zal worden vastgesteld door de ambtenaar die de vergunning verleent (kon. besl. nr. 7, art. 16). Indien de wederuitvoer niet binnen die termijn plaats vindt, is er misbruik gemaakt van de vrijstelling (z. 5 o, d, hierna).
3 o De belanghebbenden kunnen vragen dat een andere bestemming dan de wederuitvoer (verbruik, entrepot) wordt gegeven aan de met vrijstelling onder voorwaarde van wederuitvoer ingevoerde goederen.
De aanvraag moet gemotiveerd zijn, bij de douanediensten worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van punt 2 en vergezeld gaan van de aangifte voor de nieuwe bestemming.
In dat geval worden deze goederen geacht te worden ingevoerd voor de nieuwe bestemming op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ontvangen (kon. besl. nr. 7, art. 17).
Wanneer bijgevolg de nieuwe bestemming gegeven aan de ingevoerde goederen het verbruik is, zal de BTW berekend worden naar de maatstaf van heffing en tegen de tarieven van nrs. 6 tot 22, en van toepassing op het tijdstip van de aanvraag tot het afzien van de vrijstelling.
Voorbeeld :
A, die in het buitenland is gevestigd, voert op 15 januari 1971 goederen in met een waarde van 10.000 F. Hij vraagt en verkrijgt de vrijstelling van de BTW; die vrijstelling is onderworpen aan de voorwaarde dat de goederen niet verkocht worden in het land. De verblijfsduur van de goederen hier te lande is vastgesteld op zes maanden.
A, die goederen wenst te verkopen, dient op 15 maart 1971 bij de douanediensten een aanvraag in tot het afzien van de vrijstelling die hem werd toegestaan. Zijn aanvraag wordt op 20 maart 1971 ingewilligd. A dient een aangifte ten verbruik in, een document 45A op zijn naam. De waarde van de goederen op 15 maart 1971 wordt geraamd op 9.000 F.
De BTW verschuldigd ter zake van de aangifte voor het verbruik van de goederen moet worden berekend met inachtneming van de waarde van 9.000 F en van het tarief van kracht op 15 maart 1971.
4 o De goederen die met vrijstelling worden ingevoerd onder de voorwaarde van wederuitvoer moeten worden wedervertoond op elk verzoek van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën (kon. besl. nr. 7, art. 16).
5 o Maakt misbruik van de vrijstelling hij die, onder meer :
a) tengevolge van onjuiste of onvolledige gegevens een vrijstelling verkregen heeft, waarop hij geen aanspraak kan maken;
b) de ingevoerde goederen gebruikt voor andere doeleinden dan die bepaald in de beschikkingen die de hem verleende vrijstelling regelen;
c) de met vrijstelling ingevoerde goederen door andere goederen vervangt;
d) de inzake vrijstelling gestelde voorwaarden niet naleeft.
Als een poging tot misbruik van de vrijstelling wordt onder meer beschouwd, her feit onjuiste of onvolledige inlichtingen te verschaffen om een vrijstelling te verkrijgen waarop men geen aanspraak kan maken.
Elk misbruik maakt de voor de invoer verschuldigde belasting opeisbaar vanaf het tijdstip waarop het werd gepleegd.
Het misbruik of de poging tot misbruik kan het intrekken van de verleende vergunning of het verwerpen van de aanvraag tot vergunning tot gevolg hebben.
Wanneer de belasting opvorderbaar wordt ten gevolge van een misbruik van vrijstelling, moet ze worden berekend naar de maatstaf van heffing en tegen het tarief van het tijdstip van de datum van het binnenbrengen van de goederen in het land. In de maatstaf van heffing is evenwel de waarde niet begrepen van de goederen die wederuitgevoerd zijn op het tijdstip dat her misbruik werd gepleegd.
Voorbeeld :
Indien, in het voorbeeld van punt 3 o hiervoor, A de ingevoerde goederen had verkocht, vooraleer te vragen of hij mocht verzaken aan de vrijstelling, dan had hij een misbruik gepleegd op die vrijstelling.
In dat geval zou de BTW verschuldigd voor de inverbruikstelling moeten worden berekend met inachtneming van de waarde van de goederen op het tijdstip dat zij in het land werden binnengebracht, dit is 10.000 F, en van het tarief van kracht op 15 januari 1971.
Zo een deel van de goederen met een waarde van 5.000 F wederuitgevoerd waren alvorens A het misbruik heeft gepleegd, dan zou de maatstaf van heffing verminderd worden tot 5.000 F.
6 o Wanneer de vrijstelling wordt verleend met inachtneming van de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn gesteld door de bepalingen tot regeling van de vrijstelling inzake invoerrecht en er in die bepalingen sprake is van België en andere landen, dient te worden aangenomen dat het in die bepalingen alleen gaat om België (kon. besl. nr. 7, art. 19). Gelet op de overeenkomsten gesloten met de landen van de Benelux of van de E.E.G. wordt de vrijstelling van het invoerrecht soms verleend aan personen gevestigd in het buitenland of is ze geldig voor andere landen dan België. Die bepalingen konden niet toepasselijk worden gemaakt voor de BTW.
51. Speciale voorwaarden.
De bijzondere beperkingen en voorwaarden waarvan de vrijstellingen van de BTW afhankelijk zijn, zullen aangeduid worden in de Instructie BTW 1971.
Hierna worden de regelingen besproken getroffen voor eensdeels de invoer van goederen bestemd tot wederuitvoer na een herstelling, een bewerking of een verwerking te hebben ondergaan of na te zijn aangebracht aan uit te voeren goederen en, anderdeels, voor de goederen die tijdelijk uitgevoerd worden om een van deze handelingen in de vreemde te ondergaan.
A. Tijdelijke invoer van goederen bestemd tot wederuitvoer.
Voor de invoer van goederen die zullen worden wederuitgevoerd na een herstelling, een bewerking, of een verwerking te hebben ondergaan of na te zijn aangebracht aan uit te voeren goederen, stelt het koninklijk besluit nr. 7 geen vrijstelling in welke overeenstemt met die welke inzake douane bestaat. De vervoerder kan nochtans, mits een vergunning te bekomen van de administratie, aanspraak maken op de vrijstelling van artikel 43 van het Wetboek onder de voorwaarden gesteld door de artikelen 9 tot 13 van koninklijk besluit nr. 18.
B. Wederinvoer van tijdelijk uitgevoerde goederen.
In de regel kan de vrijstelling van artikel 31 van het koninklijk besluit nr. 7 slechts worden ingeroepen door niet-belastingplichtigen.
Paragraaf 5 van dat artikel bepaalt evenwel dat door of vanwege de Minister van Financiën aan de belastingplichtigen, die gehouden zijn een maandaangifte of kwartaalaangifte in te dienen, kan toestaan dat de goederen die ze hebben uitgevoerd met vrijstelling worden wederingevoerd.
Die vergunningen zullen worden toegekend onder meer aan de gedeeltelijk-belastingplichtigen en aan de belastingplichtigen die gedurende de overgangsperiode investeringsgoederen uitvoeren.
De vrijstelling wordt verleend tot beloop van het bedrag van de belasting berekend over de normale waarde welke de uitgevoerde goederen, delen en onderdelen zouden hebben op de dag van de invoer, en tegen het tarief dat van toepassing is voor de ingevoerde goederen.
De verschuldigde belasting mag nochtans niet lager zijn dan de belasting berekend over de prijs van het werk vermeerderd met de in de nrs. 12 tot 20 bedoelde bijhorigheden en tegen het tarief dat van toepassing is voor de ingevoerde goederen (kon. besl. nr. 31, § 3).
Voorbeeld :
De uiteindelijk eisbare belasting is dus 270 F.
Indien, in het voorgaande voorbeeld, de waarde van goed A vermeerderd is als gevolg van economische of financiële omstandigheden en zijn waarde op het tijdstip van de invoer kan geschat worden op 1.200 F, zou men hebben :
Wegens het bestaan van een minimummaatstaf van heffing, zou de uiteindelijk eisbare belasting belopen :270 F.
In afwijking van de nrs. 26 tot 28 wordt de belasting voldaan op een document 45A opgemaakt op naam van degene die het goed heeft uitgevoerd.
De vrijstelling van de belasting is volledig voor de goederen die kosteloos hersteld werden in het buitenland, als gevolg van een verplichting tot waarborg, of wegens het bestaan van een fabricatiefout, op voorwaarde dat er geen rekening gehouden werd met de gebrekkige staat van die goederen bij het bepalen van de maatstaf van heffing op het tijdstip van de eerste invoer (kon. besl. nr. 7, art. 31, § 4).
Afdeling 3. - Vrijstellingen bedoeld in artikel 42 van het Wetboek.
52. Opsomming van de gevallen van vrijstelling.
Van de belasting zijn vrijgesteld :
1 o De invoer van :
a) zee- of binnenschepen, daaronder begrepen sleepboten en boten met een bijzondere bestemming, zoals baggermolens, zandzuigers, drijvende kranen (Wetboek, art. 42, § 1, 1").
Niet bedoeld zijn jachten en plezierboten die niet voor gemeenschappelijk vervoer bestemd zijn.
b) vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en andere dergelijke toestellen, bestemd voor gebruik door de Staat of door gemachtigde ondernemers van luchtvervoer (Wetboek, art. 42, § 1, 2 o).
c) goederen bestemd voor de bouw, de uitrusting, het onderhoud of de herstelling van zee- of binnenschepen, of van toestellen bedoeld in letter b hiervoor wanneer die goederen worden ingevoerd door bouwers, eigenaars of uitbaters van evengenoemde schepen of toestellen (Wetboek, art. 42, § 1, 4 o, a).
d) provisie (Wetboek, art. 42, § 1, 4 o, b).
Als provisie worden aangemerkt : de goederen bestemd om te worden verbruikt op zeeschepen, treinen, vliegtuigen, bij de voortbeweging of het onderhoud ervan, en de goederen voor het onderhoud van bemanning en passagiers.
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 7, wordt de vrijstelling verleend onder de voorwaarden die gesteld zijn inzake invoerrecht ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
2 o De invoer van goederen bestemd tot persoonlijk gebruik-daaronder begrepen het gebruik van de gezinsleden-van diplomatieke en consulaire ambtenaren, van de buitenlandse leden van het technisch personeel van in België geaccrediteerde diplomatieke en consulaire posten, alsook van de goederen voor het officiële gebruik van in België geaccrediteerde ambassades, legaties en consulaire posten gevestigd in België, en van de kanselarijgoederen (Wetboek, art. 42, § 2, 1 o).
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr 7, wordt de vrijstelling verleend onder de voorwaarden die besteld zijn inzake invoerrecht, ook als het gaat om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden, niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
3 o De invoer van goederen door internationale instellingen of daaraan verbonden buitenlandse ambtenaren (Wetboek, art. 42, § 2, 2 o) .
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 7, wordt vrijstelling verleend onder de voorwaarden die gesteld zijn inzake invoerrecht ook als het gaat om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
4 o De invoer van goederen hetzij voor officieel gebruik door de krijgsmacht van vreemde Staten toegetreden tot het Noord-Atlantisch Verdrag of door het burgerlijk personeel van die krijgsmacht, hetzij voor de bevoorrading van de messes of kantines van die krijgsmachten (Wetboek, art. 42, § 2, 3 o).
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 7 wordt de vrijstelling verleend onder de voorwaarden, die gesteld zijn inzake invoerrecht, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
5 o Invoer van goederen bestemd voor militaire begraafplaatsen (Wetboek, art. 42, § 2, 4 o).
6 o Invoer van goederen door de « United States Educational Foundation in Belgium » voor officieel gebruik door deze stichting (Wetboek, art. 42, § 2, 5 o).
7 o Invoer van edelstenen door personen die uitsluitend handelaar in die goederen zijn (Wetboek, art. 42, § 3).
Hier worden bedoeld de goederen ingedeeld onder de posten 71.01, 71.02, 71.03 en 71.04 van het Tarief voor Invoerrechten, dit zijn
1. Echte parels, onbewerkt of bewerkt, gevat noch gezet, ook indien aaneengeregen met het oog op het vervoer, doch niet in stellen;
2. Natuurlijke edelstenen (halfedelstenen daaronder begrepen), onbewerkt, geslepen of op andere wijze bewerkt, gevat noch gezet, ook indien aaneengeregen met het oog op het vervoer, doch niet in stellen;
3. Synthetische of gereconstrueerde edelstenen of halfedelstenen, onbewerkt, geslepen of op andere wijze bewerkt, gevat noch gezet, ook indien aaneengeregen met het oog op het vervoer, doch niet in stellen;
4. Poeder en stof, van natuurlijke of van synthetische edelstenen of halfedelstenen.
Bij de invoer van die produkten door personen die uitsluitend handelaar zijn in die goederen, dient een document 45B te worden gebruikt.
Afdeling 4. - Gevallen waarin bij invoer de belasting niet wordt geëist.
53. Opsomming.
A. De belasting wordt niet geëist bij invoer van :
1 o staven zuiver goud of met een gehalte van 900 of meer fijn en ontmuntte goudstukken met uitzondering van de invoer van die goederen door ambachtslieden of industrieën die dit goud zullen bewerken.
Om de vrijstelling te bekomen moet de aangever gebruik maken van een document 45B. Op dat document moet worden vermeld « Monetair Goud ».
2 o muntstukken die in België of in het buitenland in omloop zijn;
3 o effecten (staatspapier, aandelen of obligaties van vennootschappen), bankbiljetten, enz.;
4 o nieuwe postzegels die in België in omloop zijn, behalve wanneer ze door de uitgever ingevoerd worden als materiële waarden;
5 o vreemde fiscale bandjes ingevoerd om aangebracht te worden op goederen bestemd om te worden uitgevoerd.
B. De invoer van sigaren, sigaretten en cigarillo's, rooktabak, snuiftabak en droge pruimtabak, die zullen worden voorzien van belgische fiscale bandjes, is niet aan de belasting onderworpen (Wetboek, art. 58, § 1; kon. besl. nr. 13).
Van natte pruimtabak wordt bij invoer de belasting geheven tegen 6 pct. over de maatstaf bepaald in de artikelen 26 tot 28 en 34 van het Wetboek (zie nrs. 7 tot 23).
C. Worden zonder voldoening van de BTW in België toegelaten : vis, schaal-, schelp- en weekdieren waarvoor geen invoeraangifte moet worden ingereikt omdat ze door de vissers die ze hebben gevist aan boord van hun vaartuigen zijn aangevoerd. De belasting wordt voldaan zonder tussenkomst van de douane, hetzij bij de verkoop door de vissers zelf, hetzij bij de verkoop in de gemeentelijke vismijn van de aanvoerhaven.
Ten aanzien vis, schaal-, schelp- en weekdieren waarvoor een aangifte ten verbruik moet worden neergelegd, moet de belasting op de gewone wijze worden voldaan tenware de goederen bestemd zijn om te worden verkocht in de gemeentelijke vismijn van de aanvoerhaven en een speciale vergunning wordt bekomen van het Hoofdbestuur der douane en accijnzen (Wetboek, art. 58, § 2; kon. besl. nr. 16) .
NOOT
(1) Krachtens artikel 100 van het Wetboek is de BTW, verschuldigd ter zake van de invoer van investeringsgoederen, niet volledig aftrekbaar gedurende de overgangsperiode (1971 tot 1974). Ten aanzien van het materieel bestemd voor het uitvoeren van werken van alle aard dat gedurende de bedoelde periode zal worden ingevoerd, mag evenwel de BTW volledig worden afgetrokken, op voorwaarde dat het materieel wordt wederuitgevoerd binnen een termijn van één jaar.
Aanschrijving nr. 84 dd. 15.12.1970
Invoer
Deze aanschrijving heeft tot doel een commentaar te geven op de artikelen 3, 23, 24 en 34 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en op het koninklijk besluit nr. 7 van 12 maart 1970 betreffende de invoer.
Bij artikel 3 van het Wetboek, is de invoer van goederen, door wie ook gedaan, aan de belasting onderworpen. Artikel 23 van het Wetboek bepaalt dat, onder invoer dient te worden verstaan, het binnenkomen van een goed op Belgisch grondgebied, met uitsluiting van de delen van het Belgisch grondgebied waar de belasting niet wordt toegepast krachtens een koninklijk besluit.
Krachtens de artikelen 3 en 23 van het Wetboek, is de belasting verschuldigd door het louter materieel feit goederen over de Belgische grens te brengen en men dient zich niet af te vragen :
1. of de persoon die invoert een belastingplichtige is, een overheidslichaam, een in België of in het buitenland gevestigde particulier, enz.;
2. of die persoon de goederen verkregen heeft ingevolge een kontrakt (aankoop, schenking, inbreng in vennootschap, verdeling, enz.) of dat zij ze in eigendom bezit, hetzij omdat hij ze heeft voortgebracht, of hetzij dat hij ze geërfd heeft;
3. of de goederen al dan niet het voorwerp zullen uitmaken van een commerciële handeling (wederverkoop) of een industriële handeling (bewerking) in het land, of dat ze bestemd zijn om in het land te worden verbruikt of om terug te worden uitgevoerd.
De taks zal echter niet geëist worden, in de gevallen waar een vrijstelling is ingesteld door de artikelen 24 en 43 van het Wetboek of door artikel 42 van het Wetboek.
Tenslotte is de taks niet verschuldigd voor de invoer van goederen die niet als roerende goederen uit hun aard worden aangemerkt (geld, in België geldige postzegels, fiscale bandjes).
De in het buitenland gevestigde belastingplichtigen die in België geen vaste inrichting hebben, en die het inzicht hebben hier te lande een handeling te verrichten ( invoer, levering van goederen, dienstverrichting) zijn gehouden, alvorens hier die handeling te verrichten, een hier gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (Wetboek, art. 55).
De toepassingsmodaliteiten van artikel 55 van het Wetboek maken het voorwerp uit van een koninklijk besluit.
Hoofdstuk I.
Voorwaarden waaronder goederen op het grondgebied van het
Rijk mogen worden gebracht.
1. Reden van bestaan van die voorwaarden.
De invoer van goederen in België is onderworpen aan zekere voorwaarden, die tot doel hebben de invoerder te verplichten aangifte te doen bij een daartoe speciaal aangewezen kantoor, van enerzijds, de aard, de hoeveelheid en de waarde van de goederen die hij invoert en, anderzijds, van de bestemming die aan de goederen zal worden gegeven.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 7, van 12 maart 1970, bepaalt dan ook dat wanneer de douanereglementering van toepassing is aan de grens, de invoer van goederen onderworpen is aan de voorwaarden gesteld in die reglementering, zelfs wanneer de ingevoerde goederen wegens hun aard, hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
Hetzelfde artikel bepaalt anderdeels dat, wanneer de douanereglementering aan de grens niet van toepassing is, de invoer van goederen onderworpen is aan door de Minister van Financiën vast te stellen voorwaarden.
2. Grenzen waar de douanereglementering niet meer van toepassing is of niet meer van toepassing zal zijn.
A. Belgisch-Luxemburgse grens.
Ingevolge de tussen België en het Groothertogdom Luxemburg bestaande economische unie, vormt het grondgebied van die landen slechts één enkel douanegebied. Daaruit volgt dat het overschrijden van de Belgisch-Luxemburgse grens niet beschouwd wordt als een invoer of een uitvoer wat de toepassing van invoerrechten betreft.
Al is de douanegrens hier verdwenen, de fiscale grens blijft bestaan. Voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, blijft de verzending van goederen naar het Groothertogdom Luxemburg een uitvoer en de tegenovergestelde beweging een invoer.
B. Belgisch-Nederlandse grens.
Door een overeenkomst gesloten tussen de drie Benelux-landen tot eenmaking van hun douanegebied, zal de douanereglementering niet meer van toepassing zijn aan de Belgisch-Nederlandse grens vanaf 1 januari 1971. Voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde echter, blijft de verzending van goederen naar Nederland een uitvoer en de tegenovergestelde beweging een invoer.
3. Grenzen waar de douanereglementering van toepassing blijft.
Op 1 januari 1971 blijft de douanereglementering van toepassing aan de zeegrens, alsook aan de Belgisch-Franse, en de Belgisch-Duitse grens.
Die regeling bepaalt dat de invoer van goederen moet gebeuren langs geoorloofde wegen die naar een douanekantoor leiden waar de goederen moeten worden aangeboden en worden aangegeven tijdens de openingsuren van het kantoor. Die verplichting geldt niet enkel wanneer invoerrechten of accijns moeten worden betaald, maar eveneens wanneer de goederen vrijgesteld zijn van die belastingen.
De douaneregeling is inzake de BTW van toepassing, zelfs wanneer de over die grenzen ingevoerde goederen niet belastbaar zijn met invoerrechten uit hoofde van hun aard, hun herkomst of om gelijk welke andere reden (kon. besl. nr. 7, art. 1, tweede lid).
Het niet naleven van die verplichtingen wordt beschouwd als een overtreding van de verplichting de belasting te voldoen.
4. Inzake de belasting over de toegevoegde waarde opgelegde verplichtingen voor het brengen van goederen over de Benelux-binnengrenzen.
Die verplichtingen zullen worden verklaard in een ministerieel besluit (kon. besl. nr. 7, art. 1, derde lid). Verwacht kan worden dat bedoeld besluit, aan die grenzen dezelfde verplichtingen zal opleggen als die welke inzake douane bestaan voor het brengen van goederen op het grondgebied van het Rijk.
5. Aangifte van de goederen.
Na over de grens te zijn gebracht, moeten de goederen worden aangeboden en aangegeven voor een bepaalde bestemming, op een douanekantoor, of indien het gaat om goederen ingevoerd over een Benelux-binnengrens, op een kantoor dat de rol van douanekantoor vervult (kon. besl. nr. 7, art. 3).
De aangifte gebeurt mondeling of schriftelijk.
Zij dient schriftelijk te geschieden op een formulier dat overeenstemt met het door de administratie opgestelde model :
1 o wanneer het gaat om een invoer over een andere grens, dan een Benelux-binnengrens, ongeacht de bestemming van de goederen.
2 o wanneer het gaat om een invoer over een Benelux-binnengrens, voor een bestemming die niet het verbruik is.
De aangifte gebeurt mondeling bij invoer over een Benelux-binnengrens van voor het verbruik aangegeven goederen (kon. besl. nr. 7, art. 2, § 2).
In de regel eist de douanereglementering de afgifte van een kopiefactuur tot staving van de aangifte. Een zelfde regeling zal gevolgd worden voor de invoeren over de Benelux-binnengrenzen, ook indien de aangifte mondeling gebeurt. Is er geen factuur dan zal door de administratie worden aangewezen welk stuk de kopiefactuur vervangt. De Administratie kan ook in bijzondere gevallen ontheffing toestaan van de verplichting een kopiefactuur of ander stuk af te geven. Dat zal onder meer gebeuren bij invoer van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en, vanaf 1 juli 1972, voor firma's bij wie een controle op een andere plaats dan de grens zal mogelijk blijken.
6. Bestemming van de goederen.
De aangifte moet aan de goederen een van de vier volgende bestemmingen geven :
het verbruik, de doorvoer, het entrepot of de tijdelijke vrijstelling (besluit nr. 7, art. 2, 1, 1ste lid).
De aangifte ten verbruik kan gebeuren met voldoening van de BTW, met vrijstelling van de BTW onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 20 tot 24 van het koninklijk besluit nr. 7, of met vrijstelling bij toepassing van artikel 42 van het Wetboek.
De andere drie bestemmingen kunnen gegeven worden aan de goederen die slechts tijdelijk in het land verblijven. De invoer voor die bestemmingen, bekomen de vrijstellingen ingesteld door artikel 24 van het Wetboek, onder de voorwaarden gesteld door de artikelen 12 tot 14 en 25 tot 28 van het koninklijk besluit nr. 7.
Wanneer de invoerder aan de ingevoerde goederen een bepaalde bestemming geeft voor de toepassing van de invoerrechten, dan moet hij, behoudens afwijking, de goederen voor de BTW dezelfde bestemming geven (kon. besl. nr. 7 art. 2, 1, tweede lid).
Die bepaling heeft tot doel te vermijden dat de invoerrechten zouden geïnd worden door een land, terwijl de goederen in dat land niet werkelijk zullen worden verbruikt.
Voorbeeld :
Een machine wordt ingevoerd over Antwerpen en is bestemd voor een koper gevestigd in Frankrijk. Bij die invoer, mag de aangever de machine niet ten verbruik aangeven voor de invoerrechten en een document van vrijstelling doen geldig maken voor de toepassing van de BTW. Inderdaad, in dat geval zouden de invoerrechten door de Belgische Staat worden opgestreken, terwijl de machine in Frankrijk zal worden gebruikt.
Die regel zal echter slechts toepasselijk zijn wanneer de gegeven bestemming op douanegebied ook kan gegeven worden voor de BTW. Aldus, kunnen goederen op de proef met tijdelijke vrijstelling van invoerrechten worden ingevoerd, maar zij moeten ten verbruik worden aangegeven voor de toepassing van de BTW, want geen enkele vrijstelling van die laatste belasting bestaat in dat geval.
Er zijn anderzijds afwijkingen van dit principe noodzakelijk. Inderdaad, bij invoer in België van goederen bestemd om te worden verbruikt in het Groothertogdom Luxemburg, worden de invoerrechten dikwijls in België voldaan, en in een gemeenschappelijke kas gestort. Voor de toepassing van de BTW kan de administratie toestaan dat zulke invoeren gebeuren onder een doorvoerregeling.
Hoofdstuk II.
Invoer met voldoening van de BTW.
Afdeling 1. - Berekening van de BTW.
7. Tarieven.
De BTW-tarieven verschuldigd bij invoer van goederen zijn dezelfde als bij leveringen in het binnenland (6, 14, 18, 25 pct.). Hetzelfde geldt voor de egalisatiebelasting (15 of 33 pct.).
Die tarieven zijn aangeduid, naast de post van het tarief voor invoerrechten, in de brochure « Tarief van de BTW bij invoer » die eerlang zal verschijnen.
Voor de invoer van goederen in aan particulieren gerichte kleine zendingen of die zich bevinden in de persoonlijke bagage van reizigers, zal een forfaitair tarief vastgesteld worden bij ministerieel besluit (kon. besl. nr. 7, art. 35, § 1).
8. Wijziging van de tarieven.
De datum voor het bepalen van het BTW-tarief wordt vastgesteld volgens de inzake invoerrecht geldende regels; ook al heeft de invoer betrekking op goederen die wegens hun aard, hun herkomst of om enig andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn (z. bijlage 1).
9. Bijzondere regels.
Wanneer goederen tijdelijk worden ingevoerd met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrecht, terwijl de BTW verschuldigd is, dan wordt de douane-aangifte beschouwd als een aangifte ten verbruik voor de BTW en die aangifte stelt op definitieve wijze het toepasselijk BTW-tarief vast. Wanneer later, het invoerrecht dat op het tijdstip van de invoer niet werd voldaan, betaald wordt of eisbaar wordt, dient een herziening van de heffing te geschieden, rekening houdend met de maatstaf van heffing bepaald door artikel 34 van het Wetboek en met het tarief toepasselijk op het tijdstip waarop het document van tijdelijke vrijstelling werd afgegeven; van het aldus verkregen bedrag van de BTW wordt de vroeger betaalde BTW afgetrokken.
Voorbeeld.
Een machine, waarde 1.000.000 frank, gefabriceerd in Engeland wordt ingevoerd te Antwerpen met bestemming een persoon die ze op proef heeft gekocht. Bij de invoer, vraagt en bekomt de aangever vrijstelling van invoerrecht. De BTW is onmiddellijk eisbaar, daar geen enkele bepaling van het koninklijk besluit nr. 7, een vrijstelling instelt voor invoer van een op de proef aangekocht goed. Verschuldigd 1.000.000 tegen 18 pct. = 180.000 frank.
Indien later de koper op proef, de machine definitief koopt, wordt het invoerrecht, bij veronderstelling 20 pct., eisbaar d.i. 1.000.000 tegen 20 pct. = 200.000 frank, en de BTW moet geheven worden op het bedrag van het invoerrecht, dat een van de elementen is van de maatstaf van heffing (Wetboek, art. 34), dat geeft een bijkomende BTW van 36.000 frank (200.000 tegen 18 pct.).
Afdeling 2. - Maatstaf van heffing van de BTW.
10. Principe.
Wanneer de ingevoerde goederen werden verkregen tegen betaling van een prijs, is die prijs, vermeerderd met bepaalde kosten, de maatstaf van heffing.
Gaat het om een invoer zonder betaling van een prijs, dan wordt de normale waarde van het ingevoerde goed als maatstaf van heffing aangemerkt (Wetboek, art. 33).
In bepaalde gevallen geldt evenwel een minimummaatstaf van heffing.
A. Invoer van goederen verkregen tegen betaling van een prijs.
11. Elementen van de maatstaf van heffing.
De BTW wordt berekend over het totale bedrag van de koopprijs en van de lasten en andere prestaties die de leverancier oplegt.
De volgende kosten moeten aan de koopprijs worden toegevoegd, voor zover ze daarin niet reeds zijn begrepen :
a) de kosten van gewone en gebruikelijke verpakking;
b) de kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering, vanaf de plaats van verzending in het buitenland tot op de plaats van bestemming hier te lande;
c) de commissielonen en alle andere bijkomende kosten;
d) de ter zake van invoer verschuldigde rechten, belastingen, taksen en heffingen, met uitzondering van de BTW zelf;
e) in voorkomend geval, de kosten van het werk dat de geadresseerde voor de invoer aan de goederen heeft verricht of heeft laten verrichten.
12. Koopprijs.
De in aanmerking te nemen koopprijs is de prijs die moet worden betaald door de geadresseerde, d.w.z. de persoon op wiens naam de BTW wordt voldaan.
Indien de BTW in de prijs is begrepen, wordt het bedrag van die belasting verkregen door de formule
(P X t)/(100 + t) waarin P de prijs inclusief de BTW is en t het tarief van de BTW.
Voorbeeld :
Stel dat de prijs inclusief BTW 118.000 F is Het bedrag van de in de prijs begrepen
BTW = (118.000 X 18)/(100 + 18) = 18.000 F.
Prijs zonder BTW = 100.000 F.
13. Prijs uitgedrukt in een vreemde munt.
Wanneer de prijs is uitgedrukt in een vreemde munteenheid, is de toe te passen wisselkoers die welke overeenstemt met de pariteit die is opgegeven bij en erkend door het Internationaal Monetair Fonds (I.M.F.), tenzij de fluctuaties van de koers van die munteenheid verder van de pariteit afwijken dan krachtens de regelen van de genoemde instelling is toegestaan.
Ten aanzien van landen die geen pariteit bij het I.M.F. hebben opgegeven of waarvan de opgegeven pariteit door het Fonds niet wordt erkend, maar waarvan de munteenheid wordt genoteerd op de officiële valutamarkt van België, is de toe te passen wisselkoers de laatste verkoopkoers genoteerd op die valutamarkt.
Voor andere munteenheden dan hiervoor bedoeld en voor de munteenheid van een land dat abnormale wisseltechnieken toepast, zoals variabele of multiple wisselkoersen, wordt de toe te passen wisselkoers vastgesteld door de Minister van Financiën (Wetboek, art. 27).
Indien de partijen zelf in hun overeenkomst een wisselkoers hebben bepaald, geschiedt de omrekening tegen de overeengekomen wisselkoers.
14. Kosten van verpakking.
De kosten van gewone en gebruikelijke verpakking moeten aan de koopprijs van de goederen worden toegevoegd. Deze regel is toepasselijk niet alleen wanneer de verpakking niet teruggenomen wordt door de leverancier, maar ook wanneer ze hem moet worden teruggezonden.
De niet gewone of niet gebruikelijke verpakkingsmiddelen zijn goederen die onderscheiden zijn van de goederen die zij bevatten. Zij dienen belast te worden tegen het tarief dat hun eigen is.
De kosten van verpakking (gewone of gebruikelijke, of niet) moeten nochtans niet bij de prijs worden gevoegd wanneer de verpakkingsmiddelen met tijdelijke vrijstelling van de BTW worden toegelaten onder de voorwaarden van artikel 25, bijlage 19 o, van het besluit nr. 7. Het spreekt echter vanzelf dat een herziening van de maatstaf van heffing plaats heeft indien deze verpakkingsmiddelen niet wederuitgevoerd worden.
15. Kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering.
Onder kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering die bij de koopprijs worden gevoegd, moeten worden verstaan, die kosten vanaf de plaats van verzending in het buitenland tot op de plaats van bestemming hier te lande.
De kosten moeten bij de koopprijs worden gevoegd ongeacht of de verkoper ze voorgeschoten heeft en ze afzonderlijk aan zijn koper in rekening brengt dan of de koper ze krachtens een overeenkomst tussen de partijen bij aankomst moet betalen. De kosten moeten ook bij de prijs worden gevoegd wanneer de koper het vervoer met eigen middelen verricht.
Onder kosten van met vervoer gepaard gaande handelingen moeten worden verstaan, de kosten in rekening gebracht aan de geadresseerde voor diensten die betrekking hebben op het vervoer van de ingevoerde goederen, zoals het slepen, het laden, het ontladen, het behandelen het wegen, enz.
Wanneer de goederen « franco bestemming » zijn verkocht, dient er uiteraard niets bij de koopprijs te worden gevoegd. Maar in tegenstelling met wat bepaald is inzake de berekening van het invoerrecht mag geen enkele som van de prijs worden afgetrokken wegens kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en van verzekering die betrekking hebben op het deel van het traject in België na de aangifte tot verbruik.
16. Plaats van bestemming.
In de regel is de plaats van bestemming de plaats waarnaar de goederen verzonden worden vanaf het vertrekpunt in het buitenland en waar de geadresseerde de ingevoerde goederen in bezit neemt. Het komt de geadresseerde toe de plaats van bestemming aan te duiden en aan de hand van de vervoersdocumenten te bewijzen dat de goederen verzonden worden van de plaats van dedouanering tot de plaats waar hij ervan in het bezit gekomen is.
17. Commissieloon en andere bijkomende kosten.
De in de maatstaf van heffing te begrijpen commissielonen zijn de vergoedingen betaald aan makelaars en mandatarissen die betrokken waren bij de aankoop van goederen, waarvan de levering in het buitenland plaats heeft gehad.
Als bijkomende kosten moeten worden aangemerkt de kosten die met de invoer zijn verbonden en die normaal voor de aangifte ten verbruik worden gemaakt. Worden niet bedoeld : de kosten van een zuiver vrijwillige daad, van een fout of van een nalatigheid van de invoerder of die het gevolg zijn van toeval.
Hoeven dus niet in de maatstaf van heffing te worden begrepen onder meer, de magazijnrechten voor opslag in het douane-entrepot, de nalatigheidsinteresten voor de niet tijdige betaling van het invoerrecht alsmede de som betaald voor de diensten van de commissionair-verzender, van de commissionair bij het vervoer of van de grensexpediteur die door de invoerder met de aangifte ten verbruik werd belast.
18. Rechten, belastingen, taksen en heffingen.
Hieronder verstaat men - met uitzondering van de BTW zelf - alle belastingen waarvan de betaling samengaat met de aangifte ten verbruik en die derhalve in de waarde van de goederen zijn begrepen wanneer deze door de douane worden vrijgegeven tot vrije beschikking van de invoerder. Deze belastingen zijn : het invoerrecht, de bijzondere accijns, de verbruikstaks.
Bij de koopprijs moeten worden gevoegd de som betaald voor bepaalde goederen als vergunningsrecht, vergunningszegel of landbouwheffing, alsmede de rechten wegens sanitair onderzoek, de bij de invoer aan sommige controleorganisaties verschuldigde vergoedingen.
Hetzelfde geldt voor de compenserende heffingen en andere heffingen die verschuldigd zijn bij de invoer van sommige goederen ter uitvoering van verordeningen van de Europese Economische Gemeenschap.
Voor de landbouwheffingen moet de op de invoervergunning vermelde som in aanmerking worden genomen.
19. Bewerking in het buitenland.
Bij de koopprijs moeten worden gevoegd de kosten van het werk dat de geadresseerde of een voor diens rekening handelend persoon de goederen voor hun invoer in het land heeft laten ondergaan.
Voorbeeld : een handelaar, nl in het buitenland ongebleekte weefsels te hebben gekocht, gelast een industrieel of een ambachtsman in het buitenland deze weefsels te verven; bij de invoer van de geverfde weefsels is de BTW verschuldigd over de koopprijs verhoogd met de prijs van het verven en met de andere bijkomende kosten.
20. Sommen die niet tot de maatstaf van heffing behoren.
De volgende sommen behoren niet tot de maatstaf van heffing, niet alleen wanneer ze betrekking hebben op de koopprijs maar eveneens wanneer ze de andere elementen betreffen die deel uitmaken van de maatstaf van heffing (kosten van vervoer enz.) : R1 o de sommen die van de prijs mogen worden afgetrokken als korting. Die regel is toepasselijk zonder dat dient te worden nagegaan of de klant werkelijk de korting verkrijgt.
2 o de prijsverminderingen die aan de geadresseerde zijn toegekend en door deze laatste zijn verkregen op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd is. Zij kunnen worden toegekend als bonificatie, commissie, korting of onder een gelijkaardige benaming. Het heeft geen belang dat ze pas na verloop van een bepaalde tijd betaalbaar zijn, maar vereist is dat de geadresseerde daarop een verworven recht heeft op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd is.
3 o de interesten wegens niet tijdige betaling. Hier worden niet alleen de interesten bedoeld die in rekening worden gebracht omdat de termijn van de betaling niet in acht werd genomen, maar ook de conventionele interesten die door de klant moeten worden betaald omdat de leverancier hem betalingsfaciliteiten heeft toegestaan.
4 o de sommen voorgeschoten door de leverancier voor uitgaven die hij ten name en voor rekening van zijn koper heeft gedaan, voor zover dat die uitgaven zelf niet in de maatstaf van heffing moeten worden begrepen.
B. Invoer zonder betaling van een prijs.
21. Normale waarde.
Wanneer de invoer niet het gevolg is van een contract waarbij de eigendom van het goed wordt overgedragen (b.v. invoer door de eigenaar) of wanneer de ingevoerde goederen zijn verkregen zonder vergoedingen (b.v. schenking), of tegen een prestatie die niet of niet uitsluitend uit een geldsom bestaat (b.v. inbreng in vennootschap), wordt de maatstaf van heffing bij invoer bepaald door de normale waarde van het ingevoerde goed. Deze waarde is de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd wordt, in dezelfde handelsfase voor het ingevoerde goed kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
De kosten hiervoor opgesomd hoeven bij toepassing van de normale waarde niet meer bij de maatstaf van heffing te worden gevoegd.
De normale waarde mag niet worden verward met de douanewaarde, inderdaad, de douanewaarde begrijpt niet de kosten van vervoer vanaf de plaats van dedouanering tot de plaats van bestemming hier te lande, noch de belastingen en andere rechten verschuldigd bij de invoer (zie nr. 18).
C. Gemene bepalingen.
22. Minimummaatstaf van heffing.
Ten aanzien van goederen die aan invoerrecht zijn onderworpen naar hun waarde, mag de maatstaf van heffing van de BTW in geen geval lager zijn dan de waarde waarover het invoerrecht wordt berekend, vermeerderd met dat recht.
23. Afronding.
De maatstaf van heffing hoeft voor de berekening van de BTW niet te worden afgerond, wel het bedrag van de BTW. Wanneer het bedrag van de verschuldigde BTW een fractie van een frank bevat, moet die fractie afgerond worden op de hogere of op de lagere frank naargelang ze al dan niet 50 centiem bereikt.
Die afronding wordt verricht per document en, in voorkomend geval, afzonderlijk voor de BTW en voor de egalisatiebelasting (kon besl. nr. 8, art. 1). Indien voor de ingevoerde goederen die op een zelfde document zijn vermeld, verschillende tarieven van toepassing zijn, moet alleen het totaal van de BTW of van de egalisatiebelasting afgerond worden. Het staat de belanghebbende evenwel vrij de afronding te doen per tarief.
Afdeling 3. - Voldoening van de BTW.
A. Tijdstip van voldoening.
24. Principe.
De BTW is verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen in het land worden binnengebracht. Zij is opvorderbaar en moet in principe worden voldaan op het tijdstip van het indienen van de aangifte ten verbruik.
Op die regel zijn twee uitzonderingen :
1 o De Minister van Financiën kan uitstel van betaling toestaan tot bij het verstrijken van een termijn van ten hoogste tien dagen te rekenen vanaf de invoer (kon. besl. nr. 7, art. 4).
2 o De betaling kan worden verlegd naar het binnenland in de gevallen bedoeld in de nrs. 36 en 37.
B. Personen die de BTW moeten betalen.
25. Geadresseerde.
De BTW wordt voldaan op naam van de geadresseerde van de ingevoerde goederen (kon. besl. nr. 7, art. 5). Het bepalen van deze persoon is belangrijk om de maatstaf van heffing van de verschuldigde taks te bepalen en om de persoon aan te duiden die de aftrek van de bij invoer betaalde taks mag verrichten.
26. Verkrijger of overnemer.
De geadresseerde is de verkrijger of overnemer aan wie de goederen worden verzonden op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd is (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 1).
De verkrijger of overnemer moet de goederen verkregen hebben op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, d.w.z. op het tijdstip van de invoer en de goederen moeten hem verzonden zijn van de plaats van binnenbrengen in het land tot de plaats waar hij er de beschikking over heeft.
Er hoeft niet te worden nagegaan of de goederen verkregen of overgenomen zijn in uitvoering van een contract houdende overdracht of aanwijzing van eigendom, onder bezwarende titel of om niet, of indien het om in hun soort bepaalde goederen gaat of de eigendomsoverdracht verricht wordt voor de invoer.
27. Eigenaar.
Wanneer er geen verkrijger of overnemer is, is de geadresseerde degen die eigenaar is van de goederen (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 1).
Hier wordt onder meer bedoeld de voortbrenger in het buitenland die goederen van zijn produktie invoert.
28. Verkoper of vorige verkoper.
Om commerciële of technische redenen zou de verkoper of de vorige verkoper er belang kunnen bij hebben als geadresseerde op te treden om aan zijn koper niet de identiteit van zijn leverancier te laten kennen of hem niet te laten weten dat de hem geleverde goederen uit het buitenland komen. Het is evenwel van belang dat in zulk geval de verkoper of de vorige verkoper de mogelijkheid heeft de ter zake van de invoer van de goederen betaalde belasting af te trekken. Daarom kunnen, alleen de verkopers of vorige verkopers die in België gevestigd zijn of er een vaste inrichting of aansprakelijke vertegenwoordiger hebben, de hoedanigheid van geadresseerde nemen.
Indien dan de verkoper of de vorige verkoper de hoedanigheid van geadresseerde heeft is de levering aan de koper niet belastbaar ingevolge de artikelen 15, § 1, en 16 van het Wetboek omdat het vervoer van de goederen begonnen is in het buitenland. Dit zou tot abnormale toestanden kunnen leiden. Daarom bepaalt art. 51, § 4, van het Wetboek dat, indien de belasting regelmatig werd betaald op naam van de verkoper die de hoedanigheid van geadresseerde heeft, de leveringen door deze laatste of eventueel de daarop volgende leveringen geacht worden hier te lande te zijn verricht en aldus de belasting opeisbaar maken.
Voorbeeld :
A, in België gevestigd, koopt goederen in het buitenland voor 10.000 F. De kosten van vervoer en andere bijkomende kosten, bedragen 2.000 F (BTW niet inbegrepen). A verkoopt de goederen terug aan B voor 15.000 F, alle leveringskosten inbegrepen (prijs franco bestemming) met uitzondering van de BTW.
1 o De goederen zijn verzonden aan B en worden door hem ingevoerd; B is dus de geadresseerde :
De levering van de goederen door A aan B heeft plaats in het buitenland en is dus niet onderworpen aan de BTW. Bij de invoer betaalt B de BTW op zijn naam op de prijs van 15.000 F.
2 o De goederen zijn verzonden aan B maar A neemt de hoedanigheid van geadresseerde :
Bij de invoer betaalt A de BTW op zijn naam op de prijs van 12.000 F. Bij toepassing van artikel 51, § 4, van het Wetboek zal de levering van A aan B geacht worden hier te lande te zijn verricht en zal ter zake van die levering de belasting eisbaar zijn op 15.000 F.
29. Speciale gevallen.
1 o Verzending van goederen aan een commissionair of aan een door artikel 13, § 2, van het Wetboek met een als commissionair gelijkgesteld persoon.
Die tussenpersonen worden als koper of als verkoper aangemerkt door artikel 13 van het Wetboek. De regels van nrs. 26 en 28 hiervoor zijn op hen toepasselijk.
2 o Verzending van een aan een hier te lande gevestigd persoon in huur gegeven goed.
De eigenaar van de ingevoerde goederen moet de geadresseerde zijn en niet de huurder.
3 o Verzending van een goed naar een depothouder.
Wanneer de goederen verzonden worden naar een depothouder die geen consignataris is mag deze depothouder niet de hoedanigheid van geadresseerde nemen.
4 o Zending van een goed op zicht, op proef of in consignatie.
Degene aan wie de goederen verzonden worden op zicht, op proef of in consignatie kan de geadresseerde zijn op voorwaarde :
1 o dat die persoon een belastingplichtige is die een maandaangifte of een kwartaal aangifte moet indienen; R2 o dat, indien hij de goederen niet koopt, ze terug uitvoert;
3 o dat de persoon die op zicht, op proef of in consignatie verzendt, geen vaste inrichting of aansprakelijke vertegenwoordiger heeft in België (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 2, 1 o).
In beginsel, zouden de op zicht (verkoopaanbieding) of op proef of in consignatie (verkoop onder opschortende voorwaarde) gezonden goederen, ten verbruik moeten worden aangegeven met betaling van de taks op naam van de eigenaar van de goederen aangezien op het tijdstip waarop de taks verschuldigd is die goederen nog niet gekocht werden.
De strikte toepassing van dat principe houdt noodzakelijk in dat de vreemde verkoper, die de belasting die hij bij de invoer zou betalen. zou willen aftrekken, een aansprakelijke vertegenwoordiger zou dienen aan te stellen indien hij geen vaste inrichting hier te lande bezit.
De bereikte oplossing maakt het niet noodzakelijk dat de verkoper een aansprakelijke vertegenwoordiger zou aanstellen voor een handeling die misschien een alleenstaande handeling zal zijn.
Op te merken is dat, in tegenstelling met wat onder de regelingen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen gebeurde, de drie juridische figuren waarbij een goed ter beschikking van een mogelijke koper kan worden gesteld om hem de kwaliteit van de goederen die hij wenst te kopen te kunnen laten beoordelen, op dezelfde manier zullen behandeld worden in het stelsel van de BTW.
Krachtens de algemene principes kan de mogelijke koper onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk de belasting aftrekken die hij bij de invoer zal betaald hebben. Geen enkele herziening van de heffing of van de verrichte aftrek dient te worden gedaan indien de geadresseerde de ingevoerde goederen koopt of ze terug uitvoert. Maar, indien de mogelijke koper de goederen hier te lande opnieuw ter beschikking van zijn medecontractant stelt zal hij de heffing en de aftrek die hij heeft gedaan moeten herzien, volgens te bepalen modaliteiten.
5 o Zending van een goed dat een bewerking, een verwerking of een herstelling moet ondergaan voor de wederuitvoer.
Onder dezelfde voorwaarden als die gesteld voor de zending op zicht, op proef of in consignatie mag de werkaannemer of de loonwerker de geadresseerde zijn (kon. besl. nr. 7, art. 5, § 2, 2 o
Met die oplossing kan de werkaannemer of loonwerker, eventueel, de vrijstelling geregeld door artikel 43 van het Wetboek of de verlegging van de heffing op grond van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7 inroepen.
De geadresseerde zal de taksen kunnen aftrekken die hij bij de invoer heeft betaald. Geen enkele herziening van de heffing en de aftrek dient te worden verricht als de geadresseerde de ingevoerde goederen koopt of wederuitvoert. Indien echter de geadresseerde de goederen hier te lande opnieuw ter beschikking stelt van zijn medecontractant zal hij de heffing en de aftrek die hij heeft gedaan moeten herzien volgens te bepalen modaliteiten.
30. Personen die gehouden zijn tot voldoening van de BTW.
De geadresseerde, de aangever (d.w.z. de persoon die de aangifte doet op het douanekantoor) en zijn lastgever zijn hoofdelijk gehouden tot voldoening van de BTW. De aangever en zijn lastgever zijn ontheven van die verplichting wanneer ze niet als geadresseerde zijn opgetreden en als de belasting in het binnenland moet worden voldaan op de wijze aangeduid onder de nrs. 36 tot 41 (kon. besl. nr. 7, art. 8).
Zijn er eveneens toe gehouden de BTW te voldoen de aansprakelijke vertegenwoordiger van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige, alsmede sommige personen die een overtreding hebben begaan (zie Wetboek, art. 70, § 4, en art. 73, § 4).
C. In te reiken documenten tot verzekering van de voldoening.
31. Documenten 45A, 45B, en lijsten 45A bis en 45B bis.
Met het oog op de voldoening van de BTW, dient de aangever een document op te stellen dat hij moet voorleggen aan de ontvanger der douane samen met de aangifte ten verbruik (kon. besl. nr. 7, art. 9)
Dat document kan zijn :
1 o een document 45A, gedrukt op wit papier, wanneer de geadresseerde een belastingplichtige is, een kleine detaillist onderworpen aan de egalisatiebelasting of een landbouwondernemer onderworpen aan het bijzonder stelsel bedoeld in artikel 57 van het Wetboek;
2 o een document 45A, gedrukt op geel papier, wanneer de geadresseerde een niet-belastingplichtige is;
3 o een document 45B, gedrukt op roze papier, wanneer de geadresseerde een belastingplichtige is en de invoer plaatsvindt zonder betaling van de BTW of met voldoening van de BTW tegen een tarief dat lager is dan het hoogste tarief dat van het ingevoerde goed verschuldigd kan zijn. De aangever moet dan op het document in een door hem ondertekende verklaring, de wettelijke, reglementaire of administratieve bepaling vermelden waarbij de vrijstelling of de voldoening van de belasting tegen een lager tarief wordt geregeld (kon. besl. nr. 7, art. 9, § 1).
Lijsten 45A bis, gedrukt op wit of geel papier, en lijsten 45B bis, gedrukt op roze papier, bestaan voor het vervolg van de aanduiding van de goederen wanneer de ruimte hiertoe op de documenten 45A of 45B onvoldoende is. Die lijsten moeten worden gehecht aan de documenten 45A of 45B die ze vervolledigen.
De documenten 45A of 45B en de lijsten 45A bis of 45B bis moeten in tweevoud worden opgesteld. Een exemplaar is bestemd voor de Administratie en wordt door de douane ingehouden; het andere exemplaar is bestemd voor de aangever en wordt hem terugbezorgd (kon. besl. nr. 7, art. 9, § 1). De aangever is ertoe gehouden dat exemplaar aan de geadresseerde te overhandigen die het moet bewaren. Indien de geadresseerde voor de ingevoerde goederen een factuur ontvangt, dient hij op het exemplaar voor de aangever van het document een verwijzing naar de factuur aan te brengen en op de factuur een verwijzing naar het document (kon. besl. nr. 7, art. 11).
32. Afzonderlijk document per geadresseerde. - Gegroepeerde zendingen.
Een afzonderlijk document 45A of 45B moet worden opgemaakt voor iedere geadresseerde.
Ingeval van groepagezending moeten al de documenten vergezeld zijn van een samenvattend borderel waarin, per document, naam en adres van de geadresseerde, het aantal, de soort, de merken en de nummers van de colli, de hoeveelheid en de waarde van de goederen en het bedrag van de BTW weergegeven zijn (kon. besl. nr. 7, art. 9, § 2).
D. Wijzen van voldoening van de belasting.
33. Betaling op het douanekantoor.
De voldoening van de BTW en, eventueel van de egalisatiebelasting, vindt plaats op het douanekantoor op een der volgende wijzen :
1 o Door middel van fiscale plakzegels.
De zegels worden in hun geheel aangebracht op de keerzijde van het exemplaar voor de aangever van de documenten 45A of 45B.
Het aanbrengen van de zegels wordt, zo nodig, voortgezet op een of meer supplementaire documenten 45A of 45B of op de lijsten 45A bis of 45B bis, wanneer dergelijke lijsten aan de documenten 45A of 45B werden gehecht.
De zegels worden onbruikbaar gemaakt door de ontvanger der douane.
2 o Door zegeling met een zegelmachine in bepaalde douanekantoren.
In dat geval wordt de belasting in geldspecie voldaan aan de ontvanger van het douanekantoor. De afdruk van de zegelmachine wordt aangebracht op de keerzijde van de documenten 45A of 45B en, eventueel, op de keerzijde van de lijsten 45A bis of 45B bis.
3 o Door zegeling met een door de aangever gebruikte zegelmachine.
Om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen door middel van zijn zegelmachine moet de aangever een vergunning van de Administratie hebben bekomen (kon. besl. nr. 7, art. 6, § 1, derde lid).
4 o In geldspecie.
Deze wijze van voldoening is toepasselijk voor de betaling van de belasting die verschuldigd is voor de goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers of van de belasting die verschuldigd is door personen die toevallig invoeren doen.
34. Verlegging van heffing.
De voldoening van de ter zake van de invoer verschuldigde belasting wordt niet altijd gedaan op het douanekantoor. In de gevallen en onder de voorwaarden die hierna worden onderzocht, mag de voldoening van de belasting worden verlegd naar het binnenland.
35. Begrip.
De verlegging van de heffing is een wijze van voldoening van de BTW die het de belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een maandaangifte of van een kwartaalaangifte, mogelijk maakt, de belasting niet te betalen op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, maar ze te vermelden in vak 13 van zijn maandaangifte of zijn kwartaalaangifte en ze, in de mate dat hij dat mag doen krachtens de algemene regelen, onmiddellijk af te trekken in vak 21 van dezelfde aangifte.
Deze wijze van voldoening mag dus niet worden gebruikt door particulieren, door aan de egalisatiebelasting onderworpen belastingplichtigen, door aan de bijzondere regeling ingesteld door artikel 57 van het Wetboek onderworpen landbouwondernemers, of door in het buitenland gevestigde belastingplichtigen die geen vaste inrichting hebben hier te lande of er geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben.
Bovendien mag deze wijze van voldoening slechts gebruikt worden in de twee volgende gevallen :
1 o voor de invoeren met aangifte ten verbruik die gedaan worden over de Benelux-binnengrenzen, onder de voorwaarden opgesomd in nr. 36 (kon. besl. nr. 7, art. 6, § 2);
2 o voor de tijdelijke invoeren van materieel bestemd voor het uitvoeren van werken van alle aard, onder de voorwaarden opgesomd in nr. 40 (kon. besl. nr. 7, art. 7).
Invoer over de Benelux-binnengrenzen.
36. Voorwaarden.
De verlegging van de heffing is verplicht wanneer de invoer van goederen gedaan wordt over de Benelux-binnengrenzen en wanneer de volgende voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn.
1 o de goederen moeten worden aangeboden op één der kantoren die door een ministerieel besluit zullen worden aangeduid;
2 o de goederen moeten mondeling ten verbruik worden aangegeven;
3 o de goederen moeten worden ingevoerd ter bestemming van een belastingplichtige die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen;
4 o de goederen moeten worden ingevoerd door die belastingplichtige :
a) ofwel ingevolge een contract gesloten met een persoon die gevestigd is in België of in een van de landen waarmee België een verdrag tot wederzijdse bijstand inzake de heffing van de omzetbelasting heeft gesloten. De hier bedoelde landen zijn in feite alleen het Groothertogdom Luxemburg en Nederland;
b) ofwel ingevolge een zending vanuit een inrichting welke die belastingplichtige bezit in het Groothertogdom Luxemburg of Nederland;
5 o de goederen moeten zich in het Groothertogdom Luxemburg of in Nederland in het vrije verkeer bevinden inzake invoerrechten en accijns.
Materieel voor het uitvoeren van werken van alle aard.
37. Beginsel.
Het materieel bestemd voor de uitvoering van werken van alle aard mag tijdelijk worden ingevoerd met verlegging van de heffing van de BTW.
38 . Materieel bestemd voor het uitvoeren van werken.
Begrip.
Het begrip materieel bestemd voor het uitvoeren van werken van alle aard is breed. Het begrijpt op een algemene wijze alle materieel dat rechtstreeks of onrechtstreeks dient voor het uitvoeren van werken (apparaten, werktuigen, instrumenten van alle aard, heftoestellen, vervoermaterieel, verpakkingen, containers, enz.).
Het is van geen belang dat de werken al dan niet worden gedaan ter uitvoering van een werkaannemingscontract of dat ze al dan niet worden gedaan door de eigenaar van her materieel of door de persoon die het materieel invoert.
Het is zonder belang of de werken worden gedaan voor rekening van een particulier of van een overheidslichaam of dat het materieel voortkomt van een lidstaat van de E.E.G. of van een andere Staat.
39. Betekenis van de verlegging van de heffing.
Door de verlegging van de heffing kan hij die er van geniet dezelfde voordelen bekomen als wanneer hem bij de invoer van het materieel een vrijstelling van BTW zou zijn verleend (1). Door de verlegging worden bovendien de beperkingen, de formaliteiten en de controles die de stelsels van vrijstelling over het algemeen meebrengen vermeden. Aldus is hij die de verlegging kan toepassen er niet toe gehouden : R1 o de BTW aan de grens te betalen of een borg te storten tot zekerheid van de voldoening van die BTW. Aangezien de BTW dan slechts moet worden betaald op het tijdstip waarop ze mag worden afgetrokken wordt in feite uitstel van betaling bekomen en wordt de voorfinanciering van de belasting vermeden;
2 o een document van vrijstelling te laten geldigmaken op het tijdstip van de invoer van het materieel in het land;
3 o het materieel tot bepaalde doeleinden te gebruiken.
40. Voorwaarden.
Het materieel bestemd voor de uitvoering van werken van alle aard mag worden ingevoerd met verlegging van de heffing wanneer de navolgende voorwaarden zijn vervuld :
1 o het materieel mag niet langer dan één jaar in het land verblijven;
2 o het materieel moet de eigendom zijn van een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die hier te lande geen vaste inrichting heeft, maar die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen.
Er valt op te merken dat de in het buitenland gevestigde eigenaar die werken in het land uitvoert, of die het ingevoerde materieel verhuurt aan een in het land of in het buitenland gevestigde persoon, in de regel een dienst verricht die in België aan de BTW is onderworpen, en bijgevolg een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen.
Er wordt geen bijzondere vergunning vereist om de verlegging van de heffing toe te passen bij de invoer van de goederen in het land. De in het buitenland gevestigde eigenaar moet echter, voor de invoer, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.
41. Document 45C en lijst 45C bis.
Bij de invoer moet de aangever op het douanekantoor een document 45C, gedrukt op groen papier, voorleggen.
Er bestaan lijsten 45C bis, gedrukt op groen papier, om de omschrijving van de goederen voort te zetten, wanneer hiertoe onvoldoende ruimte is op de documenten 45C.
De documenten 45C en de lijsten 45C bis moeten in tweevoud worden opgesteld. Een der exemplaren is bestemd voor de Administratie en wordt ingehouden door de douane, het andere exemplaar is bestemd voor de aangever en wordt hem teruggegeven.
De aangever moet, in een door hem ondertekende verklaring, de wettelijke, reglementaire of administratieve bepaling vermelden waarbij de verlegging van de heffing wordt toegestaan (kon. besl. nr. 7, art. 7, § 3).
42. Afwijking.
In afwijking van nr. 40, 2 o, zal aan de belastingplichtigen die hier te lande een vaste inrichting hebben, kunnen worden toegestaan de verlegging van de heffing van de bij de invoer verschuldigde belasting toe te passen. Die vergunning zal worden afgeleverd door de Centrale Administratie; ze zal de voorwaarden van de invoer van het materieel in het land vaststellen en zal op het ogenblik van de invoer moeten worden voorgelegd aan de ontvanger der douane van het invoerkantoor (kon. besl. nr. 7, art. 7, § 4).
43. Invoer door een andere persoon dan die aangeduid in nr. 40, 2 o.
Het materieel dat toebehoort aan een persoon die geen vaste inrichting in het land heeft en die geen belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, mag worden ingevoerd met volledige vrijstelling van de BTW, onder de voorwaarden gesteld in artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 7.
Hoofdstuk III.
Invoer van goederen zonder voldoening van de belasting.
Afdeling 1. - Vrijstellingen bedoeld in artikel 24, 1 o, van het Wetboek.
44. Doorvoer.
De invoer van goederen die voor doorvoer worden aangegeven gebeurt met volledige vrijstelling van de BTW. De doorvoer is onderworpen aan de inzake douane gestelde voorwaarden, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht zijn onderworpen (kon. besl. nr. 7, art. 12 en 13, § 1 ) .
45. Verzaking aan de doorvoer.
Wanneer onder een stelsel van doorvoer zijnde goederen een nieuwe bestemming krijgen (verbruik, entrepot, tijdelijke vrijstelling), worden ze geacht te worden ingevoerd op het tijdstip waarop ze die nieuwe bestemming krijgen (kon. besl. nr. 7, art. 13, § 2).
Wanneer de goederen voor het verbruik worden aangegeven zijn de regels uiteengezet in de nrs. 7 tot 23 toepasselijk. Het tarief en de belastbare basis worden bepaald op het tijdstip dat de goederen ten verbruik worden aangegeven.
46 . Entrepot.
De invoer van goederen die in een openbaar, particulier of fictief entrepot worden opgeslagen heeft plaats met volledige vrijstelling van de BTW (kon. besl. nr. 7, art. 12).
De opslag en het verblijf in entrepot, gebeuren onder de voorwaarden en beperkingen gesteld inzake douane, ongeacht of de goederen belastbaar of niet belastbaar zijn met invoerrecht of accijns en ongeacht het land van herkomst (kon. besl. nr. 7, art. 14, § 1).
47. Uitslag uit het entrepot.
Wanneer de goederen uit het entrepot worden uitgeslagen voor een nieuwe bestemming (verbruik, doorvoer, tijdelijke vrijstelling) worden ze geacht te worden ingevoerd op het tijdstip waarop ze voor die nieuwe bestemming worden aangegeven (kon. besl. nr. 7, art. 14, § 3). Wanneer de goederen voor het verbruik worden aangegeven zijn de in de nrs. 7 tot 23 vastgestelde regels toepasselijk. Het tarief en de belastbare basis worden bepaald op het tijdstip van de aangifte ten verbruik.
48. Overdracht van goederen in entrepot.
De overdracht van in entrepot opgeslagen goederen gebeurt met vrijstelling van de BTW.
Wanneer de goederen die in entrepot werden overgedragen naderhand uit het entrepot worden uitgeslagen voor het verbruik, blijft de vrijstelling van de BTW slechts behouden voor de overdracht aan de geadresseerde en, in voorkomend geval, voor de vorige overdrachten (kon. besl. nr. 7, art. 14, § 2).
Voorbeeld :
Wij veronderstellen een persoon A, gevestigd in het buitenland.
A voert goederen hier te lande in en slaat ze op in entrepot. Die verrichting gebeurt met gehele vrijstelling van de BTW.
A draagt de goederen in entrepot over aan B, gevestigd in België voor 1.000 F. Die overdracht is vrijgesteld van de BTW.
B verkoopt de goederen voor 1.200 F aan C, gevestigd in België en C vraagt aan B om de goederen aan hem te zenden.
Twee gevallen kunnen zich voordoen :
1 o C neemt de hoedanigheid aan van geadresseerde van de goederen.
De overdracht door B aan C vond plaats in het entrepot. Zij is dus vrijgesteld van de BTW. Wanneer de goederen het entrepot verlaten, worden ze geacht te zijn ingevoerd op dat tijdstip en, bij onderstelling, worden ze aangegeven voor het verbruik. De aangifte ten verbruik zal gebeuren met voldoening van de BTW op naam van C. De BTW wordt berekend over de aankoopprijs van C, dit is 1.200 F.
De gehele vrijstelling van de BTW die werd toegestaan bij de overdracht door A aan B en door B aan C wordt behouden.
2 o B neemt de hoedanigheid aan van geadresseerde.
De overdracht door B aan C gebeurt in het entrepot. Zij is vrijgesteld van de BTW. Bij het verlaten van het entrepot worden de goederen geacht op dat tijdstip te worden ingevoerd en, bij onderstelling, worden zij aangegeven voor het verbruik. De aangifte ten verbruik zal gedaan worden met betaling van de BTW, over de prijs van 1.000 F op naam van B.
In dat geval blijft de vrijstelling behouden voor de overdracht door A aan B, geadresseerde van de goederen. Zij vervalt voor de overdracht door B aan C.
Afdeling 2.- Vrijstellingen bedoeld in artikel 24, 2 o, van het Wetboek.
49. Algemeenheden.
De invoer van goederen in de gevallen omschreven in hoofdstuk IV van de Inleidende bepalingen van het Tarief van invoerrechten, is geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de BTW, ook al zijn de goederen niet aan invoerrecht onderworpen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden (Wetboek, art. 24, 2 o).
De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de goederen vrij van invoerrecht mogen worden ingevoerd hebben het voorwerp uitgemaakt van het ministerieel besluit van 17 februari 1960, houdende regeling van de vrijstellingen inzake invoerrecht.
De artikelen 16 tot 33 van het koninklijk besluit nr. 7 bepalen de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de goederen mogen worden ingevoerd met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de BTW.
In bepaalde gevallen is de vrijstelling van de belasting afhankelijk van dezelfde voorwaarden die gesteld zijn inzake invoerrecht.
In andere gevallen is de vrijstelling van de belasting afhankelijk van voorwaarden die eigen zijn aan de BTW.
Er bestaan anderdeels gevallen waarin vrijstelling van invoerrecht wordt verleend terwijl er geen vrijstelling van de BTW is. Het omgekeerde komt eveneens voor.
Tenslotte belet het feit dat iemand bij invoer aanspraak kan maken op vrijstelling van de BTW, niet dat die persoon wanneer hij aan de vereiste voorwaarden voldoet, de verlegging van de heffing zou toepassen in plaats van vrijstelling te vragen.
50. Algemene voorwaarden.
De invoer of de wederinvoer van goederen mag gebeuren met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de BTW onder de navolgende algemene voorwaarden :
1 o Een vergunning moet bekomen zijn voor de invoer. Die vergunning kan mondeling of schriftelijk worden verleend, algemeen of bijzonder zijn.
2 o Wanneer de goederen tijdelijk met vrijstelling worden ingevoerd moeten ze worden wederuitgevoerd binnen de termijn die zal worden vastgesteld door de ambtenaar die de vergunning verleent (kon. besl. nr. 7, art. 16). Indien de wederuitvoer niet binnen die termijn plaats vindt, is er misbruik gemaakt van de vrijstelling (z. 5 o, d, hierna).
3 o De belanghebbenden kunnen vragen dat een andere bestemming dan de wederuitvoer (verbruik, entrepot) wordt gegeven aan de met vrijstelling onder voorwaarde van wederuitvoer ingevoerde goederen.
De aanvraag moet gemotiveerd zijn, bij de douanediensten worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van punt 2 en vergezeld gaan van de aangifte voor de nieuwe bestemming.
In dat geval worden deze goederen geacht te worden ingevoerd voor de nieuwe bestemming op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ontvangen (kon. besl. nr. 7, art. 17).
Wanneer bijgevolg de nieuwe bestemming gegeven aan de ingevoerde goederen het verbruik is, zal de BTW berekend worden naar de maatstaf van heffing en tegen de tarieven van nrs. 6 tot 22, en van toepassing op het tijdstip van de aanvraag tot het afzien van de vrijstelling.
Voorbeeld :
A, die in het buitenland is gevestigd, voert op 15 januari 1971 goederen in met een waarde van 10.000 F. Hij vraagt en verkrijgt de vrijstelling van de BTW; die vrijstelling is onderworpen aan de voorwaarde dat de goederen niet verkocht worden in het land. De verblijfsduur van de goederen hier te lande is vastgesteld op zes maanden.
A, die goederen wenst te verkopen, dient op 15 maart 1971 bij de douanediensten een aanvraag in tot het afzien van de vrijstelling die hem werd toegestaan. Zijn aanvraag wordt op 20 maart 1971 ingewilligd. A dient een aangifte ten verbruik in, een document 45A op zijn naam. De waarde van de goederen op 15 maart 1971 wordt geraamd op 9.000 F.
De BTW verschuldigd ter zake van de aangifte voor het verbruik van de goederen moet worden berekend met inachtneming van de waarde van 9.000 F en van het tarief van kracht op 15 maart 1971.
4 o De goederen die met vrijstelling worden ingevoerd onder de voorwaarde van wederuitvoer moeten worden wedervertoond op elk verzoek van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën (kon. besl. nr. 7, art. 16).
5 o Maakt misbruik van de vrijstelling hij die, onder meer :
a) tengevolge van onjuiste of onvolledige gegevens een vrijstelling verkregen heeft, waarop hij geen aanspraak kan maken;
b) de ingevoerde goederen gebruikt voor andere doeleinden dan die bepaald in de beschikkingen die de hem verleende vrijstelling regelen;
c) de met vrijstelling ingevoerde goederen door andere goederen vervangt;
d) de inzake vrijstelling gestelde voorwaarden niet naleeft.
Als een poging tot misbruik van de vrijstelling wordt onder meer beschouwd, her feit onjuiste of onvolledige inlichtingen te verschaffen om een vrijstelling te verkrijgen waarop men geen aanspraak kan maken.
Elk misbruik maakt de voor de invoer verschuldigde belasting opeisbaar vanaf het tijdstip waarop het werd gepleegd.
Het misbruik of de poging tot misbruik kan het intrekken van de verleende vergunning of het verwerpen van de aanvraag tot vergunning tot gevolg hebben.
Wanneer de belasting opvorderbaar wordt ten gevolge van een misbruik van vrijstelling, moet ze worden berekend naar de maatstaf van heffing en tegen het tarief van het tijdstip van de datum van het binnenbrengen van de goederen in het land. In de maatstaf van heffing is evenwel de waarde niet begrepen van de goederen die wederuitgevoerd zijn op het tijdstip dat her misbruik werd gepleegd.
Voorbeeld :
Indien, in het voorbeeld van punt 3 o hiervoor, A de ingevoerde goederen had verkocht, vooraleer te vragen of hij mocht verzaken aan de vrijstelling, dan had hij een misbruik gepleegd op die vrijstelling.
In dat geval zou de BTW verschuldigd voor de inverbruikstelling moeten worden berekend met inachtneming van de waarde van de goederen op het tijdstip dat zij in het land werden binnengebracht, dit is 10.000 F, en van het tarief van kracht op 15 januari 1971.
Zo een deel van de goederen met een waarde van 5.000 F wederuitgevoerd waren alvorens A het misbruik heeft gepleegd, dan zou de maatstaf van heffing verminderd worden tot 5.000 F.
6 o Wanneer de vrijstelling wordt verleend met inachtneming van de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn gesteld door de bepalingen tot regeling van de vrijstelling inzake invoerrecht en er in die bepalingen sprake is van België en andere landen, dient te worden aangenomen dat het in die bepalingen alleen gaat om België (kon. besl. nr. 7, art. 19). Gelet op de overeenkomsten gesloten met de landen van de Benelux of van de E.E.G. wordt de vrijstelling van het invoerrecht soms verleend aan personen gevestigd in het buitenland of is ze geldig voor andere landen dan België. Die bepalingen konden niet toepasselijk worden gemaakt voor de BTW.
51. Speciale voorwaarden.
De bijzondere beperkingen en voorwaarden waarvan de vrijstellingen van de BTW afhankelijk zijn, zullen aangeduid worden in de Instructie BTW 1971.
Hierna worden de regelingen besproken getroffen voor eensdeels de invoer van goederen bestemd tot wederuitvoer na een herstelling, een bewerking of een verwerking te hebben ondergaan of na te zijn aangebracht aan uit te voeren goederen en, anderdeels, voor de goederen die tijdelijk uitgevoerd worden om een van deze handelingen in de vreemde te ondergaan.
A. Tijdelijke invoer van goederen bestemd tot wederuitvoer.
Voor de invoer van goederen die zullen worden wederuitgevoerd na een herstelling, een bewerking, of een verwerking te hebben ondergaan of na te zijn aangebracht aan uit te voeren goederen, stelt het koninklijk besluit nr. 7 geen vrijstelling in welke overeenstemt met die welke inzake douane bestaat. De vervoerder kan nochtans, mits een vergunning te bekomen van de administratie, aanspraak maken op de vrijstelling van artikel 43 van het Wetboek onder de voorwaarden gesteld door de artikelen 9 tot 13 van koninklijk besluit nr. 18.
B. Wederinvoer van tijdelijk uitgevoerde goederen.
In de regel kan de vrijstelling van artikel 31 van het koninklijk besluit nr. 7 slechts worden ingeroepen door niet-belastingplichtigen.
Paragraaf 5 van dat artikel bepaalt evenwel dat door of vanwege de Minister van Financiën aan de belastingplichtigen, die gehouden zijn een maandaangifte of kwartaalaangifte in te dienen, kan toestaan dat de goederen die ze hebben uitgevoerd met vrijstelling worden wederingevoerd.
Die vergunningen zullen worden toegekend onder meer aan de gedeeltelijk-belastingplichtigen en aan de belastingplichtigen die gedurende de overgangsperiode investeringsgoederen uitvoeren.
De vrijstelling wordt verleend tot beloop van het bedrag van de belasting berekend over de normale waarde welke de uitgevoerde goederen, delen en onderdelen zouden hebben op de dag van de invoer, en tegen het tarief dat van toepassing is voor de ingevoerde goederen.
De verschuldigde belasting mag nochtans niet lager zijn dan de belasting berekend over de prijs van het werk vermeerderd met de in de nrs. 12 tot 20 bedoelde bijhorigheden en tegen het tarief dat van toepassing is voor de ingevoerde goederen (kon. besl. nr. 31, § 3).
Voorbeeld :
| Uitvoer van een goed A | |
| Waarde van goed A bij de uitvoer : | 1.000 F |
| Tarief toepasselijk op dat goed : 6 pct | |
| Wederuitvoer van goed A verwerkt tot goed B. | |
| Waarde van goed A bij de wederinvoer : | 1.000 F |
| Waarde van goed B : | 2.500 F |
| Tarief toepasselijk op goed B : 18 pct. | |
| Prijs van het werk in het buitenland : | 1.500 F |
| Berekening van de verschuldigde belasting : | |
| bedrag van de verschuldigde belasting : | |
| 2.500 F (waarde van goed B) tegen 18 pct. : | 450 F |
| bedrag van de vrijstelling : | |
| 1.000 F waarde van goed A bij de wederinvoer) tegen 18 pct. (tarief toepasselijk op goed B) : | 180 F |
| eisbare belasting : | 270 F |
| Minimummaatstaf van heffing : | |
| 1.500 F (kosten van het werk) tegen 18 pct | |
| (tarief toepasselijk op goed B) : | 270 F |
Indien, in het voorgaande voorbeeld, de waarde van goed A vermeerderd is als gevolg van economische of financiële omstandigheden en zijn waarde op het tijdstip van de invoer kan geschat worden op 1.200 F, zou men hebben :
| Berekening van de verschuldigde belasting : | |
| bedrag van de verschuldigde belasting : | |
| 2.500 F (waarde van goed B) tegen 18 pct. : | 450 F |
| bedrag van de vrijstelling : | |
| 1 200 F (waarde van goed A bij de wederinvoer) tegen 18 pct. (tarief toepasselijk op goed B) : | 216 F |
| eisbare belasting : | 234 F |
In afwijking van de nrs. 26 tot 28 wordt de belasting voldaan op een document 45A opgemaakt op naam van degene die het goed heeft uitgevoerd.
De vrijstelling van de belasting is volledig voor de goederen die kosteloos hersteld werden in het buitenland, als gevolg van een verplichting tot waarborg, of wegens het bestaan van een fabricatiefout, op voorwaarde dat er geen rekening gehouden werd met de gebrekkige staat van die goederen bij het bepalen van de maatstaf van heffing op het tijdstip van de eerste invoer (kon. besl. nr. 7, art. 31, § 4).
Afdeling 3. - Vrijstellingen bedoeld in artikel 42 van het Wetboek.
52. Opsomming van de gevallen van vrijstelling.
Van de belasting zijn vrijgesteld :
1 o De invoer van :
a) zee- of binnenschepen, daaronder begrepen sleepboten en boten met een bijzondere bestemming, zoals baggermolens, zandzuigers, drijvende kranen (Wetboek, art. 42, § 1, 1").
Niet bedoeld zijn jachten en plezierboten die niet voor gemeenschappelijk vervoer bestemd zijn.
b) vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en andere dergelijke toestellen, bestemd voor gebruik door de Staat of door gemachtigde ondernemers van luchtvervoer (Wetboek, art. 42, § 1, 2 o).
c) goederen bestemd voor de bouw, de uitrusting, het onderhoud of de herstelling van zee- of binnenschepen, of van toestellen bedoeld in letter b hiervoor wanneer die goederen worden ingevoerd door bouwers, eigenaars of uitbaters van evengenoemde schepen of toestellen (Wetboek, art. 42, § 1, 4 o, a).
d) provisie (Wetboek, art. 42, § 1, 4 o, b).
Als provisie worden aangemerkt : de goederen bestemd om te worden verbruikt op zeeschepen, treinen, vliegtuigen, bij de voortbeweging of het onderhoud ervan, en de goederen voor het onderhoud van bemanning en passagiers.
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 7, wordt de vrijstelling verleend onder de voorwaarden die gesteld zijn inzake invoerrecht ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
2 o De invoer van goederen bestemd tot persoonlijk gebruik-daaronder begrepen het gebruik van de gezinsleden-van diplomatieke en consulaire ambtenaren, van de buitenlandse leden van het technisch personeel van in België geaccrediteerde diplomatieke en consulaire posten, alsook van de goederen voor het officiële gebruik van in België geaccrediteerde ambassades, legaties en consulaire posten gevestigd in België, en van de kanselarijgoederen (Wetboek, art. 42, § 2, 1 o).
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr 7, wordt de vrijstelling verleend onder de voorwaarden die besteld zijn inzake invoerrecht, ook als het gaat om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden, niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
3 o De invoer van goederen door internationale instellingen of daaraan verbonden buitenlandse ambtenaren (Wetboek, art. 42, § 2, 2 o) .
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 7, wordt vrijstelling verleend onder de voorwaarden die gesteld zijn inzake invoerrecht ook als het gaat om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
4 o De invoer van goederen hetzij voor officieel gebruik door de krijgsmacht van vreemde Staten toegetreden tot het Noord-Atlantisch Verdrag of door het burgerlijk personeel van die krijgsmacht, hetzij voor de bevoorrading van de messes of kantines van die krijgsmachten (Wetboek, art. 42, § 2, 3 o).
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 7 wordt de vrijstelling verleend onder de voorwaarden, die gesteld zijn inzake invoerrecht, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
5 o Invoer van goederen bestemd voor militaire begraafplaatsen (Wetboek, art. 42, § 2, 4 o).
6 o Invoer van goederen door de « United States Educational Foundation in Belgium » voor officieel gebruik door deze stichting (Wetboek, art. 42, § 2, 5 o).
7 o Invoer van edelstenen door personen die uitsluitend handelaar in die goederen zijn (Wetboek, art. 42, § 3).
Hier worden bedoeld de goederen ingedeeld onder de posten 71.01, 71.02, 71.03 en 71.04 van het Tarief voor Invoerrechten, dit zijn
1. Echte parels, onbewerkt of bewerkt, gevat noch gezet, ook indien aaneengeregen met het oog op het vervoer, doch niet in stellen;
2. Natuurlijke edelstenen (halfedelstenen daaronder begrepen), onbewerkt, geslepen of op andere wijze bewerkt, gevat noch gezet, ook indien aaneengeregen met het oog op het vervoer, doch niet in stellen;
3. Synthetische of gereconstrueerde edelstenen of halfedelstenen, onbewerkt, geslepen of op andere wijze bewerkt, gevat noch gezet, ook indien aaneengeregen met het oog op het vervoer, doch niet in stellen;
4. Poeder en stof, van natuurlijke of van synthetische edelstenen of halfedelstenen.
Bij de invoer van die produkten door personen die uitsluitend handelaar zijn in die goederen, dient een document 45B te worden gebruikt.
Afdeling 4. - Gevallen waarin bij invoer de belasting niet wordt geëist.
53. Opsomming.
A. De belasting wordt niet geëist bij invoer van :
1 o staven zuiver goud of met een gehalte van 900 of meer fijn en ontmuntte goudstukken met uitzondering van de invoer van die goederen door ambachtslieden of industrieën die dit goud zullen bewerken.
Om de vrijstelling te bekomen moet de aangever gebruik maken van een document 45B. Op dat document moet worden vermeld « Monetair Goud ».
2 o muntstukken die in België of in het buitenland in omloop zijn;
3 o effecten (staatspapier, aandelen of obligaties van vennootschappen), bankbiljetten, enz.;
4 o nieuwe postzegels die in België in omloop zijn, behalve wanneer ze door de uitgever ingevoerd worden als materiële waarden;
5 o vreemde fiscale bandjes ingevoerd om aangebracht te worden op goederen bestemd om te worden uitgevoerd.
B. De invoer van sigaren, sigaretten en cigarillo's, rooktabak, snuiftabak en droge pruimtabak, die zullen worden voorzien van belgische fiscale bandjes, is niet aan de belasting onderworpen (Wetboek, art. 58, § 1; kon. besl. nr. 13).
Van natte pruimtabak wordt bij invoer de belasting geheven tegen 6 pct. over de maatstaf bepaald in de artikelen 26 tot 28 en 34 van het Wetboek (zie nrs. 7 tot 23).
C. Worden zonder voldoening van de BTW in België toegelaten : vis, schaal-, schelp- en weekdieren waarvoor geen invoeraangifte moet worden ingereikt omdat ze door de vissers die ze hebben gevist aan boord van hun vaartuigen zijn aangevoerd. De belasting wordt voldaan zonder tussenkomst van de douane, hetzij bij de verkoop door de vissers zelf, hetzij bij de verkoop in de gemeentelijke vismijn van de aanvoerhaven.
Ten aanzien vis, schaal-, schelp- en weekdieren waarvoor een aangifte ten verbruik moet worden neergelegd, moet de belasting op de gewone wijze worden voldaan tenware de goederen bestemd zijn om te worden verkocht in de gemeentelijke vismijn van de aanvoerhaven en een speciale vergunning wordt bekomen van het Hoofdbestuur der douane en accijnzen (Wetboek, art. 58, § 2; kon. besl. nr. 16) .
NOOT
(1) Krachtens artikel 100 van het Wetboek is de BTW, verschuldigd ter zake van de invoer van investeringsgoederen, niet volledig aftrekbaar gedurende de overgangsperiode (1971 tot 1974). Ten aanzien van het materieel bestemd voor het uitvoeren van werken van alle aard dat gedurende de bedoelde periode zal worden ingevoerd, mag evenwel de BTW volledig worden afgetrokken, op voorwaarde dat het materieel wordt wederuitgevoerd binnen een termijn van één jaar.
Bron: FisconetPlus
