Japan - Circulaire Circ.967 dd. 15.03.1973
Bulletin nr. 506, p. 642-662
Dubbelbelastingverdragen. - Japan.
Onderrichtingen betreffende de toepassing van de Belgisch-Japanse overeenkomst van 28 maart 1968 tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en van het desbetreffende protocol.
Circ. 967 van 15 maart 1973.
I. - Algemene beschouwingen.
A. Belangrijke data.
Ondertekening van de overeenkomst: 28 maart 1968.
Goedkeuring : wet van 9 maart 1970.
Publicatie : Belgisch Staatsblad van 8 april 1970.
Uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden : 17 maart 1970.
Inwerkingtreding : 16 april 1970.
Toepassing :
a) in België :
- op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die met ingang van 1 januari 1970 zijn toegekend of betaalbaar gesteld ;
- op de andere belastingen geheven van inkomsten van belastbare tijdperken die met ingang van 31 december 1970 eindigen ;
b) in Japan: op inkomsten verkregen tijdens belastingjaren beginnende op of na 1 januari 1970.
B. Algemene kenmerken van de overeenkomst.
De Belgisch-Japanse overeenkomst beoogt in de eerste plaats de voorkoming van dubbele belastingheffing en voorziet tevens in wederzijdse administratieve bijstand voor de vestiging maar niet voor de invordering -van de inkomstenbelastingen (art. 26).
Zij vertoont in het algemeen een merkelijke gelijkenis met het modelverdrag van de OESO en benadert in haar geheel de door België, sedert de publicatie van dat modelverdrag, gesloten overeenkomsten.
Tal van bepalingen van de nieuwe overeenkomst vergen derhalve geen bijzondere toelichting. De hierna volgende onderrichtingen bevatten een speciale commentaar van sommige bepalingen van de overeenkomst en hernemen de richtlijnen van onmiddellijk belang die in de gestencilde circ. van 22.4.1970, nr. Ci.R.9 Jap/252.905, werden verstrekt.
II. - Synoptische tabellen die op bondige wijze de regeling aangeven die in België van toepassing is op de verschillende categorieën van inkomsten
Inleidende opmerkingen.
1. Inkomsten van Belgische oorsprong die in België vrijgesteld zijn van belastingen, komen in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de B.N.V./nat. pers., zo de genieter van de inkomsten zich in de bij de art. 148, 149 en 151, W.I.B., bedoelde voorwaarden bevindt.
2. Evenzo komen de in België vrijgestelde inkomsten van Japanse oorsprong in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de P.B. die van toepassing is op de andere inkomsten van de genieters die verblijfhouders van België zijn in de zin van de Belgische wetgeving (art. 23, § 2 (b) (i) en § 3, ov.).
3. De inkomsten van Japanse oorsprong die bij overeenkomst van Japanse belastingen zijn vrijgesteld en in België aan de P.B. of aan de Ven.B. onderworpen zijn moeten deze belastingen tegen het volle tarief volgens het interne recht ondergaan.
REGELING IN BELGIE VAN TOEPASSING
Op Belgische inkomsten van verblijfhouders van Japan | Op Japanse inkomsten van verblijfhouders van België |
A. Inkomsten van onroerende goederen (meerwaarden inbegrepen). | |
O.V. en eventueel B.N.V. volgens het gemeen recht; geen A.O.V. (art. 6 en art. 23, § 1 -cf. deel III, nr. 4). | Vrijstelling (art. 6 en art. 23, § 2 (b) (i). |
B. Roerende inkomsten | |
|
1. Dividenden (1) ---------- (1) Dit woord omvat ook de inkomsten – interest inbegrepen – die belastbaar zijn als inkomsten uit kapitalen belegd door vennoten in personenvennootschappen die verblijfhouden zijn van België (Prot., nr. 2) | |
R.V. beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag indien de deelneming die de dividenden oplevert niet wezenlijk is verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter: gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 10, § § 2 en 4 - cf. Deel III, nrs. 9 en 10). |
- Gemeen recht, behalve facultatieve vrijstelling van R.V. voor Japanse dividenden verkregen door Belgische vennootschappen (art. 23, § 2 (a) (i) en (ii) - cf. Deel 111, nrs. 36 tot 8S). - Vrijstelling indien de deelneming die de dividenden oplevert wezenlijk verbonden is met een Japanse vaste inrichting van de genieter (art. 10, § 4 en art. 23, § 2 (b) (i). |
2. Interest | |
|
a) normaal bedrag van de interest: R.V. beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag indien de schuldvordering die de interest oplevert niet wezenlijk is ver bonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 11, §§2, 4 en 6 – cf. Deel III, nrs 11 en 12). b) Bovenmatig deel van interest: gemeen recht (cf. Deel III, nr. 16). |
- Over 't algemeen, gemeen recht (art. 23, § 2 (a) (il). - Vrijstelling indien de schuldvordering die de interest oplevert wezenlijk verbonden is met een Japanse vaste inrichting van de genieter (art. 11, § 4 en art. 23, § 2 (b) (i). |
3. Royalty's (auteursrechten inbegrepen) | |
|
a) Normaal bedrag van de royalty's : Belasting (namelijk R.V.) beperkt tot 10 pct. van het brutobedrag indien het recht of het goed dat de royalty's oplevert niet wezenlijk verbonden is met een Belgische vaste inrichting van de genieter; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 12, §§ 2, 4 en 6 – cf. Deel III, nrs. 13 tot 15) b) Bovenmatig deel van de royalty's : gemeen recht (cf. Deel III, nr. 16) |
- over 't algemeen gemeen recht (art. 23, § 2 a) (i) - vrijstelling indien het recht of het goed dat de royalty's oplevert wezenlijk verbonden is met een Japanse vaste inrichting van de genieter (art. 12, § 4 en art. 23, § 2 (b) (i). |
C. Bedrijfsinkomen | |
1. Winsten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer (met inbegrip van meerwaarden uit de vervreemding van die schepen of luchtvaartuigen) en van roerende goederen die voor de exploitatie daarvan worden gebezigd. | |
Vrijstelling wanneer de ondernemer een verblijfhouder van Japan is (art. 8 en 13, § 2). | Belasting tegen het volle tarief wanneer de ondernemer een verblijfhouder van België is (art. 8 en 13, § 2). |
2. Handels- en nijverheidswinsten (met inbegrip van meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen) en inkomsten toegekend aan vennoten van personenvennootschappen die geen inkomsten uit belegde kapitalen zijn. | |
Belastbaar in de mate dat zij aan een Belgische vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1, art. 13, § 2 en art. 23, § 2 (b) (i) | Vrijstelling van de inkomsten die aan een Japanse vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1, art. 13, § 2 en art. 23, § 2 (b) (i) |
3. Openbare bezoldigingen en pensioenen. | |
|
a) Beloningen en pensioenen door de Belgische Staat of een zijn plaatselijke gemeenschappen aan een Belgische onderdaan betaald ter zake van diensten bewezen buiten het kader van een op winst gericht bedrijf: geen recht (art. 19). b) Ander gevallen: cf. nrs. 4 of 5 hierna. |
a) Beloningen en pensioenen door de Japanse Staat of een zijn plaatselijke gemeenschappen aan een Japanse onderdaan betaald ter zake van diensten bewezen buiten het kader van een op winst gericht bedrijf: vrijstelling (art. 19). b) Andere gevallen: cf. nrs. 4 of 5 hierna. |
4. Andere bezoldigingen | |
a) Voor een in België uitgeoefende werkzaamheid, buiten de hierna vermelde gevallen: gemeen recht (art. 15, § 1). | a) Voor een in Japan uitgeoefende werkzaamheid, buiten de hierna vermelde gevallen: vrijstelling (art. 15, § 1, en art. 23, § 2 (b) (i). |
b) Toegekend aan verblijfhouders van Japan die hun werkzaamheden uitoefenen aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer: gemeen recht indien de ondernemer een verblijfhouder is van België; vrijstelling indien de ondernemer een verblijfhouder is van Japan (art. 15, § 3). | b) Toegekend aan verblijfhouders van België die hun werkzaamheden uitoefenen aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer: vrijstelling indien de ondernemer een verblijfhouder is van Japan (art. 23, § 2 (b) (i); belastingheffing tegen het volle tarief indien de ondernemer een verblijfhouder is van België (art. 15, § 3). |
c) Toegekend aan professoren die verblijfhouders van Japan zijn of waren en die voor een periode van ten hoogste twee jaar in België komen onderwijzen: vrijstelling (art. 20). | c) Toegekend aan professoren die verblijfhouders van België zijn of waren en die voor een periode van ten hoogste twee jaar in Japan gaan onderwijzen: belastingheffing tegen het volle tarief (art. 20). |
d) Voor tijdelijke in België uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een buitenlandse werkgever: vrijstelling indien het verblijf van de belanghebbende in de loop van het kalenderjaar geen 183 dagen te boven gaat en indien de beloningen niet ten laste vallen van een Belgische vaste inrichting of van een Belgische vaste basis (art. 15, § 2). | d) Voor tijdelijke in Japan uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een werkgever die geen verblijfhouder van Japan is; belastingheffing tegen het volle tarief indien het verblijf van de belanghebbende in de loop van het kalenderjaar geen 183 dagen te boven gaat en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Japanse vaste inrichting of van een Japanse vaste basis (art. 15, § 2). |
5. Andere pensioenen dan bedoeld onder nr. 3 | |
Vrijstelling (art. 18 – cf. Deel III, nr. 30). | Belastingheffing tegen het volle tarief (art. 18). |
6. Beloningen van beheerders en commissarissen van vennootschappen. | |
Belastingheffing volgens het gemeen recht (art. 16). Evenwel, vrijstelling van de beloningen die de belanghebbenden bekomen ter zake van de uitoefening in Japan van dagelijkse werkzaamheden van beheer of van technische aard (punt 3, Protocol). | Vrijstelling (art. 16). Evenwel, belastingheffing volgens het gemeen recht van de beloningen die de belanghebbenden bekomen ter zake van de uitoefening in België van dagelijkse werkzaamheden van beheer of van technische aard (punt 3, Protocol). |
7. Baten van vrije beroepen (met inbegrip van meerwaarden uit vervreemding van roerende goederen). | |
Belastingheffing in de mate dat de baten kunnen worden toegerekend aan een in België gelegen vaste basis (art. 14 en 13, § 2 - cf. Deel III, nr. 28). | Vrijstelling indien de baten kunnen worden toegerekend aan een in Japan gelegen vaste basis; belastingheffing tegen het volle tarief in het tegenovergestelde geval (art. 14, art. 13, § 2 en art. 23, § 2 (b) (i). |
8. Inkomsten van beroepsartiesten en sportbeoefenaars | |
Gemeen recht (art. 17 -cf. Deel III, nr. 29). | Vrijstelling (art. 17 en 23, § 2 (b) (i). |
D. Diversen | |
1. Niet sub. A en C, 1, 2 of 7 bedoelde meerwaarden. | |
2. Toelagen aan studenten en stagiairs | |
Vrijstelling van de toelagen die hun oorsprong in België niet hebben en toegekend worden aan studenten of stagiairs die verblijfhouder van Japan zijn of waren en die uitsluitend voor hun studie of opleiding in België verblijven (art. 21). | Gemeen recht voor de toelagen van Belgische oorsprong toegekend aan studenten of stagiairs die verblijfhouder van België zijn of waren en die uitsluitend voor hun studie of opleiding in Japan verblijven (art. 21). |
3. Inkomstenbestanddelen die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld. | |
Vrijstelling (art. 22) | Belastingheffing volgens het gemeen recht (art. 22). |
III. – Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen.
A. Bepaling van sommige begrippen uit de overeenkomst.
1° Verblijfhouder van een overeenkomstsluitende Staat.
1. De overeenkomst is van toepassing op personen die verblijfhouder zijn van België of van Japan of van beide Staten.
Een persoon wordt voor de toepassing van de overeenkomst geacht een verblijfhouder van een Staat te zijn, indien hij volgens de wetgeving van die Staat aldaar verblijfhouder is en indien hij niet terzelfder tijd wordt geacht verblijfhouder van de andere Staat te zijn volgens de fiscale wetgeving van die andere Staat.
Geval van dubbele woonplaats.
2. Wanneer een persoon wordt geacht terzelfder tijd verblijfhouder van Japan en van België te zijn volgens de interne wetgevingen, bepalen de bevoegde autoriteiten van de twee Staten in onderlinge overeenstemming de Staat waarvan die persoon, voor de toepassing van de overeenkomst, zal worden geacht verblijfhouder te zijn. Op grond van een afspraak tussen de fiscale administraties van de twee Staten zullen de criteria van het modelverdrag van de OESO, alhoewel deze niet in de overeenkomst voorkomen, in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de fiscale woonplaats van natuurlijke personen. Voor het geval dat de bevoegde autoriteiten van de twee Staten evenwel niet tot een akkoord zouden komen, bepaalt artikel 23, § 3, dat de regels volgens welke de Staat van de fiscale woonplaats de dubbele belasting verhelpt, van toepassing zijn zodra een persoon geacht wordt verblijfhouder van die Staat te zijn volgens zijn interne wetgeving.
2° Vaste inrichting (bijzonderheid).
3. Een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat wordt geacht een vaste inrichting in de andere Staat te hebben indien zij aldaar werkzaamheden van toezicht op de uitvoering van een bouwwerk of van constructiewerkzaamheden gedurende meer dan 12 maanden uitoefent (punt 1, Prot.).
B. Belastingheffing naar de inkomsten.
1° Inkomsten van in België gelegen onroerende goederen. - Geen A.O.V.
4. Volgens art. 6, ov., zijn inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, die aan verblijfhouders van Japan toebehoren, in België belastbaar. Op grond van art. 23, § 1, ov., mogen die inkomsten ook worden opgenomen in de belastbare grondslag voor de heffing van de Japanse belasting, mits de Belgische belasting wordt verrekend. België beschikt derhalve niet over een uitsluitend recht van belastingheffing ter zake van inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, zodat de A.0.V. niet is verschuldigd door verblijfhouders van Japan (art. 163, W.I.B.).
2° Winsten van ondernemingen in 't algemeen. - Lucht- en zeescheepvaartondememingen.
5. Art. 7, ov. stelt als regel dat winsten van ondernemingen belastbaar zijn in de Staat waar de vaste inrichting is gelegen die de winsten heeft voortgebracht ; de uitdrukking "vaste inrichting" wordt omschreven in art. 5, ov., en is verduidelijkt in punt 1 van het protocol.
De aan de vaste inrichting toe te rekenen winst is deze die zij zou hebben kunnen verwezenlijken indien zij een onafhankelijke en zelfstandige onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden zou uitoefenen en geheel onafhankelijk zou handelen (art. 7, § 2, ov.).
Bij het bepalen van de winsten van een vaste inrichting wordt rekening gehouden met het gedeelte van de kosten van leiding en van de algemene beheerskosten dat ten behoeve van de vaste inrichting wordt gemaakt, hetzij in de Staat waar de inrichting is gevestigd, hetzij elders (art. 7, § 3, ov.).
Anderdeels mogen de winsten van verwante of onderling afhankelijke ondernemingen worden verbeterd om onrechtmatige winstafvloeiingen te voorkomen (art. 9, ov.).
6. De overeenkomstsluitende Staten hebben de mogelijkheid de winst van een vaste inrichting te bepalen op basis van een verdeling van de totale winst der onderneming over haar verschillende delen, voor zover zulke methode gebruikelijk is in de Staat in kwestie (art. 7, § 4, ov.). Maar dit belet de belastingdiensten niet, bij gebrek aan een regelmatige boekhouding of andere afdoende gegevens, de winst van de Belgische inrichting van een Japanse onderneming te bepalen bij toepassing van de methode van vergelijking, met inbegrip van de bij art. 146, K.B. tot uitv. W.l.B., bepaalde forfaits.
Indien de toepassing van deze laatste methode evenwel tot een dubbele belasting van dezelfde inkomsten leidt, zal het geschil door middel van een omstandig verslag en langs hiërarchische weg aan het Hoofdbestuur (Directie I/3) worden voorgelegd, met het oog op overleg met de Japanse belastingadministratie.
7. Meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen van een onderneming zijn eveneens belastbaar in de Staat waar de vaste inrichting is gelegen tot het bedrijfsvermogen waarvan die goederen behoren (art. 13, § 2, ov.). De meerwaarden uit vervreemding van onroerende goederen zijn in elk geval belastbaar in de Staat waar die goederen zijn gelegen (art. 13, § 1, ov.).
8. In afwijking van de regel van de vaste inrichting stelt art. 8, ov., de winsten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer uitsluitend belastbaar in de Staat waarvan de exploitant van de onderneming verblijfhouder is. Art. 8, 2, ov., verduidelijkt in dat verband dat de zee- en luchtvaartondernemingen die door verblijfhouders van België worden gedreven, vrijgesteld zijn van de Japanse ondernemingsbelasting (waarop echter, volgens de bewoordingen van art. 2 de overeenkomst niet in haar geheel van toepassing is).
De hierboven omschreven regeling vindt ook toepassing op een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat die deelneemt in een pool, een gemeenschappelijk bedrijf of een internationaal lichaam. Deze regeling geldt eveneens voor de winsten uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen geëxploiteerd in internationaal verkeer, alsmede van roerende goederen die voor de exploitatie van die schepen of luchtvaartuigen worden gebezigd (art. 13, § 2, ov.).
3° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.
1. Roerende inkomsten van Belgische oorsprong verkregen door verblijf houders van Japan.
a) Dividenden.
9. Ingevolge art. 10, §§ 1 tot 3, ov., moet België de R.V. op dividenden (en op de als inkomsten van belegde kapitalen belastbare inkomsten - cf. punt 2, prot.) die door een Belgische vennootschap van 1.1.1970 af aan een verblijfhouder van Japan, worden toegekend, beperken tot 15 pct. van het brutobedrag van de inkomsten.
Die beperking is echter volgens art. 10, § 4, ov., slechts van toepassing indien de deelneming die de dividenden oplevert, niet wezenlijk verbonden is met een vaste inrichting waarover de genieter in België zou beschikken.
10. De vermindering wordt verleend op overlegging van een aanvraag nr. 276 Div. (J) (2) en volgens de in circ. 925 bis van 29.1.1968 uiteengezette procedure.
------
(2) De formulieren, waarvan in deze circ. sprake is, worden in België kosteloos verstrekt door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.
b) Interest.
11. Ingevolge art. 11, §§ 2, 4 en 6, ov., moet de R.V. op het normale bedrag van de interest van Belgische oorsprong, toegekend aan verblijfhouders van Japan met ingang van 1.1.1970 tot 15 pct. van het brutobedrag worden beperkt, indien de genieter in België geen vaste inrichting heeft waarmede de schuldvordering (de obligatie of het deposito) die de interest oplevert wezenlijk is verbonden.
12. De vermindering wordt verleend op overlegging van een aanvraag nr. 276 Int. (J) ; voor de wijze van berekening en de te volgen procedure wordt mutatis mutandis verwezen naar circ. 925 bis.
c) Royalty's.
13. Ingevolge art. 12, §§ 2, 4 en 6, ov., wordt de R.V. op het normale bedrag van de royalty's van Belgische oorsprong, toegekend aan een verblijfhouder van Japan, met ingang van 1.1.1970 tot 10 pct. van het brutobedrag beperkt, indien de genieter van de royalty's in België geen vaste inrichting heeft waarmede het recht of het goed dat de royalty's oplevert wezenlijk verbonden is.
14. Het tarief van 10 pct. is een grenstarief en is van toepassing op het brutobedrag van de royalty's vóór aftrek van de kosten of lasten bepaald in art. 18, lid 2, W.I.B. en art. 1 tot 3, K.B. tot uitv. W.l.B. De overeenkomst kan dus een vermindering met zich brengen doch niet een verhoging van de R.V. berekend volgens het gemeen recht.
15. De te volgen procedure is gelijkaardig aan die welke in circ. 925 bis bepaald is voor dividenden en interest; de vermindering mag evenwel normaal bij de bron worden verleend. De genieter van de royalty's moet een aanvraag in duplo overleggen door middel van een formulier nr. 276 R. (J). Dat formulier moet ter bevestiging aan de Japanse belastingdienst en vervolgens, hetzij aan de Belgische schuldenaar van de royalty's (om vermindering van R.V. bij de bron te bekomen), hetzij aan de Hfd.cr. te Sint-Joost-ten-Node 1 (om eventueel teruggaaf van de teveel bij de bron gestorte R.V. te bekomen) gezonden worden.
d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.
16. Indien tussen de schuldenaar en de genieter, of tussen hen beiden en derden, banden van afhankelijkheid bestaan en het bedrag van de interest of van de royalty's hoger is dan het bedrag dat in normale omstandigheden voor gelijkaardige prestaties zou worden bedongen, mag België op het bovenmatige deel van de betalingen de bepalingen van zijn interne wetgeving zonder enige beperking toepassen (art. 11, § 6 en 12, § 6, ov.).
2. Roerende inkomsten van Japanse oorsprong verkregen door verblijfhouders van België.
a) Algemeen principe.
17. Ingevolge de art. 10, 11 en 12 van de overeenkomst moet Japan in de regel zijn belasting beperken tot 15 pct. van het brutobedrag van de dividenden en de interest en tot 10 pct. van het brutobedrag van de royalty's die door verblijfhouders van Japan aan verblijfhouders van België worden toegekend.
Deze vermindering is evenwel niet van toepassing indien de genieter in Japan een vaste inrichting heeft waarmede de aandelen, obligaties, schuldvorderingen, leningen, deposito's, rechten of goederen welke de inkomsten opleveren, wezenlijk verbonden zijn ; bovendien is voor interest en royalty's de vermindering alleen van toepassing op het gedeelte van de inkomsten dat als normaal kan worden beschouwd, wanneer tussen schuldenaar en schuldeiser of tussen hen beiden en derden bijzondere verhoudingen bestaan.
b) Wijze waarop de beperking van de Japanse belasting bij verdrag wordt toegepast.
18. Volgens de Japanse wetgeving zijn de dividenden, interest en royalty's van Japanse oorsprong, verkregen door niet verblijfhouders normaal onderworpen aan een bronheffing van 20 pct.
1° Rechtstreekse beperking bij de bron.
19. De vermindering bij verdrag van de Japanse belasting op dividenden, interest en royalty's wordt over 't algemeen bij de betaling van de inkomsten verleend.
20. Om de vermindering van de Japanse belasting dadelijk bij de bron te bekomen, moet de genieter van de inkomsten (verblijfhouder van België) of zijn vertegenwoordiger een aanvraag om vermindering model Form 1 voor dividenden, Form 2 voor interest en Form 3 voor royalty's, in duplo invullen en ondertekenen ; per Japanse schuldenaar van de inkomsten meet een afzonderlijk formulier worden gebruikt. De genieter stuurt de twee exemplaren van die aanvraag aan de schuldenaar van de inkomsten. Deze laatste bezorgt, uiterlijk de dag vóór de dag van betaling van de inkomsten het origineel van de aanvraag aan de leider van het « District Tax Office » in wiens ambtsgebied hij woont ; de schuldenaar van de inkomsten wordt aldus gemachtigd de Japanse belasting dadelijk tegen het verdragsstarief in te houden.
21. Wanneer het om inkomsten van effecten aan toonder gaat, moet een verzoek Form 1 of Form 2, naar gelang van het geval, in duplo worden ingediend bij elke betaling van de inkomsten.
22. Voor andere roerende inkomsten moet in beginsel slechts een nieuw verzoek worden gedaan wanneer de in de oorspronkelijke aanvraag vermelde inlichtingen niet meer met de feiten stroken; er wordt niettemin aangeraden voor die inkomsten eveneens een verzoek bij elke betaling in te dienen.
2° Teruggaaf van de teveel bij de bron geïnde Japanse belasting.
23. Indien een verblijfhouder van België zijn aanvraag om vermindering niet tijdig heeft kunnen indienen overeenkomstig de in 1° hierboven uiteengezette procedure en zijn Japanse inkomsten in Japan de belasting tegen het volle tarief (in de regel 20 pct.) hebben ondergaan, kan hij teruggaaf bekomen van de teveel bij de bron ingehouden belasting. Hij moet daartoe een verzoek model Form 11 (*), samen met een verzoek model Form 1, 2 of 3, naar gelang van het geval, in tweevoud en behoorlijk ingevuld en ondertekend, indienen bij de schuldenaar van de inkomsten. De schuldenaar van de inkomsten dient vervolgens de gegevens, aangebracht in rubriek 4 van het verzoek Form 11, te bevestigen en het origineel van elk formulier te bezorgen aan de leider van het « District Tax Office » in wiens ambtsgebied hij woont. De teruggaaf van het teveel geïnde wordt op de door de verzoeker in zijn aanvraag aangeduide wijze uitgevoerd.
De verblijfhouders van België moeten hun verzoek om teruggaaf zo spoedig mogelijk indienen.
------
(*) In nr. 2 (1) van dit formulier dient het vakje 2 te worden aangestreept.
c) Bovenmatig deel van interest en royalty's.
24. Wat van interesten en royalty's die door een verblijfhouder van Japan aan een verblijfhouder van België worden toegekend, als overdreven in de zin van de art. 11, 6, en 12, § 6, ov., kan worden beschouwd blijft overeenkomstig de Japanse interne wetgeving belastbaar.
d) Controlemaatregelen.
25. In tegenstelling tot de maatregelen in verband met de toepassing van andere overeenkomsten hoeven de Belgische belastingdiensten niet op te treden bij het gebruik van de Japanse formulieren. Daaruit volgt dat de Administratie niet automatisch in het bezit zal worden gesteld van inlichtingen betreffende de roerende inkomsten die verblijfhouders van België verkrijgen uit in Japan gelegen bronnen en waarvoor zij vermindering van de Japanse belasting ingevolge het verdrag hebben genoten.
26. De Japanse administratie zal echter aan de Belgische administratie afschriften sturen van fiches betreffende dividenden, interest en royalty's die aan verblijfhouders van België werden betaald. Aangezien deze fiches in het Japans zijn gesteld zal men zo spoedig mogelijk, een vertaling ervan publiceren.
27. Naargelang die fiches toekomen zullen zij door de Documentatiedienst, Belliardstraat 45, Brussel, naar de bevoegde belastingdiensten worden gestuurd. Deze zullen er zich van vergewissen dat, eensdeels, de in Japan verleende belastinvermindering niet ten onrechte werd verleend en, anderdeels, dat de inkomsten in kwestie in de aangifte van de genieter werden vermeld.
4° Inkomsten van vrije beroepen of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.
28. Ingevolge art. 14, § 1, ov., zijn die inkomsten belastbaar in de Staat van de fiscale woonplaats van de genieter, tenzij deze in de andere Staat, voor het verrichten van zijn werkzaamheden, geregeld over een vaste basis beschikt. Een verblijfhouder van Japan is bijgevolg in België belastbaar op de inkomsten uit een vrij beroep, voor zover deze inkomsten aan een vaste basis in België kunnen worden toegerekend.
Deze regel geldt echter niet voor beroepsartiesten en sportbeoefenaars (zie nr. 29).
5° Artiesten en sportbeoefenaars.
29. Uit art. 17, ov., volgt dat de beroepsartiesten en de sportbeoefenaars, verblijfhouders van Japan, in België belastbaar zijn op de inkomsten die zij behalen uit hun werkzaamheden in België, ongeacht of het gaat om bezoldigingen of om inkomsten uit een vrij beroep. Die regel geldt eveneens voor diensten van beroepsartiesten en sportbeoefenaars van Japan, die in België worden verricht door een Japanse onderneming, ongeacht of deze laatste in België al dan niet over een vaste inrichting beschikt (art. 17, § 2).
6° Particuliere pensioenen en andere soortgelijke beloningen.
30. Particuliere pensioenen en andere soortgelijke beloningen die hun oorsprong in een overeenkomstsluitende Staat hebben en die met ingang van 1.1.1970 worden betaald aan een verblijfhouder van de andere overeenkomstsluitende Staat namelijk de wettelijke pensioenen betaald door pensioenkassen in uitvoering van de sociale wetgeving van de eerste Staat- zijn slechts in de andere Staat belastbaar (art. 18, ov.).
Pensioenen van die aard die in België worden behaald door verblijfhouders van Japan, zijn bijgevolg vrijgesteld van de B.V. en van de B.N.V.
C. Vermijding van dubbele belasting in België.
31. Met betrekking tot inkomsten uit bronnen in Japan, verkregen door verblijfhouders van België in de zin van de Belgische wetgeving (cf. nr. 2 hiervoren), zijn de volgende regels van toepassing (art. 23, §§ 2 en 3, ov.).
1° regel
32. De door een verblijfhouder van België verkregen inkomsten van Japanse oorsprong die in Japan belastbaar zijn – met uitzondering van dividenden, interest en royalty's - zijn vrijgesteld van P.B. en Ven.B.
33. Deze inkomsten komen nochtans in aanmerking om het tarief van de P.B. te bepalen dat van toepassing is op de andere belastbare inkomsten van de genieter (art. 23, § 2 (b) (i) en (ii), ov.).
34. Ten einde dubbele verliescompensatie - in België en in Japan - te vermijden, blijven de winsten van een vaste inrichting die een verblijfhouder van België in Japan zou bezitten, aan de Belgische belasting onderworpen voor zover zij in Japan werden vrijgesteld doordat zij er werden gecompenseerd met vroegere verliezen die, voor enig aanslagjaar, ook van de in België belastbare inkomsten werden afgetrokken (art. 23, § 2 (b) (iii), ov.). Deze regeling is gelijkaardig aan die welke in de meeste door België gesloten overeenkomsten voorkomt en waaraan in het raam van de Frans-Belgische overeenkomst van 10 maart 1964 (circ. 920, nr. 39) commentaar is gewijd.
2° regel.
35. Wat de in Japan belaste dividenden, interest en royalty's betreft, wordt dubbele belasting in België volgens het gemeen recht vermeden.
a) Japanse dividenden verkregen door Belgische vennootschappen.
36. Volgens art. 10, ov., wordt de Japanse belasting op dividenden uit Japanse bronnen verkregen door een vennootschap verblijfhouder van België, onder bepaalde voorwaarden, beperkt tot 15 pct. van het bruto-inkomen.
In België zijn die Japanse dividenden in beginsel aan de regeling van het gemeen recht onderworpen (art. 23, § 2 (a) (i), eerste lid, ov.); normaal zijn ze dus bij de incassering aan de R.V. van 10 pct. onderworpen en zijn ze daarna ten belope van hun nettobedrag (90 of 95 pct.) als definitief belaste inkomsten vrijgesteld van Ven.B. en, bij wederuitkering, van de R.V.
37. Belgische vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de P.B. niet hebben gekozen, kunnen echter desgewenst de R.V. van 10 pct. bij de incassering ontgaan met betrekking tot dividenden van Japanse aandelen die zij gedurende het volledige boekjaar van de uitdelende Japanse vennootschap in uitsluitende eigendom hebben gehad (art. 23, § 2 (a) (i), tweede lid, ov.). De Japanse dividenden die bij het binnenkomen niet aan de R.V. zijn onderworpen, blijven toch tot hun nettobedrag vrijgesteld van de Ven.B., doch zij moeten dan later de R.V. ondergaan wanneer zij aan de aandeelhouders van de Belgische vennootschap worden uitgekeerd (afwijking van art. 169, 2° en 3°, W.I.B.). Deze facultatieve vrijstelling is van toepassing op de met ingang van 1.1.1970 toegekende of betaalbaar gestelde Japanse dividenden (3).
Om de toepassing van deze bijzondere regeling te kunnen genieten, moeten de belanghebbende vennootschappen bij de belastingdienst van hun gebied een aanvraag nr. 276 Div. (Conv.) indienen, uiterlijk binnen de termijn waarin hun jaarlijkse aangifte in de Ven.B. moet worden ingediend.
De ter zake te volgen procedure is dezelfde als die bepaald in dbr. dd. 16.4.1968, nr. Ci.R.9 S/244.214, §§ 15 en 16.
b) Japanse dividenden verkregen door natuurlijke personen, verblijfhouders van België; Japanse royalty's en interest verkregen hetzij door natuurlijke personen, hetzij door vennootschappen, verblijfhouders van België.
------
(3) Cf. § 9, dbr. 22.4.1970, nr. Ci.R9 Jap./252.905, B. 475 van juni 1970.
38. Met de belasting op deze inkomsten verrekent België het F.B.B. in de voorwaarden en tegen het tarief van het gemeen recht (art. 23, § 2 (a) (ii), ov.).
3° regel.
39. De inkomsten die ingevolge de overeenkomst in Japan zijn vrijgesteld van belasting, zijn in België belastbaar tegen het volle tarief in de voorwaarden van het gemeen recht.
D. B.N.V./Ven. ten laste van Japanse vennootschappen met een vaste inrichting in België.
40. Art. 24, § 3, eerste lid, ov., bepaalt dat de belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een Staat in de andere Staat heeft, niet ongunstiger mag zijn dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Uit de diplomatieke nota's die met de regering van Japan bij de ondertekening van de overeenkomst werden gewisseld blijkt dat België gemachtigd blijft de B.N.V./Ven. op in België verwezenlijkte winsten van een vaste inrichting van een Japanse onderneming te berekenen tegen het tarief van het gemeen recht (W.I.B., art. 152, 2°), verhoogd met de opcentiemen Sp.F. en met de eventuele bijkomende opdeciemen.
E. Regeling voor onderling overleg.
41. Art. 25, ov., stelt een speciale procedure in, waardoor de bevoegde autoriteiten van beide Staten met elkaar overleg kunnen plegen, met name om een oplossing te vinden voor gevallen van dubbele belastingheffing in strijd met de overeenkomst.
42. Volgens die procedure en onverminderd de rechtsmiddelen van het gemeen recht, kan een verblijfhouder van België in geval van een belastingheffing in strijd met de overeenkomst, bij de bevoegde Belgische autoriteit, d.i. bij de in art. 267, W.I.B., vermelde gewestelijke directeur, een schriftelijk en gemotiveerd verzoek om herziening indienen.
43. Indien hij zelf het geschil niet kan oplossen, legt de gewestelijke directeur het dossier met een omstandig verslag aan het Hoofdbestuur (Directie I/3) voor dat desgevallend de Japanse belastingadministratie raadpleegt.
