Circulaire nr. Ci.RH.421/494.543 van 08.10.1997
CIRC 08.10.97/1
Bull. nr. 776, pag. 2412
BEROEPSKOSTEN
Kosten van de overschakeling op de euro.
BOEKHOUDING
Overschakeling op de euro.
Wisselverschillen ingevolge de overschakeling op de euro.
EURO
Overschakeling op de euro.
JAARREKENING
Overschakeling op de euro.
VOORZIENING VOOR RISICO'S EN KOSTEN
Voorziening voor uitzonderlijk en niet-recurrente onkosten.
Kosten van de overschakeling op de euro.
BOEKHOUDING
Overschakeling op de euro.
Wisselverschillen ingevolge de overschakeling op de euro.
EURO
Overschakeling op de euro.
JAARREKENING
Overschakeling op de euro.
VOORZIENING VOOR RISICO'S EN KOSTEN
Voorziening voor uitzonderlijk en niet-recurrente onkosten.
Fiscale aspecten van de overschakeling op de euro, inzonderheid t.a.v. het CBN-advies 173/1 "Overschakeling op de Euro : boekhoudrechtelijke aspecten".
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3.
INHOUDSTAFEL Nr I. INLEIDING.................................................... 1 II. HET HOUDEN VAN DE BOEKHOUDING EN DE OPSTELLING VAN DE JAARREKENING IN EURO A. Boekhoudkundige aspecten................................... 7 B. Fiscale aspecten........................................... 11 III. WISSELVERSCHILLEN INGEVOLGE DE OVERSCHAKELING OP DE EURO A. Boekhoudkundige verwerking................................. 13 B. Fiscale aspecten........................................... 20 IV. VERWERKING VAN DE UITGAVEN VERBONDEN AAN DE OVERSCHAKELING OP DE EURO A. Boekhoudkundige en fiscale aspecten - Algemeen............. 21 B. Voorzieningen 1. Boekhoudkundige principes............................... 26 2. Fiscale bepalingen...................................... 29 C. Investeringen 1. Investeringen gedaan ingevolge de overschakeling op de euro................................................. 32 2. Veroudering van bestaande activa ingevolge de invoering van de euro................................... 34 I. INLEIDING
1. In het vooruitzicht van de toetreding van België tot de Europese Economische en Monetaire Unie vanaf 01.01.1999 werd beslist systematisch de door de administratie ingenomen standpunten te publiceren m.b.t. de fiscale aspecten van de overschakeling op de Europese eenheidsmunt, met name de "euro".
2. Onderhavige circulaire vormt daartoe een aanzet. Zij strekt er immers toe nu reeds de fiscale aspecten uiteen te zetten van de boekhoudkundige gevolgen van de overschakeling op de euro, zoals die werden onderzocht door de Commissie voor boekhoudkundige normen in haar advies 173/1 inzake de Overschakeling op de Euro : boekhoudrechtelijke aspecten - Bull. CBN nr. 37 van januari 1997 (hierna het "CBN-advies" genoemd).
Een voorafgaande lezing van dat CBN-advies lijkt onontbeerlijk voor een goed begrip van deze circulaire.
3. De boekhoudrechtelijke aspecten die geen rechtstreekse fiscale gevolgen hebben (inzonderheid de maatregelen m.b.t. de geconsolideerde jaarrekening - titel G van het CBN-advies - en m.b.t. de openbaarmaking van de jaarrekening - titel H van het CBN-advies) worden hier niet behandeld. Zulks is eveneens het geval m.b.t. verschillende financiële instrumenten (opties, swaps, enz.) die gelet op hun grote verscheidenheid niet individueel in het CBN-advies werden onderzocht (zie titel D.5).
Specifieke problemen van de sector kredietinstellingen en de sector verzekeringsondernemingen komen evenmin aan bod in voormeld CBN-advies.
4. Het lijdt geen twijfel dat in de praktijk diverse andere fiscale problemen verbonden aan de overschakeling op de eenheidsmunt zullen rijzen. Zij zullen te gelegener tijd worden behandeld en, indien nodig, het voorwerp uitmaken van afzonderlijke circulaires. Ook de zeer specifieke toepassingsgevallen bedoeld in titel D.3, d tot f, CBN-advies, zullen afzonderlijk worden gecommentarieerd.
5. Overige richtlijnen m.b.t. de invoering van de euro zullen later worden medegedeeld, inzonderheid inzake :
- de mogelijkheid voor de belastingplichtigen tot het indienen van belastingaangiften in euro (en meer algemeen de mogelijkheid tot communicatie in euro met de administratie);
- de regelgeving inzake conversie en afronding van in BEF uitgedrukte bedragen (al dan niet geïndexeerd) naar in euro uitgedrukte bedragen, en vice versa.
6. Voor zover als nodig wordt er nog op gewezen dat de hierna uiteengezette fiscale regels, die in principe op alle belastingplichtigen van toepassing zijn, uiteraard zijn gesteund op de thans van kracht zijnde wettelijke bepalingen.
II. HET HOUDEN VAN DE BOEKHOUDING EN DE OPSTELLING VAN DE JAARREKENING IN EURO
A. Boekhoudkundige aspecten (CBN-advies, titels A tot C)
7. De ondernemingen zullen in beginsel mogen kiezen op welk tijdstip zij voor de voorstelling van hun jaarrekening op de euro overschakelen.
Om redenen van coherentie zal dergelijke overschakeling op de euro evenwel onomkeerbaar zijn.
8. Statutaire jaarrekeningen zullen evenwel slechts in euro mogen worden opgesteld, wanneer zij ten vroegste vanaf 01.01.1999 afgesloten worden.
Onverminderd het voormelde zal, zelfs wanneer de boekhouding voorlopig verder in BEF zou worden gehouden, de jaarrekening niettemin in euro mogen worden opgesteld.
Jaarrekeningen die op 31.12.1998 (of vroeger) zullen worden afgesloten, doch die nadien zullen worden goedgekeurd, zullen daarentegen nog niet in euro mogen worden opgesteld.
9. Wanneer de jaarrekening voor de eerste maal in euro wordt opgesteld, moeten in die jaarrekening ook de cijfers m.b.t. het voorgaande boekjaar in euro worden vermeld. De omrekening van deze cijfers naar euro moet steeds geschieden tegen de officiële omrekeningskoers, zulks ongeacht het tijdstip waarop de eerste jaarrekening in euro wordt opgesteld.
10. De laatste jaarrekeningen die in BEF zullen mogen worden opgesteld, zijn deze die op 31.12.2001 worden afgesloten, zelfs indien hun goedkeuring en hun openbaarmaking na die datum plaatsvindt.
B. Fiscale aspecten
11. De voormelde principes leveren op het fiscale vlak geen moeilijkheden op.
12. Voor het overige zal de administratie binnen afzienbare tijd de nodige richtlijnen verstrekken wat betreft het gebruik van de euro in de betrekkingen met de belastingplichtigen en meer bepaald voor het invullen van de aangifteformulieren (in nationale munt of in euro).
III. WISSELVERSCHILLEN INGEVOLGE DE OVERSCHAKELING OP DE EURO
A. Boekhoudkundige verwerking (CBN-advies, titels D en E)
13. Wisselverschillen ingevolge de overschakeling op de euro kunnen, voor wat de statutaire jaarrekeningen betreft, enkel ontstaan op monetaire posten (Onder monetaire posten verstaat men de liquide middelen evenals de posten m.b.t. een welbepaald aantal te ontvangen of te betalen monetaire eenheden, ongeacht of het om balansposten dan wel om rechten en verplichtingen gaat.) uitgedrukt in een munt van een van de andere Lid-Staten van de Muntunie.
Monetaire posten oorspronkelijk uitgedrukt in BEF, evenals niet-monetaire posten (deze laatsten ongeacht of zij oorspronkelijk al dan niet in BEF zijn uitgedrukt), kunnen terzake geen wisselverschillen opleveren.
14. Die wisselverschillen ontstaan omdat de koers voor de omrekening in BEF van verrichtingen vóór 01.01.1999, uitgedrukt in de nationale munt van een van de andere Lid-Staten van de Muntunie, nooit zal overeenstemmen met de omrekeningskoers zoals vastgesteld voor al deze munten ingevolge de overschakeling op de euro, en zulks ongeacht of de boekhouding in BEF dan wel in euro wordt gevoerd.
Gelet op het definitieve en onomkeerbare karakter van de omrekeningskoers naar de euro, verkrijgen de positieve en negatieve wisselverschillen zelf een definitief karakter.
15. Die verschillen moeten dan ook in de boekhouding afgesloten op 31.12.1998 (of in deze van het einde 1998 lopende boekjaar) in resultaat worden geboekt, ongeacht het boekjaar vanaf wanneer de jaarrekening in euro wordt opgesteld.
16. De bijzondere aandacht wordt er op gevestigd dat m.b.t. deze wisselverschillen geen boekhoudtechniek mag worden toegepast die neerkomt op een uitstel van de inresultaatneming van het saldo van de positieve verschillen, saldo dat dan via de overlopende rekeningen te gelegener tijd in winst zou worden genomen.
17. De termijnwisselovereenkomsten tussen munten van Lid-Staten van de Muntunie zullen vanaf 1.1.1999 aanleiding geven tot wisselverrichtingen euro tegen euro.
Zowel t.a.v. de verrichtingen ter dekking van een andere monetaire post als t.a.v. de verrichtingen waardoor een open positie ontstaat, vormt het wisselverschil op de termijnovereenkomst, ingevolge de invoering van de euro, een gerealiseerd resultaat dat, in beginsel, op 31.12.1998 onder de opbrengsten of de kosten moet worden geboekt. Ook hier mag de inresultaatneming niet worden gespreid.
18. Voorts komt, wat de ECU betreft, de euro in de plaats van de ECU in de verhouding van één tegen één. Indien er zich een verschil zou voordoen tussen de omrekeningskoers ECU/BEF (gehanteerd bij de oorspronkelijke boeking) en de omrekeningskoers euro/BEF op monetaire posten in ECU, zal ook dat wisselverschil een definitief karakter verkrijgen. Op boekhoudkundig vlak zat dat verschil bijgevolg worden verwerkt overeenkomstig de in nr 1 3, e.v. uiteengezette regels.
19. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de thans geldende beginselen voor de boekhoudkundige verwerking van de omrekeningsverschillen m.b.t. monetaire posten uitgedrukt in de munt van een land dat geen lid is van de Muntunie, van toepassing blijven bij de invoering van de euro en ook later (Zie CBN-advies nr 152/1 - Boeking van deviezenverrichtingen en verwerking van tegoeden en verplichtingen in deviezen in de jaarrekening - Bull. CBN nr. 20 van december 1987.).
B. Fiscale aspecten
20. Ook op fiscaal vlak worden de verschillen die zullen ontstaan op monetaire posten uitgedrukt in een munt van een andere Lid-Staat van de Muntunie (nrs 13 tot 16) of in ECU (nr 18) evenals deze die eigen zijn aan termijnwisselverrichtingen tussen munten van Lid-Staten van de Muntunie (nr 17), aangemerkt als winst (of verlies) van het hierna vermeld belastbaar tijdperk, zulks ongeacht of de boekhouding (of de jaarrekening) in BEF dan wel in euro wordt gevoerd (resp. wordt opgesteld).
Die verschillen zullen, al naargelang het geval, moeten worden aangemerkt als in beginsel belastbare inkomsten (positieve verschillen) of als kosten (negatieve verschillen in voorkomend geval aan te merken als aftrekbare beroepskosten) van het belastbare tijdperk verbonden aan het boekjaar afgesloten op 31.12.1998 (of aan het einde 1998 lopende boekjaar), zijnde het tijdperk gedurende hetwelke ze een zeker en vaststaand karakter verkrijgen (en ze normalerwijze ook moeten worden geboekt).
Ingeval de voormelde positieve wisselverschillen niet zouden zijn geboekt, of zouden zijn uitgesteld (zie nr 16), moeten zij worden aangemerkt als een verdoken reserve (t.t.z. bij niet boeking een onderschatting van het actief, resp. een overschatting van het passief m.b.t. de monetaire post waarop zij betrekking hebben, en bij uitstel, een overschatting van de desbetreffende overlopende rekening van het passief). Wanneer dat positief verschil, ten onrechte evenwel, zou zijn overgeboekt naar een subrekening van de "belastingvrije reserves", moet uiteraard ook deze rekening onder de belastbare reserves worden opgenomen.
IV. VERWERKING VAN DE UITGAVEN VERBONDEN AAN DE OVERSCHAKELING OP DE EURO (CBN-advies, titel F)
A. Boekhoudkundige en fiscale aspecten - Algemeen
21. Het is duidelijk dat de overschakeling op de euro soms belangrijke uitgaven voor bepaalde ondernemingen met zich mee zal brengen. Als voorbeelden worden hier vermeld, de opleiding van het personeel, de informatieverstrekking aan het cliënteel, de technische aanpassingen van het materieel, enz.
Deze uitgaven kunnen betrekking hebben op :
- kosten;
- investeringen;
- voorzieningen.
De vraag is derhalve gesteld hoe dergelijke uitgaven, zowel op boekhoudkundig vlak als op fiscaal vlak, in rekening moeten worden gebracht.
22. De op boekhoudkundig vlak bevoegde autoriteiten zijn van oordeel dat, m.b.t. de uitgaven veroorzaakt door de overschakeling op de euro, geen andere regels dan de algemeen geldende nodig zijn, inzonderheid in geval van belangrijke technische innovaties of technologische veranderingen.
Dienaangaande brengt de CBN derhalve de gemeenrechtelijke beginselen in herinnering die op de 3 hiervoor vermelde gebieden van toepassing zijn en dewelke hierna worden uiteengezet.
23. Fiscaal zullen de uitgaven veroorzaakt door de overschakeling op de eenheidsmunt eveneens in het kader van de bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen moeten worden behandeld.
M.a.w. de belastingplichtigen zullen, ongeacht de activiteitssector waartoe zij behoren, alle kosten m.b.t. de overschakeling op de euro die overeenkomstig het WIB 92 als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt, in mindering kunnen brengen (zie PV 683 van 20 december 1996, gesteld door de Heer Volksv. VAN BELLE, Bull. 772, PV 736 van 3 februari 1997, gesteld door de Heer Volksv. OLAERTS, Bull. 774 en PV 925 van 30 mei 1997 gesteld door de Heer Volksv. VAN BELLE, Bull. 776).
| 24. | Zulks betekent dat er zal moeten worden nagegaan |
| 1° | of de verrichte uitgaven al dan niet aftrekbare beroepskosten zijn in de zin van art. 49, WIB 92. Wat betreft de aftrekvoorwaarden voor beroepskosten, wordt verwezen naar de nrs 49/1.1 e.v., Com.IB 92; |
| 2° | of de aangelegde voorzieningen uit de belastbare winst van de onderneming kunnen worden gesloten krachtens art. 48, WIB 92 en de uitvoeringsbesluiten ervan (zie nrs 29 tot 31 hierna); |
| 3° |
of en in welke mate de uitgaven bestaande uit investeringen het voorwerp moeten of kunnen uitmaken van afschrijvingen overeenkomstig de bepalingen van de art. 52, 6° en 61 tot 65, WIB 92 (zie nr 32 hierna).
25. Anderzijds mag in de regel het feit dat de bewuste uitgaven
|
zouden zijn verricht vooraleer de formele beslissing betreffende de aanduiding van de tot de Muntunie toetredende Lid-Staten is genomen (beslissing die normaal gezien in de loop van het eerste semester van 1998 door de Europese autoriteiten zal worden genomen), geen invloed hebben op het beroepsmatig karakter ervan. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat in vele gevallen de nodige aanpassingen voor de overschakeling op de euro een lange voorbereidingsperiode zullen vergen die ruim vóór de voormelde beslissing aanvangt.
B. Voorzieningen
1. Boekhoudkundige principes
26. Het CBN-advies brengt de beginselen in herinnering die het aanleggen van voorzieningen voor risico's en kosten regelen (art. 13 en 19, KB/jaarrekening).
Samengevat moeten kosten die later ontstaan, boekhoudkundig aan een voorgaand boekjaar worden toegerekend via de vorming van voorzieningen, voor zover :
- die kosten met dit voorgaand boekjaar moeten worden verbonden (m.a.w. enerzijds, dat zij toe te schrijven zijn aan een voorval in de loop van dat boekjaar en anderzijds, dat zij geen tegenwaarde hebben, bestaande uit voordelen die in latere boekjaren zullen worden verkregen);
- het te provisioneren bedrag op redelijke en verantwoorde wijze kan worden gekwantificeerd.
27. Voorts is de CBN van oordeel dat, t.a.v. de vorming van voorzieningen voor kosten m.b.t. de overschakeling op de euro, bij gebrek aan criteria die een tenlasteneming op een andere systematische basis kunnen verantwoorden, een spreiding in de tijd op lineaire basis aangewezen lijkt.
| 28. | Verder wordt nog verduidelijkt dat rekening houdend |
- met het feit dat de tenlasteneming van nieuwe productieve investeringen geschiedt via afschrijvingen (zie nrs 32 en 33), en van ingevolge de invoering van de euro verouderde vaste activa, via een snellere uitvoering van het oorspronkelijke afschrijvingsplan (zie nrs 34 en 35), enerzijds,
- met de kosten waarvan kan worden gesteld dat zij verbonden zijn met de periode waarin zij zullen worden gemaakt, anderzijds,
de kosten waarvoor een voorziening moet worden gevormd (behalve in welbepaalde sectoren), waarschijnlijk subsidiair zullen zijn.
Die voorzieningen mogen, in voorkomend geval, reeds worden gevormd ten laste van boekjaren die worden afgesloten vooraleer de Europese autoriteiten een formele beslissing hebben genomen omtrent de tot de Muntunie toetredende Lid-Staten (zie nr 25).
2. Fiscale bepalingen
29. Op het fiscale vlak moeten de door de ondernemingen (zonder onderscheid van de activiteitssector waartoe zij behoren) geboekte voorzieningen voor risico's en kosten m.b.t. de overschakeling op de euro in beginsel, zoals overigens alle andere voorzieningen, krachtens art. 25, 5, WIB 92, als belastbare winst worden aangemerkt.
30. Slechts wanneer dergelijke voorzieningen beantwoorden aan de voorwaarden van art. 48, WIB 92 en van de art. 24 en 25, KB/WIB 92, kunnen deze voorzieningen uit de belastbare winst worden gesloten. Meer bepaald geldt de vrijstelling van voorzieningen enkel indien de kosten ter bestrijding waarvan ze worden aangelegd (zie ook de commentaar op art. 48, WIB 92) - scherp omschreven zijn (d.w.z. concreet en wel omlijnd) en volgens de aan gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn;
- naar hun aard aftrekbare beroepskosten zullen zijn van het latere boekjaar tijdens hetwelk ze werkelijk zullen worden betaald of gedragen - of tijdens hetwelk ze de aard van zekere en vaststaande schulden zullen hebben verkregen;
- normaal kunnen worden geacht op het resultaat van het boekjaar te drukken waarin deze voorzieningen zijn aangelegd;
- nauwkeurig gerechtvaardigd worden door middel van een staat 204.3, die bij de aangifte in de inkomstenbelastingen moet worden gevoegd.
In dit verband bepaalt art. 25, KB/WIB 92 met name dat de kosten die het gevolg zijn van de in dat boekjaar uitgeoefende beroepswerkzaamheid of van alsdan voorgekomen gebeurtenissen kunnen worden geacht normaal op het resultaat van het boekjaar te drukken. Zulks is inzonderheid het geval met tijdens het boekjaar aangegane beroepskosten, waarvan de juiste bedragen nog moeten worden bepaald bij het afsluiten van dat boekjaar. Samengevat betreft het al de gevallen waarin de van kracht zijnde onderrichtingen en rechtspraak niet toelaten rekening te houden met kosten die, hoewel ze het gevolg zijn van de tijdens het boekjaar uitgeoefende werkzaamheid of gebeurde feiten, toch niet mogen worden beschouwd reeds bij het afsluiten van dat boekjaar het karakter van zekere en vaststaande schulden te hebben verkregen.
De algemene beleidsdoelstellingen van de Belgische Regering om de Maastrichtnormen na te leven, alsmede de loutere beslissing van de Ministerraad van 2 augustus 1996 tot goedkeuring van het nationaal plan over de financiële krachtlijnen van de overgang naar de euro, kunnen, op zich alleen, niet worden aangemerkt als een aan de gang zijnde gebeurtenis die de waarschijnlijkheid van scherp omschreven kosten m.b.t. de overgang naar de euro aantoont.
31. Rekening houdend met de ter zake gevestigde rechtspraak en de administratieve onderrichtingen, worden o.m. niet vrijgesteld :
- de voorziening aangelegd ter bestrijding van kosten die later eventueel zouden kunnen voortvloeien uit een louter algemeen risico, waarvan op balansdatum de waarschijnlijkheidsgraad, de orde van grootte of het tijdstip (waarop deze als beroepskost in de zin van art. 49, 2de lid, WIB 92, kan worden aangemerkt) niet met vrij grote zekerheid kan worden geraamd (bv. voorzieningen die worden aangelegd op grond van eenvoudige ramingen, schattingen, of loutere vooruitzichten, of op forfaitaire wijze met toepassing van uniforme percentages op de werkingskosten, het omzetcijfer, enz.);
- de voorziening gevormd ter financiering van toekomstige investeringen in immateriële of materiële vaste activa of ter financiering van de toekomstige vernieuwing van dergelijke reeds bestaande investeringen;
- de voorziening aangelegd ter financiering van toekomstige beroepsverliezen, toekomstige personeelskosten voor bijkomend personeel of toekomstige minderopbrengsten wegens het verdwijnen van bepaalde activiteiten (bv. wisselverrichtingen).
Inzake de vorming van voorzieningen voor kosten m.b.t. de overschakeling op de euro via een lineaire spreiding in de tijd (zie nr 27), wordt de aandacht er op gevestigd dat luidens de art. 24, 1° en 25, 1ste lid, KB/WIB 92, op fiscaal vlak geen vrijstelling kan worden verleend voor voorzieningen die zijn aangelegd in een later belastbaar tijdperk dan dit waarin de desbetreffende kosten moeten worden geacht normaal op het resultaat van het boekjaar te drukken (zie nr 30, 2de lid).
C. Investeringen
1. Investeringen -gedaan ingevoegd de overschakeling op de euro
32. De algemeen geldende fiscale en boekhoudkundige waarderings- en afschrijvingsregels blijven in beginsel ongewijzigd van toepassing t.a.v. investeringen die n.a.v. de overschakeling op de euro worden verworven of tot stand gebracht. Zulks impliceert o.m. dat :
- inzake de aard van de afschrijfbare bestanddelen en de vaststelling van de afschrijfbare waarde, de boekhoudreglementering in de regel van toepassing is op het fiscale vlak;
- wat de bepaling van de jaarlijks toe te passen afschrijvingsquotiteit betreft, specifieke fiscale bepalingen van toepassing zijn (zie de commentaar op de art. 52, 6 en 61 tot 65, WIB 92, en PV 827 van 25 maart 1997, gesteld door de Heer Volksv. OLAERTS - Bull. 775).
33. Er wordt nog opgemerkt dat de CBN van mening is dat de kosten verbonden aan de overschakeling op de euro niet als herstructureringskosten mogen worden geactiveerd.
2. Veroudering van bestaande activa ingevoegd de invoering van de euro
34. Luidens art. 28, § 2, 2de lid, KB/jaarrekening wordt, m.b.t. afschrijfbare vaste activa, overgegaan tot aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen, wanneer hun boekwaarde, ingevolge technische ontaarding of wijziging in de economische of technologische omstandigheden, hoger is dan hun gebruikswaarde voor de onderneming. In dergelijke omstandigheden kan het vroeger vastgestelde afschrijvingsplan sneller worden uitgevoerd naarmate de toekomstige vermoedelijke economische gebruiksduur of gebruikswaarde van het betrokken actief vermindert en zulks vanaf het tijdstip waarop die vermindering wordt vastgesteld.
Deze bepaling is inzonderheid van toepassing t.a.v. bestaande afschrijfbare vaste activa, verouderd ingevolge de invoering van de euro.
35. Dergelijke versnelde afschrijvingen kunnen ook op fiscaal vlak worden aanvaard, mits de vereiste rechtvaardigingen worden voorgelegd. Uiteraard kan die bepaling niet worden aangewend om normale afschrijvingen in te halen die voorheen niet werden geboekt (zie nr 61/209, Com.IB 92).
In afwijking van het voormelde mogen immateriële vaste activa (met uitzondering van investeringen in audiovisuele werken) op fiscaal vlak in de huidige stand van de wetgeving slechts worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 3 mag bedragen wanneer het investeringen in onderzoek en ontwikkeling betreft en niet minder dan 5 in de andere gevallen, zoals bv. als immateriële vaste activa aan te merken software (zie ook nr 61/104, e.v., Com.IB 92).
NAMENS DE MINISTERDe Directeur-generaal,
J.-C. TILLIET.
Bron: FisconetPlus
