Aanschrijving nr. 21 dd. 22.12.1980
AANSCHRIJVING 80/021
Aanschrijving nr. 21 dd. 22.12.1980
Aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen
Onderwerp.
1. Deze aanschrijving heeft ten doel de draagwijdte toe te lichten :
1° van de wijzigingen aangebracht in artikel 100 van het BTW-Wetboek, met betrekking tot de aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen, door artikel 75 van de wet van 8 augustus 1980 (1), betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980) en door het koninklijk besluit van 1 september 1980 (2) (Belgisch Staatsblad van 9 september 1980) dat dienovereenkomstig het koninklijk besluit nr. 38, van 7 januari 1980 (3), heeft gewijzigd;
2° van het ministerieel besluit nr. 1, van 2 september 1980 (4), met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW.
Draagwijdte van de nieuwe regelingen.
I. Algemene draagwijdte.
2. Artikel 75 van de wet van 8 augustus 1980 heeft een dubbele draagwijdte; enerzijds wordt, voor de investeringen gedaan na 30 juni 1980, de beperking van het recht op aftrek bedoeld In artikel 100 van het BTW-Wetboek opgeheven en, anderzijds, wordt de toepassingstermijn van deze regeling beperkt tot het eerste semester van dit jaar en wordt dienovereenkomstig het investeringsgemiddelde dat in aanmerking moet worden genomen om de bijkomende investeringen te bepalen gewijzigd.
II. Opheffing van de beperking van het recht op aftrek bedoeld in artikel 100 van het BTW-Wetboek vanaf 1 juli 1980.
3. Vanaf 1 juli 1980 is de aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen niet meer onderworpen aan de beperking van artikel 100 van het Wetboek.
4. Om de belastingen te bepalen waarop deze nieuwe regeling van toepassing is, dient men zich, inzonderheid voor de lopende investeringen, te plaatsen op het tijdstip waarop die belastingen verschuldigd zijn, vastgesteld overeenkomstig de belastbare feiten en de oorzaken van verschuldigdheid bepaald voor leveringen van goederen, diensten en invoeren, respectievelijk in de artikelen 17, 22, en 24 van het BTW-Wetboek (z. aanschr. 25/1978 (5), nr. 6).
Voorbeeld.
Een machine werd geleverd in september 1980, doch er werd reeds een voorschot op de prijs betaald in april 1980.
De beperking van de aftrek van artikel 100 van het Wetboek is van toepassing op de BTW die in april 1980 verschuldigd was over het door de leverancier ontvangen voorschot (z. BTW-Wetboek, art. 17, § 1, tweede lid), behoudens wanneer de investering bijkomend of arbeidsscheppend was. Daarentegen is deze beperking in geen geval nog van toepassing op de BTW die op het tijdstip van de levering verschuldigd is over het op dat tijdstip nog verschuldigde saldo van de prijs (z. Wetboek, art. 17, § 1, eerste lid).
5. De belastingplichtigen die gehouden zijn tot indiening van maandaangiften, hebben reeds de volledige aftrek (onder voorbehoud van de eventuele toepassing van andere beperkingen) van de BTW die onder de nieuwe regeling valt kunnen uitoefenen in de BTW-aangiften die in principe op 20 augustus 1980 (maar waarvan de indieningstermijn als gevolg van de jaarlijkse vakantie werd verlengd tot 10 september 1980), 20 september, oktober en november 1980 moesten worden ingediend. De belastingplichtigen die kwartaalaangiften indienen hebben deze aftrek reeds kunnen uitoefenen in de aangifte die uiterlijk op 20 oktober 1980 moest worden ingediend.
De belastingplichtigen die, in deze BTW-aangiften of in iedere aangifte met betrekking tot een periode na 30 juni 1980, nog een beperkte aftrek hebben toegepast, alhoewel ze recht hadden op de bedoelde volledige aftrek, mogen uiteraard in een latere BTW-aangifte deze toestand in hun voordeel regulariseren, binnen de termijn en volgens de regels opgenomen in artikel 4, § 1, tweede lid, en § 2, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (z. inzonderheid aanschr. 29/1975 (6)).
III. Aanpassing van het investeringsgemiddelde voor bijkomende investeringen gedaan in de periode van 1 januari 1980 tot 30 juni 1980.
6. Volgens de oorspronkelijk ingevoerde bepalingen zou de nuttige periode voor de toepassing van artikel 100 van het BTW-Wetboek in 1980 het gehele jaar omvatten, of vier kwartalen.
Deze periode is ingekort tot een semester, of twee kwartalen.
Hieruit volgt dat de breuk voor de berekening van het investeringsgemiddelde, om de bijkomende investeringen te bepalen, is verminderd van vier twaalfde tot twee twaalfde.
7. De belastingplichtigen die, voor de investeringen gedaan in de loop van het eerste semester 1980, op basis van het investeringsgemiddelde van vier twaalfde, een grotere beperking van de aftrek hebben toegepast dan die welke zij in acht moesten nemen op basis van het nieuwe investeringsgemiddelde, mogen in een latere BTW-aangifte die toestand in hun voordeel-regulariseren.
8. Deze belastingplichtigen voegen bij de periodieke aangifte waarin zij de aftrek regulariseren, een verklarende nota die de elementen voor de berekening van die regularisatie bevat. Deze nota kan worden opgesteld volgens het model dat is opgenomen in de bijlage bij deze aanschrijving.
9. Het spreekt vanzelf dat deze herziening moet gebeuren binnen de termijn en volgens de regels opgenomen in artikel 4, § 1, tweede lid, en § 2, van voornoemd koninklijk besluit nr. 3.
IV. Arbeidsscheppende investeringen.
10. De nieuwe regeling brengt geen enkele wijziging aan de wijze van berekenen van de arbeidsscheppende investeringen, gedaan tijdens het eerste semester van 1980, waarvoor de volledige aftrek kan worden toegepast.
V. Overname van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling als bedoeld in artikel 11 van het BTW-Wetboek.
11. De bijzondere regeling opgenomen in artikel 100, § 4, van het BTW-Wetboek met betrekking tot de overname van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling is niet meer van toepassing op de overdrachten die na 30 juni 1980 plaatsvinden .
VI. Investeringen die het voorwerp zijn van een overeenkomst van financieringshuur of leasing.
12. Artikel 100, § 6, van het BTW-Wetboek voorzag in een bijzondere regeling voor de investeringen die het voorwerp waren van een overeenkomst van financieringshuur of leasing.
Deze regeling is niet meer van toepassing op de investeringen gedaan na 30 juni 1980. In dit opzicht verstaat men onder investeringen gedaan na 30 juni 1980, de investeringen waarvan de aankoop of de invoer door de leasingonderneming de BTW slechts opeisbaar maakt na 30 juni 1980. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de leasingovereenkomst tussen deze onderneming en de leasingnemer gesloten werd voor 1 juli 1980 dan wel na 30 juni 1980.
13. Overeenkomstig artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, mag de leasingnemer die een leasingovereenkomst sluit op het tijdstip waarop hij zijn investeringsgemiddelde nog niet heeft bereikt, de goederen die het voorwerp zijn van deze leasingovereenkomst beschouwen als een door hem zelf gedane investering, wat hem de mogelijkheid biedt zijn investeringsgemiddelde vroeger te bereiken.
14. Deze investering wordt in aanmerking genomen voor een bedrag gelijk aan de maatstaf van heffing waarover in hoofde van de leasingonderneming de BTW wordt geheven tijdens de nuttige periode. Hieruit volgt dat wanneer de investering niet werkelijk tijdens deze nuttige periode gedaan werd of, met andere woorden, wanneer de BTW met betrekking tot de verkrijging van het bedrijfsmiddel door de leasingonderneming niet verschuldigd wordt tijdens deze periode, de leasingnemer, in voorkomend geval, een regularisatie moet verrichten door de 5 pct. BTW terug te storten die hij in aftrek heeft gebracht ter zake van investeringen gedaan tussen het tijdstip waarop hij fictief zijn investeringsgemiddelde heeft bereikt (dank zij het in aanmerking nemen van de investering door middel van de leasing) en het tijdstip waarop hij werkelijk zijn investeringsgemiddelde heeft bereikt (z. aanschr. 25/1978, nr. 119).
15. De nuttige periode kwam oorspronkelijk, in 1980, overeen met het gehele jaar. De vermindering van deze periode tot het eerste semester 1980 heeft tot gevolg dat de leasingnemer die een in 1980 door middel van leasing gedane investering aangemerkt heeft als gedaan door hem zelf, de voornoemde 5 pct. moet terugstorten wanneer de BTW met betrekking tot de verkrijging van deze investering door de leasingonderneming verschuldigd is na 30 juni 1980.
VII. Draagwijdte van het ministerieel besluit nr. 1.
16. Het ministerieel besluit nr. 1, van 2 september 1980 (7), heeft het ministerieel besluit nr. 1, van 10 november 1970, vervangen, dat bepaalde klein materieel, klein gereedschap en kantoorbehoeften niet werden aangemerkt als bedrijfsmiddelen voor de toepassing van artikel 100 van het Wetboek, wanneer hun prijs, of, bij ontstentenis van een prijs, hun normale waarde, per in de handel gebruikelijke eenheid, lager was dan 1.000 frank.
Deze bepaling heeft geen zin meer en werd vanaf 1 juli 1980 afgeschaft ten gevolge van het opheffen van de beperking van het recht op aftrek bedoeld in voornoemd artikel 100.
17. Het nieuw ministerieel besluit beoogt voortaan slechts de herziening van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen, bedoeld in artikel 48, § 2, van het Wetboek, en heeft alleen ten doel van deze herziening uit te sluiten :
1° het klein materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften, wanneer de prijs of, bij ontstentenis van een prijs, hun normale waarde, per in de handel gebruikelijke eenheid, lager is dan 10.000 frank;
2° verpakkingsmiddelen, zelfs indien ze opnieuw kunnen worden gebruikt.
18. Overigens staat de administratie bij wijze van vereenvoudiging toe dat de in het vorig lid bedoelde goederen niet het voorwerp moeten zijn van een onttrekking voor de behoeften van de onderneming, als bedoeld in artikel 12, § 1, 4°, van het Wetboek. Deze onttrekking heeft immers voor dergelijke goederen geen nut meer, aangezien ze niet meer aan een eventuele latere herziening onderworpen zijn.
19. Het spreekt evenwel voor zich dat deze goederen wel onderworpen zijn aan de regeling met betrekking tot de onttrekkingen bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek, wanneer een belastingplichtige aan zijn bedrijf een roerend goed onttrekt voor zijn privé-doeleinden of voor privé-doeleinden van zijn personeel of om het om niet te verstrekken.
NOTEN
(1) Z. Revue nr. 16, blz. 313.
(2) Z. Revue nr. 46, blz. 334.
(3) Z. Revue nr. 43, blz. 8.
(4) Z. Revue nr. 16, blz. 337.
(5) Z. Revue nr. 37, blz. 803.
(6) Z. Revue nr. 24, blz. 17.
(7) Z. Revue nr. 46, blz. 337.
BIJLAGE
MODEL VAN VERKLARENDE NOTA TE VOEGEN BIJ DE AANGIFTE WAARIN DE BELASTINGPLICHTIGE, DIE RECHT HEEFT OP EEN BIJKOMENDE AFTREK WEGENS DE VERMINDERING VAN HET INVESTERINGSGEMIDDELDE VOOR HET EERSTE SEMESTER 1980, DE REGULARISATIE IN ZIJN VOORDEEL VERRICHT (toepassing van art. 75, 2°, van de wet van 8 augustus 1980)
IDENTIFICATIEVIGNET Bijlage bij de BTW-aangifte voor de handelingen van :
- de maand .......... 19
- het........kwartaal 19
1° investeringstotaal van de referentie-
periode : ................................
2° investeringsgemiddelde berekend vol-
gens de breuk 4/12 (*) : ...................................
3° investeringsgemiddelde berekend vol-
gens de breuk 2/12 (*) : ....................................
4° bedrag van de investeringen gedaan tijdens het eerste semester 1980 en die rekening houdende met het investeringsgemiddelde van 4/12 niet bijkomend waren : ....................................
5° verschil tussen 4° en 3° :
6° gedeelte van het bedrag onder 5° ten belope waarvan de aftrek reeds werd gedaan zonder rekening te houden met de beperking van 5 pct. :
- om reden dat de investering arbeidsscheppend was :
- om elke andere reden (vergissing, enz.) :
7° verschil tussen 5° en 6°, d.w.z. bedrag van de investeringen waarvoor een bijkomende aftrek wordt verricht :
8° bedrag van de BTW waarvoor een bijkomende aftrek wordt verricht :
NOOT
(*) De recente ondernemingen gebruiken uiteraard de breuk die overeenstemt met hun toestand.
Aanschrijving nr. 21 dd. 22.12.1980
Aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen
Onderwerp.
1. Deze aanschrijving heeft ten doel de draagwijdte toe te lichten :
1° van de wijzigingen aangebracht in artikel 100 van het BTW-Wetboek, met betrekking tot de aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen, door artikel 75 van de wet van 8 augustus 1980 (1), betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980) en door het koninklijk besluit van 1 september 1980 (2) (Belgisch Staatsblad van 9 september 1980) dat dienovereenkomstig het koninklijk besluit nr. 38, van 7 januari 1980 (3), heeft gewijzigd;
2° van het ministerieel besluit nr. 1, van 2 september 1980 (4), met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW.
Draagwijdte van de nieuwe regelingen.
I. Algemene draagwijdte.
2. Artikel 75 van de wet van 8 augustus 1980 heeft een dubbele draagwijdte; enerzijds wordt, voor de investeringen gedaan na 30 juni 1980, de beperking van het recht op aftrek bedoeld In artikel 100 van het BTW-Wetboek opgeheven en, anderzijds, wordt de toepassingstermijn van deze regeling beperkt tot het eerste semester van dit jaar en wordt dienovereenkomstig het investeringsgemiddelde dat in aanmerking moet worden genomen om de bijkomende investeringen te bepalen gewijzigd.
II. Opheffing van de beperking van het recht op aftrek bedoeld in artikel 100 van het BTW-Wetboek vanaf 1 juli 1980.
3. Vanaf 1 juli 1980 is de aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen niet meer onderworpen aan de beperking van artikel 100 van het Wetboek.
4. Om de belastingen te bepalen waarop deze nieuwe regeling van toepassing is, dient men zich, inzonderheid voor de lopende investeringen, te plaatsen op het tijdstip waarop die belastingen verschuldigd zijn, vastgesteld overeenkomstig de belastbare feiten en de oorzaken van verschuldigdheid bepaald voor leveringen van goederen, diensten en invoeren, respectievelijk in de artikelen 17, 22, en 24 van het BTW-Wetboek (z. aanschr. 25/1978 (5), nr. 6).
Voorbeeld.
Een machine werd geleverd in september 1980, doch er werd reeds een voorschot op de prijs betaald in april 1980.
De beperking van de aftrek van artikel 100 van het Wetboek is van toepassing op de BTW die in april 1980 verschuldigd was over het door de leverancier ontvangen voorschot (z. BTW-Wetboek, art. 17, § 1, tweede lid), behoudens wanneer de investering bijkomend of arbeidsscheppend was. Daarentegen is deze beperking in geen geval nog van toepassing op de BTW die op het tijdstip van de levering verschuldigd is over het op dat tijdstip nog verschuldigde saldo van de prijs (z. Wetboek, art. 17, § 1, eerste lid).
5. De belastingplichtigen die gehouden zijn tot indiening van maandaangiften, hebben reeds de volledige aftrek (onder voorbehoud van de eventuele toepassing van andere beperkingen) van de BTW die onder de nieuwe regeling valt kunnen uitoefenen in de BTW-aangiften die in principe op 20 augustus 1980 (maar waarvan de indieningstermijn als gevolg van de jaarlijkse vakantie werd verlengd tot 10 september 1980), 20 september, oktober en november 1980 moesten worden ingediend. De belastingplichtigen die kwartaalaangiften indienen hebben deze aftrek reeds kunnen uitoefenen in de aangifte die uiterlijk op 20 oktober 1980 moest worden ingediend.
De belastingplichtigen die, in deze BTW-aangiften of in iedere aangifte met betrekking tot een periode na 30 juni 1980, nog een beperkte aftrek hebben toegepast, alhoewel ze recht hadden op de bedoelde volledige aftrek, mogen uiteraard in een latere BTW-aangifte deze toestand in hun voordeel regulariseren, binnen de termijn en volgens de regels opgenomen in artikel 4, § 1, tweede lid, en § 2, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (z. inzonderheid aanschr. 29/1975 (6)).
III. Aanpassing van het investeringsgemiddelde voor bijkomende investeringen gedaan in de periode van 1 januari 1980 tot 30 juni 1980.
6. Volgens de oorspronkelijk ingevoerde bepalingen zou de nuttige periode voor de toepassing van artikel 100 van het BTW-Wetboek in 1980 het gehele jaar omvatten, of vier kwartalen.
Deze periode is ingekort tot een semester, of twee kwartalen.
Hieruit volgt dat de breuk voor de berekening van het investeringsgemiddelde, om de bijkomende investeringen te bepalen, is verminderd van vier twaalfde tot twee twaalfde.
7. De belastingplichtigen die, voor de investeringen gedaan in de loop van het eerste semester 1980, op basis van het investeringsgemiddelde van vier twaalfde, een grotere beperking van de aftrek hebben toegepast dan die welke zij in acht moesten nemen op basis van het nieuwe investeringsgemiddelde, mogen in een latere BTW-aangifte die toestand in hun voordeel-regulariseren.
8. Deze belastingplichtigen voegen bij de periodieke aangifte waarin zij de aftrek regulariseren, een verklarende nota die de elementen voor de berekening van die regularisatie bevat. Deze nota kan worden opgesteld volgens het model dat is opgenomen in de bijlage bij deze aanschrijving.
9. Het spreekt vanzelf dat deze herziening moet gebeuren binnen de termijn en volgens de regels opgenomen in artikel 4, § 1, tweede lid, en § 2, van voornoemd koninklijk besluit nr. 3.
IV. Arbeidsscheppende investeringen.
10. De nieuwe regeling brengt geen enkele wijziging aan de wijze van berekenen van de arbeidsscheppende investeringen, gedaan tijdens het eerste semester van 1980, waarvoor de volledige aftrek kan worden toegepast.
V. Overname van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling als bedoeld in artikel 11 van het BTW-Wetboek.
11. De bijzondere regeling opgenomen in artikel 100, § 4, van het BTW-Wetboek met betrekking tot de overname van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling is niet meer van toepassing op de overdrachten die na 30 juni 1980 plaatsvinden .
VI. Investeringen die het voorwerp zijn van een overeenkomst van financieringshuur of leasing.
12. Artikel 100, § 6, van het BTW-Wetboek voorzag in een bijzondere regeling voor de investeringen die het voorwerp waren van een overeenkomst van financieringshuur of leasing.
Deze regeling is niet meer van toepassing op de investeringen gedaan na 30 juni 1980. In dit opzicht verstaat men onder investeringen gedaan na 30 juni 1980, de investeringen waarvan de aankoop of de invoer door de leasingonderneming de BTW slechts opeisbaar maakt na 30 juni 1980. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de leasingovereenkomst tussen deze onderneming en de leasingnemer gesloten werd voor 1 juli 1980 dan wel na 30 juni 1980.
13. Overeenkomstig artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, mag de leasingnemer die een leasingovereenkomst sluit op het tijdstip waarop hij zijn investeringsgemiddelde nog niet heeft bereikt, de goederen die het voorwerp zijn van deze leasingovereenkomst beschouwen als een door hem zelf gedane investering, wat hem de mogelijkheid biedt zijn investeringsgemiddelde vroeger te bereiken.
14. Deze investering wordt in aanmerking genomen voor een bedrag gelijk aan de maatstaf van heffing waarover in hoofde van de leasingonderneming de BTW wordt geheven tijdens de nuttige periode. Hieruit volgt dat wanneer de investering niet werkelijk tijdens deze nuttige periode gedaan werd of, met andere woorden, wanneer de BTW met betrekking tot de verkrijging van het bedrijfsmiddel door de leasingonderneming niet verschuldigd wordt tijdens deze periode, de leasingnemer, in voorkomend geval, een regularisatie moet verrichten door de 5 pct. BTW terug te storten die hij in aftrek heeft gebracht ter zake van investeringen gedaan tussen het tijdstip waarop hij fictief zijn investeringsgemiddelde heeft bereikt (dank zij het in aanmerking nemen van de investering door middel van de leasing) en het tijdstip waarop hij werkelijk zijn investeringsgemiddelde heeft bereikt (z. aanschr. 25/1978, nr. 119).
15. De nuttige periode kwam oorspronkelijk, in 1980, overeen met het gehele jaar. De vermindering van deze periode tot het eerste semester 1980 heeft tot gevolg dat de leasingnemer die een in 1980 door middel van leasing gedane investering aangemerkt heeft als gedaan door hem zelf, de voornoemde 5 pct. moet terugstorten wanneer de BTW met betrekking tot de verkrijging van deze investering door de leasingonderneming verschuldigd is na 30 juni 1980.
VII. Draagwijdte van het ministerieel besluit nr. 1.
16. Het ministerieel besluit nr. 1, van 2 september 1980 (7), heeft het ministerieel besluit nr. 1, van 10 november 1970, vervangen, dat bepaalde klein materieel, klein gereedschap en kantoorbehoeften niet werden aangemerkt als bedrijfsmiddelen voor de toepassing van artikel 100 van het Wetboek, wanneer hun prijs, of, bij ontstentenis van een prijs, hun normale waarde, per in de handel gebruikelijke eenheid, lager was dan 1.000 frank.
Deze bepaling heeft geen zin meer en werd vanaf 1 juli 1980 afgeschaft ten gevolge van het opheffen van de beperking van het recht op aftrek bedoeld in voornoemd artikel 100.
17. Het nieuw ministerieel besluit beoogt voortaan slechts de herziening van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen, bedoeld in artikel 48, § 2, van het Wetboek, en heeft alleen ten doel van deze herziening uit te sluiten :
1° het klein materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften, wanneer de prijs of, bij ontstentenis van een prijs, hun normale waarde, per in de handel gebruikelijke eenheid, lager is dan 10.000 frank;
2° verpakkingsmiddelen, zelfs indien ze opnieuw kunnen worden gebruikt.
18. Overigens staat de administratie bij wijze van vereenvoudiging toe dat de in het vorig lid bedoelde goederen niet het voorwerp moeten zijn van een onttrekking voor de behoeften van de onderneming, als bedoeld in artikel 12, § 1, 4°, van het Wetboek. Deze onttrekking heeft immers voor dergelijke goederen geen nut meer, aangezien ze niet meer aan een eventuele latere herziening onderworpen zijn.
19. Het spreekt evenwel voor zich dat deze goederen wel onderworpen zijn aan de regeling met betrekking tot de onttrekkingen bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek, wanneer een belastingplichtige aan zijn bedrijf een roerend goed onttrekt voor zijn privé-doeleinden of voor privé-doeleinden van zijn personeel of om het om niet te verstrekken.
NOTEN
(1) Z. Revue nr. 16, blz. 313.
(2) Z. Revue nr. 46, blz. 334.
(3) Z. Revue nr. 43, blz. 8.
(4) Z. Revue nr. 16, blz. 337.
(5) Z. Revue nr. 37, blz. 803.
(6) Z. Revue nr. 24, blz. 17.
(7) Z. Revue nr. 46, blz. 337.
BIJLAGE
MODEL VAN VERKLARENDE NOTA TE VOEGEN BIJ DE AANGIFTE WAARIN DE BELASTINGPLICHTIGE, DIE RECHT HEEFT OP EEN BIJKOMENDE AFTREK WEGENS DE VERMINDERING VAN HET INVESTERINGSGEMIDDELDE VOOR HET EERSTE SEMESTER 1980, DE REGULARISATIE IN ZIJN VOORDEEL VERRICHT (toepassing van art. 75, 2°, van de wet van 8 augustus 1980)
IDENTIFICATIEVIGNET Bijlage bij de BTW-aangifte voor de handelingen van :
- de maand .......... 19
- het........kwartaal 19
1° investeringstotaal van de referentie-
periode : ................................
2° investeringsgemiddelde berekend vol-
gens de breuk 4/12 (*) : ...................................
3° investeringsgemiddelde berekend vol-
gens de breuk 2/12 (*) : ....................................
4° bedrag van de investeringen gedaan tijdens het eerste semester 1980 en die rekening houdende met het investeringsgemiddelde van 4/12 niet bijkomend waren : ....................................
5° verschil tussen 4° en 3° :
6° gedeelte van het bedrag onder 5° ten belope waarvan de aftrek reeds werd gedaan zonder rekening te houden met de beperking van 5 pct. :
- om reden dat de investering arbeidsscheppend was :
- om elke andere reden (vergissing, enz.) :
7° verschil tussen 5° en 6°, d.w.z. bedrag van de investeringen waarvoor een bijkomende aftrek wordt verricht :
8° bedrag van de BTW waarvoor een bijkomende aftrek wordt verricht :
NOOT
(*) De recente ondernemingen gebruiken uiteraard de breuk die overeenstemt met hun toestand.
Bron: FisconetPlus
