Circulaire nr. Ci.RH.241/436.174 dd. 28.07.1992

CIRC 28.07.92/1

Circulaire nr. Ci.RH.241/436.174 dd. 28.07.1992


Bull. nr. 719, pag. 2196

AANGIFTE (NATUURLIJKE PERSONEN)
Invulling.

LOONFICHE
Fiche 281.10 (terugbetaling van verplaatsingskosten van de woonplaats naar
de plaats van tewerkstelling).

VERGOEDING
Vergoeding voor verplaatsingskosten van de woonplaats naar de plaats van
tewerkstelling.
Vrijgestelde vergoedingen.


Commentaar op art. 32, W. 20.07.1991, houdende begrotingsbepalingen.

INHOUDSTABEL I. Inleiding 1 tot 3 II. Wettekst 4 III. Betrokken belastingplichtigen 5 IV. Voorwaarden A. Algemeen 6 B. Regelmatig gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer 7 en 8 C. Abonnementen op het gemeenschappelijk vervoer 9 D. Woon - werkverkeer 10 V. Beperkingen A. Algemeen 11 B. Samenvattende tabel 12 C. Indexering 13 VI. Bedrijfsvoorheffing 14 VII. Vermeldingen op het loonfiche en op de aangifte PB 15 VIII. ... 16 IX. Inwerkingtreding 17 I. INLEIDING

1. Art. 32, W. 20.07.1991, houdende begrotingsbepalingen (V. 2122, B. 709) wijzigt art. 41, § 2, 1°, WIB Het strekt ertoe het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer te stimuleren.

2. In principe zijn de kosten van het woon - werkverkeer voor een werknemer eigen kosten van deze laatste.

Tot en met het aj. 1991 waren de vergoedingen die door de werkgever als terugbetaling van die kosten werden toegekend van belasting vrijgesteld in zover zij niet meer dan 5.000 F per jaar bedroegen. Deze regel was dezelfde voor alle loontrekkers zonder enig onderscheid.

3. De nieuwe bepalingen die van toepassing zijn vanaf het aanslagjaar 1992 (inkomsten 1991) onderscheiden daarentegen drie gevallen : voor sommige belastingplichtigen wordt de maximumvrijstelling van 5.000 F behouden, voor andere wordt zij verdubbeld tot 10.000 F en tenslotte worden bepaalde kostenbewijzers van elke vrijstelling uitgesloten.

II. WETTEKST

Art. 41, § 2, WIB




4.§ 2. Zijn vrijgesteld :
1° voor zover zij niet meer dan 5.000 frank per jaar bedragen, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling aan de werknemers, waarvan de bedrijfslasten forfaitair worden bepaald overeenkomstig artikel 24 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen of die regelmatig het openbaar gemeenschappelijk vervoer gebruiken voor die verplaatsing; bij de vestiging van de belasting ten name van de werknemers wordt de vrijstelling van die vergoedingen tot 10.000 frank verhoogd voor de werknemers die, in hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het aanslagjaar waarvoor op de vrijstelling aanspraak wordt gemaakt, door middel van een attest uitgereikt door een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer, aantonen dat zij tijdens het belastbaar tijdperk regelmatig een abonnement hebben genomen bij die maatschappij met het oog op de verplaatsing tussen hun woonplaats en de plaats van tewerkstelling;



.....
III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN

5. Deze maatregel betreft de loon- en weddetrekkers als bedoeld in art. 20, 2°, a, WIB (cf. Com.I.B. 41/13), die van hun werkgever vergoedingen ontvangen als terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling.

IV. VOORWAARDEN

A. ALGEMEEN

6. Of er een vrijstelling wordt toegestaan en zo ja hoeveel het maximum ervan bedraagt (5.000 of 10.000 F), is afhankelijk van de wijze waarop de werknemer zijn beroepskosten bepaalt (forfait of werkelijk bedrag) en van de wijze waarop hij eventueel van het openbaar vervoer gebruik maakt (regelmatig gebruiker al dan niet met een abonnement).

Het nieuwe stelsel kan als volgt worden samengevat :

a) Werknemers die met hun werkelijke beroepskosten aftrekken (en geen abonnement hebben - voor die gevallen, zie c hierna).

Een vrijstelling van ten hoogste 5.000 F per jaar wordt toegekend aan werknemers die aanspraak maken op het wettelijke forfait inzake beroepskosten. Het is daarbij zonder belang of zij al of niet regelmatig gebruik maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.

b) Werknemers die wel hun werkelijke beroepskosten aftrekken en die regelmatig het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruiken (doch geen abonnement hebben - voor die gevallen, zie c hierna).

Een vrijstelling van ten hoogste 5.000 F per jaar wordt toegekend aan werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken, op voorwaarde dat zij regelmatig gebruik maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer, doch op dit laatste geen abonnement hebben.

c) Werknemers die regelmatig een abonnement hebben op het gemeenschappelijk openbaar vervoer.

Voor een werknemer die bij zijn aangifte in de PB een door een maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer uitgereikt attest voegt, waaruit blijkt dat hij tijdens het belastbare tijdperk regelmatig een abonnement bij deze maatschappij heeft genomen voor zijn verplaatsingen van huis naar het werk en terug, wordt het vrijgestelde bedrag van 5.000 F verhoogd tot 10.000 F.

Het is daarbij zonder belang of de betrokkene zijn werkelijke beroepskosten aftrekt of het wettelijk forfait.

d) Werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken en niet regelmatig het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruiken.

Aan deze werknemers (ook zij die slechts toevallig van het openbaar vervoer gebruik maken) wordt geen enkele vrijstelling verleend.

B. REGELMATIG GEBRUIK VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK OPENBAAR VERVOER

7. Het regelmatig gebruik >> van het gemeenschappelijk openbaar vervoer -zonder abonnement- opent slechts het recht op een vrijstelling van ten hoogste 5.000 F.

Met regelmatig >> wordt bedoeld dat de gebruiker een ononderbroken opeenvolgende reeks van vervoerbewijzen moet kunnen voorleggen in verband met de periode waarin hij of zij zich naar zijn of haar werk verplaatst (Vers. Comm. Fin., Kamer, 1990-1991, St. 1641/10, blz. 46).

Bij de beoordeling van het regelmatig gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het beroep, zoals deeltijdse arbeid, beperkte leeropdracht, enz. (idem).

Het volstaat echter niet een paar toevallige vervoerbewijzen voor te leggen die b.v. verband kunnen houden met het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer op de dag dat de privéwagen een onderhoudsbeurt krijgt of bij uitzonderlijk slecht weer, enz. (Memorie van Toelichting, Kamer, 1990-1991, St. 1641/1, blz. 17).

8. Er kan best regelmatig gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer zijn zonder dat de werknemer een abonnement heeft. Zo kunnen personen die dagelijks de trein nemen en daartoe een Go-Pass of halve-prijskaartjes (grote gezinnen) gebruiken aan de voorwaarde van regelmatigheid voldoen (Vers. Comm. Fin., Kamer, 1990-1991, St. 1641/10, blz. 44).

C. ABONNEMENT OP HET GEMEENSCHAPPELIJK OPENBAAR VERVOER

9. Zoals gezegd in nr. 6, c, wordt de vrijstelling opgetrokken tot 10.000 F, mits aan een dubbele voorwaarde wordt voldaan:



de werknemer moet regelmatig een abonnement hebben gehad op het gemeenschappelijk openbaar vervoer voor zijn verplaatsingen van huis naar het werk en terug,
deze omstandigheid moet worden aangetoond door middel van een attest dat op vraag van de werknemer wordt uitgereikt door de betrokken maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer.
De vorm van dit attest kan vrij door de voornoemde maatschappij worden bepaald, doch moet minstens de volgende gegevens bevatten :



1.benaming van de maatschappij;
2.naam, voornaam en adres van de geabonneerde;
3.de afgelegde reisweg (*);
4.nummer en geldigheidsperiodes van het abonnement;
5.totale prijs van het abonnement;
6.datum van het attest;
7.handtekening of naamstempel van de vertegenwoordiger van de maatschappij.
(*)Wanneer de door de geabonneerde afgelegde reisweg tijdens het jaar is gewijzigd, moet de maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer deze nader omschrijven.
D. WOON - WERKVERKEER

10. Alhoewel het de bedoeling van de Wetgever is het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer voor het woon - werkverkeer te bevorderen, is het geenszins vereist dat de verplaatsingen volledig of hoofdzakelijk met het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebeuren. De respectievelijk in nr. 6, b en c, bedoelde vrijstellingen zijn dan ook van toepassing als de werknemer slechts een deel van het traject tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling -regelmatig of met een abonnement- aflegt met het openbaar vervoer (b.v. van huis naar het station met de wagen en van het station tot het werk met de trein).

V. BEPERKINGEN

A. ALGEMEEN

11. De vrijstelling moet in voorkomend geval worden beperkt tot het werkelijke bedrag van de tegemoetkoming van de werkgever, indien het tijdens het jaar uitgekeerde bedrag lager is dan het toepasselijke maximum van 5.000 F of 10.000 F.

Evenzo moet het gedeelte van de patronale vergoeding dat meer bedraagt dan de werkelijk door de werknemer voor zijn woon - werkverkeer gedragen kosten in de belastbare bezoldiging worden opgenomen.

B. SAMENVATTENDE TABEL

12. ======================================================================= | Door de belastingplich- | Wijze van aftrek van | Maximum | | tige afgelegde woon- | de beroepskosten | vrijstelling | | werk verplaatsingen | | | | ----------------------------|----------------------|-----------------| | a) geen regelmatig gebruik | werkelijke beroeps- | NIHIL | | van het gemeenschap- | kosten | | | pelijk openbaar ver- | | | | voer | | | | | | | | b) idem | wettelijk forfait | 5.000 F | | | | | | c) regelmatig gebruik van | werkelijke beroeps- | 5.000 F | | het gemeenschappelijk | kosten | | | openbaar vervoer (doch | | | | geen abonnement) | | | | | | | | d) idem | wettelijk forfait | 5.000 F | | | | | | e) regelmatig abonnement | werkelijke beroeps- | 10.000 F | | op het gemeenschappe- | kosten | | | lijk openbaar vervoer | | | | | | | | f) idem | wettelijk forfait | 10.000 F | ======================================================================= C. INDEXERING

13. Overeenkomstig art. 8, § 2, hervormingswet 1988, worden de maximumbedragen van 5.000 F en 10.000 F jaarlijks aangepast. Hieruit volgt dat door de wijze van afronden voor het aj. 1992 (inkomsten 1991) het maximumbedrag van 5.000 F ongewijzigd blijft, terwijl het maximumbedrag van 10.000 F op 11.000 F wordt gebracht.

VI. BEDRIJFSVOORHEFFING

14. Indien de verkrijger van de tegemoetkoming aan zijn werkgever bevestigt dat hij het wettelijk forfait inzake beroepskosten vraagt of dat hij regelmatig het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruikt voor de ganse verplaatsing van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling of voor een deel ervan, mag de werkgever bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing reeds rekening houden met een vrijstelling van ten hoogste 5.000 F per jaar (dit is 417 F per maand) van de bedoelde vergoedingen.

De wet verzet er zich tegen de bijkomende vrijstelling van 5.000 F te verlenen in het stadium van de heffing van de B.V.

VII. VERMELDINGEN OP HET LOONFICHE EN DE AANGIFTE PB

15. Vanaf het aj. 1992 (inkomsten 1991) moet het bedrag van de tegemoetkoming van de werkgever in de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling door de werkgever niet meer worden opgenomen onder de gewone bezoldigingen van vak 2, a, kenletter T, van het aan de verkrijger uitgereikte loonfiche. Het totale bedrag van die tegemoetkoming moet echter worden vermeld in vak 9, tegenover kenletter V, van dat fiche.

In de aangifte PB van het aj. 1992 (inkomsten 1991) is in vak II, A, 8, een tweedelige rubriek ingevoegd waarin de belastingplichtige moet vermelden :



1.tegenover kenletter V, het totale bedrag van de tegemoetkoming van de werkgever in de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling;
2.de vrijstelling waarop hij aanspraak kan maken.
VIII. .....



16......
IX. INWERKINGTREDING

17. Krachtens art. 41, 1, 1°, W. 20.07.1991 treden de bepalingen van art. 32 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1992 (inkomsten 1991).