Aanschrijving nr. 16 dd. 28.06.1973
AANSCHRIJVING 73/016
Aanschrijving nr. 16 dd. 28.06.1973
Maatstaf van heffing
Werk in onroerende staat
Onroerend goed
Gebouw
Op te richten gebouw
Onroerend
Minimummaatstaf van heffing
Normale waarde
Heffing
Bouwwaarde
Schatting
Aangifte
Deskundige schatting
Schattingsprocedure
Aannemingswerk
Verkoopwaarde
Onderwerp.
1. Deze aanschrijving heeft tot doel de voorschriften toe te lichten die met het oog op de juiste heffing van de BTW worden opgelegd ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen. Zij handelt dus niet over leveringen van nieuwe gebouwen bedoeld in de artikelen 8, 9, § 3, 12, § 2, en 36, § 1, a, van het BTW-wetboek. Deze bepalingen werden toegelicht in aanschrijving nr. 76/1970.
Eerste afdeling - Minimummaatstaf van heffing.
Beginselen.
2. Ingevolge artikel 36. § 1, b, van het Wetboek, mag de maatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde van dat werk. Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken (Wetboek, art. 36, § 2, eerste lid).
3. Wanneer werk in onroerende staat betrekking heeft op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de BTW werd verkregen, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan de gezamenlijke normale waarde van het vervreemde, onvoltooide gebouw en van het uitgevoerde voltooiingswerk (Wetboek, art. 36, § 2, tweede lid; z. nrs. 43 en 44 van aanschr. 76/1970).
4. Wanneer voltooiingswerk betrekking heeft op een gebouw dat niet met betaling van de BTW werd verkregen (normaal dan met betaling van het registratierecht of het successierecht), geldt de onder nr. 2 genoemde minimummaatstaf van heffing ook voor dat voltooiingswerk, voor zover dit werk uiteraard betrekking heeft op een op te richten gebouw. De bepalingen vermeld in nr. 2 slaan immers op alle werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen. Doch de regel vermeld in nr. 3 is ter zake niet van toepassing.
Werk voor eigen behoeften.
5. Ingevolge artikel 19, 2. van het Wetboek wordt de uitvoering door een belastingplichtige, handelend voor eigen behoeften, van een werk in onroerende staat, met een aan de BTW onderworpen dienst gelijkgesteld tenzij het werk betrekking heeft op onderhouds- en herstellingswerk of wanneer het bestaat in de oprichting van een gebouw door een belastingplichtige die geregeld gebouwen opricht of laat oprichten met het oog op de verkoop, als bedoeld in artikel 8, § 1, van het Wetboek. De maatstaf van heffing is ook in dit geval de normale waarde van het werk (Wetboek, art. 33). De regeling van genoemd artikel 19, 2, van het Wetboek wordt toegelicht in aanschrijving n r. 118 / 1972 (1)
(1) (Z. Revue nr. 11, blz. 143.).
Wanneer een werk bedoeld in artikel 19, 2, van het Wetboek, betrekking heeft op een op te richten gebouw, wordt het mede in deze aanschrijving beoogd.
Werk in onroerende staat m.b.t. op te richten gebouwen.
6. De normale waarde geldt als minimummaatstaf van heffing voor werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen. Achtereenvolgens zal worden onderzocht wat verstaan moet worden onder "werk in onroerende staat" "gebouwen" en "op te richten gebouwen".
A. Werk in onroerende staat.
7. Onder hier bedoeld werk in onroerende staat wordt verstaan al de handelingen die opgesomd zijn in de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tabel B, rubriek IX, nrs. 2 tot 7. Tot werk in onroerende staat wordt dus niet gerekend, onder meer, het studiewerk en het toezicht verricht door architecten, landmeters en ingenieurs, bedoeld in datzelfde besluit, bijlage. tabel B, rubriek V.
B. Gebouwen.
8. Onder gebouw wordt hier verstaan elk onroerend goed dat als een gebouw wordt aangemerkt door de wetten en besluiten ter zake van het kadaster, met andere woorden elk onroerend goed waaraan normaal als gebouw een kadastraal inkomen wordt toegekend.
Als gebouw worden bijgevolg niet aangemerkt :
1° hoogovens, kalkovens, ketels voor elektrische centrales en, meer algemeen, machines, zelfs al zijn ze onroerend uit hun aard omdat ze blijvend met de grond of een gebouw verbonden zijn :
2° gashouders, watertorens, vergaarbakken, tanks en silo's.
C. Op te richten gebouwen.
Beginsel.
9. Het werk in onroerende staat moet niet alleen betrekking hebben op een gebouw, doch ook op een op te richten gebouw.
Een werk heeft betrekking op een op te richten gebouw wanneer dat werk tot voorwerp heeft :
1° werk in onroerende staat verricht als voorbereiding voor de oprichting van een gebouw; bedoeld wordt hier het werk dat voor de aanvang van de eigenlijke bouw en rechtstreeks ten behoeve ervan wordt verricht, zoals onder meer : het grondwerk, het inslaan van heipalen, het gieten van funderingen, enz.; als voorbereiding wordt daarentegen niet aangemerkt, het werk dat wordt verricht om een terrein bouwrijp te maken, zoals onder meer groot nivelleringswerk dat zich uitstrekt over verscheidene bouwterreinen, aanleg van openbare wegen, riolering in een nieuwe verkaveling, de afbraak van gebouwen, enz.;
2° de oprichting, geheel of gedeeltelijk, van een nieuw gebouw;
3° de voltooiing van een nieuw gebouw.
Nieuw gebouw.
10. Voor de toepassing van de hier bedoelde minimummaatstaf van heffing gaat het om de oprichting van een nieuw gebouw in de navolgende gevallen :
1° oprichting van een gebouw waaraan normaal een kadastraal inkomen als gebouw wordt toegekend (z. nr. 8);
2° oprichting van een gebouw na afbraak van een ander gebouw of welk onroerend goed ook;
3° verandering aan een bestaand gebouw welke van die aard is dat de structuur en de bestemming van het vroegere gebouw worden gewijzigd; zo wordt de volledige verbouwing van een oud herenhuis tot een modern flatgebouw als oprichting van een nieuw gebouw aangemerkt; de minimummaatstaf van heffing is daarentegen niet toepasselijk op eenvoudig verbeteringswerk dat de structuur en de bestemming van een gebouw niet wijzigt;
4° oprichting bij een bestaand gebouw van daaraan al of niet palende bijgebouwen, die een eigen functie hebben; als oprichting van een nieuw gebouw worden dus onder meer aangemerkt de oprichting bij een bestaand gebouw van : een garage, bergplaats, schuur, stal, washuis, enz.; als oprichting van een nieuw gebouw worden daarentegen niet aangemerkt, onder meer : de vergroting van een woonkamer, het bouwen van een veranda door overdekking van een bestaand terras, enz.; overigens is het zonder belang dat de bijgebouwen al of niet een van het hoofdgebouw gescheiden kadastraal inkomen hebben; vereist is evenwel dat de oprichting van een bijgebouw ten minste aanleiding geeft tot herziening van het oorspronkelijke kadastrale inkomen;
5° oprichting op een bestaand gebouw van een nieuwe verdieping; zoals voor het geval onder 4" is het overigens zonder belang dat de nieuwe verdieping al of niet een eigen kadastraal inkomen heeft maar is er ten minste vereist dat er een herziening plaats heeft van het kadastrale inkomen.
Voltooiingswerk.
11. Voltooiingswerk wordt aangemerkt als betrekking te hebben op een op te richten gebouw, wanneer het werk materieel wordt verricht voor de datum van betekening van het kadastrale inkomen van het gebouw.
De normale waarde van werk in onroerende staat m.b.t. een op te richten gebouw wordt immers bepaald rekening houdend met de staat van het uitgevoerde werk op het tijdstip van betekening van het kadastrale inkomen (z. nr. 14).
Wanneer bijgevolg aan een gebouw voltooiingswerk wordt verricht na de betekening van het kadastrale inkomen van dat gebouw, is de minimummaatstaf van heffing op dat voltooiingswerk niet toepasselijk.
Afdeling 2. Normale waarde.
Begripsomschrijving. Bouwwaarde.
12. Overeenkomstig artikel 32 van het Wetboek wordt verstaan onder normale waarde ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen, de prijs die hier te lande voor het werk of voor de gezamenlijke werkzaamheden kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen. De hier bedoelde normale waarde berust op de gemiddelde prijzen die in een bepaalde streek voor een zelfde type van gebouw algemeen worden toegepast (z. Verslag namens de Verenigde commissies van de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat, uitgebracht door Senator Maes, Parl. besch., zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 137). Deze waarde wordt ook bouwwaarde genoemd.
Verscheidene aannemingscontracten.
13. Wanneer voor de oprichting van een gebouw verscheidene aannemingscontracten worden gesloten, moet rekening gehouden worden met de normale waarde van elk der uitgevoerde aannemingen, afzonderlijk beschouwd, en mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan het totaal van die normale waarden (z. nr. 2).
Deze regel komt hierop neer dat wanneer voor sommige contracten de overeenkomstig de artikelen 26 tot 28 van het BTW-wetboek berekende maatstaf van heffing hoger is dan de normale waarde van het werk, het gedeelte van de maatstaf van heffing dat de normale waarde overschrijdt verrekend wordt met een eventueel te weinig belaste maatstaf m.b.t. andere aannemingscontracten. Om een bijkomend bedrag aan belasting te kunnen vorderen, moet de administratie bijgevolg aantonen dat het totaal van de normale waarden van elk werk in onroerende staat, afzonderlijk beschouwd, hoger is dan het totaal van de belaste waarden; over het verschil tussen die twee totalen is de aanvullende belasting verschuldigd.
Voor werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de voltooiing van een gebouw dat al of niet met betaling van de BTW werd verkregen moet die regel worden toegepast met inachtneming van het bepaalde in de nrs. 3 en 4 hiervoor.
Tijdstip van de schatting.
14. De normale waarde wordt bepaald rekening houdend met de op het werk toepasselijke normale prijzen die gelden op 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik werd genomen (art. 16 van het kon. besl. nr. 15, van 3 juni 1970).
Bovendien wordt de normale waarde bepaald rekening houdend met de staat van het gebouw op het tijdstip van betekening van het kadastrale inkomen. Deze regel vloeit voort uit de economie van artikel 64, § 4, van het Wetboek en artikel 15, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970.
Afdeling 3. Wettelijk vermoeden.
Wettelijke bepaling.
15. In het Wetboek werd door artikel 64, § 4, een vermoeden ingevoerd, waarbij ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat, behalve indien bewezen wordt dat het werd vervreemd in de omstandigheden bepaald in artikel 9, § 3, van het Wetboek.
Draagwijdte.
16. Dit vermoeden heeft tot gevolg dat er in principe ten aanzien van ieder pas opgericht gebouw facturen moeten bestaan tot beloop van de normale waarde van de dienstverrichtingen.
Het gaat hier echter om een vermoeden juris tantum, zodat de eigenaar van het gebouw steeds kan bewijzen dat er in een bepaalde mate geen dienstverrichtingen m.b.t. een werk in onroerende staat is geweest of dat een dienstverrichting alleen bestond in het verrichten van werk zonder levering van materialen (z. Vraag nr. 143 van Senator Jorissen d.d. 10 juni 1970, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1969-1970, nr. 38, blz. 1682; BTW-Revue, nr. 1, maart 1971, blz. 114).
Tegenbewijs.
17. Het bewijs dat er in een bepaalde mate werk in onroerende staat werd verricht anders dan ter uitvoering van een belastbare handeling, kan door de eigenaar worden geleverd door alle bewijsmiddelen van gemeen recht, door aan te tonen, dat hij in die mate zelf of met de kosteloze medewerking van anderen het werk heeft verricht, of dat in die mate het werk werd verricht door een niet-belastingplichtige.
In de mate waarin dat tegenbewijs is geleverd of wanneer wordt aangetoond dat materialen rechtstreeks door de eigenaar werden gekocht en dus niet in een dienstverrichting begrepen waren, wordt, naargelang van het geval, de waarde van het bedoelde werk en van de materialen die hierbij werden gebruikt, of alleen de waarde van de materialen, van de normale waarde afgetrokken .
Tegenbewijs m.b.t. werk voor eigen behoeften.
18. Op te merken valt dat de in artikel 19, 2, van het Wetboek bedoelde gelijkstelling met een belastbare dienst (z. nr. 5) tot gevolg heeft dat de belastingplichtige in de onmogelijkheid wordt gesteld het in nr. 17 bedoelde tegenbewijs te leveren (z. Vraag nr. 53 van Senator Verbist d.d. 28 maart ]972, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1971-1972, nr. 10, blz. 441; BTW-Revue, nr. 8, juli 1972, blz. 397).
Afdeling 4. Verplichtingen opgelegd aan de eigenaar van een nieuw gebouw.
Indiening van een aangifte.
19. Binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, moet de eigenaar bij de administratie een aangifte indienen die een nauwkeurige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de BTW in rekening werd gebracht (Wetboek, art. 64, § 4, laatste lid). De in deze bepaling bedoelde eigenaar is degene aan wie de dienst m.b.t. het werk in onroerende staat werd verleend en aan wie het kadastrale inkomen wordt betekend. Wanneer bijgevolg het gebouw voor de betekening van het kadastrale inkomen vervreemd wordt, is de vervreemder niet gehouden tot het naleven van die verplichting, ongeacht of die vervreemding al dan niet plaats heeft met betaling van de BTW, indien het kadastrale inkomen wordt betekend aan de nieuwe eigenaar.
In geval de vervreemding betrekking heeft op een eigendom in aanbouw is dus slechts de verkrijger tot het nakomen van de genoemde verplichting gehouden, en wel in de mate waarin hij het gebouw verder afwerkt.
Deze aangifte moet worden ingediend bij het controlekantoor van de BTW in wiens gebied het pas opgerichte gebouw is gelegen (min. besl. nr. 11, van 3 november 1972).
De bedoelde aangifte moet de administratie de mogelijkheid bieden het bedrag te bepalen waarover de BTW in de relatie van de eigenaar tot elk van de dienstverrichters berekend werd. In die aangifte kan de eigenaar die niet onder de toepassing van het aangehaalde artikel 19, 2, valt, melding maken van het werk dat hij zelf heeft verricht, van werk dat met kosteloze medewerking van anderen of door een niet-belastingplichtige werd uitgevoerd en bovendien van de facturen met betrekking tot rechtstreeks door hem gedane aankopen van materialen die in het gebouw verwerkt zijn.
20. Om het tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat een gebouw dat hij heeft opgericht aan hem werd geleverd ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen waarvoor hij facturen zou moeten kunnen voorleggen (z. nrs. 15 en 19), dient de bij artikel 19, 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtige eveneens de onder nr. 19 bedoelde aangifte in, en doet daarin opgave van de stukken die hij, ingevolge artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 1. van 23 juli 1969, heeft moeten opmaken m.b.t. het werk in onroerende staat dat hij voor zich zelf verricht.
Bewaring van documenten.
21. Bovendien is de in nr. 19 bedoelde eigenaar verplicht de plans en bestekken van het pas opgerichte gebouw alsmede de facturen betreffende de bouw ervan, te bewaren gedurende vijf jaar vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, en ze ter inzage voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de heffing van de BTW (Wetboek, art. 64, § 4).
Afdeling 5. Sancties.
22. Elke overtreding van de in nrs. 19 en 21 genoemde voorschriften wordt gestraft met een geldboete van 1.000 F tot 10.000 F (Wetboek, art. 70, § 4). Daarenboven wordt de belasting, behoudens tegenbewijs, geacht niet te zijn voldaan voor de dienstverrichtingen waarvoor geen facturen worden voorgelegd (Wetboek, art. 64, § 4).
23. Wanneer vastgesteld wordt dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verbeurt de schuldenaar van de aanvullende belasting een geldboete ten bedrage van die belasting indien het tekort gelijk is aan of groter dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan (Wetboek, art. 70, § 5) .
Voor de berekening van het tekort dient de normale waarde van het werk waarvoor de minimummaatstaf wordt bepaald, in voorkomend geval te worden verminderd met de waarde van het eigen werk, van het door derden kosteloos verrichte werk, van het werk verricht door niet-belastingplichtigen, en van de rechtstreeks door de opdrachtgever gekochte materialen. Het bekomen resultaat wordt vergeleken met de maatstaven waarover de belasting werd voldaan. Wanneer het tekort gelijk is aan of groter dan het achtste van deze maatstaven is er een geldboete verschuldigd.
Afdeling 6. Voorbeelden.
24. Gesteld een woning waarvan de bouw werd opgedragen aan verscheidene aannemers.
In de aangifte voorgeschreven door art. 64, § 4, van het Wetboek verklaart de eigenaar voor navolgende werkzaamheden van de aannemers of de dienstverrichters facturen ontvangen te hebben waarop de BTW tegen 14 pct. werd aangerekend :
Hij verklaart daarenboven dat hij de sanitaire artikelen (badkuip, wastafels, W.C.'s enz.) en de materialen en toestellen voor de centrale verwarming zelf rechtstreeks heeft gekocht tegen de respectieve prijzen. exclusief BTW, van 30.000 F en 60.000 F. Van deze aankopen worden regelmatige facturen voorgelegd waarop de BTW tegen 18 pct. in rekening is gebracht.
De eigenaar kan bovendien bewijzen dat hij zelf met kosteloze medewerking van zijn vader de centrale verwarming in zijn woning heeft geplaatst.
Wegens dit tekort is er verschuldigd als BTW : 220.000 à 14 pct. = 30.800 F.
Ten aanzien van de centrale verwarming dient geen minimummaatstaf te worden bepaald, aangezien bewezen is dat de eigenaar zelf de plaatsing heeft gedaan. Het bedrag van 60.000 F mag bijgevolg niet worden afgetrokken van het totaal van 1.350.000 F.
Aangezien het tekort van 220.000 F groter is dan 1/8 van 1.100.000 F (l/8 = 137.500 F) is er een geldboete verschuldigd die in principe gelijk is aan 30.800 F.
25. Verkoop door A, die een belastingplichtige is bedoeld in artikel 8, § 2, van het Wetboek, aan B van een huis in oprichting voor de prijs van 500.000 F.
In de verkoopakte wordt aan de grond een verkoopwaarde toegekend van 200.000 F. Voor de voltooiing van het huis sluit B met C een aannemingscontract af voor de prijs van 700.000 F.
Schatting van de ontvanger der registratie in wiens gebied het huis gelegen is.
Verkoopwaarde van de grond : 250.000 F
Totaal van de normale waarde van het onvoltooide gebouw en van de diensten die betrekking hebben op de voltooiing van het gebouw : 1.300.000 F
Wegens deze tekorten is er door B verschuldigd :
als registratierechten
250.000 à 12,5 pct : 31.250 F
er werd betaald 200.000 à 12,5 pct. : 25.000 F
Te betalen : 6.250 F
Naar luid van artikel 201 van het Wetboek der registratierechten verbeurt B een geldboete ten bedrage van 6.250 F,
als belasting over de toegevoegde waarde
1.300.000 à 14 pct. : 182.000 F
Er werden door B facturen voorgelegd voor een bedrag van 1.000.000 F waarover de BTW van 14 pct. in rekening werd gebracht : 140.000 F
Te betalen : 42.000 F
Aangezien de meerwaarde van het totaal van de normale waarden van de werken in onroerende staat en van het onvoltooide gebouw groter is dan 1/8 van 1.000.000 F is B daarenboven nog een geldboete verschuldigd die in beginsel gelijk is aan 42.000 F.
26. Verkoop door A aan B van een onvoltooid gebouw voor de prijs van 500.000 F. Deze verkoop heeft plaats met betaling van het registratierecht.
Voor de voltooiing van het gebouw sluit B met verscheidene aannemers de volgende contracten af :
Ten aanzien van het voltooiingswerk wordt door B de aangifte bedoeld in artikel 64, § 4, van het BTW-wetboek ingediend bij de hoofdcontroleur in wiens ambtsgebied het onroerend goed gelegen is.
Schatting van de ontvanger der registratie in wiens gebied het gebouw gelegen is.
verkoopwaarde onvoltooid gebouw : 600.000 F
verschuldigd als registratierechten: 600.000 à 12,5 pct. : 75.000 F
er werd geheven : 500.000 à 12,5 pct. : 62.500 F
12.500 F
De verkrijger B verbeurt een geldboete ten bedrage van 12.500 F krachtens artikel 201 van het Wetboek der registratierechten .
Schatting van de hoofdcontroleur in wiens gebied het gebouw gelegen is.
Totaal van de normale waarden van het werk in onroerende staat betreffende de voltooiing van het gebouw : 556.000 F
Totaal van de voorgelegde facturen m.b.t. het voltooiingswerk van het gebouw : 430.000 F
tekort: 126.000 F
Wegens dit tekort is B verschuldigd als BTW : 126.000 à 14 pct. : 17.640 F en aangezien dit tekort groter is dan 1/8 van 430.000 F is B daarenboven een geldboete verschuldigd die in principe gelijk is aan 17.640 F.
Afdeling 7. Deskundige schatting.
27. Ingevolge artikel 59, § 2, van het Wetboek, kan de administratie een deskundige schatting vorderen om de normale waarde te bepalen van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een pas opgericht gebouw. Van deze vordering wordt binnen twee jaar na de dag van de betekening van het kadastrale inkomen van het gebouw, kennis gegeven, respectievelijk aan de opdrachtgever van het werk of aan de bij artikel 19, 2, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige, door het hoofd van het controlekantoor in wiens gebied het pas opgerichte gebouw is gelegen (art. 14 en 15 van het kon. besl. nr. 15, van 3 juni 1970) . Deze kennisgeving wordt gedaan door de ontvanger der registratie in wiens gebied het gebouw is gelegen, wanneer de deskundige schatting betrekking heeft op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de BTW werd verkregen (art. 14, § 2, van bovengenoemd koninklijk besluit).
De schattingsprocedure wordt geregeld in de artikelen 14 tot 17 van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970.
28. Ingevolge artikel 59, § 2, van het Wetboek, kan de deskundige schatting ook tegen de administratie worden gevorderd. De procedure daarvan wordt geregeld in de artikelen 18 tot 21 van het koninklijk besluit nr. 15. Op te merken valt dat artikel 18 van dit besluit bepaalt dat de schatting niet meer kan worden gevorderd wanneer de administratie reeds de vordering tot schatting heeft ingeleid.
Afdeling 8. Overgangsmaatregelen.
29. De regeling m.b.t. de minimummaatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat, die toepasselijk was inzake factuurtaks op de werkaannemingscontracten, vertoont enkele verschillen met die welke thans geldt inzake de belasting over de toegevoegde waarde, onder meer m.b.t. de rechtstreekse aankopen van materialen door de eigenaar, de termijn van indiening van de aangifte en de termijn binnen welke de deskundige schatting kan worden gevorderd.
30. Voor het gedeelte van het werk dat uitgevoerd is voor 1 januari 1971 geldt de regeling die van kracht was op het stuk van de factuurtaks op de werkaannemingscontracten. De waarde van de materialen die de eigenaar zelf heeft gekocht om ze ter beschikking te stellen van een aannemer, die ze heeft verwerkt voor 1 januari 1971, mag niet van de door de hoofdcontroleur geraamde bouwwaarde worden afgetrokken. Dit feit wettigt integendeel normaal een navordering van de verhoogde factuurtaks van 8 pct. over de waarde van die materialen.
31. Voor het gedeelte van het werk dat uitgevoerd is vanaf 1 januari 1971 is de BTW-regeling toepasselijk. De waarde van de materialen die de eigenaar zelf rechtstreeks heeft gekocht, zonder onderscheid of die materialen werden gekocht onder het stelsel van de met het zegel gelijkgestelde taksen dan wel onder het thans vigerende stelsel van de BTW, wordt voor het bepalen van de minimummaatstaf afgetrokken van de normale waarde van het werk in onroerende staat (z. nrs. 16 en 17) .
32. Om de controle op de juiste heffing van de factuurtaks mogelijk te maken heeft het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen aan iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw de verplichting opgelegd een aangifte in te dienen. Deze aangifte moest worden ingediend binnen drie maand vanaf de eerste ingebruikneming van het nieuw gebouwd onroerend goed (Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, art. 62, § 3). Voor de toepassing van de BTW moet een gelijkaardige aangifte worden ingediend binnen drie maand vanaf de betekening van het kadastrale inkomen (z. nr. 18).
Wanneer een gebouw gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na 1 januari 1971 is opgericht, neemt de administratie echter genoegen met een enige aangifte, die moet worden ingediend binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, waarin zowel de met factuurtaks als de met BTW belaste facturen gedetailleerd worden opgenomen (z. Vraag nr. 11 van Senator Verbist d.d. 2 februari 1972. Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1971-1972, nr. 1, blz. 51, BTW-revue, nr. 7. mei 1972, blz. 258).
33. Voor de toepassing van de factuurtaks op de werkaannemingscontracten moest de deskundige schatting tot vaststelling van de bouwwaarde van een nieuw opgericht gebouw worden ingeleid bij een vordering die door de hoofdcontroleur van de overdrachttaks aan de eigenaar wordt genotificeerd binnen de termijn van twee jaar na de dag van de eerste ingebruikneming (Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen, art. 1295, § 1).
Voor de toepassing van de BTW moet de kennisgeving van de vordering tot schatting geschieden binnen twee jaar na de dag van de betekening van het kadastrale inkomen van het gebouw waarop de te schatten diensten betrekking hebben (z. nr. 27).
Dit verschil tussen de termijnen heeft tot gevolg dat de deskundige schatting m.b.t. het gedeelte van het gebouw dat op gericht werd voor 1 januari 1971 maar kan gevorderd worden binnen de termijn van twee jaar na de eerste ingebruikneming. Wanneer bijgevolg een eigenaar materialen gekocht heeft voor 1 januari ]971 en deze voor die datum ter beschikking heeft gesteld van een aannemer die ze voor die datum heeft verwerkt, kan de navordering van de verhoogde factuurtaks van 8 pct. (z. nr. 31) maar worden ingesteld binnen de termijn van twee jaar na de dag van de eerste ingebruikneming.
34. Ten aanzien van werk in onroerende staat dat door een belastingplichtige voor eigen behoeften wordt verricht en dat, ingevolge artikel 19, 2, van het Wetboek, met een belastbare dienst wordt gelijkgesteld (z. nr. 5, dient bovengenoemde aangifte uiteraard alleen de opgave te bevatten van de stukken (z. nr. 19, vierde lid) die betrekking hebben op werk in onroerende staat dat, m.b.t. de oprichting van een gebouw, werd verricht vanaf 1 januari 1971.
Aanschrijving nr. 16 dd. 28.06.1973
Maatstaf van heffing
Werk in onroerende staat
Onroerend goed
Gebouw
Op te richten gebouw
Onroerend
Minimummaatstaf van heffing
Normale waarde
Heffing
Bouwwaarde
Schatting
Aangifte
Deskundige schatting
Schattingsprocedure
Aannemingswerk
Verkoopwaarde
Onderwerp.
1. Deze aanschrijving heeft tot doel de voorschriften toe te lichten die met het oog op de juiste heffing van de BTW worden opgelegd ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen. Zij handelt dus niet over leveringen van nieuwe gebouwen bedoeld in de artikelen 8, 9, § 3, 12, § 2, en 36, § 1, a, van het BTW-wetboek. Deze bepalingen werden toegelicht in aanschrijving nr. 76/1970.
Eerste afdeling - Minimummaatstaf van heffing.
Beginselen.
2. Ingevolge artikel 36. § 1, b, van het Wetboek, mag de maatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde van dat werk. Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken (Wetboek, art. 36, § 2, eerste lid).
3. Wanneer werk in onroerende staat betrekking heeft op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de BTW werd verkregen, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan de gezamenlijke normale waarde van het vervreemde, onvoltooide gebouw en van het uitgevoerde voltooiingswerk (Wetboek, art. 36, § 2, tweede lid; z. nrs. 43 en 44 van aanschr. 76/1970).
4. Wanneer voltooiingswerk betrekking heeft op een gebouw dat niet met betaling van de BTW werd verkregen (normaal dan met betaling van het registratierecht of het successierecht), geldt de onder nr. 2 genoemde minimummaatstaf van heffing ook voor dat voltooiingswerk, voor zover dit werk uiteraard betrekking heeft op een op te richten gebouw. De bepalingen vermeld in nr. 2 slaan immers op alle werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen. Doch de regel vermeld in nr. 3 is ter zake niet van toepassing.
Werk voor eigen behoeften.
5. Ingevolge artikel 19, 2. van het Wetboek wordt de uitvoering door een belastingplichtige, handelend voor eigen behoeften, van een werk in onroerende staat, met een aan de BTW onderworpen dienst gelijkgesteld tenzij het werk betrekking heeft op onderhouds- en herstellingswerk of wanneer het bestaat in de oprichting van een gebouw door een belastingplichtige die geregeld gebouwen opricht of laat oprichten met het oog op de verkoop, als bedoeld in artikel 8, § 1, van het Wetboek. De maatstaf van heffing is ook in dit geval de normale waarde van het werk (Wetboek, art. 33). De regeling van genoemd artikel 19, 2, van het Wetboek wordt toegelicht in aanschrijving n r. 118 / 1972 (1)
(1) (Z. Revue nr. 11, blz. 143.).
Wanneer een werk bedoeld in artikel 19, 2, van het Wetboek, betrekking heeft op een op te richten gebouw, wordt het mede in deze aanschrijving beoogd.
Werk in onroerende staat m.b.t. op te richten gebouwen.
6. De normale waarde geldt als minimummaatstaf van heffing voor werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen. Achtereenvolgens zal worden onderzocht wat verstaan moet worden onder "werk in onroerende staat" "gebouwen" en "op te richten gebouwen".
A. Werk in onroerende staat.
7. Onder hier bedoeld werk in onroerende staat wordt verstaan al de handelingen die opgesomd zijn in de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tabel B, rubriek IX, nrs. 2 tot 7. Tot werk in onroerende staat wordt dus niet gerekend, onder meer, het studiewerk en het toezicht verricht door architecten, landmeters en ingenieurs, bedoeld in datzelfde besluit, bijlage. tabel B, rubriek V.
B. Gebouwen.
8. Onder gebouw wordt hier verstaan elk onroerend goed dat als een gebouw wordt aangemerkt door de wetten en besluiten ter zake van het kadaster, met andere woorden elk onroerend goed waaraan normaal als gebouw een kadastraal inkomen wordt toegekend.
Als gebouw worden bijgevolg niet aangemerkt :
1° hoogovens, kalkovens, ketels voor elektrische centrales en, meer algemeen, machines, zelfs al zijn ze onroerend uit hun aard omdat ze blijvend met de grond of een gebouw verbonden zijn :
2° gashouders, watertorens, vergaarbakken, tanks en silo's.
C. Op te richten gebouwen.
Beginsel.
9. Het werk in onroerende staat moet niet alleen betrekking hebben op een gebouw, doch ook op een op te richten gebouw.
Een werk heeft betrekking op een op te richten gebouw wanneer dat werk tot voorwerp heeft :
1° werk in onroerende staat verricht als voorbereiding voor de oprichting van een gebouw; bedoeld wordt hier het werk dat voor de aanvang van de eigenlijke bouw en rechtstreeks ten behoeve ervan wordt verricht, zoals onder meer : het grondwerk, het inslaan van heipalen, het gieten van funderingen, enz.; als voorbereiding wordt daarentegen niet aangemerkt, het werk dat wordt verricht om een terrein bouwrijp te maken, zoals onder meer groot nivelleringswerk dat zich uitstrekt over verscheidene bouwterreinen, aanleg van openbare wegen, riolering in een nieuwe verkaveling, de afbraak van gebouwen, enz.;
2° de oprichting, geheel of gedeeltelijk, van een nieuw gebouw;
3° de voltooiing van een nieuw gebouw.
Nieuw gebouw.
10. Voor de toepassing van de hier bedoelde minimummaatstaf van heffing gaat het om de oprichting van een nieuw gebouw in de navolgende gevallen :
1° oprichting van een gebouw waaraan normaal een kadastraal inkomen als gebouw wordt toegekend (z. nr. 8);
2° oprichting van een gebouw na afbraak van een ander gebouw of welk onroerend goed ook;
3° verandering aan een bestaand gebouw welke van die aard is dat de structuur en de bestemming van het vroegere gebouw worden gewijzigd; zo wordt de volledige verbouwing van een oud herenhuis tot een modern flatgebouw als oprichting van een nieuw gebouw aangemerkt; de minimummaatstaf van heffing is daarentegen niet toepasselijk op eenvoudig verbeteringswerk dat de structuur en de bestemming van een gebouw niet wijzigt;
4° oprichting bij een bestaand gebouw van daaraan al of niet palende bijgebouwen, die een eigen functie hebben; als oprichting van een nieuw gebouw worden dus onder meer aangemerkt de oprichting bij een bestaand gebouw van : een garage, bergplaats, schuur, stal, washuis, enz.; als oprichting van een nieuw gebouw worden daarentegen niet aangemerkt, onder meer : de vergroting van een woonkamer, het bouwen van een veranda door overdekking van een bestaand terras, enz.; overigens is het zonder belang dat de bijgebouwen al of niet een van het hoofdgebouw gescheiden kadastraal inkomen hebben; vereist is evenwel dat de oprichting van een bijgebouw ten minste aanleiding geeft tot herziening van het oorspronkelijke kadastrale inkomen;
5° oprichting op een bestaand gebouw van een nieuwe verdieping; zoals voor het geval onder 4" is het overigens zonder belang dat de nieuwe verdieping al of niet een eigen kadastraal inkomen heeft maar is er ten minste vereist dat er een herziening plaats heeft van het kadastrale inkomen.
Voltooiingswerk.
11. Voltooiingswerk wordt aangemerkt als betrekking te hebben op een op te richten gebouw, wanneer het werk materieel wordt verricht voor de datum van betekening van het kadastrale inkomen van het gebouw.
De normale waarde van werk in onroerende staat m.b.t. een op te richten gebouw wordt immers bepaald rekening houdend met de staat van het uitgevoerde werk op het tijdstip van betekening van het kadastrale inkomen (z. nr. 14).
Wanneer bijgevolg aan een gebouw voltooiingswerk wordt verricht na de betekening van het kadastrale inkomen van dat gebouw, is de minimummaatstaf van heffing op dat voltooiingswerk niet toepasselijk.
Afdeling 2. Normale waarde.
Begripsomschrijving. Bouwwaarde.
12. Overeenkomstig artikel 32 van het Wetboek wordt verstaan onder normale waarde ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen, de prijs die hier te lande voor het werk of voor de gezamenlijke werkzaamheden kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen. De hier bedoelde normale waarde berust op de gemiddelde prijzen die in een bepaalde streek voor een zelfde type van gebouw algemeen worden toegepast (z. Verslag namens de Verenigde commissies van de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat, uitgebracht door Senator Maes, Parl. besch., zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 137). Deze waarde wordt ook bouwwaarde genoemd.
Verscheidene aannemingscontracten.
13. Wanneer voor de oprichting van een gebouw verscheidene aannemingscontracten worden gesloten, moet rekening gehouden worden met de normale waarde van elk der uitgevoerde aannemingen, afzonderlijk beschouwd, en mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan het totaal van die normale waarden (z. nr. 2).
Deze regel komt hierop neer dat wanneer voor sommige contracten de overeenkomstig de artikelen 26 tot 28 van het BTW-wetboek berekende maatstaf van heffing hoger is dan de normale waarde van het werk, het gedeelte van de maatstaf van heffing dat de normale waarde overschrijdt verrekend wordt met een eventueel te weinig belaste maatstaf m.b.t. andere aannemingscontracten. Om een bijkomend bedrag aan belasting te kunnen vorderen, moet de administratie bijgevolg aantonen dat het totaal van de normale waarden van elk werk in onroerende staat, afzonderlijk beschouwd, hoger is dan het totaal van de belaste waarden; over het verschil tussen die twee totalen is de aanvullende belasting verschuldigd.
Voor werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de voltooiing van een gebouw dat al of niet met betaling van de BTW werd verkregen moet die regel worden toegepast met inachtneming van het bepaalde in de nrs. 3 en 4 hiervoor.
Tijdstip van de schatting.
14. De normale waarde wordt bepaald rekening houdend met de op het werk toepasselijke normale prijzen die gelden op 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik werd genomen (art. 16 van het kon. besl. nr. 15, van 3 juni 1970).
Bovendien wordt de normale waarde bepaald rekening houdend met de staat van het gebouw op het tijdstip van betekening van het kadastrale inkomen. Deze regel vloeit voort uit de economie van artikel 64, § 4, van het Wetboek en artikel 15, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970.
Afdeling 3. Wettelijk vermoeden.
Wettelijke bepaling.
15. In het Wetboek werd door artikel 64, § 4, een vermoeden ingevoerd, waarbij ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat, behalve indien bewezen wordt dat het werd vervreemd in de omstandigheden bepaald in artikel 9, § 3, van het Wetboek.
Draagwijdte.
16. Dit vermoeden heeft tot gevolg dat er in principe ten aanzien van ieder pas opgericht gebouw facturen moeten bestaan tot beloop van de normale waarde van de dienstverrichtingen.
Het gaat hier echter om een vermoeden juris tantum, zodat de eigenaar van het gebouw steeds kan bewijzen dat er in een bepaalde mate geen dienstverrichtingen m.b.t. een werk in onroerende staat is geweest of dat een dienstverrichting alleen bestond in het verrichten van werk zonder levering van materialen (z. Vraag nr. 143 van Senator Jorissen d.d. 10 juni 1970, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1969-1970, nr. 38, blz. 1682; BTW-Revue, nr. 1, maart 1971, blz. 114).
Tegenbewijs.
17. Het bewijs dat er in een bepaalde mate werk in onroerende staat werd verricht anders dan ter uitvoering van een belastbare handeling, kan door de eigenaar worden geleverd door alle bewijsmiddelen van gemeen recht, door aan te tonen, dat hij in die mate zelf of met de kosteloze medewerking van anderen het werk heeft verricht, of dat in die mate het werk werd verricht door een niet-belastingplichtige.
In de mate waarin dat tegenbewijs is geleverd of wanneer wordt aangetoond dat materialen rechtstreeks door de eigenaar werden gekocht en dus niet in een dienstverrichting begrepen waren, wordt, naargelang van het geval, de waarde van het bedoelde werk en van de materialen die hierbij werden gebruikt, of alleen de waarde van de materialen, van de normale waarde afgetrokken .
Tegenbewijs m.b.t. werk voor eigen behoeften.
18. Op te merken valt dat de in artikel 19, 2, van het Wetboek bedoelde gelijkstelling met een belastbare dienst (z. nr. 5) tot gevolg heeft dat de belastingplichtige in de onmogelijkheid wordt gesteld het in nr. 17 bedoelde tegenbewijs te leveren (z. Vraag nr. 53 van Senator Verbist d.d. 28 maart ]972, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1971-1972, nr. 10, blz. 441; BTW-Revue, nr. 8, juli 1972, blz. 397).
Afdeling 4. Verplichtingen opgelegd aan de eigenaar van een nieuw gebouw.
Indiening van een aangifte.
19. Binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, moet de eigenaar bij de administratie een aangifte indienen die een nauwkeurige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de BTW in rekening werd gebracht (Wetboek, art. 64, § 4, laatste lid). De in deze bepaling bedoelde eigenaar is degene aan wie de dienst m.b.t. het werk in onroerende staat werd verleend en aan wie het kadastrale inkomen wordt betekend. Wanneer bijgevolg het gebouw voor de betekening van het kadastrale inkomen vervreemd wordt, is de vervreemder niet gehouden tot het naleven van die verplichting, ongeacht of die vervreemding al dan niet plaats heeft met betaling van de BTW, indien het kadastrale inkomen wordt betekend aan de nieuwe eigenaar.
In geval de vervreemding betrekking heeft op een eigendom in aanbouw is dus slechts de verkrijger tot het nakomen van de genoemde verplichting gehouden, en wel in de mate waarin hij het gebouw verder afwerkt.
Deze aangifte moet worden ingediend bij het controlekantoor van de BTW in wiens gebied het pas opgerichte gebouw is gelegen (min. besl. nr. 11, van 3 november 1972).
De bedoelde aangifte moet de administratie de mogelijkheid bieden het bedrag te bepalen waarover de BTW in de relatie van de eigenaar tot elk van de dienstverrichters berekend werd. In die aangifte kan de eigenaar die niet onder de toepassing van het aangehaalde artikel 19, 2, valt, melding maken van het werk dat hij zelf heeft verricht, van werk dat met kosteloze medewerking van anderen of door een niet-belastingplichtige werd uitgevoerd en bovendien van de facturen met betrekking tot rechtstreeks door hem gedane aankopen van materialen die in het gebouw verwerkt zijn.
20. Om het tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat een gebouw dat hij heeft opgericht aan hem werd geleverd ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen waarvoor hij facturen zou moeten kunnen voorleggen (z. nrs. 15 en 19), dient de bij artikel 19, 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtige eveneens de onder nr. 19 bedoelde aangifte in, en doet daarin opgave van de stukken die hij, ingevolge artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 1. van 23 juli 1969, heeft moeten opmaken m.b.t. het werk in onroerende staat dat hij voor zich zelf verricht.
Bewaring van documenten.
21. Bovendien is de in nr. 19 bedoelde eigenaar verplicht de plans en bestekken van het pas opgerichte gebouw alsmede de facturen betreffende de bouw ervan, te bewaren gedurende vijf jaar vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, en ze ter inzage voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de heffing van de BTW (Wetboek, art. 64, § 4).
Afdeling 5. Sancties.
22. Elke overtreding van de in nrs. 19 en 21 genoemde voorschriften wordt gestraft met een geldboete van 1.000 F tot 10.000 F (Wetboek, art. 70, § 4). Daarenboven wordt de belasting, behoudens tegenbewijs, geacht niet te zijn voldaan voor de dienstverrichtingen waarvoor geen facturen worden voorgelegd (Wetboek, art. 64, § 4).
23. Wanneer vastgesteld wordt dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verbeurt de schuldenaar van de aanvullende belasting een geldboete ten bedrage van die belasting indien het tekort gelijk is aan of groter dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan (Wetboek, art. 70, § 5) .
Voor de berekening van het tekort dient de normale waarde van het werk waarvoor de minimummaatstaf wordt bepaald, in voorkomend geval te worden verminderd met de waarde van het eigen werk, van het door derden kosteloos verrichte werk, van het werk verricht door niet-belastingplichtigen, en van de rechtstreeks door de opdrachtgever gekochte materialen. Het bekomen resultaat wordt vergeleken met de maatstaven waarover de belasting werd voldaan. Wanneer het tekort gelijk is aan of groter dan het achtste van deze maatstaven is er een geldboete verschuldigd.
Afdeling 6. Voorbeelden.
24. Gesteld een woning waarvan de bouw werd opgedragen aan verscheidene aannemers.
In de aangifte voorgeschreven door art. 64, § 4, van het Wetboek verklaart de eigenaar voor navolgende werkzaamheden van de aannemers of de dienstverrichters facturen ontvangen te hebben waarop de BTW tegen 14 pct. werd aangerekend :
- ruwbouw 700.000 F
- bepleistering 50.000 F
- schrijnwerk 150.000 F
- sanitair 10.000 F
- elektriciteit 30.000 F
- vloerbedekking 90.000 F
- glaswerk 10.000 F
- ander werk 60.000 F
Hij verklaart daarenboven dat hij de sanitaire artikelen (badkuip, wastafels, W.C.'s enz.) en de materialen en toestellen voor de centrale verwarming zelf rechtstreeks heeft gekocht tegen de respectieve prijzen. exclusief BTW, van 30.000 F en 60.000 F. Van deze aankopen worden regelmatige facturen voorgelegd waarop de BTW tegen 18 pct. in rekening is gebracht.
De eigenaar kan bovendien bewijzen dat hij zelf met kosteloze medewerking van zijn vader de centrale verwarming in zijn woning heeft geplaatst.
| Schatting van de hoofdcontroleur. | |
| Totaal van de normale waarden van de werken in onroerende staat, centrale verwarming uitgezonderd : | 1.350.000 F |
| Totaal van de voorgelegde facturen m.b.t. werk in onroerende staat : | 1.100.000 F |
| Totaal van de aankoopfacturen van bouwmaterialen met uitsluiting van deze van de centrale verwarming : | 30.000 F |
| ------------------ | |
| 1.130.000 F | |
| tekort 220.000 F |
Ten aanzien van de centrale verwarming dient geen minimummaatstaf te worden bepaald, aangezien bewezen is dat de eigenaar zelf de plaatsing heeft gedaan. Het bedrag van 60.000 F mag bijgevolg niet worden afgetrokken van het totaal van 1.350.000 F.
Aangezien het tekort van 220.000 F groter is dan 1/8 van 1.100.000 F (l/8 = 137.500 F) is er een geldboete verschuldigd die in principe gelijk is aan 30.800 F.
25. Verkoop door A, die een belastingplichtige is bedoeld in artikel 8, § 2, van het Wetboek, aan B van een huis in oprichting voor de prijs van 500.000 F.
In de verkoopakte wordt aan de grond een verkoopwaarde toegekend van 200.000 F. Voor de voltooiing van het huis sluit B met C een aannemingscontract af voor de prijs van 700.000 F.
Schatting van de ontvanger der registratie in wiens gebied het huis gelegen is.
Verkoopwaarde van de grond : 250.000 F
Totaal van de normale waarde van het onvoltooide gebouw en van de diensten die betrekking hebben op de voltooiing van het gebouw : 1.300.000 F
Wegens deze tekorten is er door B verschuldigd :
als registratierechten
250.000 à 12,5 pct : 31.250 F
er werd betaald 200.000 à 12,5 pct. : 25.000 F
Te betalen : 6.250 F
Naar luid van artikel 201 van het Wetboek der registratierechten verbeurt B een geldboete ten bedrage van 6.250 F,
als belasting over de toegevoegde waarde
1.300.000 à 14 pct. : 182.000 F
Er werden door B facturen voorgelegd voor een bedrag van 1.000.000 F waarover de BTW van 14 pct. in rekening werd gebracht : 140.000 F
Te betalen : 42.000 F
Aangezien de meerwaarde van het totaal van de normale waarden van de werken in onroerende staat en van het onvoltooide gebouw groter is dan 1/8 van 1.000.000 F is B daarenboven nog een geldboete verschuldigd die in beginsel gelijk is aan 42.000 F.
26. Verkoop door A aan B van een onvoltooid gebouw voor de prijs van 500.000 F. Deze verkoop heeft plaats met betaling van het registratierecht.
Voor de voltooiing van het gebouw sluit B met verscheidene aannemers de volgende contracten af :
- bepleisteringswerk: 100.000 F
- schrijnwerk: 100.000 F
- elektriciteit: 20.000 F
- sanitair: 30.000 F
- glaswerk: 10.000 F
- vloerbedekking: 90.000 F
- centrale verwarming: 80.000 F
- totaal: 430.000 F
Ten aanzien van het voltooiingswerk wordt door B de aangifte bedoeld in artikel 64, § 4, van het BTW-wetboek ingediend bij de hoofdcontroleur in wiens ambtsgebied het onroerend goed gelegen is.
Schatting van de ontvanger der registratie in wiens gebied het gebouw gelegen is.
verkoopwaarde onvoltooid gebouw : 600.000 F
verschuldigd als registratierechten: 600.000 à 12,5 pct. : 75.000 F
er werd geheven : 500.000 à 12,5 pct. : 62.500 F
12.500 F
De verkrijger B verbeurt een geldboete ten bedrage van 12.500 F krachtens artikel 201 van het Wetboek der registratierechten .
Schatting van de hoofdcontroleur in wiens gebied het gebouw gelegen is.
Totaal van de normale waarden van het werk in onroerende staat betreffende de voltooiing van het gebouw : 556.000 F
Totaal van de voorgelegde facturen m.b.t. het voltooiingswerk van het gebouw : 430.000 F
tekort: 126.000 F
Wegens dit tekort is B verschuldigd als BTW : 126.000 à 14 pct. : 17.640 F en aangezien dit tekort groter is dan 1/8 van 430.000 F is B daarenboven een geldboete verschuldigd die in principe gelijk is aan 17.640 F.
Afdeling 7. Deskundige schatting.
27. Ingevolge artikel 59, § 2, van het Wetboek, kan de administratie een deskundige schatting vorderen om de normale waarde te bepalen van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een pas opgericht gebouw. Van deze vordering wordt binnen twee jaar na de dag van de betekening van het kadastrale inkomen van het gebouw, kennis gegeven, respectievelijk aan de opdrachtgever van het werk of aan de bij artikel 19, 2, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige, door het hoofd van het controlekantoor in wiens gebied het pas opgerichte gebouw is gelegen (art. 14 en 15 van het kon. besl. nr. 15, van 3 juni 1970) . Deze kennisgeving wordt gedaan door de ontvanger der registratie in wiens gebied het gebouw is gelegen, wanneer de deskundige schatting betrekking heeft op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de BTW werd verkregen (art. 14, § 2, van bovengenoemd koninklijk besluit).
De schattingsprocedure wordt geregeld in de artikelen 14 tot 17 van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970.
28. Ingevolge artikel 59, § 2, van het Wetboek, kan de deskundige schatting ook tegen de administratie worden gevorderd. De procedure daarvan wordt geregeld in de artikelen 18 tot 21 van het koninklijk besluit nr. 15. Op te merken valt dat artikel 18 van dit besluit bepaalt dat de schatting niet meer kan worden gevorderd wanneer de administratie reeds de vordering tot schatting heeft ingeleid.
Afdeling 8. Overgangsmaatregelen.
29. De regeling m.b.t. de minimummaatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat, die toepasselijk was inzake factuurtaks op de werkaannemingscontracten, vertoont enkele verschillen met die welke thans geldt inzake de belasting over de toegevoegde waarde, onder meer m.b.t. de rechtstreekse aankopen van materialen door de eigenaar, de termijn van indiening van de aangifte en de termijn binnen welke de deskundige schatting kan worden gevorderd.
30. Voor het gedeelte van het werk dat uitgevoerd is voor 1 januari 1971 geldt de regeling die van kracht was op het stuk van de factuurtaks op de werkaannemingscontracten. De waarde van de materialen die de eigenaar zelf heeft gekocht om ze ter beschikking te stellen van een aannemer, die ze heeft verwerkt voor 1 januari 1971, mag niet van de door de hoofdcontroleur geraamde bouwwaarde worden afgetrokken. Dit feit wettigt integendeel normaal een navordering van de verhoogde factuurtaks van 8 pct. over de waarde van die materialen.
31. Voor het gedeelte van het werk dat uitgevoerd is vanaf 1 januari 1971 is de BTW-regeling toepasselijk. De waarde van de materialen die de eigenaar zelf rechtstreeks heeft gekocht, zonder onderscheid of die materialen werden gekocht onder het stelsel van de met het zegel gelijkgestelde taksen dan wel onder het thans vigerende stelsel van de BTW, wordt voor het bepalen van de minimummaatstaf afgetrokken van de normale waarde van het werk in onroerende staat (z. nrs. 16 en 17) .
32. Om de controle op de juiste heffing van de factuurtaks mogelijk te maken heeft het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen aan iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw de verplichting opgelegd een aangifte in te dienen. Deze aangifte moest worden ingediend binnen drie maand vanaf de eerste ingebruikneming van het nieuw gebouwd onroerend goed (Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, art. 62, § 3). Voor de toepassing van de BTW moet een gelijkaardige aangifte worden ingediend binnen drie maand vanaf de betekening van het kadastrale inkomen (z. nr. 18).
Wanneer een gebouw gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na 1 januari 1971 is opgericht, neemt de administratie echter genoegen met een enige aangifte, die moet worden ingediend binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, waarin zowel de met factuurtaks als de met BTW belaste facturen gedetailleerd worden opgenomen (z. Vraag nr. 11 van Senator Verbist d.d. 2 februari 1972. Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1971-1972, nr. 1, blz. 51, BTW-revue, nr. 7. mei 1972, blz. 258).
33. Voor de toepassing van de factuurtaks op de werkaannemingscontracten moest de deskundige schatting tot vaststelling van de bouwwaarde van een nieuw opgericht gebouw worden ingeleid bij een vordering die door de hoofdcontroleur van de overdrachttaks aan de eigenaar wordt genotificeerd binnen de termijn van twee jaar na de dag van de eerste ingebruikneming (Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen, art. 1295, § 1).
Voor de toepassing van de BTW moet de kennisgeving van de vordering tot schatting geschieden binnen twee jaar na de dag van de betekening van het kadastrale inkomen van het gebouw waarop de te schatten diensten betrekking hebben (z. nr. 27).
Dit verschil tussen de termijnen heeft tot gevolg dat de deskundige schatting m.b.t. het gedeelte van het gebouw dat op gericht werd voor 1 januari 1971 maar kan gevorderd worden binnen de termijn van twee jaar na de eerste ingebruikneming. Wanneer bijgevolg een eigenaar materialen gekocht heeft voor 1 januari ]971 en deze voor die datum ter beschikking heeft gesteld van een aannemer die ze voor die datum heeft verwerkt, kan de navordering van de verhoogde factuurtaks van 8 pct. (z. nr. 31) maar worden ingesteld binnen de termijn van twee jaar na de dag van de eerste ingebruikneming.
34. Ten aanzien van werk in onroerende staat dat door een belastingplichtige voor eigen behoeften wordt verricht en dat, ingevolge artikel 19, 2, van het Wetboek, met een belastbare dienst wordt gelijkgesteld (z. nr. 5, dient bovengenoemde aangifte uiteraard alleen de opgave te bevatten van de stukken (z. nr. 19, vierde lid) die betrekking hebben op werk in onroerende staat dat, m.b.t. de oprichting van een gebouw, werd verricht vanaf 1 januari 1971.
Bron: FisconetPlus
