Aanschrijving nr. 10 dd. 26.07.1995
AANSCHRIJVING 95/010
Aanschrijving nr. 10 dd. 26.07.1995
BTW-Revue nr. 115, blz. 729
Banken en financiële instellingen
Coördinatiecentra
Uitoefening van het recht op aftrek.
INHOUD Nrs. Onderwerp van de aanschrijving 1-4 Afdeling 1 : Aard van de handelingen die worden verricht door de banken en financiële instellingen 5-7 Afdeling 2 : Uitoefening van het recht op aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik 8-20 A. Algemeen 1. Aanvraag van het stelsel van het werkelijk gebruik 8 2. Draagwijdte van het stelsel van het werkelijk gebruik 9 B. Deelactiviteiten waarvoor het stelsel van het werkelijk gebruik van toepassing kan zijn 10-13 C. Hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling a) De hoofdactiviteit van de bank komt niet in aanmerking voor het toepassen van de regel van het werkelijk gebruik 14-16 b) De hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling komt wel in aanmerking voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik 17-18 D. BTW geheven van kosten van informatica 19 E. Regionale kantoren of agentschappen 20 Afdeling 3 : Uitoefening van het recht op aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal 21-31 A. Wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal 22 B. Analyse van de opbrengstenrekeningen van de banken en financiële instellingen 23 C. Ontvangen interesten - Omzet inzake kredietverrichtingen 24 D. Andere financiële diensten 25-26 E. Dividenden en interesten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille 27 F. Verkoop van effecten 28-29 G. Wisselverrichtingen 30 H. Handel in goud 31 Afdeling 4 : Inwerkingtreding en overgangsbepalingen 32-35 Afdeling 5 : Coördinatiecentra 36 Bijlage I Bijlage II Onderwerp van de aanschrijving
1. Banken en financiële instellingen verrichten zowel handelingen die recht op aftrek verlenen als de handelingen die zijn vrijgesteld van de belasting op grond van artikel 44 van het Wetboek of die buiten de werkingssfeer van de belasting vallen en die om die reden geen recht op aftrek verlenen. De banken en de financiële instellingen moeten bijgevolg worden aangemerkt als belastingplichtigen met slechts een gedeeltelijk recht op aftrek. De uitoefening van het recht op aftrek ten aanzien van dergelijke belastingplichtigen wordt geregeld door de artikelen 45 en 46 van het Wetboek.
2. Bij het invoege treden van de belasting over de toegevoegde waarde op 1 januari 1971 werd door de Administratie aanvaard dat ten aanzien van de door de banken en de financiële instellingen verrichte kredietverrichtingen, hetgeen van de BTW vrijgestelde handelingen zijn en derhalve geen recht op aftrek verlenen, enkel het positieve verschil tussen de ontvangen en betaalde interesten als omzet in aanmerking diende genomen te worden voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal als bedoeld in artikel 46, § 1, van het Wetboek.
Op 13 augustus 1993 werd België door de Europese Commissie in gebreke gesteld om reden dat het algemeen verhoudingsgetal, op grond waarvan de banken en de financiële instellingen als belastingplichtigen met gedeeltelijk recht op aftrek het bedrag van de aftrekbare voorbelasting vaststellen, niet werd berekend conform het bepaalde in artikel 19.1 van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de Wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag.
3. Dientengevolge dienen de banken en de financiële instellingen, voor de berekening van de aftrek van de voorbelasting, voortaan uit te gaan van een algemeen verhoudingsgetal dat wordt berekend conform voormelde bepaling van de Zesde Richtlijn en, inzonderheid, in de noemer van de breuk ter bepaling van het algemeen verhoudingsgetal het bruto- bedrag van de ontvangen interesten te vermelden als omzet inzake de kredietverrichtingen.
4. Deze aanschrijving heeft tot doel de wijze van berekening van het door de banken en de financiële instellingen voortaan toe te passen algemeen verhoudingsgetal en inzonderheid een aantal verduidelijkingen in dat verband, nader toe te lichten. Bovendien verduidelijkt zij de mate waarin en de voorwaarden waaronder de banken en de financiële instellingen, na hierom de Administratie voorafgaand te hebben verzocht, hun recht op aftrek van de voorbelasting kunnen uitoefenen volgens de regel van het werkelijk gebruik, zoals bedoeld in artikel 46, § 2, van het Wetboek.
AFDELING I
AARD VAN DE HANDELINGEN DIE WORDEN VERRICHT DOOR DE BANKEN EN FINANCIELE INSTELLINGEN
5. Op het vlak van de BTW-wetgeving kunnen de handelingen die door de banken en financiële instellingen worden verricht worden onderverdeeld in drie categorieën, namelijk :
6. Wat meer bepaald de handelingen buiten de werkingssfeer als bedoeld onder 3° van het nr. 5 betreft, dient te worden opgemerkt dat het Hof van Justitie in haar arrest van 22 juni 1993 (zaak C333/91, SATAM) voor recht heeft gezegd dat de inning van dividenden die voortvloeien uit het aanhouden van financiële belangen in of aandelen van andere ondernemingen door een holdingmaatschappij niet binnen de werkingssfeer van de belasting valt. Bijgevolg, wat ook de activiteit van de onderneming weze (zuivere of gemengde holdingmaatschappij, enz.), de inning van dividenden vormt niet de tegenprestatie van een handeling binnen de werkingssfeer van de BTW en verleent dan ook aan degene die slechts inner van dividenden is geenszins de hoedanigheid van belastingplichtige, noch enig recht op aftrek aan de belastingplichtige die deze hoedanigheid wel reeds bezit wegens de uitoefening van een economische activiteit.
7. Hetgeen voorafgaat heeft tot gevolg dat de banken en de financiële instellingen ten aanzien van de BTW geheven van de kosten die een rechtstreeks verband houden met de inning van dividenden van effecten die zij in eigen portefeuille bezitten, geen enkel recht op aftrek bezitten. Deze voorbelasting moet derhalve, voorafgaand aan de toepassing van de regels vervat in de afdelingen 2 en 3, worden afgezonderd en is vanzelfsprekend niet aftrekbaar, ongeacht op welke wijze de betrokken bank of financiële instelling haar recht op aftrek met betrekking tot de overige voorbelasting uitoefent. Daartegenover staat dat de inning van dividenden op geen enkele wijze enige invloed uitoefent op de omvang van het recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de belaste of vrijgestelde handelingen binnen de werkingssfeer van de BTW. Bijgevolg moeten deze bedragen niet worden opgenomen in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal, zoals dit moet worden vastgesteld overeenkomstig de regels uiteengezet in afdeling 3 hierna.
AFDELING 2
UITOEFENING VAN HET RECHT OP AFTREK VOLGENS DE REGEL VAN HET WERKELIJK GEBRUIK
Aanvraag van het stelsel van het werkelijk gebruik.
8. De banken en de financiële instellingen die de regel van het werkelijk gebruik wensen toe te passen voor de uitoefening van het recht op aftrek van de voorbelasting dienen daartoe een voorafgaand verzoek te richten aan de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor waaronder zij ressorteren. Aangezien de toelating vanwege de Administratie om het stelsel van het werkelijk gebruik toe te passen impliceert dat voor de betrokken belastingplichtigen in beginsel een overgang plaatsvindt van de toepassing van de regel van het algemeen verhoudingsgetal naar de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik, kan de toestemming voor dergelijke overgang van het ene stelsel naar het andere slechts worden verleend vanaf 1 januari van het jaar volgend op de aanvraag om wijziging. Dit houdt derhalve in dat de banken en de financiële instellingen die dergelijke overgang wensen te verwezenlijken, hun aanvraag om toepassing van de regel van het werkelijk gebruik moeten indienen vóór het verstrijken van het kalenderjaar voorafgaand aan datgene vanaf hetwelk zij dit stelsel wensen toe te passen.
In die aanvraag moet opgaaf worden gedaan van de deelactiviteiten waarvoor de betrokken bank of financiële instelling om toepassing van de regel van het werkelijk gebruik verzoekt en, desgevallend, welke diverse materiële en zelfs na ruim tijdsverloop controleerbare verdeelsleutels zij wenst toe te passen alsook of zij de regel van het werkelijk gebruik al dan niet wenst uit te breiden tot een deel van haar hoofdactiviteit of tot de BTW geheven van de kosten met betrekking tot bepaalde informatica (z. nr. 34).
Draagwijdte van het stelsel van het werkelijk gebruik.
9. De specifieke situatie waarin de banken en de financiële instellingen hun hoofdactiviteit uitoefenen noopt de Administratie ertoe strikte regels uit te vaardigen omtrent de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik teneinde misbruiken en/of ongelijkheden in de heffing van de belasting te voorkomen.
Opdat de regel van het werkelijk gebruik van toepassing zou kunnen zijn, is het vereist dat de belastingplichtige zijn activiteit uitoefent in duidelijk af te scheiden sectoren, waarvan er een aantal handelingen behelzen die op grond van artikel 45 van het Wetboek recht op aftrek verlenen.
In hoofde van banken en financiële instellingen kan de regel van het werkelijk gebruik dan ook in beginsel slechts van toepassing zijn ten aanzien van welbepaalde deelactiviteiten die een volledig recht op aftrek verlenen en duidelijk kunnen worden afgezonderd van de overige activiteiten van die instellingen. Zoals hierna zal worden uiteengezet kunnen, indien op basis van de structuur van de bank of de financiële instelling alsook op grond van de gevoerde boekhouding en/of bijgehouden extra-comptabele staten een meer doorgedreven kostentoewijzing met betrekking tot de hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling mogelijk is, tevens andere deelactiviteiten die aldus van de hoofdactiviteit kunnen worden afgezonderd (z. nrs. 17 en 18) eveneens in aanmerking komen voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik.
10. Ten aanzien van de activiteiten van de banken en de financiële instellingen is een duidelijke afscheiding van bepaalde deelactiviteiten in beginsel slechts mogelijk in een beperkt aantal gevallen, zoals met name ten aanzien van de verhuur van safes, de exploitatie van een bedrijfsmess, roerende en onroerende leasingactiviteiten, de exploitatie van een reisagentschap, de handel in goud voor beleggingsdoeleinden, verkoop van publikaties (zoals boeken, tijdschriften, brochures en verslagen), de activiteit van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 12, § 2, van het Wetboek, alsook de verkoop van ingevolge subrogatie verkregen goederen (z. aanschr. nr. 20/1975).
11. Voormelde opsomming is niet limitatief maar de nadruk wordt erop gelegd dat alleen die deelactiviteiten in aanmerking komen voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik waarvoor het merendeel van de kosten (d.w.z. aankopen van goederen of diensten) wegens hun aard uitsluitend kan worden gebruikt voor de desbetreffende deelactiviteit (d.w.z. zonder enige toepassing van verdeelsleutels of ratio's) of waarvoor het hoofdbestanddeel van de kosten kan worden afgezonderd volgens duidelijke en na een verloop van tijd nog controleerbare verdeelsleutels. Onder de verdeelsleutels die niet als duidelijk controleerbaar kunnen worden beschouwd na een belangrijk tijdsverloop kunnen voornamelijk, bij wijze van voorbeeld, de verhoudingen op basis van het aantal tewerkgestelde personeelsleden of verhoudingen op basis van de voor een bepaalde activiteit gepresteerde arbeidsuren worden genoemd.
Bovendien is het vereist dat de uitgaande handelingen met betrekking tot die deelactiviteit volledig recht op aftrek verlenen en de in deze deelactiviteit aangewende activa op geen enkele wijze worden aangewend voor de overige activiteiten van de bank of financiële instelling.
12. De BTW geheven van de kosten van de deelactiviteiten van de banken en financiële instellingen die op de in de nrs. 10 en 11 omschreven wijze volledig kunnen worden afgezonderd, moet voor de uitoefening van het recht op aftrek in drie categorieën worden onderverdeeld :
13. De banken en de financiële instellingen die een drukkerij bezitten, kunnen ten aanzien van deze drukkerij eveneens de regel van het werkelijk gebruik toepassen. Dit heeft tot gevolg dat :
14. Indien de bank of de financiële instelling niet op een dergelijke wijze is gestructureerd dat bepaalde afdelingen of sectoren die behoren tot haar hoofdactiviteit kunnen worden afgebakend en daaraan bijgevolg bepaalde kosten kunnen worden toegewezen op grond van de door de bank of financiële instelling gevoerde boekhouding (z. nrs. 17 e.v.), is de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik uitgesloten voor de BTW geheven van alle kosten met betrekking tot de hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling.
De hoofdactiviteit betreft in feite alle financiële diensten die een bank of een financiële instelling gewoonlijk verricht zoals kredietverrichtingen, betalings- en ontvangstverrichtingen, wisselverrichtingen. Hieraan kan de activiteit die bestaat in het afsluiten en beheren van verzekeringscontracten worden toegevoegd, aangezien deze niet kan worden aangemerkt als een afzonderlijke deelactiviteit om reden dat, bij gebreke van een doorgedreven structuur binnen de bank of financiële instelling, het merendeel der gedane uitgaven niet kan worden toegewezen volgens de in het nr. 12, 1° en 2° bedoelde criteria.
15. De BTW geheven van de input van de hier bedoelde activiteiten van de bank of de financiële instelling, waaraan eveneens de BTW waarvan sprake in fine van het nr. 12, 2° en 3° moet worden toegevoegd, dient te worden afgetrokken volgens een bijzonder verhoudingsgetal.
Aangezien het hier in casu gaat om de BTW met betrekking tot de hoofdactiviteit van de betrokken bank of financiële instelling, omvat deze BTW alle voorbelasting geheven van de algemene beheers- en administratiekosten van de bank of financiële instelling.
Hieronder kan worden genoemd de BTW geheven van :
16. Het bijzonder verhoudingsgetal dient - onder voorbehoud van hetgeen volgt - te worden vastgesteld rekening houdend met alle opmerkingen en regels die van toepassing zijn ten aanzien van het bepalen van het algemeen verhoudingsgetal (z. nrs. 21 t.e.m. 31).
Bovendien dienen navolgende specifieke regels voor de berekening van dat bijzonder verhoudingsgetal in acht te worden genomen :
17. Wanneer de bank of de financiële instelling dermate is georganiseerd dat de hoofdactiviteit in afzonderlijke en materieel afscheidbare afdelingen of sectoren kan worden ingedeeld, kan de regel van het werkelijk gebruik eveneens worden toegepast op de afdelingen of sectoren die van de hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling kunnen worden afgezonderd.
18. Daartoe moeten navolgende voorwaarden zijn vervuld en dienen navolgende modaliteiten in acht te worden genomen :
19. De meeste banken of financiële instellingen beschikken over een vrij uitgebreide apparatuur voor gegevensverwerking, veelal bestaande uit een centrale computereenheid (of een centrum voor gegevensverwerking) waarop door middel van communicatielijnen de meeste diensten en kantoren van de bank of de financiële instelling zijn aangesloten.
Wanneer de centrale computereenheid is uitgerust met de nodige programma's om de gebruikte computertijd (zgn. "CPU time") per verrichting te registreren, is het toegestaan de BTW geheven van de kosten met betrekking tot de aanschaf en het onderhoud van deze informatica (zowel hardware als software) met inbegrip van het gebruik van telecommunicatielijnen, in aftrek te brengen naar verhouding van de gebruikte computertijd.
De hier bedoelde voorbelasting kan bijgevolg worden uitgesplitst per soort van (belastbare of vrijgestelde) groep van gedane verrichtingen en dienovereenkomstig in aftrek worden gebracht. De voornoemde aftrekregeling die alleen geldt voor de afdeling informatica sluit niet uit dat de bank of de financiële instelling, indien zij voor haar hoofdactiviteit of voor een aantal deelactiviteiten eveneens de regel van het werkelijk gebruik toepast, in die mate de BTW in aftrek mag brengen volgens de regels uiteengezet onder de nrs. 18, 4° en 5° of volgens de regels bedoeld in nr. 12, naargelang van het geval.
De bank of de financiële instelling die ten aanzien van de BTW geheven van kosten van informatica bovengenoemde werkwijze wenst toe te passen dient daarvoor een aanvraag te richten aan de hoofdcontroleur waaronder zij ressorteert (z. nr. 34). Zij dient een boekhouding te voeren die de controle op het uitsplitsen van de computertijd mogelijk maakt en alle gegevens die daarmee verband houden met het oog op die controle te bewaren gedurende de termijn voorzien in artikel 60, §§ 1 en 2 van het Wetboek.
20. De meeste banken richten hun diensten tot het ruime publiek zodat zij over talrijke buitenkantoren of agentschappen beschikken.
Gelet op het zeer gediversifieerde aanbod van diensten is, met uitzondering voor de kosten met betrekking tot de verhuur van safes en de kosten met betrekking tot de computer-terminals en informatica- communicatielijnen, de toepassing van het stelsel van het werkelijk gebruik op deze kantoren of agentschappen uitgesloten.
De BTW geheven van de oprichtingskosten, de inrichtingskosten en andere uitrusting met betrekking tot deze kantoren of agentschappen is derhalve, in de regel, steeds aftrekbaar volgens het bijzonder verhoudingsgetal zoals bepaald in nr. 16.
Wanneer het kantoor of agentschap een kofferzaal bevat (of eventueel een bedrijfsmess), kan de BTW geheven van de oprichting van het gebouw in aftrek worden gebracht naar verhouding van de oppervlakte van de kofferzaal (of van de bedrijfsmess) ten opzichte van de oppervlakte van de rest van het kantoor of agentschap. Bovendien wordt aanvaard dat de alarminstallaties die worden geïnstalleerd om het kantoor of het agentschap te beveiligen tegen diefstal tijdens de sluitingsuren overwegend worden aangebracht om de inhoud van de safes te beschermen. In die gedachtengang is het toegestaan dat de bank of de financiële instelling de aftrek uitoefent volgens een specifieke verhouding die in overleg met de bevoegde hoofdcontroleur geval per geval wordt vastgesteld.
AFDELING 3
UITOEFENING VAN HET RECHT OP AFTREK VOLGENS HET ALGEMEEN VERHOUDINGSGETAL
21. De banken en de financiële instellingen die niet hebben geopteerd voor de uitoefening van het recht op aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik moeten hun recht op aftrek van de voorbelasting uitoefenen door toepassing van de regel van het algemeen verhoudingsgetal (Wetboek, art. 46, § 1).
Wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal.
22. Vanaf 1 januari 1995 gelden navolgende richtlijnen voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal :
Analyse van de opbrengstenrekeningen van de banken en financiële instellingen.
23. Teneinde de wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal op een éénvormige en duidelijke manier te bepalen en om aldus de talrijke moeilijkheden die zich zowel bij de toepassing als bij de controle van het algemeen verhoudingsgetal kunnen voordoen, zoveel als mogelijk te voorkomen, zal zoals hierna wordt gespecifieerd, worden uitgegaan van de opbrengsten- en kostenrekeningen van de resultatenrekening van de kredietinstellingen naar Belgisch recht zoals opgenomen in het zogenaamde "schema A" (z. bijlage). Deze resultatenrekening dient periodiek door de banken en de financiële instellingen bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen te worden ingediend.
Ontvangen interesten - Omzet inzake kredietverrichtingen.
24. Ten aanzien van de "ontvangen interesten" kan worden gesteld dat, voor het bepalen van de omzet inzake de kredietverrichtingen, alleen de creditsaldi van de rekeningen nrs. 411.1 en 411.2 van bijgevoegd schema moeten worden opgenomen in de noemer van de breuk voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal.
Andere financiële diensten.
25. Onder de opbrengsten die de banken en de financiële instellingen ontvangen wegens het verrichten van andere financiële diensten (opbrengstenrekening nr. 413 van het bijgevoegd schema) bevindt zich een geheel van prestaties waaronder sommige zijn vrijgesteld (b.v. bemiddeling bij aan- en verkoop van effecten voor derden), andere slechts belastbaar zijn mits de optie daarvoor werd uitgeoefend door de betrokken bank of financiële instelling (b.v. betalings- en ontvangstverrichtingen) en andere in elk geval onderworpen zijn aan de BTW (b.v. bewaring en beheer van effecten; vermogensbeheer).
26. Onder voorbehoud van wat hierna wordt gezegd ten aanzien van de wisselverrichtingen en de opbrengsten van de eigen effectenportefeuille, waarvoor specifieke regels gelden, dienen, voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal, de omzetcijfers met betrekking tot de hier bedoelde overige financiële diensten alleen in de noemer te worden opgenomen indien het om vrijgestelde handelingen gaat, of zowel in de teller als in de noemer, indien het om belaste handelingen gaat.
Dividenden en interesten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille.
27. De opbrengsten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille komen niet in aanmerking voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal. Derhalve mogen de bedragen opgenomen in de rekeningen nrs. 411.3, 411.4, 412, 415 en 424 van bijgevoegd schema, zijnde opbrengsten met betrekking tot de eigen portefeuille, volledig buiten beschouwing worden gelaten.
Verkoop van effecten.
28. Hier wordt enkel bedoeld de verkoop van effecten voor eigen rekening waarvan de erop betrekking hebbende gerealiseerde meerwaarden en geboekte positieve koersverschillen in de opbrengstenrekeningen nrs. 414.2, 414.4 en 414.8 worden opgenomen en de eventueel gerealiseerde verliezen en geboekte negatieve koersverschillen in de kostenrekeningen nrs. 513.2, 513.4 en 513.8 van het bijgevoegd schema.
29. Als opbrengsten met betrekking tot de verkoop van effecten in eigen naam, die in de noemer van de breuk moeten worden opgenomen, wordt aangemerkt het totaal van het globale positieve verschil tussen de verkoopprijs en de oorspronkelijke aankoopprijs van de werkelijk gerealiseerde verkoop van effecten. Dit bedrag dient derhalve uit de opbrengstenrekeningen nrs. 414.2, 414.4 en 414.8 en de kostenrekeningen nrs. 513.2, 513.4 en 513.8 van het bijgevoegd schema te worden afgezonderd. Met een globaal negatief verschil tussen de verkoopprijs en de oorspronkelijke aankoopprijs van de werkelijk gerealiseerde verkoop van effecten (verkopen met verlies) mag geen rekening worden gehouden, zodat deze niet in mindering mogen worden gebracht van het in noemer van het algemeen verhoudingsgetal op te nemen bedrag.
Indien de bank of financiële instelling om aantoonbare technische redenen in de onmogelijkheid verkeert om deze bedragen op voormelde wijze af te zonderen, aanvaardt de Administratie, bij wijze van proef, dat in de noemer het positieve verschil tussen, enerzijds, de creditsaldi van de opbrengstenrekeningen nrs. 414.2, 414.4 en 414.8 en, anderzijds, de debetsaldi van de kostenrekeningen nrs. 513.2, 513.4 en 513.8 wordt opgenomen.
Wisselverrichtingen.
30. De wisselverrichtingen, waarvan de opbrengsten worden opgenomen in de rekeningen nrs. 411.5, 414.1 en 414.3 van bijgevoegd schema, moeten alleen in aanmerking worden genomen voor zover ze werden verricht n.a.v. een door een derde gegeven opdracht. De wisselverrichtingen die naderhand door de bank of de financiële instelling eventueel worden verricht met het oog op de dekking van de verbintenissen en risico's die voortvloeien uit de handelingen gesteld in opdracht van derden, mogen - zoals de wisselverrichtingen die louter voor eigen rekening worden gedaan - buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal.
Bijgevolg zullen de genoemde rekeningen nrs. 411.5, 414.1 en 414.3 van bijgevoegd schema door de belastingplichtige moeten worden uitgesplitst, rekening houdende met bovenstaand onderscheid. De resultaten met betrekking tot de wisselverrichtingen gesteld voor rekening van derden die voortvloeien uit de rekeningen nrs. 411.5, 511.5, 414.1, 513.1, 414.3 en 513.3, moeten worden opgenomen in de noemer van de breuk voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal. De overige wisselverrichtingen (nl. deze voor eigen rekening) mogen buiten beschouwing blijven (vgl. nr. 22, 5°, hiervoor).
Handel in goud.
31. Ten aanzien van de handel in goud voor beleggingsdoeleinden, waarvan de opbrengsten moeten worden opgenomen in de opbrengstenrekening nr. 414.5 van bijgevoegd schema, blijft de regeling uiteengezet in het nr. 9 van de aanschrijving nr. 18/1981 van toepassing, zodat alleen het verschil tussen de verkoopprijs (exclusief BTW) en de aankoopprijs (exclusief BTW) van het goud, dat het voorwerp uitmaakt van de transacties, in de teller en de noemer van het bijzonder verhoudingsgetal moet worden opgenomen.
AFDELING 4
INWERKINGTREDING EN OVERGANGSBEPALINGEN.
32. Onderhavige aanschrijving treedt in werking vanaf 1 januari 1995. Dit heeft tot gevolg dat het algemeen verhoudingsgetal (waarvan sprake in de afdeling 3) en het bijzonder verhoudingsgetal (waarvan sprake in de afdeling 2) vanaf die datum volgens de aldaar uiteengezette regels dienen te worden berekend.
33. Gelet echter op de datum van publikatie van onderhavige aanschrijving wordt het de banken en de financiële instellingen toegestaan hun recht op aftrek van de voorbelasting nà 1 januari 1995 voorlopig verder uit te oefenen volgens een algemeen verhoudingsgetal berekend volgens de regels van toepassing vóór 1 januari 1995.
Voormelde tolerantie geldt slechts tot 30 september 1995. Bovendien impliceert de toepassing ervan dat voor de periode tussen 1 januari 1995 en 30 september 1995 de omvang van het recht op aftrek moet worden herberekend rekening houdende met het algemeen verhoudingsgetal berekend overeenkomstig de regels uiteengezet in onderhavige aanschrijving. De teveel in aftrek gebrachte BTW dient te worden herzien uiterlijk in de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van het derde kwartaal 1995 of met betrekking tot de handelingen van de maand september 1995 (aangiften in te dienen uiterlijk op 20 oktober 1995), naargelang de bank of de financiële instelling respectievelijk kwartaal- dan wel maandaangever is. Indien de regularisatie aldus geschiedt zullen geen fiscale geldboeten noch nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn.
34. Wat de banken en de financiële instellingen betreft die vóór 1 januari 1995 het recht op aftrek uitoefenden volgens de regel van het werkelijk gebruik op grond van een vóór die datum daartoe door de bevoegde hoofdcontroleur verleende toelating, wordt erop gewezen dat zij de toepassing van dit stelsel uiteraard behouden. Dat stelsel moet evenwel vanaf voornoemd tijdstip toegepast worden binnen de voorwaarden en modaliteiten bepaald in afdeling 2 hiervóór.
Derhalve mag de betrokken bank of de financiële instelling in dergelijk geval met ingang op 1 januari 1995 het stelsel van de aftrek volgens het werkelijk gebruik toepassen zoals uiteengezet in afdeling 2 hiervóór. Voor de periode tussen 1 januari 1995 en 30 september 1995 dient zij evenwel de omvang van het reeds uitgeoefende recht op aftrek opnieuw te berekenen en te beperken tot hetgeen volgens de in onderhavige aanschrijving vervatte regels aftrekbaar zou zijn geweest.
De betrokken bank of financiële instelling dient de eventueel teveel in aftrek gebrachte BTW te herzien in de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van het derde kwartaal 1995 of met betrekking tot de handelingen van de maand september 1995 (aangiften in te dienen uiterlijk op 20 oktober 1995), naargelang de bank of de financiële instelling respectievelijk kwartaal- dan wel maandaangever is. Indien de regularisatie aldus geschiedt zullen geen fiscale geldboeten noch nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn. In bijlage van voornoemde aangifte zal tevens opgaaf worden gedaan van de deelactiviteiten waarvoor de betrokken bank of financiële instelling het stelsel van het werkelijk gebruik toepast en desgevallend, welke diverse duidelijke en zelfs na ruim tijdsverloop controleerbare verdeelsleutels zij wenst toe te passen (z. nr. 8, in fine).
35. De banken en financiële instellingen die op 1 januari 1995 hun recht op aftrek uitoefenden volgens de regel van het algemeen verhoudingsgetal kunnen een eventuele overgang naar de toepassing van het stelsel van het werkelijk gebruik slechts uitoefenen per 1 januari 1996, mits zij vóór die datum daartoe schriftelijk een verzoek hebben gericht tot de bevoegde hoofdcontroleur (z. afdeling 2, nr. 8).
AFDELING 5
Coördinatiecentra
36. Wanneer een coördinatiecentrum dermate is gestructureerd dat het voldoet aan de in de nrs. 10, 11, 17 en 18 gestelde voorwaarden kan de regel van het werkelijk gebruik van goederen en diensten worden toegepast. De toepassing van die regel sluit dan inzonderheid, in de schoot van het betreffend coördinatiecentrum, het bestaan in van een of meerdere deelactiviteiten waarvan het geheel van de gestelde handelingen met BTW belastbaar zijn, m.a.w. deelactiviteiten waarvan de uitgaande handelingen volledig recht op aftrek verlenen.
Anderzijds, en zoals dat overigens ook geldt voor banken en financiële instellingen, kan in de schoot van een coördinatiecentrum, met het oog op de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik, het onderscheid tussen belastbare en niet-belastbare deelactiviteiten niet worden gebaseerd op verdeelsleutels die na een zeker tijdsverloop niet of nauwelijks nog controleerbaar zijn. Dat geldt onder meer voor verdeelsleutels gebaseerd op het aantal tewerkgestelde personeelsleden of op basis van de voor een bepaalde activiteit gepresteerde arbeidsuren.
Wanneer het derhalve voor een coördinatiecentrum, dat zowel belastbare als niet-belastbare handelingen stelt, niet mogelijk is haar activiteit rekening houdend met hetgeen voorafgaat uit te splitsen, geldt voor de toepassing van de aftrek van de voorbelasting de regel van het algemeen verhoudingsgetal zoals bepaald in artikel 46, § 1, van het Wetboek en in de artikelen 12 en volgende van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969.
BIJLAGE I : Schema's op territoriale en vennootschappelijke basis -
Kredietinstellingen naar Belgisch recht (vervolg)
DEEL 4 : RESULTATENREKENING - OPBRENGSTEN 410. BEDRIJFSOPBRENGSTEN 411. Renteopbrengsten en soortgelijke opbrengsten (*) 411.1. Interbankvorderingen (*) 411.2. Kredieten (*) 411.21. handelswissels (*) 411.22. eigen accepten (*) 411.23. leasing- en soortgelijke vorderingen (*) 411.24. leningen met forfaitaire lastenpercentage (*) 411.25. hypothecaire leningen (*) 411.26. leningen op termijn (*) 411.27. overige (*) 411.29. Totaal (*) 411.3. Te plaatsen en te realiseren effecten en waardepapier (*) 411.31. kortlopend waardepapier (*) 411.32. vastrentende effecten (*) 411.49. Totaal (*) 411.4. Beleggingspapier en -effecten (*) 411.41. kortlopend waardepapier (*) 411.42. vastrentende effecten (*) 411.49. Totaal (*) 411.5. Als dekking bestemde verrichtingen op termijn (*) 411.51. Dekkingsverrichtingen op vreemde valuta's (*) 411.511. verbonden swaps (*) 411.512. valuta- en renteswaps (*) 411.513. future-verrichtingen op valuta's (*) 411.514. opties op valuta's (*) 411.515. contracten op termijn - wisselkoersen (*) 411.519. Totaal (*) 411.52. Dekkingsverrichtingen op rente (*) 411.521. renteswap-overeenkomsten (*) 411.522. interest-future-verrichtingen (*) 411.523. rentecontracten op termijn (*) 411.524. opties op rente (*) 411.529. Totaal (*) 411.59. Totaal (*) 411.9. Totaal (*) 412. Inkomsten van aandelen en andere niet-vastrentende effecten (*) 412.1. te realiseren effecten (*) 412.2. beleggingseffecten (*) 412.9. Totaal 413. Ontvangen provisies wegens verstrekte financiële diensten 413.1. Verbinteniskredieten 413.11. borgtochten 413.12. niet-genegocieerde accepten en documentaire kredieten 413.19. Totaal 413.2. Andere financiële diensten 413.21. m.b.t. effecten 413.211. uitgiften en plaatsingen 413.212. aan- en verkooporders 413.213. overige diensten m.b.t. effecten 413.219. Totaal 413.22. betalingsdiensten 413.23. bewaring, bewaking, vermogensbeheer 413.24. overige financiële diensten 413.29. Totaal 413.9. Totaal 414. Andere financiële opbrengsten 414.1. uit het wisselbedrijf 414.11. wisselverrichtingen 414.12. valuta- en renteswaps 414.13. future-verrichtingen op valuta's 414.14. opties op valuta's 414.15. contracten op termijnwisselkoersen 414.19. Totaal 414.2. uit trading in vastrentende effecten en vastrentend waardepapier 414.21. meerwaarden en waarderingsverschillen 414.3. uit trading in verrichtingen op rente 414.31. renteswap-overeenkomsten 414.32. interest-future-verrichtingen 414.33. rentecontracten op termijn 414.34. opties op rente 414.39. Totaal 414.4. uit trading in niet-vastrentende effecten 414.41. meerwaarden en waarderingsverschillen 414.43. optieverrichtingen 414.49. Totaal 414.5. uit edele metalen 414.8. meerwaarden op beleggingspapier en -effecten 414.81. op vastrentende effecten en waardepapier 414.82. op niet-vastrentende effecten 414.89. Totaal 414.9. Totaal 415. Opbrengsten uit financiële vaste activa 415.1. Deelnemingen 415.11. in verbonden ondernemingen 415.12. in andere ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat 415.19. Totaal 415.2. Opbrengsten uit achtergestelde vorderingen 415.3. Opbrengsten uit andere financiële vaste activa 415.9. Totaal 416. Terugneming van waardeverminderingen en terugneming alsook besteding van voorzieningen 416.1. Waardeverminderingen op vorderingen 416.11. Kredietrisico's met onzeker verloop 416.111. niet individueel gewaardeerde handelsrisico's 416.112. individueel gewaardeerde handelsrisico's 416.113. wegens landenrisico 416.119. Totaal 416.12. Oninbare en dubieuze vorderingen 416.19. Totaal 416.2. Waardeverminderingen op beleggingspapier en -effecten 416.21. op vastrentende effecten en waardepapier 416.22. op niet-vastrentende effecten 416.29. Totaal 416.3. Voorzieningen voor verbinteniskredieten 416.4. Voorzieningen voor andere risico's en kosten 416.41. voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 416.42. voor risico's ingevolge posities in deviezen, in effecten en in andere financiële instrumenten 416.43. voor overige risico's en kosten 416.49. Totaal 416.9. Totaal 417. Andere bedrijfsopbrengsten 417.2. overige 418. Onttrekking aan de voorzorgsfondsen voor risico's 418.1. - van het fonds voor algemene bankrisico's 418.2. - van het intern zekerheidsfonds 418.9. Totaal 419. Totaal 420. UITZONDERLIJKE OPBRENGSTEN 421. Terugneming van afschrijvingen en waardeverminderingen op materiële en immateriële vaste activa 422. Terugneming van waardeverminderingen op financiële vaste activa 423. Terugneming van voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 424. Meerwaarden bij de realisatie van vaste activa 424.1. Financiële vaste activa 424.2. Materiële vaste activa 424.9. Totaal 425. Andere uitzonderlijke opbrengsten 429. Totaal 430. REGULARISERING VAN BELASTINGEN EN TERUGNEMING VAN VOORZIENINGEN VOOR BELASTINGEN 440. VERLIES VAN HET BOEKJAAR 450. ONTTREKKING AAN UITGESTELDE BELASTINGEN EN AAN DE BELASTINGVRIJE RESERVES 451. Onttrekking aan de uitgestelde belastingen 452. Onttrekking aan de belastingvrije reserves 459. Totaal 460. TE VERWERKEN VERLIES VAN HET BOEKJAAR 499. TOTAAL OPBRENGSTEN DEEL 5. RESULATENREKENING - KOSTEN 510. BEDRIJFSKOSTEN (*) 511. Rentekosten en soortgelijke kosten (*) 511.1. Interbankschulden (*) 511.2. Schulden tegenover cliënten (*) 511.21. zichtdeposito's (*) 511.22. termijndeposito's en deposito's van bijzondere aard (*) 511.23. gereglementeerde spaardeposito's (*) 511.24. deposito's gekoppeld aan hypothecaire leningen (*) 511.24. overige schulden tegenover cliënten (*) 511.29. Totaal (*) 511.3. In schuldbewijzen belichaamde schulden (*) 511.31. depositocertificaten en soortgelijke schulden (*) 511.32. kasbons (*) 511.33. obligatieleningen (*) 511.39. Totaal (*) 511.4. Achtergestelde schulden (*) 511.5. Als dekking bestemde verrichtingen op termijn (*) 511.51. Dekkingsverrichtingen op vreemde valuta's (*) 511.511. verbonden swaps (*) 511.512. valuta- en renteswaps (*) 511.513. future-verrichtingen op valuta's (*) 511.514. opties op valuta's (*) 511.515. contracten op termijnwisselkoersen (*) 511.519. Totaal (*) 511.52. Dekkingsverrichtingen op rente (*) 511.521. renteswap-overeenkomsten (*) 511.522. interest-future-verrichtingen (*) 511.523. rentecontracten op termijn (*) 511.524. opties op rente (*) 511.529. Totaal (*) 511.59. Totaal (*) 511.9. Totaal 512. Betaalde provisies wegens betrokken financiële diensten 512.1. voor verbintenissen door derden aangegaan voor rekening van de kredietinstelling 512.2. voor andere financiële diensten door derden verstrekt 512.21. kredietverzekering 512.22. deviezenmakelaars 512.23. acquisitiekosten 512.24. overige provisies 512.29. Totaal 512.9. Totaal 513. Andere financiële kosten 513.1. van het wisselbedrijf 513.11. wisselverrichtingen 513.12. valuta- en renteswaps 513.13. future-verrichtingen op valuta's 513.14. opties op valuta's 513.15. contracten op termijnwisselkoersen 513.2. van trading in vastrentende effecten en vastrentend waardepapier 513.21. minderwaarden en waarderingsverschillen 513.3. van trading in verrichtingen op rente 513.31. renteswap-overeenkomsten 513.32. interest-future-verrichtingen 513.33. rentecontracten op termijn 513.34. opties op rente 513.39. Totaal 513.4. van trading in niet-vastrentende effecten 513.41. minderwaarden en waarderingsverschillen 513.43. optieverrichtingen 513.49. Totaal 513.5. van edele metalen 513.8. minderwaarden op beleggingspapier en -effecten 513.81. op vastrentende effecten en waardepapier 513.82. op niet-vastrentende effecten 513.89. Totaal 513.9. Totaal 514. Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen 514.1. Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen 514.2. Patronale bijdragen voor sociale verzekeringen 514.3. Patronale premies voor bovenwettelijke verzekeringen 514.4. Andere personeelskosten 514.5. Rust- en overlevingspensioenen 514.9. Totaal 515. Afschrijvingen en waardeverminderingen op 515.1. - oprichtingskosten en immateriële vaste activa 515.11. geactiveerde acquisitiekosten 515.12. oprichtingskosten en andere immateriële vaste activa 515.19. Totaal 515.2. - materiële vaste activa 515.9. Totaal 516. Andere bedrijfskosten 516.2. Overige bedrijfskosten 516.21. reclame 516.22. bedrijfsbelastingen 516.23. overige beheerskosten 516.24. overige diverse bedrijfskosten 516.29. Totaal 517. Waardeverminderingen en voorzieningen 517.1. Waardeverminderingen op vorderingen 517.11. Kredietrisico's met onzeker verloop 517.111. niet individueel gewaardeerde handelsrisico's 517.112. individueel gewaardeerde handelsrisico's 517.113. wegens landenrisico 517.119. Totaal 517.12. Oninbare en dubieuze vorderingen 517.19. Totaal 517.2. Waardeverminderingen op beleggingspapier en -effecten 517.21. op vastrentende effecten en waardepapier 517.22. op niet-vastrentende titels 517.29. Totaal 517.3. Voorzieningen voor verbinteniskredieten 517.4. Voorzieningen voor andere risico's en kosten 517.41. voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 517.42. voor risico's ingevolge posities in deviezen, in effecten en in andere financiële instrumenten 517.43. voor overige risico's en kosten 517.49. Totaal 517.9. Totaal 518. Toevoeging aan de voorzorgsfondsen voor risico's 518.1. - aan het fonds voor algemene bankrisico's 518.2. - aan het intern zekerheidsfonds 518.9. Totaal 519. Totaal 520. UITZONDERLIJKE KOSTEN 521. Uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen op materiële en immateriële vaste activa en oprichtingskosten 522. Waardeverminderingen op financiële vaste activa 523. Voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 524. Minderwaarden bij de realisatie van vaste activa 524.1. Financiële vaste activa 524.2. Materiële vaste activa 524.9. Totaal 525. Andere uitzonderlijke kosten 529. Totaal 530. BELASTINGEN 531. Op het resultaat van het boekjaar 532. Op de winst van vorige boekjaren 539. Totaal 540. WINST VAN HET BOEKJAAR 550. OVERBOEKING NAAR UITGESTELDE BELASTINGEN EN NAAR DE BELASTINGVRIJE RESERVES 551. Overboeking naar de uitgestelde belastingen 552. Overboeking naar de belastingvrije reserves 559. Totaal 560. TE BESTEMMEN WINST VAN HET BOEKJAAR 599. TOTAAL KOSTEN (*) Posten en subposten waarvoor de opbrengsten moeten uitgesplitst worden in enerzijds opbrengsten in Belgische frank en anderzijds opbrengsten in vreemde munten. Zie ook de algemene instructies voor de monetaire indeling. BIJLAGE II : Aanschrijving nr. 18 van 28 september 1981 - nr. 9.
Het opnemen van de verkoopprijs van het goud in de teller en in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal, toegepast door de bankinstellingen en de wisselagenten, zou de aftrek vervalsen, gelet op het feit dat de andere elementen die worden opgenomen in het verhoudingsgetal, in de regel, commissielonen en winstsaldi vertegenwoordigen (kredietverrichtingen, wisselverrichtingen, beursverrichtingen, enz.).
Om die reden werd beslist dat de aftrek volgens het werkelijk gebruik op te leggen; de belasting geheven van de invoer of de aankoop van goud door een belastingplichtige mag volledig worden afgetrokken; maar voor de aftrek van de BTW geheven van de algemene onkosten en de investeringen mag, in de teller en in de noemer van het verhoudingsgetal, slechts het verschil tussen de verkoopprijs exclusief BTW en de aankoopprijs exclusief BTW van het goud dat het voorwerp uitmaakt van de transacties worden opgenomen.
Aanschrijving nr. 10 dd. 26.07.1995
BTW-Revue nr. 115, blz. 729
Banken en financiële instellingen
Coördinatiecentra
Uitoefening van het recht op aftrek.
INHOUD Nrs. Onderwerp van de aanschrijving 1-4 Afdeling 1 : Aard van de handelingen die worden verricht door de banken en financiële instellingen 5-7 Afdeling 2 : Uitoefening van het recht op aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik 8-20 A. Algemeen 1. Aanvraag van het stelsel van het werkelijk gebruik 8 2. Draagwijdte van het stelsel van het werkelijk gebruik 9 B. Deelactiviteiten waarvoor het stelsel van het werkelijk gebruik van toepassing kan zijn 10-13 C. Hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling a) De hoofdactiviteit van de bank komt niet in aanmerking voor het toepassen van de regel van het werkelijk gebruik 14-16 b) De hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling komt wel in aanmerking voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik 17-18 D. BTW geheven van kosten van informatica 19 E. Regionale kantoren of agentschappen 20 Afdeling 3 : Uitoefening van het recht op aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal 21-31 A. Wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal 22 B. Analyse van de opbrengstenrekeningen van de banken en financiële instellingen 23 C. Ontvangen interesten - Omzet inzake kredietverrichtingen 24 D. Andere financiële diensten 25-26 E. Dividenden en interesten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille 27 F. Verkoop van effecten 28-29 G. Wisselverrichtingen 30 H. Handel in goud 31 Afdeling 4 : Inwerkingtreding en overgangsbepalingen 32-35 Afdeling 5 : Coördinatiecentra 36 Bijlage I Bijlage II Onderwerp van de aanschrijving
1. Banken en financiële instellingen verrichten zowel handelingen die recht op aftrek verlenen als de handelingen die zijn vrijgesteld van de belasting op grond van artikel 44 van het Wetboek of die buiten de werkingssfeer van de belasting vallen en die om die reden geen recht op aftrek verlenen. De banken en de financiële instellingen moeten bijgevolg worden aangemerkt als belastingplichtigen met slechts een gedeeltelijk recht op aftrek. De uitoefening van het recht op aftrek ten aanzien van dergelijke belastingplichtigen wordt geregeld door de artikelen 45 en 46 van het Wetboek.
2. Bij het invoege treden van de belasting over de toegevoegde waarde op 1 januari 1971 werd door de Administratie aanvaard dat ten aanzien van de door de banken en de financiële instellingen verrichte kredietverrichtingen, hetgeen van de BTW vrijgestelde handelingen zijn en derhalve geen recht op aftrek verlenen, enkel het positieve verschil tussen de ontvangen en betaalde interesten als omzet in aanmerking diende genomen te worden voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal als bedoeld in artikel 46, § 1, van het Wetboek.
Op 13 augustus 1993 werd België door de Europese Commissie in gebreke gesteld om reden dat het algemeen verhoudingsgetal, op grond waarvan de banken en de financiële instellingen als belastingplichtigen met gedeeltelijk recht op aftrek het bedrag van de aftrekbare voorbelasting vaststellen, niet werd berekend conform het bepaalde in artikel 19.1 van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de Wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag.
3. Dientengevolge dienen de banken en de financiële instellingen, voor de berekening van de aftrek van de voorbelasting, voortaan uit te gaan van een algemeen verhoudingsgetal dat wordt berekend conform voormelde bepaling van de Zesde Richtlijn en, inzonderheid, in de noemer van de breuk ter bepaling van het algemeen verhoudingsgetal het bruto- bedrag van de ontvangen interesten te vermelden als omzet inzake de kredietverrichtingen.
4. Deze aanschrijving heeft tot doel de wijze van berekening van het door de banken en de financiële instellingen voortaan toe te passen algemeen verhoudingsgetal en inzonderheid een aantal verduidelijkingen in dat verband, nader toe te lichten. Bovendien verduidelijkt zij de mate waarin en de voorwaarden waaronder de banken en de financiële instellingen, na hierom de Administratie voorafgaand te hebben verzocht, hun recht op aftrek van de voorbelasting kunnen uitoefenen volgens de regel van het werkelijk gebruik, zoals bedoeld in artikel 46, § 2, van het Wetboek.
AFDELING I
AARD VAN DE HANDELINGEN DIE WORDEN VERRICHT DOOR DE BANKEN EN FINANCIELE INSTELLINGEN
5. Op het vlak van de BTW-wetgeving kunnen de handelingen die door de banken en financiële instellingen worden verricht worden onderverdeeld in drie categorieën, namelijk :
| 1° | handelingen opgesomd in artikel 45, § 1, van het Wetboek. Het gaat om belaste handelingen (Wetboek, artikel 45, § 1, 1°) of om handelingen in het buitenland (Wetboek, artikel 45, § 1, 3°) en vrijgestelde handelingen (Wetboek, artikel 45, § 1, 4° en 5°), die op grond van voornoemd artikel recht op aftrek verlenen; |
| 2° | handelingen vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 44 van het Wetboek en waarvoor geen recht op aftrek bestaat. In dit verband mag niet uit het oog worden verloren dat voor de betalings- en ontvangstverrichtingen bedoeld in artikel 44, § 3, 8°, van het Wetboek kan geopteerd worden voor het belasten ervan, hetgeen tot gevolg heeft dat indien de betrokken belastingplichtige die optie uitoefent, deze handelingen eveneens onder 1°, hiervóór, thuishoren (z. aanschr. nr. 18/79, BTW-Revue nr. 43, blz. 23); |
| 3° | handelingen buiten de werkingssfeer van de BTW. Het gaat inzonderheid over bepaalde handelingen die niet kunnen worden beschouwd als zijnde al of niet vrijgestelde leveringen of diensten als bedoeld in het Wetboek en die derhalve niet de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen aan degene die ze stelt. Indien een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die hem al dan niet geheel of gedeeltelijk recht op aftrek zou verlenen, dergelijke handelingen stelt, heeft hij in die mate niet de hoedanigheid van belastingplichtige. |
7. Hetgeen voorafgaat heeft tot gevolg dat de banken en de financiële instellingen ten aanzien van de BTW geheven van de kosten die een rechtstreeks verband houden met de inning van dividenden van effecten die zij in eigen portefeuille bezitten, geen enkel recht op aftrek bezitten. Deze voorbelasting moet derhalve, voorafgaand aan de toepassing van de regels vervat in de afdelingen 2 en 3, worden afgezonderd en is vanzelfsprekend niet aftrekbaar, ongeacht op welke wijze de betrokken bank of financiële instelling haar recht op aftrek met betrekking tot de overige voorbelasting uitoefent. Daartegenover staat dat de inning van dividenden op geen enkele wijze enige invloed uitoefent op de omvang van het recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de belaste of vrijgestelde handelingen binnen de werkingssfeer van de BTW. Bijgevolg moeten deze bedragen niet worden opgenomen in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal, zoals dit moet worden vastgesteld overeenkomstig de regels uiteengezet in afdeling 3 hierna.
AFDELING 2
UITOEFENING VAN HET RECHT OP AFTREK VOLGENS DE REGEL VAN HET WERKELIJK GEBRUIK
| A. | Algemeen |
8. De banken en de financiële instellingen die de regel van het werkelijk gebruik wensen toe te passen voor de uitoefening van het recht op aftrek van de voorbelasting dienen daartoe een voorafgaand verzoek te richten aan de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor waaronder zij ressorteren. Aangezien de toelating vanwege de Administratie om het stelsel van het werkelijk gebruik toe te passen impliceert dat voor de betrokken belastingplichtigen in beginsel een overgang plaatsvindt van de toepassing van de regel van het algemeen verhoudingsgetal naar de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik, kan de toestemming voor dergelijke overgang van het ene stelsel naar het andere slechts worden verleend vanaf 1 januari van het jaar volgend op de aanvraag om wijziging. Dit houdt derhalve in dat de banken en de financiële instellingen die dergelijke overgang wensen te verwezenlijken, hun aanvraag om toepassing van de regel van het werkelijk gebruik moeten indienen vóór het verstrijken van het kalenderjaar voorafgaand aan datgene vanaf hetwelk zij dit stelsel wensen toe te passen.
In die aanvraag moet opgaaf worden gedaan van de deelactiviteiten waarvoor de betrokken bank of financiële instelling om toepassing van de regel van het werkelijk gebruik verzoekt en, desgevallend, welke diverse materiële en zelfs na ruim tijdsverloop controleerbare verdeelsleutels zij wenst toe te passen alsook of zij de regel van het werkelijk gebruik al dan niet wenst uit te breiden tot een deel van haar hoofdactiviteit of tot de BTW geheven van de kosten met betrekking tot bepaalde informatica (z. nr. 34).
Draagwijdte van het stelsel van het werkelijk gebruik.
9. De specifieke situatie waarin de banken en de financiële instellingen hun hoofdactiviteit uitoefenen noopt de Administratie ertoe strikte regels uit te vaardigen omtrent de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik teneinde misbruiken en/of ongelijkheden in de heffing van de belasting te voorkomen.
Opdat de regel van het werkelijk gebruik van toepassing zou kunnen zijn, is het vereist dat de belastingplichtige zijn activiteit uitoefent in duidelijk af te scheiden sectoren, waarvan er een aantal handelingen behelzen die op grond van artikel 45 van het Wetboek recht op aftrek verlenen.
In hoofde van banken en financiële instellingen kan de regel van het werkelijk gebruik dan ook in beginsel slechts van toepassing zijn ten aanzien van welbepaalde deelactiviteiten die een volledig recht op aftrek verlenen en duidelijk kunnen worden afgezonderd van de overige activiteiten van die instellingen. Zoals hierna zal worden uiteengezet kunnen, indien op basis van de structuur van de bank of de financiële instelling alsook op grond van de gevoerde boekhouding en/of bijgehouden extra-comptabele staten een meer doorgedreven kostentoewijzing met betrekking tot de hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling mogelijk is, tevens andere deelactiviteiten die aldus van de hoofdactiviteit kunnen worden afgezonderd (z. nrs. 17 en 18) eveneens in aanmerking komen voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik.
| B. | Deelactiviteiten waarvoor het stelsel van het werkelijk gebruik van toepassing kan zijn. |
11. Voormelde opsomming is niet limitatief maar de nadruk wordt erop gelegd dat alleen die deelactiviteiten in aanmerking komen voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik waarvoor het merendeel van de kosten (d.w.z. aankopen van goederen of diensten) wegens hun aard uitsluitend kan worden gebruikt voor de desbetreffende deelactiviteit (d.w.z. zonder enige toepassing van verdeelsleutels of ratio's) of waarvoor het hoofdbestanddeel van de kosten kan worden afgezonderd volgens duidelijke en na een verloop van tijd nog controleerbare verdeelsleutels. Onder de verdeelsleutels die niet als duidelijk controleerbaar kunnen worden beschouwd na een belangrijk tijdsverloop kunnen voornamelijk, bij wijze van voorbeeld, de verhoudingen op basis van het aantal tewerkgestelde personeelsleden of verhoudingen op basis van de voor een bepaalde activiteit gepresteerde arbeidsuren worden genoemd.
Bovendien is het vereist dat de uitgaande handelingen met betrekking tot die deelactiviteit volledig recht op aftrek verlenen en de in deze deelactiviteit aangewende activa op geen enkele wijze worden aangewend voor de overige activiteiten van de bank of financiële instelling.
12. De BTW geheven van de kosten van de deelactiviteiten van de banken en financiële instellingen die op de in de nrs. 10 en 11 omschreven wijze volledig kunnen worden afgezonderd, moet voor de uitoefening van het recht op aftrek in drie categorieën worden onderverdeeld :
| 1° | BTW geheven van de kosten waarvan kan worden aangetoond dat ze wegens hun aard exclusief worden gebruikt voor de afzonderlijke deelactiviteit. Hieronder kan, bij wijze van voorbeeld, worden vernoemd de BTW geheven van : |
- de aankopen van eetwaren en dranken voor de bedrijfsmess en de investeringen in keuken en bedrijfsmess;
- de verkrijging van in leasing gegeven goederen, voor zover het desbetreffend afgesloten leasingcontract onderworpen is aan de BTW (z. kon. besl. nr. 30, van 29 december 1992);
- de inrichtingskosten van een volledig afzonderlijk agentschap voor reisbemiddeling of van een volledig afzonderlijk lokaal met safes, bestemd voor de verhuur;
- de invoer of aankoop van goud voor beleggingsdoeleinden met het oog op de wederverkoop.
De onder dit punt bedoelde voorbelasting kan volledig in aftrek worden gebracht.
| 2° | BTW geheven van kosten die niet exclusief worden gebruikt voor de afzonderlijke deelactiviteit, doch die volgens duidelijke en zelfs na een ruim tijdsverloop controleerbare verdeelsleutels deels kunnen worden toegewezen aan een afzonderlijke deelactiviteit. Hieronder kan, bij wijze van voorbeeld, worden vernoemd de BTW geheven van : |
- het elektriciteitsverbruik in keuken, bedrijfsmess, afzonderlijk lokaal met safes e.d., berekend op basis van het aantal elektriciteitsverbruikspunten in voormelde lokalen in verhouding tot het totaal aantal verbruikspunten;
- het waterverbruik opgenomen op basis van aparte verbruiksmeters of naar verhouding van het aantal afnamepunten van water in het gebouw;
- de bouwkosten en onderhoudskosten van de hiervóór genoemde lokalen, berekend op basis van het aantal vierkante meters of kubieke meters in verhouding tot de oppervlakte of het volume van het volledige bankgebouw.
De onder dit punt bedoelde voorbelasting kan slechts in aftrek worden gebracht volgens de regel van het werkelijk gebruik, rekening houdend met de toepassing van de verdeelsleutels waarvan sprake hiervóór. Het niet aftrekbaar gedeelte van de BTW met betrekking tot de hier bedoelde kosten mag bij het bedrag van de voorbelasting worden gevoegd dat betrekking heeft op de hoofdactiviteit van de betrokken bank of financiële instelling (z. nrs. 14 t.e.m. 16).
| 3° | BTW geheven van de kosten die niet volgens de criteria onder 1° en 2° aan een welbepaalde deelactiviteit kunnen worden toegewezen, maar die bijkomstig op een dergelijke deelactiviteit betrekking kunnen hebben. Gelet op de criteria waaraan de deelactiviteiten waarvoor het stelsel van het werkelijk gebruik kan worden toegepast moeten beantwoorden, kan het belang van de hier bedoelde voorbelasting slechts residuair zijn. Het kan hier, bij wijze van voorbeeld, gaan om de BTW geheven van : |
- telefoonkosten;
- andere administratie- en beheerskosten die deels betrekking hebben op een afzonderlijke deelactiviteit.
De onder dit punt geheven voorbelasting dient voor de toepassing van de aftrek te worden uitgesloten van het werkelijk gebruik. Het bedrag van deze BTW met betrekking tot de hier bedoelde kosten moet derhalve bij het bedrag van de voorbelasting worden gevoegd dat betrekking heeft op de voornaamste of de eigenlijke hoofdactiviteit van de betrokken bank of financiële instelling (z. nrs. 14 t.e.m. 16).
13. De banken en de financiële instellingen die een drukkerij bezitten, kunnen ten aanzien van deze drukkerij eveneens de regel van het werkelijk gebruik toepassen. Dit heeft tot gevolg dat :
| 1° | de bank of de financiële instelling de drukwerken die voor intern gebruik worden geproduceerd door haar drukkerij dient te belasten op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 4°, van het Wetboek. De maatstaf van heffing met betrekking tot deze ingebruikneming van goederen, anders dan als bedrijfsmiddel, is bij toepassing van artikel 33, 1°, van het Wetboek gelijk aan de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs bepaald op het tijdstip van de ingebruikneming. In het licht van wat voorafgaat moeten tijdschriften, waarin voornamelijk onderwerpen van economische en financiële aard worden behandeld en die onder de naam van de bank of de financiële instelling kosteloos op loutere aanvraag onder het publiek worden verspreid, als drukwerken voor intern gebruik aangemerkt worden. Dergelijke drukwerken kunnen immers worden beschouwd als reclamekosten. |
| 2° | de voorbelasting met betrekking tot de exploitatie van de eigen drukkerij volledig in aftrek kan worden gebracht volgens het bepaalde in het nr. 12, 1° t.e.m. 3°; |
| 3° | de BTW die werd voldaan op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 4°, van het Wetboek voor de ingebruiknemingen van drukwerken voor intern gebruik overeenkomstig 1°, hiervóór, eveneens moet worden uitgesplitst overeenkomstig het onderscheid gemaakt in de nrs. 12, 1° t.e.m. 3° en 14 e.v. Derhalve kan de voorbelasting voor het drukken van b.v. reisbrochures volledig in aftrek worden gebracht indien de bank of de financiële instelling een reisagentschap exploiteert dat als een afzonderlijke deelactiviteit kan worden aangemerkt. Daarentegen dient de betaalde BTW met betrekking tot de ingebruikneming van formulieren die voor de eigenlijke hoofdactiviteit worden gebruikt alsook met betrekking tot de ingebruikneming van de gratis verdeelde brochures en tijdschriften die als reclamekosten worden aangemerkt (z. 1°, in fine), te worden gevoegd bij het bedrag van de voorbelasting bedoeld in nr. 14, tenzij de bank of de financiële instelling bepaalde activiteiten van haar hoofdactiviteit kan afzonderen waarvoor ze tevens de regel van het werkelijk gebruik kan toepassen (z. nr. 9, laatste lid, en nrs. 17 e.v.); |
| 4° | de verkopen, in voorkomend geval, van drukwerken aan derden vanzelfsprekend onderworpen zijn aan de belasting. |
| C. | Hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling. |
| a. | De hoofdactiviteit van de bank komt niet in aanmerking voor het toepassen van de regel van het werkelijk gebruik. |
De hoofdactiviteit betreft in feite alle financiële diensten die een bank of een financiële instelling gewoonlijk verricht zoals kredietverrichtingen, betalings- en ontvangstverrichtingen, wisselverrichtingen. Hieraan kan de activiteit die bestaat in het afsluiten en beheren van verzekeringscontracten worden toegevoegd, aangezien deze niet kan worden aangemerkt als een afzonderlijke deelactiviteit om reden dat, bij gebreke van een doorgedreven structuur binnen de bank of financiële instelling, het merendeel der gedane uitgaven niet kan worden toegewezen volgens de in het nr. 12, 1° en 2° bedoelde criteria.
15. De BTW geheven van de input van de hier bedoelde activiteiten van de bank of de financiële instelling, waaraan eveneens de BTW waarvan sprake in fine van het nr. 12, 2° en 3° moet worden toegevoegd, dient te worden afgetrokken volgens een bijzonder verhoudingsgetal.
Aangezien het hier in casu gaat om de BTW met betrekking tot de hoofdactiviteit van de betrokken bank of financiële instelling, omvat deze BTW alle voorbelasting geheven van de algemene beheers- en administratiekosten van de bank of financiële instelling.
Hieronder kan worden genoemd de BTW geheven van :
| 1° | alle beheers- en administratiekosten die aan de gehele organisatie van de bank of financiële instelling ten goede komen (b.v. alle kosten veroorzaakt door het centraal bestuur van de bank of financiële instelling); |
| 2° | alle reclame- en publiciteitskosten voor de bank in het algemeen of voor de hoofdactiviteit in het bijzonder; |
| 3° | alle kosten van herstelling en onderhoud van de gebouwen of delen van gebouwen die niet uitsluitend aan een specifieke deelactiviteit kunnen worden toegewezen op grond van de criteria, vermeld onder nr. 11; |
| 4° | alle kosten van telecommunicatie, informatica (hard- en software) en informatica-netwerken, alsook van automatisering der rekeningen- courant (zgn. self-bankingsystemen, e.d.) (z. evenwel ook punt D). |
Bovendien dienen navolgende specifieke regels voor de berekening van dat bijzonder verhoudingsgetal in acht te worden genomen :
| 1° | de omzet met betrekking tot de afzonderlijke deelactiviteiten, waarvoor het recht op aftrek wordt uitgeoefend volgens het stelsel van het werkelijk gebruik (z. nrs. 10 t.e.m. 13), mogen noch in de teller, noch in de noemer van de breuk ter berekening van het bijzonder verhoudingsgetal worden opgenomen; |
| 2° | in afwijking van hetgeen bepaald werd in 1°, hiervóór, mag ten aanzien van de handel in goud voor beleggingsdoeleinden het verschil tussen de verkoopprijs (exclusief BTW) en de aankoopprijs (exclusief BTW) van het goud, dat het voorwerp uitmaakt van de transacties, in de teller en de noemer van het bijzonder verhoudingsgetal worden opgenomen (z. aanschr. nr. 18/1981, nr. 9). |
| b. | De hoofdactiviteit van de bank of de financiële instelling komt wel in aanmerking voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik. |
18. Daartoe moeten navolgende voorwaarden zijn vervuld en dienen navolgende modaliteiten in acht te worden genomen :
| 1° | de bank of financiële instelling moet zodanig gestructureerd zijn dat de indeling in onderscheiden afdelingen materieel kan worden vastgesteld en gecontroleerd en dat, bovendien, de afdelingen zodanig zijn afgelijnd dat de in elke afdeling geleverde prestaties of volbrachte taken duidelijk zijn omschreven (b.v. afdeling "kredietverrichtingen", afdeling "betalingsverrichtingen", enz.). Bovendien dient er ten minste één afdeling te bestaan die uitsluitend handelingen verricht die volledig recht op aftrek verschaffen (b.v. de afdeling "betalingsverrichtingen" wanneer de bank of de financiële instelling voor het belasten van deze verrichtingen heeft geopteerd); |
| 2° | de bank of financiële instelling moet aan de hand van de gevoerde boekhouding op ieder verzoek van de controlerende ambtenaren kunnen aantonen op welke wijze de omslag der kosten over de verschillende afdelingen geschiedt, alsook de criteria kunnen verantwoorden die zij voor die omslag heeft gehanteerd. In dit verband wordt opgemerkt dat de boekhoudkundige gegevens of extra-comptabele gegevens mogen worden afgeleid uit de door de betrokken bank of financiële instelling doorgevoerde analytische kostprijsberekening. Dit laatste mag echter niet tot gevolg hebben dat men voor de berekening van de aftrekbare BTW uit zou gaan van berekende kostprijzen per gepresteerde diensten of produkt zonder nog een rechtstreeks verband te kunnen leggen met de inkomende handelingen waarop deze aftrekbare BTW drukt; |
| 3° | de regel van het werkelijk gebruik kan slechts worden toegepast voor die kostenfactoren die hetzij rechtstreeks, hetzij op basis van toelaatbare en verantwoorde verdeelsleutels (ratio's op basis van gepresteerde arbeidsuren zijn derhalve uitgesloten) kunnen worden toegewezen aan de onderscheiden afdelingen of sectoren (ook soms "kostenplaatsen" of "cost centers" genoemd). Voor de kosten die rechtstreeks worden toegewezen moet onder meer aan de hand van de factuur kunnen worden aangetoond dat, gelet op hun aard, zij uitsluitend kunnen worden gebruikt in of voor de afdeling of kostenplaats waaraan zij werden toegewezen; |
| 4° | de BTW geheven van een kostenfactor die volgens de regel vervat in 3°, hiervóór, kan worden toegewezen aan een afdeling die uitsluitend belastbare handelingen verricht (b.v. de afdeling "betalingsverrichtingen" wanneer de bank of de financiële instelling voor het belasten van deze verrichtingen heeft geopteerd) is volledig aftrekbaar, terwijl de BTW geheven van een kostenfactor die moet worden toegewezen aan een afdeling die uitsluitend vrijgestelde handelingen verricht, vanzelfsprekend in het geheel niet aftrekbaar is; |
| 5° | de BTW geheven van kostenfactoren die werden toegewezen aan afdelingen die niet uitsluitend belastbare of niet uitsluitend vrijgestelde handelingen verrichten, of nog, aan afdelingen die geen directe output teweegbrengen (b.v. algemene directie, personeelsdiensten, enz.) kunnen slechts in aftrek worden gebracht volgens het bijzonder verhoudingsgetal zoals bepaald in het nr. 16. Dit geldt ook voor alle kostenfactoren die niet aan ene of andere afdeling of "kostenplaats" kunnen worden toegewezen of waarvoor de allocatie slechts kan gebeuren aan de hand van verdeelsleutels die niet kunnen worden aanvaard om reden dat ze na verloop van tijd niet meer materieel controleerbaar zijn; |
| 6° | de bank of de financiële instelling die het werkelijk gebruik voor haar hoofdactiviteit toepast is ertoe gehouden dit stelsel toe te passen voor alle afdelingen die volledig afscheidbaar zijn. Het is derhalve niet toelaatbaar de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik te beperken tot de afdelingen met volledig recht op aftrek en deze regel niet toe te passen op afdelingen die geen enkel recht op aftrek zouden hebben. |
| D. | BTW geheven van kosten van informatica. |
Wanneer de centrale computereenheid is uitgerust met de nodige programma's om de gebruikte computertijd (zgn. "CPU time") per verrichting te registreren, is het toegestaan de BTW geheven van de kosten met betrekking tot de aanschaf en het onderhoud van deze informatica (zowel hardware als software) met inbegrip van het gebruik van telecommunicatielijnen, in aftrek te brengen naar verhouding van de gebruikte computertijd.
De hier bedoelde voorbelasting kan bijgevolg worden uitgesplitst per soort van (belastbare of vrijgestelde) groep van gedane verrichtingen en dienovereenkomstig in aftrek worden gebracht. De voornoemde aftrekregeling die alleen geldt voor de afdeling informatica sluit niet uit dat de bank of de financiële instelling, indien zij voor haar hoofdactiviteit of voor een aantal deelactiviteiten eveneens de regel van het werkelijk gebruik toepast, in die mate de BTW in aftrek mag brengen volgens de regels uiteengezet onder de nrs. 18, 4° en 5° of volgens de regels bedoeld in nr. 12, naargelang van het geval.
De bank of de financiële instelling die ten aanzien van de BTW geheven van kosten van informatica bovengenoemde werkwijze wenst toe te passen dient daarvoor een aanvraag te richten aan de hoofdcontroleur waaronder zij ressorteert (z. nr. 34). Zij dient een boekhouding te voeren die de controle op het uitsplitsen van de computertijd mogelijk maakt en alle gegevens die daarmee verband houden met het oog op die controle te bewaren gedurende de termijn voorzien in artikel 60, §§ 1 en 2 van het Wetboek.
| E. | Regionale kantoren of agentschappen. |
Gelet op het zeer gediversifieerde aanbod van diensten is, met uitzondering voor de kosten met betrekking tot de verhuur van safes en de kosten met betrekking tot de computer-terminals en informatica- communicatielijnen, de toepassing van het stelsel van het werkelijk gebruik op deze kantoren of agentschappen uitgesloten.
De BTW geheven van de oprichtingskosten, de inrichtingskosten en andere uitrusting met betrekking tot deze kantoren of agentschappen is derhalve, in de regel, steeds aftrekbaar volgens het bijzonder verhoudingsgetal zoals bepaald in nr. 16.
Wanneer het kantoor of agentschap een kofferzaal bevat (of eventueel een bedrijfsmess), kan de BTW geheven van de oprichting van het gebouw in aftrek worden gebracht naar verhouding van de oppervlakte van de kofferzaal (of van de bedrijfsmess) ten opzichte van de oppervlakte van de rest van het kantoor of agentschap. Bovendien wordt aanvaard dat de alarminstallaties die worden geïnstalleerd om het kantoor of het agentschap te beveiligen tegen diefstal tijdens de sluitingsuren overwegend worden aangebracht om de inhoud van de safes te beschermen. In die gedachtengang is het toegestaan dat de bank of de financiële instelling de aftrek uitoefent volgens een specifieke verhouding die in overleg met de bevoegde hoofdcontroleur geval per geval wordt vastgesteld.
AFDELING 3
UITOEFENING VAN HET RECHT OP AFTREK VOLGENS HET ALGEMEEN VERHOUDINGSGETAL
21. De banken en de financiële instellingen die niet hebben geopteerd voor de uitoefening van het recht op aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik moeten hun recht op aftrek van de voorbelasting uitoefenen door toepassing van de regel van het algemeen verhoudingsgetal (Wetboek, art. 46, § 1).
Wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal.
22. Vanaf 1 januari 1995 gelden navolgende richtlijnen voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal :
| 1° | voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal dient voortaan rekening te worden gehouden met het bruto-bedrag der ontvangen interesten als omzet inzake de kredietverrichtingen (z. nr. 3 en 24); |
| 2° | wat de geïnde dividenden en interesten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille betreft, dient geen enkel bedrag te worden opgenomen in de teller en noemer van de breuk voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal (z. nrs. 5 t.e.m. 7 en 27); |
| 3° | wat de verkoop van effecten voor eigen rekening betreft, geldt als omzet voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal enkel het verschil tussen de aankoop- en verkoopprijs (z. nrs. 28 en 29); |
| 4° | voor de verkoop van effecten voor rekening van derden (waarbij de bank of de financiële instelling derhalve enkel als bemiddelaar optreedt) geldt als omzet het totale bedrag van de ontvangen vergoeding; |
| 5° | wat de wisselverrichtingen betreft die de bank of de financiële instelling stelt voor rekening van derden, wordt eveneens het totale bedrag van de ontvangen vergoeding als omzet aangemerkt; dat wil zeggen dat het totale bedrag van de winstmarge (m.a.w. het verschil tussen de verkoop- en aankoopkoers), vermeerderd met het ontvangen commissieloon en de aangerekende kosten als omzet geldt (z. nr. 30); |
| 6° | de wisselverrichtingen gesteld voor eigen rekening worden voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal van teller en noemer uitgesloten (z. ibidem). |
23. Teneinde de wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal op een éénvormige en duidelijke manier te bepalen en om aldus de talrijke moeilijkheden die zich zowel bij de toepassing als bij de controle van het algemeen verhoudingsgetal kunnen voordoen, zoveel als mogelijk te voorkomen, zal zoals hierna wordt gespecifieerd, worden uitgegaan van de opbrengsten- en kostenrekeningen van de resultatenrekening van de kredietinstellingen naar Belgisch recht zoals opgenomen in het zogenaamde "schema A" (z. bijlage). Deze resultatenrekening dient periodiek door de banken en de financiële instellingen bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen te worden ingediend.
Ontvangen interesten - Omzet inzake kredietverrichtingen.
24. Ten aanzien van de "ontvangen interesten" kan worden gesteld dat, voor het bepalen van de omzet inzake de kredietverrichtingen, alleen de creditsaldi van de rekeningen nrs. 411.1 en 411.2 van bijgevoegd schema moeten worden opgenomen in de noemer van de breuk voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal.
Andere financiële diensten.
25. Onder de opbrengsten die de banken en de financiële instellingen ontvangen wegens het verrichten van andere financiële diensten (opbrengstenrekening nr. 413 van het bijgevoegd schema) bevindt zich een geheel van prestaties waaronder sommige zijn vrijgesteld (b.v. bemiddeling bij aan- en verkoop van effecten voor derden), andere slechts belastbaar zijn mits de optie daarvoor werd uitgeoefend door de betrokken bank of financiële instelling (b.v. betalings- en ontvangstverrichtingen) en andere in elk geval onderworpen zijn aan de BTW (b.v. bewaring en beheer van effecten; vermogensbeheer).
26. Onder voorbehoud van wat hierna wordt gezegd ten aanzien van de wisselverrichtingen en de opbrengsten van de eigen effectenportefeuille, waarvoor specifieke regels gelden, dienen, voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal, de omzetcijfers met betrekking tot de hier bedoelde overige financiële diensten alleen in de noemer te worden opgenomen indien het om vrijgestelde handelingen gaat, of zowel in de teller als in de noemer, indien het om belaste handelingen gaat.
Dividenden en interesten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille.
27. De opbrengsten met betrekking tot de eigen effectenportefeuille komen niet in aanmerking voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal. Derhalve mogen de bedragen opgenomen in de rekeningen nrs. 411.3, 411.4, 412, 415 en 424 van bijgevoegd schema, zijnde opbrengsten met betrekking tot de eigen portefeuille, volledig buiten beschouwing worden gelaten.
Verkoop van effecten.
28. Hier wordt enkel bedoeld de verkoop van effecten voor eigen rekening waarvan de erop betrekking hebbende gerealiseerde meerwaarden en geboekte positieve koersverschillen in de opbrengstenrekeningen nrs. 414.2, 414.4 en 414.8 worden opgenomen en de eventueel gerealiseerde verliezen en geboekte negatieve koersverschillen in de kostenrekeningen nrs. 513.2, 513.4 en 513.8 van het bijgevoegd schema.
29. Als opbrengsten met betrekking tot de verkoop van effecten in eigen naam, die in de noemer van de breuk moeten worden opgenomen, wordt aangemerkt het totaal van het globale positieve verschil tussen de verkoopprijs en de oorspronkelijke aankoopprijs van de werkelijk gerealiseerde verkoop van effecten. Dit bedrag dient derhalve uit de opbrengstenrekeningen nrs. 414.2, 414.4 en 414.8 en de kostenrekeningen nrs. 513.2, 513.4 en 513.8 van het bijgevoegd schema te worden afgezonderd. Met een globaal negatief verschil tussen de verkoopprijs en de oorspronkelijke aankoopprijs van de werkelijk gerealiseerde verkoop van effecten (verkopen met verlies) mag geen rekening worden gehouden, zodat deze niet in mindering mogen worden gebracht van het in noemer van het algemeen verhoudingsgetal op te nemen bedrag.
Indien de bank of financiële instelling om aantoonbare technische redenen in de onmogelijkheid verkeert om deze bedragen op voormelde wijze af te zonderen, aanvaardt de Administratie, bij wijze van proef, dat in de noemer het positieve verschil tussen, enerzijds, de creditsaldi van de opbrengstenrekeningen nrs. 414.2, 414.4 en 414.8 en, anderzijds, de debetsaldi van de kostenrekeningen nrs. 513.2, 513.4 en 513.8 wordt opgenomen.
Wisselverrichtingen.
30. De wisselverrichtingen, waarvan de opbrengsten worden opgenomen in de rekeningen nrs. 411.5, 414.1 en 414.3 van bijgevoegd schema, moeten alleen in aanmerking worden genomen voor zover ze werden verricht n.a.v. een door een derde gegeven opdracht. De wisselverrichtingen die naderhand door de bank of de financiële instelling eventueel worden verricht met het oog op de dekking van de verbintenissen en risico's die voortvloeien uit de handelingen gesteld in opdracht van derden, mogen - zoals de wisselverrichtingen die louter voor eigen rekening worden gedaan - buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal.
Bijgevolg zullen de genoemde rekeningen nrs. 411.5, 414.1 en 414.3 van bijgevoegd schema door de belastingplichtige moeten worden uitgesplitst, rekening houdende met bovenstaand onderscheid. De resultaten met betrekking tot de wisselverrichtingen gesteld voor rekening van derden die voortvloeien uit de rekeningen nrs. 411.5, 511.5, 414.1, 513.1, 414.3 en 513.3, moeten worden opgenomen in de noemer van de breuk voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal. De overige wisselverrichtingen (nl. deze voor eigen rekening) mogen buiten beschouwing blijven (vgl. nr. 22, 5°, hiervoor).
Handel in goud.
31. Ten aanzien van de handel in goud voor beleggingsdoeleinden, waarvan de opbrengsten moeten worden opgenomen in de opbrengstenrekening nr. 414.5 van bijgevoegd schema, blijft de regeling uiteengezet in het nr. 9 van de aanschrijving nr. 18/1981 van toepassing, zodat alleen het verschil tussen de verkoopprijs (exclusief BTW) en de aankoopprijs (exclusief BTW) van het goud, dat het voorwerp uitmaakt van de transacties, in de teller en de noemer van het bijzonder verhoudingsgetal moet worden opgenomen.
AFDELING 4
INWERKINGTREDING EN OVERGANGSBEPALINGEN.
32. Onderhavige aanschrijving treedt in werking vanaf 1 januari 1995. Dit heeft tot gevolg dat het algemeen verhoudingsgetal (waarvan sprake in de afdeling 3) en het bijzonder verhoudingsgetal (waarvan sprake in de afdeling 2) vanaf die datum volgens de aldaar uiteengezette regels dienen te worden berekend.
33. Gelet echter op de datum van publikatie van onderhavige aanschrijving wordt het de banken en de financiële instellingen toegestaan hun recht op aftrek van de voorbelasting nà 1 januari 1995 voorlopig verder uit te oefenen volgens een algemeen verhoudingsgetal berekend volgens de regels van toepassing vóór 1 januari 1995.
Voormelde tolerantie geldt slechts tot 30 september 1995. Bovendien impliceert de toepassing ervan dat voor de periode tussen 1 januari 1995 en 30 september 1995 de omvang van het recht op aftrek moet worden herberekend rekening houdende met het algemeen verhoudingsgetal berekend overeenkomstig de regels uiteengezet in onderhavige aanschrijving. De teveel in aftrek gebrachte BTW dient te worden herzien uiterlijk in de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van het derde kwartaal 1995 of met betrekking tot de handelingen van de maand september 1995 (aangiften in te dienen uiterlijk op 20 oktober 1995), naargelang de bank of de financiële instelling respectievelijk kwartaal- dan wel maandaangever is. Indien de regularisatie aldus geschiedt zullen geen fiscale geldboeten noch nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn.
34. Wat de banken en de financiële instellingen betreft die vóór 1 januari 1995 het recht op aftrek uitoefenden volgens de regel van het werkelijk gebruik op grond van een vóór die datum daartoe door de bevoegde hoofdcontroleur verleende toelating, wordt erop gewezen dat zij de toepassing van dit stelsel uiteraard behouden. Dat stelsel moet evenwel vanaf voornoemd tijdstip toegepast worden binnen de voorwaarden en modaliteiten bepaald in afdeling 2 hiervóór.
Derhalve mag de betrokken bank of de financiële instelling in dergelijk geval met ingang op 1 januari 1995 het stelsel van de aftrek volgens het werkelijk gebruik toepassen zoals uiteengezet in afdeling 2 hiervóór. Voor de periode tussen 1 januari 1995 en 30 september 1995 dient zij evenwel de omvang van het reeds uitgeoefende recht op aftrek opnieuw te berekenen en te beperken tot hetgeen volgens de in onderhavige aanschrijving vervatte regels aftrekbaar zou zijn geweest.
De betrokken bank of financiële instelling dient de eventueel teveel in aftrek gebrachte BTW te herzien in de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van het derde kwartaal 1995 of met betrekking tot de handelingen van de maand september 1995 (aangiften in te dienen uiterlijk op 20 oktober 1995), naargelang de bank of de financiële instelling respectievelijk kwartaal- dan wel maandaangever is. Indien de regularisatie aldus geschiedt zullen geen fiscale geldboeten noch nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn. In bijlage van voornoemde aangifte zal tevens opgaaf worden gedaan van de deelactiviteiten waarvoor de betrokken bank of financiële instelling het stelsel van het werkelijk gebruik toepast en desgevallend, welke diverse duidelijke en zelfs na ruim tijdsverloop controleerbare verdeelsleutels zij wenst toe te passen (z. nr. 8, in fine).
35. De banken en financiële instellingen die op 1 januari 1995 hun recht op aftrek uitoefenden volgens de regel van het algemeen verhoudingsgetal kunnen een eventuele overgang naar de toepassing van het stelsel van het werkelijk gebruik slechts uitoefenen per 1 januari 1996, mits zij vóór die datum daartoe schriftelijk een verzoek hebben gericht tot de bevoegde hoofdcontroleur (z. afdeling 2, nr. 8).
AFDELING 5
Coördinatiecentra
36. Wanneer een coördinatiecentrum dermate is gestructureerd dat het voldoet aan de in de nrs. 10, 11, 17 en 18 gestelde voorwaarden kan de regel van het werkelijk gebruik van goederen en diensten worden toegepast. De toepassing van die regel sluit dan inzonderheid, in de schoot van het betreffend coördinatiecentrum, het bestaan in van een of meerdere deelactiviteiten waarvan het geheel van de gestelde handelingen met BTW belastbaar zijn, m.a.w. deelactiviteiten waarvan de uitgaande handelingen volledig recht op aftrek verlenen.
Anderzijds, en zoals dat overigens ook geldt voor banken en financiële instellingen, kan in de schoot van een coördinatiecentrum, met het oog op de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik, het onderscheid tussen belastbare en niet-belastbare deelactiviteiten niet worden gebaseerd op verdeelsleutels die na een zeker tijdsverloop niet of nauwelijks nog controleerbaar zijn. Dat geldt onder meer voor verdeelsleutels gebaseerd op het aantal tewerkgestelde personeelsleden of op basis van de voor een bepaalde activiteit gepresteerde arbeidsuren.
Wanneer het derhalve voor een coördinatiecentrum, dat zowel belastbare als niet-belastbare handelingen stelt, niet mogelijk is haar activiteit rekening houdend met hetgeen voorafgaat uit te splitsen, geldt voor de toepassing van de aftrek van de voorbelasting de regel van het algemeen verhoudingsgetal zoals bepaald in artikel 46, § 1, van het Wetboek en in de artikelen 12 en volgende van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969.
Namens de Minister :
Voor de Directeur-generaal,
J. DECUYPER
BIJLAGE I : Schema's op territoriale en vennootschappelijke basis -
Kredietinstellingen naar Belgisch recht (vervolg)
DEEL 4 : RESULTATENREKENING - OPBRENGSTEN 410. BEDRIJFSOPBRENGSTEN 411. Renteopbrengsten en soortgelijke opbrengsten (*) 411.1. Interbankvorderingen (*) 411.2. Kredieten (*) 411.21. handelswissels (*) 411.22. eigen accepten (*) 411.23. leasing- en soortgelijke vorderingen (*) 411.24. leningen met forfaitaire lastenpercentage (*) 411.25. hypothecaire leningen (*) 411.26. leningen op termijn (*) 411.27. overige (*) 411.29. Totaal (*) 411.3. Te plaatsen en te realiseren effecten en waardepapier (*) 411.31. kortlopend waardepapier (*) 411.32. vastrentende effecten (*) 411.49. Totaal (*) 411.4. Beleggingspapier en -effecten (*) 411.41. kortlopend waardepapier (*) 411.42. vastrentende effecten (*) 411.49. Totaal (*) 411.5. Als dekking bestemde verrichtingen op termijn (*) 411.51. Dekkingsverrichtingen op vreemde valuta's (*) 411.511. verbonden swaps (*) 411.512. valuta- en renteswaps (*) 411.513. future-verrichtingen op valuta's (*) 411.514. opties op valuta's (*) 411.515. contracten op termijn - wisselkoersen (*) 411.519. Totaal (*) 411.52. Dekkingsverrichtingen op rente (*) 411.521. renteswap-overeenkomsten (*) 411.522. interest-future-verrichtingen (*) 411.523. rentecontracten op termijn (*) 411.524. opties op rente (*) 411.529. Totaal (*) 411.59. Totaal (*) 411.9. Totaal (*) 412. Inkomsten van aandelen en andere niet-vastrentende effecten (*) 412.1. te realiseren effecten (*) 412.2. beleggingseffecten (*) 412.9. Totaal 413. Ontvangen provisies wegens verstrekte financiële diensten 413.1. Verbinteniskredieten 413.11. borgtochten 413.12. niet-genegocieerde accepten en documentaire kredieten 413.19. Totaal 413.2. Andere financiële diensten 413.21. m.b.t. effecten 413.211. uitgiften en plaatsingen 413.212. aan- en verkooporders 413.213. overige diensten m.b.t. effecten 413.219. Totaal 413.22. betalingsdiensten 413.23. bewaring, bewaking, vermogensbeheer 413.24. overige financiële diensten 413.29. Totaal 413.9. Totaal 414. Andere financiële opbrengsten 414.1. uit het wisselbedrijf 414.11. wisselverrichtingen 414.12. valuta- en renteswaps 414.13. future-verrichtingen op valuta's 414.14. opties op valuta's 414.15. contracten op termijnwisselkoersen 414.19. Totaal 414.2. uit trading in vastrentende effecten en vastrentend waardepapier 414.21. meerwaarden en waarderingsverschillen 414.3. uit trading in verrichtingen op rente 414.31. renteswap-overeenkomsten 414.32. interest-future-verrichtingen 414.33. rentecontracten op termijn 414.34. opties op rente 414.39. Totaal 414.4. uit trading in niet-vastrentende effecten 414.41. meerwaarden en waarderingsverschillen 414.43. optieverrichtingen 414.49. Totaal 414.5. uit edele metalen 414.8. meerwaarden op beleggingspapier en -effecten 414.81. op vastrentende effecten en waardepapier 414.82. op niet-vastrentende effecten 414.89. Totaal 414.9. Totaal 415. Opbrengsten uit financiële vaste activa 415.1. Deelnemingen 415.11. in verbonden ondernemingen 415.12. in andere ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat 415.19. Totaal 415.2. Opbrengsten uit achtergestelde vorderingen 415.3. Opbrengsten uit andere financiële vaste activa 415.9. Totaal 416. Terugneming van waardeverminderingen en terugneming alsook besteding van voorzieningen 416.1. Waardeverminderingen op vorderingen 416.11. Kredietrisico's met onzeker verloop 416.111. niet individueel gewaardeerde handelsrisico's 416.112. individueel gewaardeerde handelsrisico's 416.113. wegens landenrisico 416.119. Totaal 416.12. Oninbare en dubieuze vorderingen 416.19. Totaal 416.2. Waardeverminderingen op beleggingspapier en -effecten 416.21. op vastrentende effecten en waardepapier 416.22. op niet-vastrentende effecten 416.29. Totaal 416.3. Voorzieningen voor verbinteniskredieten 416.4. Voorzieningen voor andere risico's en kosten 416.41. voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 416.42. voor risico's ingevolge posities in deviezen, in effecten en in andere financiële instrumenten 416.43. voor overige risico's en kosten 416.49. Totaal 416.9. Totaal 417. Andere bedrijfsopbrengsten 417.2. overige 418. Onttrekking aan de voorzorgsfondsen voor risico's 418.1. - van het fonds voor algemene bankrisico's 418.2. - van het intern zekerheidsfonds 418.9. Totaal 419. Totaal 420. UITZONDERLIJKE OPBRENGSTEN 421. Terugneming van afschrijvingen en waardeverminderingen op materiële en immateriële vaste activa 422. Terugneming van waardeverminderingen op financiële vaste activa 423. Terugneming van voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 424. Meerwaarden bij de realisatie van vaste activa 424.1. Financiële vaste activa 424.2. Materiële vaste activa 424.9. Totaal 425. Andere uitzonderlijke opbrengsten 429. Totaal 430. REGULARISERING VAN BELASTINGEN EN TERUGNEMING VAN VOORZIENINGEN VOOR BELASTINGEN 440. VERLIES VAN HET BOEKJAAR 450. ONTTREKKING AAN UITGESTELDE BELASTINGEN EN AAN DE BELASTINGVRIJE RESERVES 451. Onttrekking aan de uitgestelde belastingen 452. Onttrekking aan de belastingvrije reserves 459. Totaal 460. TE VERWERKEN VERLIES VAN HET BOEKJAAR 499. TOTAAL OPBRENGSTEN DEEL 5. RESULATENREKENING - KOSTEN 510. BEDRIJFSKOSTEN (*) 511. Rentekosten en soortgelijke kosten (*) 511.1. Interbankschulden (*) 511.2. Schulden tegenover cliënten (*) 511.21. zichtdeposito's (*) 511.22. termijndeposito's en deposito's van bijzondere aard (*) 511.23. gereglementeerde spaardeposito's (*) 511.24. deposito's gekoppeld aan hypothecaire leningen (*) 511.24. overige schulden tegenover cliënten (*) 511.29. Totaal (*) 511.3. In schuldbewijzen belichaamde schulden (*) 511.31. depositocertificaten en soortgelijke schulden (*) 511.32. kasbons (*) 511.33. obligatieleningen (*) 511.39. Totaal (*) 511.4. Achtergestelde schulden (*) 511.5. Als dekking bestemde verrichtingen op termijn (*) 511.51. Dekkingsverrichtingen op vreemde valuta's (*) 511.511. verbonden swaps (*) 511.512. valuta- en renteswaps (*) 511.513. future-verrichtingen op valuta's (*) 511.514. opties op valuta's (*) 511.515. contracten op termijnwisselkoersen (*) 511.519. Totaal (*) 511.52. Dekkingsverrichtingen op rente (*) 511.521. renteswap-overeenkomsten (*) 511.522. interest-future-verrichtingen (*) 511.523. rentecontracten op termijn (*) 511.524. opties op rente (*) 511.529. Totaal (*) 511.59. Totaal (*) 511.9. Totaal 512. Betaalde provisies wegens betrokken financiële diensten 512.1. voor verbintenissen door derden aangegaan voor rekening van de kredietinstelling 512.2. voor andere financiële diensten door derden verstrekt 512.21. kredietverzekering 512.22. deviezenmakelaars 512.23. acquisitiekosten 512.24. overige provisies 512.29. Totaal 512.9. Totaal 513. Andere financiële kosten 513.1. van het wisselbedrijf 513.11. wisselverrichtingen 513.12. valuta- en renteswaps 513.13. future-verrichtingen op valuta's 513.14. opties op valuta's 513.15. contracten op termijnwisselkoersen 513.2. van trading in vastrentende effecten en vastrentend waardepapier 513.21. minderwaarden en waarderingsverschillen 513.3. van trading in verrichtingen op rente 513.31. renteswap-overeenkomsten 513.32. interest-future-verrichtingen 513.33. rentecontracten op termijn 513.34. opties op rente 513.39. Totaal 513.4. van trading in niet-vastrentende effecten 513.41. minderwaarden en waarderingsverschillen 513.43. optieverrichtingen 513.49. Totaal 513.5. van edele metalen 513.8. minderwaarden op beleggingspapier en -effecten 513.81. op vastrentende effecten en waardepapier 513.82. op niet-vastrentende effecten 513.89. Totaal 513.9. Totaal 514. Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen 514.1. Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen 514.2. Patronale bijdragen voor sociale verzekeringen 514.3. Patronale premies voor bovenwettelijke verzekeringen 514.4. Andere personeelskosten 514.5. Rust- en overlevingspensioenen 514.9. Totaal 515. Afschrijvingen en waardeverminderingen op 515.1. - oprichtingskosten en immateriële vaste activa 515.11. geactiveerde acquisitiekosten 515.12. oprichtingskosten en andere immateriële vaste activa 515.19. Totaal 515.2. - materiële vaste activa 515.9. Totaal 516. Andere bedrijfskosten 516.2. Overige bedrijfskosten 516.21. reclame 516.22. bedrijfsbelastingen 516.23. overige beheerskosten 516.24. overige diverse bedrijfskosten 516.29. Totaal 517. Waardeverminderingen en voorzieningen 517.1. Waardeverminderingen op vorderingen 517.11. Kredietrisico's met onzeker verloop 517.111. niet individueel gewaardeerde handelsrisico's 517.112. individueel gewaardeerde handelsrisico's 517.113. wegens landenrisico 517.119. Totaal 517.12. Oninbare en dubieuze vorderingen 517.19. Totaal 517.2. Waardeverminderingen op beleggingspapier en -effecten 517.21. op vastrentende effecten en waardepapier 517.22. op niet-vastrentende titels 517.29. Totaal 517.3. Voorzieningen voor verbinteniskredieten 517.4. Voorzieningen voor andere risico's en kosten 517.41. voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 517.42. voor risico's ingevolge posities in deviezen, in effecten en in andere financiële instrumenten 517.43. voor overige risico's en kosten 517.49. Totaal 517.9. Totaal 518. Toevoeging aan de voorzorgsfondsen voor risico's 518.1. - aan het fonds voor algemene bankrisico's 518.2. - aan het intern zekerheidsfonds 518.9. Totaal 519. Totaal 520. UITZONDERLIJKE KOSTEN 521. Uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen op materiële en immateriële vaste activa en oprichtingskosten 522. Waardeverminderingen op financiële vaste activa 523. Voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 524. Minderwaarden bij de realisatie van vaste activa 524.1. Financiële vaste activa 524.2. Materiële vaste activa 524.9. Totaal 525. Andere uitzonderlijke kosten 529. Totaal 530. BELASTINGEN 531. Op het resultaat van het boekjaar 532. Op de winst van vorige boekjaren 539. Totaal 540. WINST VAN HET BOEKJAAR 550. OVERBOEKING NAAR UITGESTELDE BELASTINGEN EN NAAR DE BELASTINGVRIJE RESERVES 551. Overboeking naar de uitgestelde belastingen 552. Overboeking naar de belastingvrije reserves 559. Totaal 560. TE BESTEMMEN WINST VAN HET BOEKJAAR 599. TOTAAL KOSTEN (*) Posten en subposten waarvoor de opbrengsten moeten uitgesplitst worden in enerzijds opbrengsten in Belgische frank en anderzijds opbrengsten in vreemde munten. Zie ook de algemene instructies voor de monetaire indeling. BIJLAGE II : Aanschrijving nr. 18 van 28 september 1981 - nr. 9.
Het opnemen van de verkoopprijs van het goud in de teller en in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal, toegepast door de bankinstellingen en de wisselagenten, zou de aftrek vervalsen, gelet op het feit dat de andere elementen die worden opgenomen in het verhoudingsgetal, in de regel, commissielonen en winstsaldi vertegenwoordigen (kredietverrichtingen, wisselverrichtingen, beursverrichtingen, enz.).
Om die reden werd beslist dat de aftrek volgens het werkelijk gebruik op te leggen; de belasting geheven van de invoer of de aankoop van goud door een belastingplichtige mag volledig worden afgetrokken; maar voor de aftrek van de BTW geheven van de algemene onkosten en de investeringen mag, in de teller en in de noemer van het verhoudingsgetal, slechts het verschil tussen de verkoopprijs exclusief BTW en de aankoopprijs exclusief BTW van het goud dat het voorwerp uitmaakt van de transacties worden opgenomen.
Bron: FisconetPlus
