Circulaire nr. Ci.RH.331/565.431 (AOIF 33/2005) van 23.08.2005
CIRC 23.08.05/3
BELASTINGVERMINDERING
Aandeel van de vennootschap-werkgeefster
PERSONENBELASTING
Belastingvermindering
Principe van het vrij kapitaalverkeer binnen de Europese Unie dat gewaarborgd wordt door het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap.
Addendum: zie circulaire nr. Ci.RH.331/565.431 (AOIF 33/2005) van 21.04.2006
Aan alle ambtenaren.
I. INLEIDING
1. Ingevolge het arrest van 15 juli 2004 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-242/03, echtgenoten Weidert-Paulus), is de administratie er toe gebracht om de verenigbaarheid te onderzoeken van de belastingvermindering voor de verwerving van werkgeversaandelen, vermeld in art. 145^1, 4°, WIB 92, met het principe van het vrij kapitaalverkeer binnen de Europese Unie dat wordt gewaarborgd door het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap (EG-verdrag).
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
2. Krachtens art. 145^1, 4°, WIB 92, wordt, binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de art. 145^2 en 145^7, WIB 92, een belastingvermindering verleend die wordt berekend op basis van de uitgaven die werkelijk tijdens het belastbare tijdperk zijn betaald als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap-werkgeefster, in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn.
3. Art. 145^7, 1 e al., 2°, WIB 92, bepaalt dat deze belastingvermindering slechts kan worden verleend indien de belastingplichtige voor hetzelfde belastbare tijdperk geen enkele belastingvermindering geniet voor het pensioensparen.
III. HISTORIEK
4. Deze bepaling (oorspronkelijk "Monory-bis", en vervolgens "Monory permanent" genoemd) vindt zijn oorsprong in het KB nr. 15 van 9.3.1982 tot aanmoediging van de inschrijving of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in Belgische vennootschappen. Deze bepaling bestond op dat moment onder de vorm van een aftrek en strekte er volgens het Verslag aan de Koning toe het sparen te heroriënteren naar de financiering van Belgische ondernemingen in risicodragend kapitaal.
5. De wet van 28.12.1983 houdende de fiscale en begrotingsbepalingen heeft voor de werknemers aan de bepalingen van Monory-bis, opgenomen in voormeld KB, een permanent karakter gegeven. De bedoeling van de wetgever is strikt genomen dezelfde gebleven.
6. De wet van 28.12.1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, heeft het stelsel van de aftrek vervangen door een belastingvermindering door het invoegen van het huidige art. 145^1, 4° in het WIB 92.
IV. ADMINISTRATIEVE COMMENTAAR
7. De art. 145^1, 4°, en 145^7, WIB 92, worden besproken in de nrs. 145^7/1 tot 145^7/32, Com.IB 92.
In nr. 145^7/7, Com.IB wordt meer in het bijzonder verduidelijkt dat alleen de aandelen in aanmerking komen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van binnenlandse vennootschappen in de zin van art. 2, § 2, 2°, WIB 92 (het huidig art. 2, 5°, b, WIB 92), d.w.z. de vennootschappen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en niet van de Ven.B zijn uitgesloten.
V. TEGENSTELLING TUSSEN ART. 145^1, 4°, WIB 92 EN HET EUROPEES RECHT
1. Arrest van 15 juli 2004 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-242/03, echtgenoten Weidert-Paulus)
8. Dat arrest van 15 juli 2004 behandelt het volgende geval : de Luxemburgse fiscale administratie weigert om een belastingaftrek te verlenen voor de verwerving van aandelen van een in België gevestigde vennootschap, terwijl de Luxemburgse wet dit toelaat voor de verwerving van aandelen van een vennootschap die volledig belastbaar is in het Groothertogdom Luxemburg.
Het Groothertogdom Luxemburg heeft zijn standpunt gerechtvaardigd door het argument in te roepen van de samenhang van het volgende belastingstelsel. Het belastingvoordeel voor de verwerving van aandelen van in Luxemburg gevestigde vennootschappen, wordt gecompenseerd door de belastingheffing over de dividenden die deze vennootschappen later uitkeren, terwijl voor vennootschappen die in België zijn gevestigd die compensatie verminderd wordt, aangezien Luxemburg van een deel van de belasting moet afzien krachtens de overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting.
9. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft dat argument niet aanvaard. In het arrest van 15 juli 2004, zegt het Hof voor recht dat de art. 56, lid 1, en 58, lid 1, sub a, van het EG-verdrag, in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat, waarbij wordt uitgesloten dat een aftrek van het belastbaar inkomen wordt toegekend aan natuurlijke personen die aandelen verwerven die een investering in gereed geld vertegenwoordigen in kapitaalvennootschappen die zijn gevestigd in andere lidstaten.
2. Toepassing Europees recht
10. De vraag rijst bijgevolg of art. 145^1, 4°, WIB 92, verenigbaar is met het principe van vrij verkeer van kapitalen binnen de Europese Unie zoals geformuleerd in art. 56, lid 1, van het EG-verdrag, rekening houdend met de beperkingen die aan dat principe werden aangebracht inzonderheid door art. 58, lid 1, sub a, van het EG-verdrag.
11. Volgens het principe van art. 56, lid 1, van het EG-verdrag, zijn alle beperkingen van kapitaalverkeer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen verboden.
Art. 58, lid 1, sub a, van het EG-verdrag, bepaalt echter dat art. 56 niets afdoet aan het recht van de lidstaten om terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
3. Gevolgen
12. Hoewel dit arrest België niet veroordeelt, heeft het vrijwel een dwingend karakter, aangezien een haast perfect parallellisme kan worden gemaakt tussen de gewraakte Luxemburgse bepaling en art. 145^1, 4°, WIB 92.
13. In dat opzicht ziet de administratie niet in welke bijkomende argumenten zouden kunnen worden ingeroepen dan die van de Luxemburgse belastingautoriteiten om de stelling te verdedigen dat art. 145^1, 4°, WIB 92, de samenhang van het Belgisch fiscale systeem waarborgt.
14. In die omstandigheden sluit de administratie zich aan bij de stelling volgens dewelke art. 145^1, 4°, WIB 92, niet verenigbaar is met het vrij kapitaalverkeer binnen de Europese Unie zoals geformuleerd in art. 56, lid 1, van het EG-verdrag.
VI. BESLISSING
15. Omwille van die onverenigbaarheid, is beslist om de toepassing van art. 145^1, 4°, WIB 92 uit te breiden tot de aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van alle vennootschappen die zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie. De tekst van art. 145^1, 4°, WIB 92, zou overigens eerlang in die zin moeten worden aangepast.
16. Voor het overige blijven alle voorwaarden en grenzen zoals bepaald in art. 145^1, 4°; 145^2 en 145^7, WIB 92, onveranderd van toepassing.
VII. INWERKINGTREDING
17. Deze huidige beslissing is onmiddellijk van toepassing en dit in elk stadium van de procedure.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering,
De Directeur,
S. QUINTENS
BELASTINGVERMINDERING
Aandeel van de vennootschap-werkgeefster
PERSONENBELASTING
Belastingvermindering
Principe van het vrij kapitaalverkeer binnen de Europese Unie dat gewaarborgd wordt door het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap.
Addendum: zie circulaire nr. Ci.RH.331/565.431 (AOIF 33/2005) van 21.04.2006
Aan alle ambtenaren.
I. INLEIDING
1. Ingevolge het arrest van 15 juli 2004 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-242/03, echtgenoten Weidert-Paulus), is de administratie er toe gebracht om de verenigbaarheid te onderzoeken van de belastingvermindering voor de verwerving van werkgeversaandelen, vermeld in art. 145^1, 4°, WIB 92, met het principe van het vrij kapitaalverkeer binnen de Europese Unie dat wordt gewaarborgd door het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap (EG-verdrag).
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
2. Krachtens art. 145^1, 4°, WIB 92, wordt, binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de art. 145^2 en 145^7, WIB 92, een belastingvermindering verleend die wordt berekend op basis van de uitgaven die werkelijk tijdens het belastbare tijdperk zijn betaald als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap-werkgeefster, in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn.
3. Art. 145^7, 1 e al., 2°, WIB 92, bepaalt dat deze belastingvermindering slechts kan worden verleend indien de belastingplichtige voor hetzelfde belastbare tijdperk geen enkele belastingvermindering geniet voor het pensioensparen.
III. HISTORIEK
4. Deze bepaling (oorspronkelijk "Monory-bis", en vervolgens "Monory permanent" genoemd) vindt zijn oorsprong in het KB nr. 15 van 9.3.1982 tot aanmoediging van de inschrijving of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in Belgische vennootschappen. Deze bepaling bestond op dat moment onder de vorm van een aftrek en strekte er volgens het Verslag aan de Koning toe het sparen te heroriënteren naar de financiering van Belgische ondernemingen in risicodragend kapitaal.
5. De wet van 28.12.1983 houdende de fiscale en begrotingsbepalingen heeft voor de werknemers aan de bepalingen van Monory-bis, opgenomen in voormeld KB, een permanent karakter gegeven. De bedoeling van de wetgever is strikt genomen dezelfde gebleven.
6. De wet van 28.12.1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, heeft het stelsel van de aftrek vervangen door een belastingvermindering door het invoegen van het huidige art. 145^1, 4° in het WIB 92.
IV. ADMINISTRATIEVE COMMENTAAR
7. De art. 145^1, 4°, en 145^7, WIB 92, worden besproken in de nrs. 145^7/1 tot 145^7/32, Com.IB 92.
In nr. 145^7/7, Com.IB wordt meer in het bijzonder verduidelijkt dat alleen de aandelen in aanmerking komen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van binnenlandse vennootschappen in de zin van art. 2, § 2, 2°, WIB 92 (het huidig art. 2, 5°, b, WIB 92), d.w.z. de vennootschappen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en niet van de Ven.B zijn uitgesloten.
V. TEGENSTELLING TUSSEN ART. 145^1, 4°, WIB 92 EN HET EUROPEES RECHT
1. Arrest van 15 juli 2004 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-242/03, echtgenoten Weidert-Paulus)
8. Dat arrest van 15 juli 2004 behandelt het volgende geval : de Luxemburgse fiscale administratie weigert om een belastingaftrek te verlenen voor de verwerving van aandelen van een in België gevestigde vennootschap, terwijl de Luxemburgse wet dit toelaat voor de verwerving van aandelen van een vennootschap die volledig belastbaar is in het Groothertogdom Luxemburg.
Het Groothertogdom Luxemburg heeft zijn standpunt gerechtvaardigd door het argument in te roepen van de samenhang van het volgende belastingstelsel. Het belastingvoordeel voor de verwerving van aandelen van in Luxemburg gevestigde vennootschappen, wordt gecompenseerd door de belastingheffing over de dividenden die deze vennootschappen later uitkeren, terwijl voor vennootschappen die in België zijn gevestigd die compensatie verminderd wordt, aangezien Luxemburg van een deel van de belasting moet afzien krachtens de overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting.
9. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft dat argument niet aanvaard. In het arrest van 15 juli 2004, zegt het Hof voor recht dat de art. 56, lid 1, en 58, lid 1, sub a, van het EG-verdrag, in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat, waarbij wordt uitgesloten dat een aftrek van het belastbaar inkomen wordt toegekend aan natuurlijke personen die aandelen verwerven die een investering in gereed geld vertegenwoordigen in kapitaalvennootschappen die zijn gevestigd in andere lidstaten.
2. Toepassing Europees recht
10. De vraag rijst bijgevolg of art. 145^1, 4°, WIB 92, verenigbaar is met het principe van vrij verkeer van kapitalen binnen de Europese Unie zoals geformuleerd in art. 56, lid 1, van het EG-verdrag, rekening houdend met de beperkingen die aan dat principe werden aangebracht inzonderheid door art. 58, lid 1, sub a, van het EG-verdrag.
11. Volgens het principe van art. 56, lid 1, van het EG-verdrag, zijn alle beperkingen van kapitaalverkeer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen verboden.
Art. 58, lid 1, sub a, van het EG-verdrag, bepaalt echter dat art. 56 niets afdoet aan het recht van de lidstaten om terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
3. Gevolgen
12. Hoewel dit arrest België niet veroordeelt, heeft het vrijwel een dwingend karakter, aangezien een haast perfect parallellisme kan worden gemaakt tussen de gewraakte Luxemburgse bepaling en art. 145^1, 4°, WIB 92.
13. In dat opzicht ziet de administratie niet in welke bijkomende argumenten zouden kunnen worden ingeroepen dan die van de Luxemburgse belastingautoriteiten om de stelling te verdedigen dat art. 145^1, 4°, WIB 92, de samenhang van het Belgisch fiscale systeem waarborgt.
14. In die omstandigheden sluit de administratie zich aan bij de stelling volgens dewelke art. 145^1, 4°, WIB 92, niet verenigbaar is met het vrij kapitaalverkeer binnen de Europese Unie zoals geformuleerd in art. 56, lid 1, van het EG-verdrag.
VI. BESLISSING
15. Omwille van die onverenigbaarheid, is beslist om de toepassing van art. 145^1, 4°, WIB 92 uit te breiden tot de aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van alle vennootschappen die zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie. De tekst van art. 145^1, 4°, WIB 92, zou overigens eerlang in die zin moeten worden aangepast.
16. Voor het overige blijven alle voorwaarden en grenzen zoals bepaald in art. 145^1, 4°; 145^2 en 145^7, WIB 92, onveranderd van toepassing.
VII. INWERKINGTREDING
17. Deze huidige beslissing is onmiddellijk van toepassing en dit in elk stadium van de procedure.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering,
De Directeur,
S. QUINTENS
Bron: FisconetPlus
