Circulaire 2020/C/152 betreffende de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) tussen de Europese Unie en Japan (opgeheven)

D.I. 561; Europese Unie; Japan; oorsprongsovereenkomst; preferentiële oorsprong; oorsprongsregels; REX

FOD Financiën, 27.11.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Werd vervangen door Circulaire 2024/C/78

Inhoudstabel

Circulaire 2020/C/152 betreffende de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) tussen de Europese Unie en Japan

Inleiding

Deel I: Algemene bepalingen

1. Wettelijke basis

2. Definities

3. Algemene bepalingen – oorsprongsregels

3.1. Vereisten voor producten van oorsprong

3.2. Volledig verkregen producten

3.3. Ontoereikende be- of verwerking

3.4. Cumulatie

3.5. Tolerantie

3.6. In aanmerking te nemen eenheid

3.7. Gescheiden boekhouding

3.8. Stellen of assortimenten

3.9. Niet-wijziging

3.10. Retourneren van producten

3.11. Toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander voorlichtingsmateriaal

3.12. Neutrale elementen

3.13. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen gebruikt voor verzending

3.14. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor detailhandelsverkoop

4. Algemene bepalingen – Oorsprongsprocedure

4.1. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

4.2. Attest van oorsprong

4.3. Aan de importeur bekende informatie (importer’s knowledge)

4.4. Verplichting tot bewaren van gegevens

4.5. Kleine zendingen en ontheffingen

4.6. Verificatie

4.7. Administratieve samenwerking

4.8. Wederzijdse bijstand bij fraudebestrijding

4.9. Weigering van toekenning van de preferentiële tariefbehandeling

4.10. Vertrouwelijkheid

4.11. Administratieve maatregelen en sancties

Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur (REX) en het ‘Japan Coroporate Number’

1. Database van geregistreerde exporteurs (REX)

1.1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

1.2. Verplichtingen van de autoriteiten

1.3. Toegangsrechten tot de database

1.4. Gegevensbescherming

1.5. Verplichtingen van exporteurs

2. “Japan Corporate Number”

Deel III: Het attest van oorsprong en praktische bepalingen

1. Bepalingen betreffende het attest van oorsprong

1.1. Voorwaarden betreffende het attest van oorsprong

1.1.1. Persoon bevoegd om een oorsprongsattest op te stellen

1.2. Wat betekent "ander handelsdocument"?

1.3. De formulering van het attest van oorsprong

1.4. Termijn voor het opstellen van een attest van oorsprong

1.5. Geldigheidsperiode van het attest van oorsprong

1.6. De oorsprongscriteria op het attest van oorsprong

1.7. Beschrijving van de codes met betrekking tot de oorsprongscriteria

1.8. Gebruik van de codes in het attest van oorsprong

1.9. Mogelijke combinaties van codes met betrekking tot de oorsprongscriteria

1.10. Het attest van oorsprong bij meervoudige zendingen van identieke producten

1.11. Retroactieve voorlegging van oorsprongsattesten voor meervoudige zendingen

1.12. Retroactieve voorlegging van oorsprongsattesten voor enkelvoudige zendingen

1.13. Toelichting bij de door de Japanse douaneautoriteit gevraagde oorsprong van het product op het moment van de invoeraangifte

1.13.1. Importeur is niet in staat om een toelichting te verstrekken

1.13.2. Importeur is in staat om een toelichting te verstrekken:

1.14. Bewaren van bewijzen van oorsprong

1.15. Vervanging van een bewijs van preferentiële oorsprong

2. Leveranciersverklaring- bepalingen aangaande cumulatie

3. De codes van de douaneaangifte

Deel IV: Verificatie

1. Controle van de leveranciersverklaring

2. Verificatieprocedure

2.1. Verificatie op basis van een attest van oorsprong opgesteld door de exporteur van de Partij van uitvoer

2.2. Verificatie op basis van de aan de importeur bekende informatie

2.3. Reden voor de stapsgewijze verificatie

2.4. Weigering van de preferentiële tariefbehandeling

Deel V: Beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

1. Besluiten vooraf

2. De beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

Deel VI: Andere bepalingen

1. De no-drawbackbepaling

1.1. Wat betekent "no drawback"?

2. Ceuta en Melilla

3. Het Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden

4. Meer informatie en contact

4.1. Aanvullende informatiebronnen

4.2. Nog vragen?

BIJLAGEN

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage IV


Inleiding

§1. Op 27 december 2018 werd in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L330 het Besluit van de Raad van 20 december 2018 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap (hierna: de Overeenkomst of de Economische Partnerschapsovereenkomst) gepubliceerd. Op 1 februari 2019 is deze Overeenkomst in werking getreden.

De onderhandelingen voor de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan (hierna: Partij of Partijen) werden opgestart in 2013. Op 6 juli 2017 kwamen beide Partijen tot een principeakkoord over de belangrijkste elementen en een jaar later, op 17 juli 2018, werd de eindovereenkomst ondertekend. Vervolgens werd de Overeenkomst goedgekeurd door het Europees parlement, de parlementen van de EU-lidstaten en het Japans parlement wat de weg opende voor de definitieve inwerkingtreding.


Op termijn moet deze Overeenkomst ertoe leiden dat 97 % van de douanerechten op producten die naar Japan worden uitgevoerd, wordt opgeheven. Op dit moment zijn de douanerechten al voor bijna 90 % procent van de uit de Europese Unie afkomstige producten die naar Japan worden uitgevoerd, verlaagd of opgeheven. Voor de rest van de producten zal de opheffing progressief plaatsvinden over een periode die werd vastgelegd op 16 jaar voor goederen uit de Europese Unie en op 20 jaar voor goederen uit Japan.

Naast een opheffing of verlaging van de douanerechten moet deze overeenkomst ook de belemmeringen verminderen waarmee Europese ondernemingen geconfronteerd worden bij de uitvoer naar Japan. De belangrijkste belemmeringen zijn technische moeilijkheden bij de toegang tot overheidsopdrachten, zoals de normen in de automobielsector en de dienstensector. Deze belemmeringen zouden moeten worden opgeheven zodat Europese ondernemingen meer goederen en diensten aan Japan kunnen verkopen.

Om te kunnen genieten van de verlaagde of afgeschafte invoerrechten moet er worden voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in Hoofdstuk 3 van de economische partnerschapsovereenkomst onder de titel “Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures.”

Dit hoofdstuk hangt samen met de bepalingen van artikel 2.8 van de Overeenkomst betreffende de verlaging en afschaffing van invoerrechten, hetgeen luidt als volgt:

Artikel 2.8
Verlaging en afschaffing van invoerrechten

“1. Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, verlaagt elke Partij haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere Partij of schaft die af overeenkomstig bijlage 2-A.

2. Wanneer een Partij haar meestbegunstigingsrecht verlaagt, wordt dat recht toegepast op een goed van oorsprong uit de andere Partij indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig bijlage 2-A berekende douanerecht op hetzelfde goed.

3. De behandeling van goederen van oorsprong uit een Partij die zijn ingedeeld onder de tarieflijnen die worden aangegeven met „S” in de kolom „Opmerking” in de lijst van de Europese Unie in bijlage 2-A, deel 2, afdeling B, en in de lijst van Japan in bijlage 2-A, deel 3, afdeling D, wordt door de Partijen in het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of, wanneer dit eerder is, in een ander door de Partijen overeengekomen jaar geëvalueerd. De evaluatie vindt plaats met het oog op verbetering van de voorwaarden voor markttoegang, bijvoorbeeld door middel van maatregelen als snellere verlaging of afschaffing van douanerechten, het stroomlijnen van aanbestedingsprocedures, de verhoging van contingenten, alsmede de behandeling van kwesties in verband met heffingen.

4. Wanneer een Partij op basis van een internationale overeenkomst voor de in lid 3 bedoelde goederen aan een derde land een grotere of snellere tariefverlaging, grotere contingenten of enige andere gunstigere behandeling toekent dan die waarin deze overeenkomst voorziet, waardoor het evenwicht op de markt voor die goederen in de Europese Unie of Japan wordt aangetast, maken de Partijen uiterlijk drie maanden na de datum van inwerkingtreding van de internationale overeenkomst tussen de Europese Unie en dat derde land of tussen Japan en dat derde land een aanvang met die evaluatie om te waarborgen dat aan de andere Partij ten minste dezelfde voorkeursbehandeling wordt toegekend, en streven zij ernaar de evaluatie binnen zes maanden te rekenen vanaf die datum af te sluiten.”

Op basis hiervan hebben beide Partijen een reeks voorwaarden vastgelegd die toelaten om te genieten van de verlaging of afschaffing van de douanerechten. Deze voorwaarden zijn opgenomen in Hoofdstuk 3 aangaande ‘Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures’.

In dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke definities opgenomen en vinden we de gekende oorsprongsregels terug zoals 'product van oorsprong', 'toereikende productie', ‘tolerantie’, ‘cumulatie’. Verder worden de van toepassing zijnde oorsprongsprocedures besproken dewelke onder meer bepalen welk oorsprongsbewijs van toepassing is, hoe en wanneer die moeten worden gebruikt, hoe dit kan worden gecontroleerd, enz.


Hoofdstuk 4 aangaande ‘douaneaangelegenheden en handelsbevordering’ vult de bepalingen uit Hoofdstuk 3 aan. Bovendien verwijst Hoofdstuk 3 naar een aantal bijlagen waaronder de bijlage betreffende de product specifieke oorsprongsregels en de bijlage met de te gebruiken tekst voor het oorsprongsattest.

Deze Circulaire heeft als voornaamste doelstelling om de oorsprongsregels en -procedures van Hoofdstuk 3 en haar bijlagen te verduidelijken.

De Circulaire is opgebouwd uit volgende delen:

Deel I: Algemene bepalingen

Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteurs (REX) en het ‘Japanese Corporate Number’

Deel III: Het oorsprongsattest en de praktische bepalingen

Deel IV: De verificatie

Deel V: Besluiten vooraf beschikkingen inzake Bindende Oorsprongsinlichtingen (BOI)

Deel VI: Andere bepalingen


Deel I heeft betrekking op de algemene bepalingen die worden vermeld in Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst. Verschillende van deze bepalingen worden in Delen II, III, IV, V en VI van deze Circulaire verder verklaard.

Deel I: Algemene bepalingen

1. Wettelijke basis

§2. Op 1 februari 2019 is de Overeenkomst van kracht geworden. De economische partnerschapsovereenkomst is ook bekend onder de titel ‘Japan Europe Free Trade Agreement’ Zie hiervoor het Besluit van de Raad (EU) 2018/1907 van 20 december 2018 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap dat werd gepubliceerd op 27 december 2018 werd in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L330.

Inzake douanesamenwerking tussen de Europese Unie en Japan dient te worden verwezen naar de Overeenkomst betreffende Samenwerking en Wederzijdse Bijstand in Douanezaken (CMMA). Zie hiervoor het Besluit van de Raad van 28 januari 2008 tot sluiting van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de Europese Gemeenschap en de Japanse regering (2008/202/EG), gepubliceerd op 6 maart 2008 in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L62.

Voor de Europese rechtsbronnen verwijst de Overeenkomst naar een aantal artikelen uit het Douanewetboek van de Unie (DWU) en naar de Gedelegeerde Verordening (DWU DA) en Uitvoeringsverordening (DWU IA), en waarvan de precieze referenties als volgt zijn :

De Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU);

De Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het Douanewetboek van de Unie (DWU DA);

De Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU IA).

Voor deze Circulaire zijn de volgende hoofdstukken, bijlagen en artikelen relevant:

Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst betreffende ‘Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures’

Hoofdstuk 4 van de Overeenkomst betreffende ‘Douaneaangelegenheden en handelsbevordering’

Bijlagen 3-A tot en met 3-F van de Overeenkomst

Artikel 14, DWU: ‘Verstrekking van inlichtingen door de douaneautoriteiten’

Artikel 26, DWU: ‘Geldigheid van beschikkingen in de gehele Unie’

Artikel 33, DWU: ‘Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen’

Artikel 34, DWU: ‘Beheer van beschikkingen aangaande bindende inlichtingen’

Artikel 56 §3, DWU: ‘Gemeenschappelijk douanetarief en -toezicht’

Artikel 64, DWU: "Preferentiële oorsprong van goederen"

Artikel 117, DWU: ‘Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht’

Artikel 170, DWU: "Indienen van een douaneaangifte"

Artikel 16, DWU IA: "Aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting"

Artikel 18, DWU IA: ‘Mededeling van BOI-beschikkingen’

Artikel 61, DWU IA: "Leveranciersverklaringen en het gebruik ervan"

Artikel 62, DWU IA: ‘Langlopende leveranciersverklaring’

Artikel 63, DWU IA: ‘De opstelling van leveranciersverklaringen’

Artikel 64, DWU IA: ‘Afgifte van het inlichtingenblad INF 4’

Artikel 65, DWU IA: ‘Administratieve samenwerking tussen Lidstaten’

Artikel 66, DWU IA: ‘Controle van de leveranciersverklaringen’

Artikel 68, DWU IA: ‘Registratie van exporteurs buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie’

Artikel 69, DWU IA: "Vervanging van bewijzen van preferentiële oorsprong die buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie zijn afgegeven of opgesteld"

2. Definities

§3. Voor de toepassing van Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst bevat artikel 3.1 de volgende definities:

aquacultuur: de teelt van aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten uit zaad, eieren, visbroed, pootvis, larven, parr, smolt of andere onrijpe vis in het postlarvale stadium, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;

zending: producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, van één enkele factuur;

exporteur: een in een Partij gevestigde persoon die overeenkomstig de voorschriften van de wet- en regelgeving van die Partij het product van oorsprong uitvoert of produceert en een attest van oorsprong opstelt;

importeur: een persoon die het product van oorsprong invoert en daarvoor om preferentiële tariefbehandeling verzoekt;

materiaal: elk voorwerp dat of elke stof die wordt gebruikt bij de productie van een product, met inbegrip van alle bestanddelen, ingrediënten, grondstoffen of onderdelen;

niet van oorsprong zijnd materiaal: materiaal dat op grond van dit hoofdstuk niet als van oorsprong wordt aangemerkt, met inbegrip van materiaal waarvan de oorsprongsstatus niet kan worden bepaald;

preferentiële tariefbehandeling: het douanerecht dat overeenkomstig artikel 2.8, lid 1 van toepassing is op een goed van oorsprong;

product: elk voorwerp dat of elke stof die het voortbrengsel is van productie, zelfs indien dat voorwerp of die stof is bedoeld om als materiaal bij de productie van een ander product te worden gebruikt, en dat de betekenis van een goed in de zin van hoofdstuk 2 heeft, en

productie: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage.“

3. Algemene bepalingen – oorsprongsregels

3.1. Vereisten voor producten van oorsprong

§4. De algemene regel betreffende het begrip oorsprong bevat de drie regels die het mogelijk maken om te bepalen of een product van oorsprong is. Een product moet naargelang het geval.

a) volledig zijn verkregen of geproduceerd in de Europese Unie of in Japan (zie §5 – 6 van deze Circulaire);

b) uitsluitend uit materialen van oorsprong uit die Partij zijn geproduceerd;

c) vervaardigd zijn met gebruikmaking van niet-oorsprongsmaterialen, mits zij een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is om te voldoen aan de specifieke oorsprongsregels die zijn opgenomen in bijlage 3-B bij de Overeenkomst.

We willen er verder op wijzen dat voor de toepassing van deze Circulaire de zee, de zeebodem en de ondergrond buiten de territoriale wateren van een Partij zijn uitgesloten van de territoriale werkingssfeer van die Partij.

Als een product de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van het product niet als niet van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product wordt verwerkt.

Aan de in deze Circulaire opgenomen vereisten met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprongsstatus moet in een Partij zonder onderbreking worden voldaan.

3.2. Volledig verkregen producten

§5. Volgende producten kunnen conform de Overeenkomst worden beschouwd als zijnde volledig verkregen in een Partij indien het:

“a) aldaar gekweekte, geteelde, geoogste, geplukte of verzamelde planten of plantaardige producten betreft;

b) aldaar geboren en opgefokte levende dieren betreft;

c) producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren betreft;

d) producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren betreft;

e) aldaar door jacht, vangst met vallen en strikken, bevissing, verzamelen of vangen verkregen dieren betreft;

f) producten afkomstig van aldaar bedreven aquacultuur betreft;

g) aldaar ontgonnen of gewonnen minerale of andere van nature voorkomende stoffen, niet vallende onder a) tot en met f), betreft;

h) vissen, schelpdieren of andere mariene levensvormen betreft die door middel van een vaartuig van een Partij uit de zee, de zeebodem of de ondergrond buiten de territoriale wateren van elke Partij en, in overeenstemming met het internationaal recht, buiten de territoriale wateren van derde landen worden gewonnen;

i) producten betreft die buiten de territoriale wateren van elke Partij en, in overeenstemming met het internationaal recht, buiten de territoriale wateren van derde landen aan boord van een fabrieksschip van een Partij uitsluitend uit de onder h) genoemde producten worden geproduceerd;

j) andere producten dan vissen, schelpdieren en andere mariene levensvormen betreft die door een Partij of een persoon van een Partij uit de zeebodem of de ondergrond buiten de territoriale wateren van elke Partij en buiten de gebieden onder de jurisdictie van derde landen worden gewonnen, voor zover die Partij of een persoon van die Partij naar internationaal recht het recht heeft de zeebodem of de ondergrond te exploiteren;

k) producten betreft waarbij het gaat om:

i) resten of afval afkomstig van de productie aldaar, of
ii) resten of afval afkomstig van aldaar verzamelde gebruikte producten, voor zover die producten alleen nog voor de terugwinning van grondstoffen kunnen worden gebruikt, of


l) producten betreft die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met k) genoemde producten of uit derivaten daarvan worden geproduceerd.”.

§6. Een vaartuig of fabrieksschip wordt beschouwd als een vaartuig of fabrieksschip uit een Partij zoals beoogd in §5 onder h) en i) indien het:

“a) in een lidstaat van de Europese Unie of in Japan is geregistreerd;

b) onder de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van Japan vaart; en

c) aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i) ten minste voor 50 % eigendom zijn van één of meer natuurlijke personen van een Partij; of
ii) eigendom zijn van één of meer rechtspersonen die:

A) hun maatschappelijke zetel en belangrijkste handelsactiviteit in een Partij hebben; en
B) voor ten minste 50 % in handen zijn van natuurlijke of rechtspersonen van een Partij.”


Voor de toepassing van deze Circulaire wordt onder ‘rechtspersoon’ verstaan: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, al dan niet met winstoogmerk, in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen.

3.3. Ontoereikende be- of verwerking

§7. De Overeenkomst bevat een uitputtende lijst van behandelingen die als ontoereikend worden beschouwd om oorsprong te verlenen aan de producten. Dit wil zeggen dat wanneer enkel één of meerdere van deze be -of verwerkingen worden uitgevoerd op niet van oorsprong zijnde materialen tijdens het fabricageproces, deze niet volstaan om oorsprong te verlenen. Zo zijn behandelingen zoals het schoonmaken, het verpakken, ... ontoereikend om oorsprong aan de goederen te verlenen.

Volgende behandelingen zijn ontoereikend om een product als van oorsprong uit een Partij te beschouwen:

“a) behandelingen zoals drogen, invriezen, pekelen en andere soortgelijke behandelingen die uitsluitend bedoeld zijn om producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;

b) het veranderen van verpakkingen;

c) het splitsen of samenvoegen van colli;

d) het wassen, schoonmaken of verwijderen van stof, roest, olie, verf of dergelijke;

e) het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;

f) het eenvoudig schilderen of polijsten;

g) het ontvliezen of doppen, geheel of gedeeltelijk bleken, polijsten of glanzen van granen en rijst;

h) het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van suiker in vaste vorm;

i) het pellen, ontpitten en schillen van noten, vruchten en groenten;

j) het aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

k) het zeven, sorteren, classificeren of assorteren, daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen;

l) het eenvoudig plaatsen in flessen, blikken, flacons, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;

m) het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

n) het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten;

o) het eenvoudig toevoegen van water, verdunnen, drogen of denatureren van producten;

p) het eenvoudig verzamelen of samenvoegen van delen tot een volledig of afgewerkt artikel of een ingevolge Algemene Regel 2a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem als zodanig aan te merken artikel; het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen; of

q) het slachten van dieren.”

§8. Voor de toepassing van §7 van de Circulaire worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, toestellen of uitrustingsstukken nodig zijn.

3.4. Cumulatie

§9. In de Overeenkomst zijn bilaterale cumulatie en totale cumulatie voorzien.

Bij bilaterale cumulatie zullen materialen van oorsprong uit één Partij worden beschouwd als zijnde van oorsprong uit de andere Partij wanneer ze worden gebruikt bij de productie van een ander product, op voorwaarde dat de laatste verwerking meer inhoudt dan de ontoereikende be- of verwerkingen zoals hiervoor gedefinieerd in titel 3.3.

Totale cumulatie houdt in dat bij de bepaling van het karakter van oorsprong kan de exporteur in de partij van uitvoer rekening houden met de in de andere partij uitgevoerde bewerkingen. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van een leveranciersverklaring waarop het aan de andere partij geleverde (niet van oorsprong zijnde) product staat vermeld evenals de in dit product verwerkte niet van oorsprong zijnde materialen. De gebruikte materialen dienen voldoende omschreven te zijn om ze te kunnen identificeren. De leverancier moet de informatie verstrekken zoals bedoeld in bijlage 3-C, plus een verklaring dat deze informatie juist en volledig is. Bovendien moet deze verklaring worden gedateerd en het naam en adres van de leverancier moet in blokletters worden weergegeven.

3.5. Tolerantie

§10. De tolerantieregels laten toe om af te wijken van de voorwaarden voor toereikende productie opgenomen in bijlage 3-B van de Overeenkomst. Volgens de tolerantieregels is het bijvoorbeeld mogelijk om een miniem percentage niet van oorsprong zijnde materialen te gebruiken zonder dat dit een invloed heeft op de oorsprong van het eindproduct. In het kader van de met Japan afgesloten economische partnerschapsovereenkomst mag de tolerantie niet meer bedragen dan 10% van de prijs af fabriek (ex works) of de franco aan boord prijs (FOB). De algemene tolerantieregel kan niet worden toegepast op textielproducten die zijn ingedeeld onder hoofdstukken 50 tot en met 63 van het Geharmoniseerd Systeem (GS).

Er zijn in de Overeenkomst twee soorten toleranties voorzien:

een algemene tolerantie; of

een specifieke tolerantie voor textiel.


Voor wat betreft de tolerantie voor textielproducten van GS-hoofdstukken 50 tot en met 63 moeten aantekeningen 6 tot en met 8 van bijlage 3-A van de Overeenkomst worden geraadpleegd.

Wanneer de specifieke oorsprongsregels van producten worden uitgedrukt in waarde, dan mag de tolerantieregel niet worden toegepast om de maximaal toegelaten grenswaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen te overschrijden.

De Overeenkomst tussen de EU en Japan bevat echter wel een specifieke regel aangaande de grenswaarden die worden uitgedrukt in gewicht. Zo kan de tolerantieregel een overschrijding van de in gewicht uitgedrukte maximale grenswaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen tot gevolg hebben, op voorwaarde dat de waarde van deze materialen niet hoger ligt dan 10% van het product af fabriek van het eindproduct.

3.6. In aanmerking te nemen eenheid

§11. De in aanmerking te nemen eenheid is het bijzondere product dat bij de indeling van het product in het GS als basiseenheid wordt beschouwd.

Wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het GS zijn ingedeeld, moet elk product afzonderlijk worden beschouwd.

3.7. Gescheiden boekhouding

§12. De Overeenkomst voorziet in de toepassing van een gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen of producten.

Indien er zowel van oorsprong zijnde als niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden gebruikt bij de be- of verwerking van een product, dan kan de vaststelling van de oorsprong van de gebruikte materialen gebeuren op basis van de methode van gescheiden boekhouding. Wanneer deze methode wordt toegepast hoeven de onderling vervangbare materialen niet in fysiek gescheiden voorraden te worden bijgehouden.

Deze methode voorkomt dat de oorsprongsstatus aan meer materialen wordt toegekend dan feitelijk het geval is.

"Onderling vervangbare materialen" zijn materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken en waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn opgenomen.

De methode van gescheiden boekhouding wordt in overeenstemming met een voorraadbeheersysteem toegepast op grond van in de Partij algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen.

§13. Het is mogelijk dat een Partij voor gebruikmaking van de methode van gescheiden boekhouding een voorafgaande toestemming vraagt. Deze toestemming kan door de Partij worden ingetrokken als ze van oordeel is dat degene aan wie de toestemming werd verleend de methode van gescheiden boekhouding op ongepaste of onrechtmatige wijze gebruikt.

In de Europese Unie moeten exporteurs of producenten eerst toestemming krijgen van de bevoegde douanediensten alvorens zij het systeem van gescheiden boekhouding mogen toepassen.

Een verzoek om deze toestemming te verkrijgen moet eerst worden verstuurd naar da.ops.douane1@minfin.fed.be waarna de regionale bevoegde douanedienst zal onderzoeken of de exporteur of producent in aanmerking komt voor deze vergunning.

3.8. Stellen of assortimenten

§14. Een stel of assortiment dat is ingedeeld overeenkomstig de algemene regels 3b en 3c voor de interpretatie van het GS, wordt als van oorsprong uit een Partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan van oorsprong uit die Partij zijn.

Wanneer het stel of assortiment bestaat uit van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde samenstellende delen, dan kan het als van oorsprong zijnde uit de Partij worden beschouwd op voorwaarde dat de niet van oorsprong zijnde samenstellende delen ervan niet meer bedragen dan 15% van de prijs af fabriek (ex works) of de prijs FOB (Franco aan boord) van het stel of assortiment.

3.9. Niet-wijziging

§15. In de Overeenkomst wordt gebruik gemaakt van het niet-wijzigingsbeginsel (ook gekend als niet-manipulatiebeginsel) hetgeen een soepeler regeling is dan het beginsel inzake direct vervoer in oudere oorsprongsakkoorden.

Producten waarvan werd aangegeven dat ze van preferentiële oorsprong zijn, mogen niet worden gewijzigd, getransformeerd of worden onderworpen aan andere behandelingen dan degene die noodzakelijk zijn om de goede staat ervan tussen het moment waarop ze worden uitgevoerd en het moment waarop ze worden ingevoerd, te garanderen.

Het toevoegen of aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke interne vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan, is toegestaan. Als blijkt dat een product in een derde land moet worden opgeslagen of tentoongesteld, dan zal het in het betrokken derde land onder douanetoezicht moeten blijven.

§16. Zendingen kunnen in een derde land wel worden gesplitst, op voorwaarde dat de splitsing door de exporteur onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvindt en op voorwaarde dat de zendingen in dat derde land onder douanetoezicht blijven.

In geval van twijfel over de vraag of aan de voorwaarden is voldaan, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de importeur verzoeken om alle nodige bewijzen te leveren. Dit bewijs kan de vorm aannemen van contractuele vervoersdocumenten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli of ander bewijsmateriaal betreffende het product zelf.

§17. Producten van oorsprong uit Japan of de Europese Unie behouden met andere woorden hun oorsprong zelfs wanneer ze via een derde land worden vervoerd, op voorwaarde dat ze niet het voorwerp vormen van andere bijkomende behandelingen dan degene die worden vermeld in §§15 en 16 van deze Circulaire.

3.10. Retourneren van producten

§18. Wanneer een Partij een product van oorsprong uit die Partij naar een derde land exporteert en het derde land beslist om het betrokken product te retourneren, dan zal dit product als niet van oorsprong zijnde worden beschouwd. Het is echter mogelijk om die beschouwing te wijzigen door aan de douaneautoriteit van de Partij aan te tonen dat het geretourneerde product:

hetzelfde is als het uitgevoerde product, en

terwijl het zich in dat derde land bevond of toen het werd uitgevoerd, geen andere behandelingen heeft ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren.

3.11. Toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander voorlichtingsmateriaal

§19. De bepalingen van Hoofdstuk 3 zijn van toepassing op toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of elk ander voorlichtingsmateriaal voor zover:

a) "de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal bij het product zijn ingedeeld en samen met het product worden geleverd, maar niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, en

b) de soorten, hoeveelheden en waarde van de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal gebruikelijk zijn voor het desbetreffende product".


Deze toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal worden niet in aanmerking genomen om te bepalen of een product volledig is verkregen, of dat het voldoet aan één van de vereisten inzake productieprocedé of tariefindeling als bedoeld in bijlage 3-B van de Overeenkomst.

Om te bepalen of een product al dan niet voldoet aan de vereiste met betrekking tot waarde als bedoeld in bijlage 3-B, wordt de waarde van de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal in aanmerking genomen als van oorsprong zijnde of niet van oorsprong zijnde materialen bij de berekening die wordt gemaakt.

Er wordt op gewezen dat de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal van een product de oorsprongsstatus hebben van het product waarmee zij worden geleverd.

3.12. Neutrale elementen

§20. Om de oorsprong van een product te bepalen, wordt er geen rekening gehouden met de oorsprong van bepaalde elementen die bij de productie van dat product mogelijk zijn gebruikt. Deze elementen worden "neutrale elementen" genoemd.

Het betreft de volgende elementen:

a) "brandstof, energie, katalysatoren en oplosmiddelen;

b) materieel, apparatuur en benodigdheden voor het testen of inspecteren van het product;

c) handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;

d) machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;

e) vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;

f) smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren; en

g) alle andere materialen die niet in het product zijn verwerkt, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangetoond dat het gebruik bij de productie van het product een onderdeel van die productie is".

3.13. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen gebruikt voor verzending

§21.De Overeenkomst stelt het volgende voor wat betreft het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen:

“Bij de bepaling van de oorsprongsstatus van een product wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen voor verzending die worden gebruikt ter bescherming van een product tijdens het vervoer.”

3.14. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor detailhandelsverkoop

§22. Bij de bepaling of alle bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen voorwerp van de toepasselijke wijziging in tariefindeling of van een productieprocedé als bedoeld in bijlage 3-B van de Overeenkomst zijn geweest dan wel of het product volledig is verkregen, zal geen rekening worden gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor de detailhandelsverkoop, voor zover dat verpakkingsmateriaal en die verpakkingsmiddelen bij het product worden ingedeeld.

Wanneer daarentegen voor de producten een in bijlage 3-B vermelde voorwaarde met betrekking tot waarde geldt, dan moeten het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor de detailhandelsverkoop, voor zover dat verpakkingsmateriaal en die verpakkingsmiddelen bij het product worden ingedeeld, wat de waarde ervan betreft, bij de berekening met het oog op de toepassing van die voorwaarde op het product in aanmerking worden genomen als van oorsprong zijnde of niet van oorsprong zijnde materialen, naar gelang het geval.

4. Algemene bepalingen – Oorsprongsprocedure

4.1. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

§23. De preferentiële tariefbehandeling wordt door de importerende Partij toegekend aan een product van oorsprong uit de andere Partij op basis van een verzoek dat wordt ingediend door de importeur. De importeur is derhalve verantwoordelijk voor de juistheid van het verzoek en de naleving van de voorwaarden die zijn voorzien.

Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan op basis van:

a) een door de exporteur opgesteld oorsprongsattest waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, of

b) de aan de importeur bekende informatie dat het product van oorsprong is.


Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling alsook de grondslag waarop het berust worden in de douaneaangifte ten invoer opgenomen en dit overeenkomstig de wet- en regelgeving van de Partij van invoer.

§24. Bovendien kan de importerende Partij de importeur in de mate van het mogelijke vragen om een verklaring te verstrekken waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden. Deze verklaring zal in de douaneaangifte ten invoer worden opgenomen of in een bijgevoegd document.

De importeur die op basis van een attest van oorsprong om een preferentiële tariefbehandeling verzoekt, moet dit attest bewaren en moet de douaneautoriteit van de Partij van invoer desgevraagd een kopie daarvan kunnen verstrekken.

4.2. Attest van oorsprong

§25. Het bewijs van de oorsprong wordt conform de Overeenkomst "attest van oorsprong" genoemd.

Dit attest van oorsprong kan door de exporteur van het product worden opgesteld op basis van informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is. Deze informatie beschrijft onder meer de oorsprong van de materialen die zijn gebruikt bij de productie van het product. De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en van de door hem verstrekte informatie.

Een attest van oorsprong waarvan de omschrijving is opgenomen in bijlage 3-D van de Overeenkomst wordt vermeld op een factuur of ander handelsdocument waarin het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven om het te kunnen identificeren.

De Partij van invoer mag van de importeur geen vertaling van het attest van oorsprong verlangen.

§26. De douaneautoriteit van de Partij van invoer mag een verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet afwijzen wegens geringe vergissingen of afwijkingen in het attest van oorsprong of om de enkele reden dat de factuur in een derde land werd afgegeven.

§27. Artikel 3.17 van de Overeenkomst bepaalt dat een attest van oorsprong twaalf maanden geldig is vanaf de datum waarop het werd opgesteld.

§28. Een attest van oorsprong kan worden gebruikt voor:

a) één enkele zending van een of meer in een Partij ingevoerde producten; of
b) meerdere zendingen van identieke producten die binnen een in het attest van oorsprong aangegeven periode van maximaal twaalf maanden in een Partij worden ingevoerd.

Wanneer niet-gemonteerde of gedemonteerde producten in deelzendingen worden ingevoerd, kan voor deze producten één enkel attest van oorsprong worden gebruikt in overeenstemming met de voorschriften van de douaneautoriteit van de Partij van invoer.

4.3. Aan de importeur bekende informatie (importer’s knowledge)

§29. De aan de importeur bekende informatie aangaande de oorsprong is gebaseerd op informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is en voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

Dankzij het concept ‘aan de importeur bekende informatie’ kan de importeur een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indienen op basis van zijn eigen kennis aangaande de oorsprongsstatus van de producten die worden ingevoerd. De importeur baseert zijn verzoek op bewijsstukken of documenten die hem door de exporteur of de fabrikant werden bezorgd.

Wanneer een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt ingediend op basis van ‘aan de importeur bekende informatie’, moet er geen attest van oorsprong worden gebruikt en moet er geen exporteur of producent worden geïdentificeerd.

Bovendien moet de importeur die zich beroept op de ‘aan de importeur bekende informatie’ niet beschikken over een REX-identificatienummer.

4.4. Verplichting tot bewaren van gegevens

§30. Een importeur die verzoekt om preferentiële tariefbehandeling voor een in de Partij van invoer ingevoerd product bewaart gedurende ten minste drie jaar na de datum van invoer van het product:

a) "het door de exporteur opgesteld attest van oorsprong als het verzoek op een oorsprongsverklaring werd gebaseerd; of

b) alle documenten waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus, als het verzoek op aan de importeur bekende informatie werd gebaseerd".


Een exporteur die een attest van oorsprong opstelt, bewaart gedurende ten minste vier jaar na het opstellen van dat attest, een kopie van dat attest en alle andere documenten waaruit blijkt dat het product van oorsprong is.

Alle documenten die door de importeur of exporteur moeten worden bewaard, mogen in elektronische vorm worden opgeslagen.

4.5. Kleine zendingen en ontheffingen

§31. Kleine zendingen van producten die door particulieren aan particulieren worden verzonden of voorwerpen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers kunnen als producten van oorsprong worden toegelaten. Dit echter enkel op voorwaarde dat deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd.

§32. Er is geen attest van oorsprong vereist mits de totale waarde van de producten beoogd in §31 niet wordt overschreden.

Voor de Europese Unie:

500 EUR voor kleine colli die door particulieren aan particulieren worden verzonden;

1200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Voor Japan

De waarde mag niet hoger liggen dan 200.000 yen of enig ander door Japan vast te stellen bedrag.

Ter herinnering: deze producten mogen niet voor commerciële doeleinden worden ingevoerd, moeten als van oorsprong zijn aangegeven en er mag geen twijfel bestaan over deze oorsprong.

4.6. Verificatie

§33. Artikel 3.21 van de Overeenkomst bepaalt de procedure die een douaneautoriteit moet volgen om te bepalen of een product aan de oorsprongsregel voldoet en om te controleren of het recht op een preferentiële tariefbehandeling correct is.

§34. De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan de verificatie hetzij op het tijdstip van de douaneaangifte ten invoer, dus vóór de vrijgave van de producten, hetzij na de vrijgave van de producten verrichten.

Om de verificatie correct uit te voeren, zal de douaneautoriteit van de Partij van invoer informatie vragen aan de importeur die om preferentiële tariefbehandeling heeft verzocht.

§35. De door de douaneautoriteit gevraagde informatie kan ten hoogste betrekking hebben op de volgende elementen:

  1. "een oorsprongsattest, als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebeurd op basis van een oorsprongsattest ;
  2. het tariefindelingsnummer van het product overeenkomstig het geharmoniseerd systeem en de gebruikte oorsprongscriteria;
  3. een korte beschrijving van het productieprocedé;
  4. als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een specifieke beschrijving van dat procedé;
  5. voor zover van toepassing, een beschrijving van de in het productieprocedé gebruikte van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen;
  6. als het oorsprongscriterium "volledig verkregen" was, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing en plaats van productie);
  7. als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het product alsmede de waarde van alle bij de productie gebruikte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot waarde vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen;
  8. als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op gewicht, het gewicht van het product alsmede het gewicht van de desbetreffende in het product verwerkte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot gewicht vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen;
  9. als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan overeenkomstig het geharmoniseerd systeem (in twee, vier of zes cijfers, afhankelijk van de oorsprongscriteria), of
  10. de informatie betreffende de naleving van de bepaling inzake niet-wijziging".


§36. De importeur kan daaraan alle andere informatie die hij met het oog op de verificatie nuttig acht toevoegen.

§37. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op een attest van oorsprong, dan kan de importeur aan de douaneautoriteit van de Partij van invoer meedelen dat de gevraagde informatie volledig of wat een of meer gegevenselementen betreft, rechtstreeks door de exporteur kan worden verstrekt.

§38. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op aan de importeur bekende informatie, dan kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de verificatie verricht de importeur om aanvullende informatie verzoeken die zij noodzakelijk acht om de oorsprongsstatus van het product te controleren. Indien nodig kan de douaneautoriteit de importeur eveneens om specifieke documentatie en informatie verzoeken.

§39. Als de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling wordt geschorst in afwachting van de resultaten van de verificatie, stelt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de importeur voor het product vrij te geven, zij het onder voorbehoud van passende conservatoire maatregelen, waaronder waarborgen De schorsing wordt zo snel mogelijk opgeheven indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat na de verificatie de preferentie kan worden toegekend.

4.7. Administratieve samenwerking

§40. De douaneautoriteiten van de Partijen werken samen om te controleren of het product van oorsprong is en voldoet aan de voorwaarden.

§41. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op een attest van oorsprong, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de verificatie verricht en die eerst bij de importeur de in §35 vermelde informatie heeft opgevraagd, binnen twee jaar na de invoer van de producten de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer om informatie verzoeken wanneer zij van oordeel is dat aanvullende informatie nodig is om de oorsprongsstatus van het product te controleren.

Dit verzoek om informatie moet de volgende elementen bevatten:

  1. "het attest van oorsprong;
  2. de identiteit van de douaneautoriteit die het verzoek indient;
  3. de naam van de exporteur;
  4. het onderwerp en de reikwijdte van de verificatie; en
  5. indien van toepassing, gelijk welk ander relevant document".


De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer die het verzoek om informatie ontvangt, moet van haar kant de volgende elementen verstrekken:

  1. de gevraagde documentatie, voor zover beschikbaar;
  2. een advies inzake de oorsprongsstatus van het product;
  3. de beschrijving van het product dat het voorwerp van onderzoek is en de voor de toepassing van deze Circulaire relevante tariefindeling;
  4. een beschrijving van en een toelichting bij het productieprocedé die volstaan om de oorsprongsstatus van het product te staven;
  5. informatie over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd; en
  6. indien van toepassing, bewijsstukken.


De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer kan in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving om documenten of een onderzoek verzoeken door bewijsmateriaal op te vragen of een bezoek te brengen aan de bedrijfsruimten van de exporteur met het oog op de controle van de gegevens en de inspectie van de bij de productie van het product gebruikte infrastructuur.

Als de exporteur van oordeel is dat deze informatie vertrouwelijk is, zal de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer ze niet aan de douaneautoriteit van de Partij van invoer verstrekken.

§42. Elke Partij deelt de andere Partij de contactgegevens, met inbegrip van het post- en e-mailadres alsmede het telefoon- en faxnummer, van de douaneautoriteiten en, binnen 30 dagen na de datum van wijziging, alle wijziging hiervan mee.

4.8. Wederzijdse bijstand bij fraudebestrijding

§43. In overeenstemming met de Overeenkomst betreffende Samenwerking en Wederzijdse Bijstand in Douanezaken (CMMA) zullen de Partijen elkaar wederzijdse bijstand verlenen bij vermoeden van schending van de bepalingen van de Overeenkomst.

4.9. Weigering van toekenning van de preferentiële tariefbehandeling

§44. Er zijn meerdere gevallen waarin de douaneautoriteit van de Partij van invoer de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling kan weigeren.

De termijnen waarna de douaneautoriteiten van het land van invoer de preferentiële tariefbehandeling kan weigeren zijn als volgt:

drie maanden na de datum van het eerste verzoek om informatie zoals bedoeld indien er binnen die termijn:

  • geen antwoord werd verstrekt (= geen reactie) indien er gebruik wordt gemaakt van een oorsprongsattest; of
  • de verstrekte informatie onvoldoende is om te bevestigen dat het product van oorsprong is indien er gebruik wordt gemaakt van ‘importer’s knowledge’.

drie maanden na de datum van een aanvullend verzoek om informatie indien er gebruik wordt gemaakt van ‘importer’s knowledge’ en er binnen die termijn:

  • geen antwoord wordt verstrekt; of
  • de verstrekte informatie onvoldoende is om te bevestigen dat het product van oorsprong is;

tien maanden na een verzoek om administratieve samenwerking indien er gebruik wordt gemaakt van een oorsprongsattest en de douaneautoriteit van het land van uitvoer binnen die termijn:

  • geen antwoord verstrekt; of
  • informatie verstrekt die niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is.


Indien de producten het voorwerp uitmaken van een fraudeonderzoek waarvoor op basis van artikel 3.23 van de Overeenkomst bijstand wordt gevraagd, kunnen de douaneautoriteiten van beide een periode overeenkomen waarbinnen deze bijstand moet worden verleend. In dit geval wordt de preferentiële tariefbehandeling geweigerd indien binnen deze overeengekomen periode:

geen bijstand wordt verleend door de douaneautoriteit van de partij van uitvoer; of

bijstand wordt verleend, doch het resultaat daarvan is onvoldoende om te bevestigen dat het product van oorsprong is.


§45. Als de importeur een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indient voor een product, maar wanneer hij niet voldoet aan de andere voorwaarden van Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst dan die welke betrekking hebben op de oorsprongsstatus van het product, dan kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

§46. Als de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer aan de douaneautoriteit van de Partij van invoer een advies heeft overgemaakt waarin de oorsprongsstatus wordt bevestigd, maar deze laatste gegronde redenen heeft om de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling te weigeren, dan moet ze de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer binnen twee maanden na ontvangst van dat advies in kennis stellen van deze weigering.

In geval van een dergelijke kennisgeving vindt binnen drie maanden na de datum van de kennisgeving op verzoek van een Partij overleg plaats. De Partijen kunnen de termijn voor overleg in onderlinge overeenstemming per geval verlengen. Als de termijn voor overleg is verstreken, dan kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer uitsluitend weigeren de preferentiële tariefbehandeling toe te kennen wanneer zij daartoe over voldoende gronden beschikt en nadat zij de importeur in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

4.10. Vertrouwelijkheid

§47. De vertrouwelijke aard van alle informatie die van de andere Partij wordt verkregen, moet worden gerespecteerd en die informatie moet worden beschermd tegen elke mogelijke vorm van openbaarmaking in overeenstemming met de wet- en regelgeving van elke Partij.

Zo mag alle informatie die door de autoriteiten van de Partij van invoer wordt verkregen, uitsluitend voor de toepassing van deze titel worden gebruikt.

Tenzij onder deze titel anders bepaald, worden vertrouwelijke zakelijke gegevens die de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer of de douaneautoriteit van de Partij van invoer van de exporteur heeft verkregen, niet openbaar gemaakt.

In geval van een strafrechtelijke procedure voor een rechtbank of rechter mag de douaneautoriteit van de Partij van invoer de gegevens die ze heeft verkregen niet gebruiken, tenzij de Partij van uitvoer in overeenstemming met haar wet- en regelgeving daarvoor toestemming verleent.

4.11. Administratieve maatregelen en sancties

§48. Elke Partij legt in overeenstemming met haar wet- en regelgeving administratieve maatregelen en, in voorkomend geval, sancties op aan ieder:

die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële tariefbehandeling voor een product te verkrijgen;

die niet aan de verplichtingen inzake bewaarplicht voldoet;

die niet het bewijsmateriaal verstrekt wanneer de douaneautoriteiten hierom vragen; of

die weigert toegang te verlenen aan de douaneautoriteiten die een verificatie uitvoeren in de bedrijfsruimten met oog op de controle van de gegevens en de inspectie van de bij de productie van het product gebruikte infrastructuur.

Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur (REX) en het ‘Japan Coroporate Number’

1. Database van geregistreerde exporteurs (REX)

1.1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

§49. Eén van de kenmerken van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan is dat Europese exporteurs vanaf de inwerkingtreding op 1 februari 2019 een attest van oorsprong dienen op te stellen voor de importeurs die in Japan willen genieten van het preferentieel tarief.

Het attest van oorsprong is het bewijs van de preferentiële oorsprong van een product en moet door de exporteur op een factuur of ander handelsdocument worden geplaatst.

Voor alle zendingen met een waarde hoger dan 6.000 EUR moet de exporteur een REX-identificatienummer (REX = Registered Exporter System) hebben en dit op het attest van oorsprong vermelden.

In België verloopt de registratie in het REX-systeem via een aanvraagformulier dat moet worden verstuurd aan: da.ops.douane1@minfin.fed.be.

Het aanvraagformulier zelf is beschikbaar als bijlage I van deze Circulaire of via de volgende link: https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen/ondernemingen/facilitatie/rex-de-zelfcertificatie

De douaneautoriteiten registreren de exporteur in de REX-database en geven hem een REX-identificatienummer. Dat identificatienummer is een uniek nummer, geldig voor alle bestaande en toekomstige overeenkomsten die erop gebaseerd zijn.

Het REX-nummer bestaat uit de ISO-code van het land (twee letters), gevolgd door de melding 'REX', gevolgd door een reeks van maximaal 30 alfanumerieke tekens.

De registratie is geldig vanaf de datum waarop onze bevoegde dienst de volledige registratieaanvraag ontvangt.

Soms laat een exporteur zich voor het vervullen van de exportformaliteiten vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger die zelf een geregistreerd exporteur is. In dat geval moet het REX-registratienummer van de exporteur worden gebruikt.

Wanneer het bedrag van de geëxporteerde goederen niet hoger is dan 6.000 EUR, dan wordt de exporteur vrijgesteld van de registratieplicht (Art. 68 DWU IA)

De registratie in de REX-database van een exporteur die in de Europese Unie is gevestigd, is geldig voor het volledige douanegebied van de Unie zoals bepaald in artikel 26 DWU.

Een exporteur mag zijn REX-nummer dus overal gebruiken, ongeacht waar de producten voor export zijn aangegeven en waar de export werkelijk plaatsvindt. Met andere woorden, het REX-nummer kan worden gebruikt voor de export van producten in alle lidstaten en niet alleen in de lidstaat waar het REX-nummer werd uitgereikt.

1.2. Verplichtingen van de autoriteiten

§50. De verplichtingen die de autoriteiten moeten naleven, zijn beschreven in artikel 80 DWU IA.

De Commissie heeft het systeem voor de registratie van exporteurs die bevoegd zijn om een verklaring inzake de oorsprong van goederen af te geven (het REX-systeem) opgezet en op 1 januari 2017 beschikbaar gesteld.

In België is de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van de centrale component van de Administratie Operations bevoegd voor de ontvangst van het aanvraagformulier.

Op basis van die aanvraag kent de dienst onmiddellijk een nummer van geregistreerd exporteur toe aan de exporteur of, in voorkomend geval, aan de wederverzender van de goederen. Dat nummer van geregistreerd exporteur wordt vervolgens in het systeem ingetoetst, samen met de registratiegegevens die op het aanvraagformulier zijn ingevuld. Bij de invoering van deze gegevens geeft de dienst de begindatum van geldigheid van de REX-registratie in.

Dat registratienummer en de begindatum van de geldigheid worden daarna meegedeeld aan de exporteur of wederverzender van de goederen.

Als de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van mening is dat de gegevens in de aanvraag onvolledig zijn, moet hij de exporteur daar onmiddellijk van op de hoogte brengen.

Deze dienst is eveneens verantwoordelijk om de gegevens bij te werken die in het REX-systeem geregistreerd zijn.

1.3. Toegangsrechten tot de database

§51. Aangezien het systeem is opgezet door de Commissie, moet die ervoor zorgen dat toegang tot het REX-systeem wordt geboden in overeenstemming met artikel 82 DWU IA. De Commissie heeft toegang tot alle gegevens.

De douaneautoriteiten van de lidstaten hebben in kader van deze Overeenkomst toegang om de in deze lidstaten geregistreerde gegevens te raadplegen. Die toegang tot de gegevens dient voor de verificatie van douaneaangiften op grond van artikel 188 DWU of voor de controle na vrijgave op grond van artikel 48 DWU.

Met instemming van de exporteur zal de Commissie de volgende informatie voor het publiek beschikbaar stellen:

a) de naam van de geregistreerde exporteur;

b) het adres van de plaats waar de geregistreerde exporteur is gevestigd;

c) de contactgegevens zoals vermeld in vak 2 van het formulier;

d) een indicatieve beschrijving van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van posten of hoofdstukken van het geharmoniseerd systeem, zoals vermeld in vak 4 van het formulier;

e) het EORI-nummer of TIN-nummer (identificatienummer handelaar) van de geregistreerde exporteur.

De exporteur stemt hiermee in door zijn handtekening te zetten in vak 6 van het formulier.

Opgelet! De weigering om vak 6 te ondertekenen, vormt geen geldige reden om de registratie van de exporteur te weigeren.

§52. Volgende gegevens zijn altijd toegankelijk voor het publiek:

a) het nummer van geregistreerd exporteur;

b) de begindatum van de geldigheid van de registratie;

c) indien van toepassing, de datum van intrekking van de registratie;

d) een vermelding of de registratie ook van toepassing is op uitvoer naar Noorwegen, Turkije of Zwitserland;

e) de datum van de laatste synchronisatie tussen het REX-systeem en de openbare website.

1.4. Gegevensbescherming

§53. Geregistreerde exporteurs krijgen informatie over:

de rechtsgrond van de verwerkingen waarvoor hun gegevens bestemd zijn;

de bewaringstermijn van deze gegevens.


Deze informatie wordt meegedeeld via een disclaimer dat wordt bijgevoegd bij het formulier voor registratie als geregistreerd exporteur.

Elke bevoegde autoriteit van een begunstigd land en elke douaneautoriteit in een lidstaat die gegevens in het REX-systeem invoert, wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking van die gegevens. De AADA wordt met andere woorden beschouwd als verantwoordelijke. Maar om te garanderen dat de geregistreerde exporteur zijn rechten kan laten gelden, wordt de Commissie beschouwd als gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van alle gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteurs met betrekking tot de verwerking van de gegevens die opgeslagen zijn in het REX-systeem en die verwerkt worden in de nationale systemen, worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, gepubliceerd op 4 mei 2016 in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L119.

De rechten van de geregistreerde exporteurs met betrekking tot de verwerking van hun registratiegegevens door de Commissie worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG, gepubliceerd op 21 november 2018 in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L295.

Elk verzoek van een geregistreerd exporteur om het recht op toegang, rectificatie, uitwissen of afschermen van gegevens wordt op basis hiervan ingediend bij en onderzocht door de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.

Wanneer een geregistreerd exporteur een dergelijk verzoek bij de Commissie indient zonder een poging te hebben gedaan zijn rechten bij de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens te doen gelden, stuurt de Commissie dat verzoek door naar de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens van de geregistreerde exporteur.

In het geval de geregistreerde exporteur er niet in slaagt zijn rechten te doen gelden bij de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens, dan kan hij zijn verzoek indienen bij de Commissie, die dan als verantwoordelijke voor de verwerking optreedt. De Commissie is immers gemachtigd om de gegevens te rectificeren, te wissen of te blokkeren.

De nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen de grenzen van hun eigen bevoegdheden, samen en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op de registratiegegeven: Zo kunnen zij:

relevante informatie uitwisselen;

elkaar bijstaan in de uitvoering van controles en inspecties;

problemen behandelen bij de uitlegging of toepassing van de DWU IA;

zich buigen over problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van betrokkenen;

geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen opstellen; en

indien nodig het bewustzijn over gegevensbeschermingsrechten bevorderen.

1.5. Verplichtingen van exporteurs

§54. Artikel 91 DWU IA somt op aan welke verplichtingen exporteurs en geregistreerde exporteurs moeten voldoen. Zo moeten ze:

een passende boekhouding voeren met betrekking tot de productie en levering van goederen die voor preferentiële behandeling in aanmerking komen;

alle bewijsstukken bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

alle douanedocumenten bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

de administratie in verband met de attesten van oorsprong die zij hebben opgesteld bewaren, alsook de rekeningen in verband met de van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen, vervaardiging en voorraden. Die administratie moet worden bewaard gedurende een periode van drie jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de attesten van oorsprong werden opgesteld, of langer indien het nationale recht dit vereist.


Die administratie mag in elektronisch formaat worden bewaard, zolang het aan de hand daarvan mogelijk is de materialen die bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten zijn gebruikt, te traceren en hun oorsprong te bevestigen.

Hogervermelde verplichtingen zijn ook van toepassing op de door leveranciers aan exporteurs afgegeven leveranciersverklaringen met betrekking tot de oorsprong van de goederen die zij hebben geleverd.

De al dan niet geregistreerde wederverzenders van goederen die vervangende attesten van oorsprong opstellen, behouden de oorspronkelijke oorsprongsverklaringen gedurende een periode van drie jaar vanaf het eind van het kalenderjaar waarin de vervangen het attest van oorsprong is opgesteld, of langer als het nationale recht dit vereist.

2. “Japan Corporate Number”

§55. Japanse exporteurs kunnen zich niet registreren in het REX-systeem. In plaats daarvan gebruiken Japanse exporteurs als referentienummer het "Japan Corporate Number", een Japans ondernemingsnummer. Het "Japan Corporate Number" is een identificatienummer dat 13 karakters telt en wordt toegekend door de "National Tax Agency".

Zo kan het "Japan Corporate Number" de volgende vorm aannemen: 1234567891234.

De gegevens die gekoppeld zijn aan dit "Japan Corporate Number", met name de namen en adressen van de maatschappelijke zetels van de ondernemingen die bij dit nummer horen, zijn openbaar en kunnen worden geraadpleegd in de betrokken databank via de volgende link:
https://www.houjin-bangou.nta.go.jp/en/

Het "Japan Corporate Number" wordt in hoofdzaak toegekend om fiscale redenen. Zo hebben bepaalde ondernemingen geen ondernemingsnummer omdat zij niet zijn onderworpen aan bepaalde belastingen. Het gaat hier gewoonlijk om eenmanszaken, vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of ondernemingen waarvan de maatschappelijke zetel zich niet op Japans grondgebied bevindt. Dus wanneer zij in het kader van hun commerciële activiteiten goederen of producten exporteren, dan hebben ze in Japan geen ondernemingsnummer omdat hen dat niet werd toegekend.

Belangrijk! De afwezigheid van een referentienummer van de exporteur in een oorsprongsverklaring betekent geenszins dat het attest van oorsprong niet authentiek is.

Deel III: Het attest van oorsprong en praktische bepalingen

1. Bepalingen betreffende het attest van oorsprong

1.1. Voorwaarden betreffende het attest van oorsprong

§56. In het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan is de preferentiële behandeling gebaseerd op het voorleggen van een attest van oorsprong. Dit oorsprongsattest moet worden vermeld op een factuur of een ander handelsdocument waarop de exporteur en de betrokken goederen op gedetailleerde wijze worden beschreven.

Het oorsprongsattest mag ook worden afgedrukt op een apart document zolang dit document de hoofding van de firma in kwestie bevat én zolang de factuur of het ander handelsdocument een duidelijke verwijzing bevat naar dit apart document zodat dit kan aanzien worden als een deel van die factuur of van het ander handelsdocument.

Het attest van oorsprong is dus geen document op zich maar een tekst waarin de exporteur de oorsprongsstatus van een product vermeldt.

1.1.1. Persoon bevoegd om een oorsprongsattest op te stellen

§57. Volgens de bepalingen van de Overeenkomst wordt het attest van oorsprong opgesteld door een exporteur die in één van beide Partijen gevestigd is en die de van oorsprong zijnde producten produceert of uitvoert in overeenstemming met de in die Partij geldende voorschriften. De exporteur moet het product van oorsprong dus niet per se zelf te produceren. Hij kan ook een handelaar zijn die het product van oorsprong exporteert zolang hij maar voldoet aan de bepalingen van de Overeenkomst.

Export van de EU naar Japan:

Voor zendingen met een waarde die hoger is dan 6.000 EUR de exporteurs die zich hebben laten registreren als geregistreerde exporteur overeenkomstig de bepalingen van artikel 68 van de uitvoeringsverordening bij het Douanewetboek (2015/2447). Vanaf het moment dat zij geregistreerd zijn in het REX systeem van de Europese Unie mogen zij oorsprongsattesten opstellen bij uitvoer van goederen van de EU naar Japan;

Voor zendingen met een waarde van niet meer dan 6.000 EUR kan de EU-exporteur een attest van oorsprong opstellen zonder dat hij over een REX-nummer moet beschikken.

Export van Japan naar de EU:

Japanse exporteurs moeten beschikken over een Japans ondernemingsnummer, oftewel Japan Corporate Number en dit ongeacht de waarde. Dit Japans ondernemingsnummer is voldoende aangezien Japanse ondernemingen geen REX-nummer kunnen hebben.

§58. De Overeenkomst stelt dat het oorsprongsattest moet worden opgesteld door de exporteur, maar het legt geen specifieke vereisten vast aangaande de identiteit van de persoon die het commercieel document afgeeft dat wordt gebruikt voor het oorsprongsattest.

De verplichting om de desbetreffende van oorsprong zijnde producten voldoende te omschrijven ligt bij de exporteur zelfs al zou het oorsprongsattest worden geplaatst op het document van een derde persoon.

Als gevolg daarvan staat de Overeenkomst volgende vier scenario’s niet in de weg waarbij zowel de producent als een handelaar allebei zijn gevestigd in de Partij van uitvoer en waarbij:

de producent optreedt als de ‘exporteur’ al voert hij de producten niet zelf uit en hierbij een oorsprongsattest opstelt op een eigen document;

de handelaar optreedt als de ‘exporteur’ op basis van informatie van de feitelijke producent en hierbij een oorsprongsattest opstelt op een eigen document;

de producent optreedt als de ‘exporteur’ al voert hij de producten niet zelf uit en hierbij een oorsprongsattest opstelt op het document van de handelaar;

de handelaar optreedt als de ‘exporteur’ op basis van informatie van de feitelijke producent en hierbij een oorsprongsattest opstelt op het document van de producent.


De twee laatste scenario’s impliceren in elk geval dat de exporteur die de oorsprongsverklaring heeft opgesteld, maar niet het commercieel document, nog steeds duidelijk moeten worden omschreven op dat document. Wanneer het referentienummer van de exporteur (REX of Japan Corporate Number) niet is toegewezen, d.w.z. dat de exporteur niet kan worden geïdentificeerd, dan mag de exporteur zijn volledig adres plaatsen bij het gedeelte ‘plaats en datum.

§59. Wanneer de ‘exporteur’ (producent of handelaar zoals hierboven omschreven) is gevestigd in het land van uitvoer, maar de handelaar die de factuur opmaakt is gevestigd in een derde land, dan is het niet de bedoeling dat de ‘exporteur’ een oorsprongsattest opstelt op het document van die handelaar uit het derde land. In dit geval moet het oorsprongsattest worden geplaatst op een handelsdocument van de producent of handelaar die optreedt als ‘exporteur’ in het land van uitvoer. Dit document kan dan bv. een pakbon zijn.

Ter herinnering, een verzoek om preferentiële tariefbehandeling gebaseerd op een oorsprongsattest dat werd opgesteld door een ‘exporteur’ in kader van deze Overeenkomst mag niet worden geweigerd om de enkelvoudige reden dat een factuur werd uitgereikt in een derde land.

1.2. Wat betekent "ander handelsdocument"?

§60. Er bestaat geen wettelijke definitie van wat precies een "handelsdocument" is, maar het kan algemeen worden beschouwd als een geschreven document dat betrekking heeft op de handelstransactie.

Hiertoe behoren naast de factuur zelf, verschillende soorten documenten zoals een pro-forma factuur, een paklijst of een leveringsbon.

De enige wettelijke vereiste waaraan een factuur of ander handelsdocument moet voldoen om als basisdocument voor het attest van oorsprong te kunnen worden beschouwd, is dat deze factuur of dit handelsdocument een beschrijving van de producten van oorsprong bevat die voldoende gedetailleerd is om de identificatie ervan mogelijk te maken. Daarbij moeten andere producten die niet van oorsprong zijn, en die op dezelfde factuur of hetzelfde handelsdocument worden vermeld, duidelijk onderscheiden worden van de producten van oorsprong.

§61. Gelieve ook rekening te houden met de identificatie van de ‘exporteur’ zoals beschreven in de scenario’s van §58.

§62. Zoals vermeld in §56. Kan een oorsprongsverklaring kan worden afgedrukt op een papier dan de factuur of het handelsdocument, bijvoorbeeld een onbedrukt vel papier of een vel papier met briefhoofd van de onderneming, op voorwaarde dat:

de factuur of het handelsdocument duidelijk verwijst naar dit andere vel papier, of

dit andere vel papier duidelijk verwijst naar de factuur of naar het handelsdocument.


Dit afzonderlijke document kan dan worden beschouwd als een integraal onderdeel van de factuur of het handelsdocument. Deze paragraaf is ook van toepassing op de scenario’s van §58.

1.3. De formulering van het attest van oorsprong

§63. De tekst van het attest van oorsprong die op de factuur of op het handelsdocument moet worden vermeld, kan worden teruggevonden in de bijlage 3-D van de Overeenkomst.

Nederlandstalige versie:

(Tijdvak: van … tot en met … (1))

De exporteur van de producten waarop dit document van toepassing is (referentienr. exporteur… (2)) verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze producten van preferentiële oorsprong zijn uit … (3).

(Gebruikte oorsprongscriteria (4))

(Plaats en datum (5))

(Naam van de exporteur in blokletters)

Verklarende noten:

(1) Wanneer het attest van oorsprong wordt opgesteld voor meerdere zendingen van dezelfde producten van oorsprong in de zin van artikel 3.17, lid 5, onder b): de periode gedurende welke het attest van oorsprong van toepassing is. Deze periode mag niet meer dan 12 maanden bedragen. Alle producten moeten binnen de aangegeven periode worden ingevoerd. Dit veld mag leeg blijven wanneer een periode niet van toepassing is.

(2) Vermeld het referentienummer aan de hand waarvan de exporteur kan worden geïdentificeerd. Voor de exporteurs van de Europese Unie is dit het overeenkomstig de wet- en regelgeving van de Europese Unie toegewezen nummer. Voor de Japanse exporteurs is dit het Japanse ondernemingsnummer (Japan Corporate Number). Wanneer de exporteur geen nummer heeft, mag dit veld leeg blijven.

(3) Vermeld de oorsprong van het product: de Europese Unie of Japan.
(4) Vermeld, naargelang het geval, een of meer van de volgende codes:
„A” voor een in artikel 3.2, lid 1, onder a), bedoeld product;
„B” voor een in artikel 3.2, lid 1, onder b), bedoeld product;
„C” voor een in artikel 3.2, lid 1, onder c), bedoeld product, met de volgende aanvullende informatie over de soort van het productspecifiek vereiste dat op het product van toepassing is:

„1” voor een regel betreffende wijziging in tariefindeling;
„2” voor een regel betreffende een maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen of een regel betreffende een minimale regionale inbreng;
„3” voor een regel betreffende een specifiek productieproces, of
„4” in het geval van toepassing van de bepalingen van afdeling 3 van aanhangsel 3-B-1;

D” voor cumulatie als bedoeld in artikel 3.5, of
„E” voor toleranties als bedoeld in artikel 3.6.

(5) Plaats en datum kunnen achterwege blijven indien de gegevens op het document zelf zijn aangegeven.

1.4. Termijn voor het opstellen van een attest van oorsprong

§64. De Overeenkomst bevat geen specifieke bepalingen over wanneer het attest van oorsprong moet worden opgesteld. Het attest kan dus voor, tijdens of na de export van de desbetreffende goederen worden opgesteld.

De bepalingen aangaande de verlate (retroactieve) indiening van het oorsprongsattest zijn terug te vinden in §71 van deze Circulaire.

1.5. Geldigheidsperiode van het attest van oorsprong

§65. Het attest is 12 maanden geldig vanaf datum van opstellen en moet binnen deze termijn worden gebruikt. Het kan dan worden gebruikt wanneer de goederen effectief worden ingevoerd en in het vrije verkeer worden gebracht of wanneer de terugbetaling of kwijtschelding van de douanerechten wordt verzocht indien de invoer reeds heeft plaatsgevonden.

De datum van opstellen wordt vermeld op het attest van oorsprong, maar dit is niet verplicht indien de datum op het document dit reeds aangeeft zoals bv. de factuurdatum.

Indien een exporteur die een attest van oorsprong heeft opgesteld, verneemt of meent te weten dat het attest van oorsprong onjuiste informatie bevat, stelt hij de importeur onmiddellijk op de hoogte (schriftelijk) en stelt hem in kennis van de wijzigingen die van invloed zijn op de oorsprong van het artikel waarop het attest van oorsprong betrekking heeft.

1.6. De oorsprongscriteria op het attest van oorsprong

§66. In de Overeenkomst zijn criteria vastgelegd voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus. Die moeten op het attest van oorsprong worden vermeld. Met het oog hierop werd in de Overeenkomst de volgende, precieze codering gedefinieerd:

CODE

BETEKENIS

A

Volledig verkregen producten of conforme producten

B

Uitsluitend verkregen uit van oorsprong zijnde materialen

C

Gebruik van niet van oorsprong zijnde materialen overeenkomstig bijlage 3-B

C1

Verandering van hoofdstuk, van post of van onderverdeling van een post

C2

Regels uitgedrukt door MaxNom (%) of RVC

C3

Productieproces

C4

Voertuigen en voertuigonderdelen

D

Cumulatie

E

Toleranties

Deze oorsprongscriteria verwijzen naar de vereisten en de voorwaarden waaraan de uitgevoerde producten beantwoordden om de oorsprongsstatus te verkrijgen. Deze oorsprongscriteria zijn van toepassing op het eindproduct dat uit de Europese Unie naar Japan wordt geëxporteerd.

1.7. Beschrijving van de codes met betrekking tot de oorsprongscriteria

§67. Code "A" moet worden vermeld voor producten die volledig vervaardigd of verkregen zijn in de Europese Unie of Japan. Deze volledig verkregen producten worden gedefinieerd in §§ 5 en 6 van deze Circulaire.

§68. Code "B" moet worden vermeld voor producten die uitsluitend vervaardigd zijn uit van oorsprong zijnde materialen uit de Europese Unie of Japan. Dit betekent dat er geen enkel niet van oorsprong zijnd materiaal mag worden gebruikt in de vervaardiging. Voor de materialen die binnen de Europese Unie zijn aangekocht en verwerkt in het eindproduct, moet er steeds een leveranciersverklaring voorhanden zijn om de EU-oorsprongsstatus te kunnen aantonen.

§69. Code "C" moet worden vermeld voor producten die worden vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde materialen op voorwaarde dat deze voldoen aan alle toepasselijke vereisten zoals bepaald in bijlage 3-B van de Overeenkomst.

Aan code "C" wordt een cijfer van 1 tot 4 toegevoegd om aan te geven welke specifieke vereiste werd toegepast op de producten die werden geproduceerd uit niet van oorsprong zijnde materialen.

1 = wijziging in tariefindeling, zoals een verandering van hoofdstuk, tariefpost, afdeling of onderverdeling.

2 = toepassing van de regel van de maximale waarde aan niet van oorsprong zijnde materialen (MaxNOM in %) of de regel van de minimale regionale inbreng (RVC in %). De RVC-regel houdt in dat een minimaal percentage van uit de Europese Unie of Japan afkomstige onderdelen vereist is.

3 = toepassing van een specifieke productieregel

4 = toepassing van bepalingen aangaande bepaalde voertuigen of voertuigonderdelen Deze specifieke bepalingen zijn opgenomen bijlage 3-B-1 van de Overeenkomst.


§70. Code "D" moet worden vermeld in geval van cumulatie. Er zijn twee soorten cumulatie: bilaterale cumulatie en totale bilaterale cumulatie. Cumulatie wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat het product de oorsprongsstatus kan verkrijgen.

§71. Code "E" moet worden vermeld als de tolerantieregels werden toegepast. Zoals gesteld in punt 4.5 van deze Circulaire, zijn er twee soorten toleranties:

een algemene, in waarde uitgedrukte tolerantie voor alle soorten producten met uitzondering van textielproducten en textielartikelen van hoofdstukken 50 tot en met 63;

specifieke toleranties voor de textielproducten en textielartikelen van hoofdstukken 50 tot en met 63. Verklarende aantekeningen met betrekking tot textielmaterialen en in drempelwaarden uitgedrukte toleranties zijn te vinden in bijlage II bij deze Circulaire.

1.8. Gebruik van de codes in het attest van oorsprong

§72. Het attest van oorsprong moet altijd minstens één van bovenvermelde codes vermelden die betrekking heeft op de oorsprongscriteria die werden toegepast.

Opgelet! Het is mogelijk of zelfs nodig dat er meerdere codes worden gecombineerd om alle oorsprongscriteria aan te duiden die werden toegepast en nageleefd om ervoor te zorgen dat het product de oorsprongsstatus kon verkrijgen.

Voorbeeld:

Oorsprongsverklaring voor wijn van post 2204 in het geharmoniseerde systeem.

Deze wijn werd geproduceerd op basis van volledig verkregen verse druiven (post 0806 10), niet van oorsprong zijnde suiker (1702) en niet van oorsprong zijnde additieven (SO2, Arabische gom, CMC-NA, citroenzuur, ascorbinezuur) van verschillende posities van het geharmoniseerde systeem die buiten hoofdstuk 22 vallen. Er wordt voor de productie van deze wijn geen gebruik gemaakt van enig druivensap van post 2009 61 of 69. De niet van oorsprong zijnde suiker vertegenwoordigt 20 gewichtspercentage.(%) van het gewicht van de wijn.

Er moet vervolgens worden gekeken naar de productspecifieke oorsprongsregel die van toepassing is op post 22.04 in bijlage 3-B van de Overeenkomst. De criteria voor post 22.04 zijn als volgt:

Productie op basis van niet van oorsprong zijnde materialen van alle posten, met uitzondering van posten 22.07 en 22.08, op voorwaarde dat:

  1. alle gebruikte materialen van de onderverdelingen 0806.10, 2009.61 en 2009.69 volledig verkregen zijn;
  2. het gewicht van de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen van hoofdstuk 4 niet hoger is dan 40 % van het gewicht van het product; en
  3. het totale gewicht van de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen van de posten 17.01 en 17.02 niet hoger is dan 40 % van het gewicht van het product.

Toepassing van de criteria op het voorbeeld

In het geval van de wijn is geen enkel materiaal van post 22.07 of 22.08 gebruikt. Verder zijn de additieven geklasseerd in een ander hoofdstuk dan de wijn. Er is dus voldaan aan het criterium en op het attest van oorsprong moet code "C1" worden ingevuld.

Wat betreft de voorwaarden kan volgende analyse worden gemaakt:

  1. Dit criterium bepaalt dat er volledig verkregen verse druiven en druivensap (inclusief druivenmost) van onderverdelingen 2009 61 en 69 moeten worden gebruikt. Voor dit criterium kan niet worden gesteld dat het betrekking heeft op een volledig verkregen product (code "C1") omdat het vereist dat bepaalde materialen (druiven en druivensap) die bij de productie van de wijn worden gebruikt, volledig verkregen zijn, en niet de wijn zelf. Bijgevolg wordt hier standaard aangenomen dat het gaat om een specifiek productieproces (code "C3"). Er is dus voldaan aan het criterium en op het attest van oorsprong moet code "C3" worden ingevuld.
  2. Dit criterium is niet relevant, aangezien hoofdstuk 4 betrekking heeft op zuivelproducten en er geen zuivelproduct in de wijn zit.
  3. Het totale gewicht van de niet van oorsprong zijnde suiker van positie 17.01 en 17.02 mag niet meer bedragen dan 40% van het gewicht van het product. Aangezien de maximumwaarde hier wordt uitgedrukt in gewicht en niet in waarde, is code "C2" niet van toepassing en wordt dit criterium standaard beschouwd als een specifiek productieproces. Het gewicht van de gebruikte niet van oorsprong zijnde wijn vertegenwoordigt niet meer dan 20% van het gewicht van de wijn. Er is dus voldaan aan het criterium op in het attest van oorsprong moet code "C3" worden ingevuld. Deze code werd echter al vermeld met betrekking tot het tweede criterium.


Ter conclusie, het attest van oorsprong moet voor deze wijn code C1 en C3 vermelden.

1.9. Mogelijke combinaties van codes met betrekking tot de oorsprongscriteria

§73. Zoals beschreven in §72, moet het attest van oorsprong soms een combinatie van codes vermelden om alle bewerkingen te identificeren die werden gebruikt om het product de oorsprongsstatus te verlenen.

Het zal evenwel niet mogelijk zijn om voor eenzelfde product de codes "A", "B" en "C" te combineren, aangezien deze drie codes aparte criteria voorstellen om de oorsprong te bepalen en die onderling niet combineerbaar zijn.

Wel kan elk van deze drie criteria "A", "B" en "C" worden gecombineerd met code "D" (cumulatie) en/of met code "E" (tolerantie). In dat geval moeten alle relevante codes worden opgenomen op het attest van oorsprong.

Wanneer een oorsprongsverklaring betrekking heeft op meerdere producten die de oorsprongsstatus hebben verworven volgens de bepalingen van deze Overeenkomst, maar op basis van verschillende oorsprongscriteria, dan moet het alle relevante codes vermelden voor elk product waarvoor de verklaring van oorsprong is opgesteld.

1.10. Het attest van oorsprong bij meervoudige zendingen van identieke producten

§74. In het geval van meervoudige zendingen van identieke producten, moet het attest van oorsprong drie data vermelden:

  1. de datum waarop het attest werd opgesteld (datum van opstellen);
  2. de datum waarop de geldigheidstermijn ingaat;
  3. de einddatum van de geldigheidstermijn, die niet later mag zijn dan 12 maanden volgend op de datum waarop het attest is opgesteld.


De datum waarop het oorsprongsattest werd opgesteld mag niet later zijn dan de begindatum van de geldigheidstermijn (voetnoot 5 van Bijlage 3-D van de Overeenkomst).

Het oorsprongsattest voor meerdere zendingen kan worden gebruikt als basis voor de preferentiële tariefbehandeling van invoeraangiftes die worden aanvaard tussen de begin- en einddatum die op het attest van oorsprong is vermeld. Invoeraangiften waarvan de data niet binnen de geldigheidsduur van het attest van oorsprong vallen, zullen geen preferentiële tariefbehandeling genieten.

Het is overigens belangrijk te benadrukken dat er een andere aanvraagprocedure voor de preferentiële tariefbehandeling van toepassing is bij meervoudige zendingen. Zoals we zojuist hebben vermeld, moet het attest van oorsprong immers verplicht de begin- en einddatum van de geldigheidsperiode vermelden. Elke claim of elk verzoek om preferentiële tariefbehandeling die later wordt ingediend voor identieke producten waarvan de verzending binnen de begin- en einddatum van het attest van oorsprong valt, moet op dit oorspronkelijke attest worden gebaseerd.

Om zodoende voor de preferentiële tariefbehandeling in aanmerking te komen, moeten de douaneaangiften verwijzen naar het oorspronkelijk(e) attest.

Voor latere zendingen van identieke producten gedurende de geldigheidstermijn, moet de importeur alle handelsdocumenten betreffende deze producten in zijn registers bewaren. De handelsdocumenten voor de latere zendingen moeten dan geen attest van oorsprong meer bevatten.

Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen moet in het bestand van de importeur staan op het moment dat het verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt ingediend, en moet vergezeld gaan van facturen of andere handelsdocumenten, die de identificatie mogelijk maken van de producten waarvoor de verklaring kan worden gebruikt als basis voor de aanvraag.

De exporteur die gebruik maakt van het oorsprongsattest voor meervoudige zendingen moet dit weer intrekken als de gebruiksvoorwaarden voor dit attest niet langer worden vervuld. De intrekking moet worden gedocumenteerd op basis van het oorspronkelijke attest van oorsprong. In het geval van een gedocumenteerde intrekking, moet voor alle nieuwe leveringen van identieke producten van oorsprong een nieuw attest van oorsprong worden opgesteld.

De bewaartermijn van het attest van oorsprong voor de meervoudige zendingen wordt berekend vanaf de einddatum van de geldigheidstermijn.

1.11. Retroactieve voorlegging van oorsprongsattesten voor meervoudige zendingen

§75. In de Europese Unie wordt in het algemeen een verzoek om preferentiële tariefbehandeling ingediend op het moment van de invoer van de producten, maar het verzoek kan ook betrekking hebben op een terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten bij vroegere ingevoerde zendingen. Het verzoek om een preferentiële tariefbehandeling in verband met deze eerder ingevoerde zendingen kan worden gebaseerd op een attest van oorsprong voor meervoudige zendingen die a posteriori is opgesteld.

Dit verzoek om preferentiële tariefbehandeling moet gebaseerd zijn op een geldig oorsprongsattest. Het attest kan dus geen begindatum van de geldigheidsperiode vermelden die vroeger zou vallen dat de datum van opstellen van het attest. Dit zou immers kunnen leiden tot een situatie waarbij de preferentiële tariefbehandeling wordt aangevraagd op basis van een verklaring die nog niet is afgeleverd en die dus niet bestaat op het moment van het verzoek.

Een voorbeeld van een niet toegelaten verzoek om preferentiële tariefbehandeling:


De producten worden uitgevoerd op 1 april 2019.
Het preferentiële tarief is bij invoer aangevraagd op 1 mei 2019.
Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen werd door de exporteur opgesteld op 1 juni 2019, met een geldigheidstermijn van 1 april 2019 tot 31 maart 2020.
Dit scenario kan niet werken, omdat er op het moment van het verzoek op 1 mei 2019 geen geldig oorsprongsattest was.

Een voorbeeld van een toegelaten verzoek om preferentiële tariefbehandeling:


De producten worden uitgevoerd op 1 april 2019.
Het preferentiële tarief is bij invoer aangevraagd op 1 juni 2019.
Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen werd door de exporteur opgesteld op 1 mei 2019 (dus na de uitvoer), met een geldigheidstermijn van 1 mei 2019 tot 30 april 2020.
Op het moment van de invoering van de aanvraag, was het attest van oorsprong dus geldig.

1.12. Retroactieve voorlegging van oorsprongsattesten voor enkelvoudige zendingen

§76. In tegenstelling tot de andere overeenkomsten inzake oorsprong, maakt deze Overeenkomst geen melding van de mogelijkheid om de bewijzen van oorsprong later in te dienen. Het laat daarentegen wel de mogelijkheid om een attest van oorsprong op te stellen na de uitvoer.

Het attest van oorsprong zal derhalve op eender welk moment kunnen worden opgesteld, dus zowel vóór, tijdens als na de uitvoer van de betreffende producten. Het attest van oorsprong kan evenwel niet worden gebruikt als basis voor een verzoek om preferentiële tariefbehandeling als de geldigheidstermijn ervan is verlopen. Ter herinnering: het attest van oorsprong is 12 maanden geldig, te rekenen vanaf de datum waarop zij werd opgesteld.

Bijgevolg moet de datum van opstelling van het attest van oorsprong op het attest zelf worden vermeld. De datum kan evenwel worden weggelaten als hij op het document zelf staat (bijvoorbeeld de factuurdatum). Het wordt evenwel aangeraden om bij een retroactieve indiening van een oorsprongsattest steeds de datum van opstellen bij het attest zelf te vermelden, zeker indien men gebruik maakt van een kopie van de initiële factuur of van het initiële handelsdocument.

Bovendien moet het attest van oorsprong geldig zijn op het moment dat het verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan. Dit kan het moment zijn waarop de invoeraangifte voor producten van oorsprong door de douane wordt aanvaard of het moment waarop in de EU een verzoek tot terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten wordt ingediend.

Wanneer de geldigheidsduur van het eerste attest van oorsprong is overschreden, dan kan er een nieuw oorsprongsattest worden opgesteld. Het nieuwe oorsprongsattest moet, net als de vorige, binnen 12 maanden volgend op de opstelling ervan worden gebruikt, en dit voor goederen die in deze periode daadwerkelijk worden ingevoerd en in het vrije verkeer worden gebracht.

§77. In Japan worden ingevoerde goederen niet ingeklaard zonder toestemming van de douaneautoriteiten, en de betaling van de douanerechten op de ingevoerde goederen is een van de voorwaarden is om handlichting goed te keuren. Bijgevolg moeten invoerders op het moment van de invoeraangifte alle nodige informatie verstrekken aan de douaneautoriteiten zodanig dat die het juiste bedrag van de douanerechten kunnen bepalen.

Het is echter mogelijk om de "Before Permit (BP)" procedure te gebruiken om de ingevoerde goederen in te klaren zonder betaling van douanerechten, op voorwaarde dat de invoerder een waarborg stort. Deze waarborg wordt weer vrijgegeven op het moment waarop het bedrag van de douanerechten wordt berekend en betaald door de invoerder.

Wanneer een invoerder een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indient maar niet alle nodige documenten voor een dergelijk verzoek kan voorbereiden op het moment van de invoeraangifte, kan hij vragen dat de "Before Permit" procedure wordt toegepast zodanig dat zijn goederen kunnen worden ingeklaard.

Na de handlichting van de goederen moet de invoerder binnen de drie maanden na deze datum de nodige documenten voorleggen als hij de waarborg wil terugkrijgen. Wanneer wordt aangetoond dat de ingevoerde goederen van oorsprong zijn uit de Partij van uitvoer en dat aan de in deze Overeenkomst voorziene oorsprongsregels is voldaan, zal de waarborg die op het moment van de invoeraangifte werd gestort, volledig aan de invoerder worden terugbetaald.

De procedures voor het stellen van de waarborg zijn eenvoudig en gemakkelijk uit te voeren. Invoerders beschikken gewoonlijk over hun eigen "globale waarborg", die wordt gebruikt voor veelvuldige transacties. Ze moeten dus geen individuele waarborg stellen voor elke invoeraangifte.

Het gebruik van de "Before Permit" is mogelijk in de volgende gevallen:

Wanneer de intrekking nodig is omdat de ingevoerde goederen waardevol zijn of omdat er een risico bestaat dat de ingevoerde lading vervormd of beschadigd geraakt.

Wanneer er een tijdsdruk is (bijv. de ingevoerde goederen zijn bestemd voor een tentoonstelling, enz.).

Wanneer de voorlegging van het attest van oorsprong wordt vertraagd vanwege de toepassing van het preferentiële belastingtarief of de tarieven op basis van vrijhandelsovereenkomsten (dit is alleen van toepassing wanneer "de verlengde voorlegging van het attest van oorsprong" wordt toegestaan).

Wanneer de hoeveelheid goederen nog niet is bepaald op het moment van aangifte omdat het contract stelt dat de hoeveelheid wordt bepaald na inklaring.

1.13. Toelichting bij de door de Japanse douaneautoriteit gevraagde oorsprong van het product op het moment van de invoeraangifte

§78. De Japanse douaneautoriteiten vragen dat de importeur die een verzoek om preferentiële tariefbehandeling voor een product indient op het moment van de invoeraangifte, een toelichting verstrekt teneinde te controleren of het product voldoet aan de vereisten van de Overeenkomst.

Het betreft een aanvullende toelichting over de oorsprong van het product, die boven op het attest van oorsprong of de aan de importeur bekende informatie moet worden verstrekt. Wanneer een importeur op basis van het attest van oorsprong echter om een preferentiële tariefbehandeling verzoekt, dan is hij niet verplicht om naast de aangifte extra toelichting te geven over de oorsprong van het product, indien hij niet over deze informatie beschikt.

De exporteur is in dit opzicht verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en van de verstrekte informatie. Als antwoord op een verzoek om toelichting op het moment van de invoeraangifte, is de importeur niet verplicht aanvullende informatie te verkrijgen van de exporteur die het attest van oorsprong heeft opgesteld en is de exporteur ook niet verplicht deze informatie te verstrekken op het moment van de invoeraangifte.

Bovendien hoeft de importeur die verklaart dat hij geen extra toelichting kan verstrekken buiten de door de exporteur afgeleverde attest van oorsprong, niet te rechtvaardigen waarom hij geen extra toelichting kan geven.

Het ontbreken van een dergelijke toelichting kan er dus niet toe leiden dat het verzoek wordt afgewezen of dat een preferentiële tariefbehandeling wordt geweigerd.

1.13.1. Importeur is niet in staat om een toelichting te verstrekken

§79. De importeur die een verzoek indient op basis van een oorsprongsattest en die op verzoek geen aanvullende toelichting over de oorsprong kan geven, kan via het NACCS-platform (= Nippon Automated Cargo and Port Consolidated System) dit te signaleren.

Hiertoe kan hij gebruik maken van de vereenvoudigde procedure die sedert 17 november is geïmplementeerd, door de code "Q" of "F" in te voeren in de elektronische invoeraangifte op NACCS.

CODE

CATEGORIE

Q

Oorsprongsattest opgesteld door de producent (wanneer de importeur geen aanvullende toelichting kan geven over de oorsprong.)

F

Oorsprongsattest opgesteld door de exporteur (wanneer de importeur geen aanvullende toelichting kan geven over de oorsprong.)

1.13.2. Importeur is in staat om een toelichting te verstrekken:

§80. Indien het verzoek om preferentiële behandeling is gebaseerd op een oorsprongsverklaring kan de importeur het formulier "Explanation that the product satisfies the origin criteria" gebruiken, terug te vinden in bijlage III bij deze Circulaire. De volgende gegevens moeten worden vermeld:

a) nummer en factuur- of uitgiftedatum;

b) toelichting dat het product voldoet aan de oorsprongscriteria; en

c) naam van de persoon die de toelichting heeft opgesteld.


Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op de "aan de importeur bekende informatie" mag de importeur ook het formulier "Explanation that the product satisfies the origin criteria" invullen en moet hij ook dezelfde gegevens vermelden. Het verschil is dat de importeur wordt verondersteld reeds over informatie te beschikken waaruit blijkt dat het product van oorsprong is en voldoet aan de eisen van de Overeenkomst, cf. §29 van deze Circulaire.

Extra informatie hierover kan in het Engels worden geraadpleegd via de volgende link: https://www.customs.go.jp/roo/procedure/riyou_eu_EN.pdf

1.14. Bewaren van bewijzen van oorsprong

§81. Zoals reeds vermeld, werd in de Overeenkomst gekozen voor het principe van zelfcertificering. Attesten van oorsprong kunnen dus worden opgesteld zonder het akkoord van of een voorafgaand onderzoek door de bevoegde douaneautoriteit.

De douaneautoriteiten van de Partij van invoer kunnen wel binnen een termijn van twee jaar na de invoer informatie vragen aan de douaneautoriteiten van de Partij van uitvoer, als ze van oordeel zijn dat er bijkomende gegevens nodig zijn om de oorsprongsstatus van het product te verifiëren. Welke informatie moet worden opgenomen in een dergelijk verzoek om informatie (titel 4.6 §35, van deze Circulaire).

1.15. Vervanging van een bewijs van preferentiële oorsprong

§82. Hoewel dit niet in de Overeenkomst wordt vermeld, kan het attest van oorsprong binnen de Europese Unie worden vervangen. Aangezien het hier gaat om een interne regel van de Europese Unie is de wettelijke grondslag met betrekking tot de vervanging van het bewijs van preferentiële oorsprong opgenomen in artikel 69 DWU IA.

Wanneer producten van oorsprong waarop een bewijs van preferentiële oorsprong betrekking heeft dat eerder is afgegeven of opgesteld voor de toepassing van een preferentiële tariefmaatregel nog niet voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven en onder toezicht van een douanekantoor in de Unie zijn geplaatst, kan het oorspronkelijk oorsprongsattest door een of meer vervangende oorsprongsattesten worden vervangen om alle of een deel van die producten naar een andere plaats in de Europese Unie te zenden.

Het vervangende attest van oorsprong moet worden opgesteld in dezelfde vorm als het oorspronkelijke oorsprongsattest; in het kader van de Overeenkomst tussen de EU en Japan moet daarbij de tekst worden gebruikt die is opgenomen in bijlage 2 bij deze Circulaire.

De persoon die dat vervangende oorsprongsdocument opstelt, hangt af van de totale waarde van de producten van oorsprong in de oorspronkelijke zending. Zo kan een vervangingsdocument worden opgesteld door:

een toegelaten of geregistreerd exporteur in de EU, die de goederen doorzendt, ongeacht de waarde van de producten van oorsprong die deel uitmaken van de oorspronkelijke zending;

een niet-toegelaten of niet-geregistreerd wederverzender van goederen in de EU wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending niet hoger is dan 6.000 EUR;

een niet-toegelaten of niet-geregistreerd wederverzender van goederen in de Europese Unie wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending hoger is dan 6.000 EUR en er bij het vervangende oorsprongsdocument een kopie van het oorspronkelijke oorsprongsdocument is gevoegd.


Wanneer overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, tweede lid, DWU IA, een wederverzender niet toegelaten noch geregistreerd is en de waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending hoger is dan 6.000 EUR en het om welke reden dan ook onmogelijk is om een kopie van het oorspronkelijke oorsprongsdocument bij te voegen (bijvoorbeeld in het geval van een handelsgeheim), dan mag dat document in de vorm van een certificaat EUR.1 worden afgeleverd door het douanekantoor dat voor de goederen bevoegd is.

2. Leveranciersverklaring- bepalingen aangaande cumulatie

§83. Indien men totale cumulatie wil toepassen in de ene Partij (zie §9), moet er worden aangetoond welke productieactiviteiten er reeds hebben plaatsgevonden in de andere Partij. Dit kan worden aangetoond door middel van een leveranciersverklaring met daarop een beschrijving van de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen. Bijlage 3-C van de Overeenkomst vermeldt de informatie die op de leveranciersverklaring moet voorkomen.

BIJLAGE 3-C
IN ARTIKEL 3.5 BEDOELDE INFORMATIE

De in artikel 3.5, lid 4, bedoelde informatie wordt beperkt tot de volgende elementen:

a) beschrijving en GS-tariefindelingsnummer van het geleverde product en van de bij de productie ervan gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

b) indien waardemethoden worden toegepast in overeenstemming met bijlage 3-B, de waarde per eenheid en de totale waarde van het geleverde product en van de bij de productie ervan gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

c) indien specifieke productieprocessen vereist zijn in overeenstemming met bijlage 3-B, een beschrijving van het op de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen toegepaste proces; en

d) een verklaring van de leverancier dat de in de punten a) tot en met c) bedoelde elementen van informatie juist en volledig zijn, de datum waarop de verklaring wordt verstrekt alsmede de naam en het adres van de leverancier in blokletters.

De leveranciersverklaring kan worden opgesteld voor een enkele zending of voor meerdere zendingen van identieke goederen binnen een termijn van één jaar.

In tegenstelling tot andere preferentiële oorsprongsovereenkomsten kan de leveranciersverklaring in kader van de EU-Japan Economische Partnerschapsovereenkomst ook een gelijkwaardig document zijn dat dezelfde informatie bevat als de leveranciersverklaring zelf.

3. De codes van de douaneaangifte

§84. In de Europese Unie moet een importeur verplicht de volgende codes op de douaneaangifte vermelden om een preferentiële tariefbehandeling te genieten:

In vak 34:

JP: verwijst naar het land van oorsprong van de goederen;

In vak 36:

300: verwijst naar het verzoek om preferentiële tariefbehandeling op basis van een preferentieel handelsakkoord.

In vak 44:

U110: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een oorsprongsattest voor één enkele zending.

U111: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een oorsprongsattest voor meerdere zendingen van identieke producten. Bij elke aangifte voor een zending waarop het oorsprongsattest betrekking heeft, moet deze code steeds worden gekoppeld aan de referentie van het oorspronkelijke handelsdocument waarop het initiële oorsprongsattest wordt gebruikt.

U112: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op “Importer’s knowledge".


De preferentiële tariefbehandeling moet worden aangevraagd bij aangifte bij de douaneautoriteiten van de invoerende Partij.

§85. Voor wat betreft de uitvoer kunnen volgende codes worden vermeld:

In vak 34:

EU of ISO-landcode van EU-lidstaat van oorsprong: verwijst naar het land van oorsprong van de goederen;

In vak 44:

U110: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een oorsprongsattest voor één enkele zending.

U111: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een oorsprongsattest voor meerdere zendingen van identieke producten.


Het heeft geen nut om bij uitvoer code ‘U112’ te vermelden.

Deel IV: Verificatie

1. Controle van de leveranciersverklaring

§86. Om de juistheid en authenticiteit van een leveranciersverklaring te controleren, kunnen de douaneautoriteiten de exporteur verzoeken de leverancier om een inlichtingenblad te vragen.

Binnen de Europese Unie, zullen het inlichtingenblad INF 4 en de procedure worden gebruikt die is vastgelegd in de artikelen 64 tot en met 66 DWU IA.

Het inlichtingenblad INF 4 wordt afgeleverd door de douaneautoriteiten van de lidstaat waarin de leveranciersverklaring is opgesteld.

Het inlichtingenblad INF 4 is terug te vinden in de bijlage IV bij deze Circulaire.

Er zijn twee mogelijkheden om de nodige extra informatie te verkrijgen:

1) Verzoek van de exporteur aan de leverancier

§87. De exporteur zal de leverancier vragen om een INF 4 te verkrijgen van zijn douaneautoriteit en de exporteur moet de leverancier meedelen dat dit verzoek verband houdt met een controle van Japan. Bij het invullen van het INF 4 moet de douaneautoriteit van de leverancier een schriftelijk verslag opstellen dat alle inlichtingen bevat zoals beschreven in §35 e.v. deze Circulaire en die noodzakelijk zijn voor de verzending van het verslag naar Japan. Dit verslag wordt aan de leverancier ter beschikking gesteld, die het aan zijn exporteur overmaakt.

De douaneautoriteit van de exporteur moet de exporteur meedelen dat, indien hij ervoor kiest om contact op te nemen met zijn leverancier om het INF 4 te verkrijgen, dit verslag gedetailleerde informatie bevat die door de leverancier als vertrouwelijk kan worden beschouwd. Het kan zijn dat de leverancier in dat geval niet bereid is om deze normale procedure te volgen. In dat geval moet de exporteur zijn douaneautoriteit vragen om rechtstreeks contact op te nemen met de douaneautoriteit van de leverancier om het inlichtingenblad INF 4 in te vullen.

Als de leverancier echter het inlichtingenblad INF 4 en het verslag heeft ontvangen en de gegevens als gevoelig beschouwt, dan kan hij ervoor kiezen zijn exporteur enkel het inlichtingenblad INF 4 te bezorgen, en daarbij vermelden dat het verslag niet naar de exporteur kan worden verzonden. Er zijn in dat geval twee opties mogelijk voor het begeleidend verslag:

de exporteur verzoekt zijn douaneautoriteit contact op te nemen met de douaneautoriteit van de leverancier om hem het begeleidende verslag te sturen.

de leverancier verzoekt zijn douaneautoriteit het begeleidende verslag rechtstreeks naar de douaneautoriteit van de exporteur te sturen.

2) Verzoek van de douanes aan de douaneautoriteiten

§88. De douaneautoriteit van de lidstaat die het controleverzoek van Japan ontvangt, kan het INF 4 rechtstreeks aanvragen bij de douaneautoriteit van de lidstaat waarin de leveranciersverklaring is opgesteld.

De douaneautoriteit van de leverancier zal het ingevulde INF 4 rechtstreeks aan de verzoekende douaneautoriteit bezorgen, samen met het begeleidend verslag.

De conclusie van de controle van de leveranciersverklaring en de reden waarom de producten worden beschouwd als zijnde al of niet van oorsprong, worden meegedeeld aan de leverancier die de leveranciersverklaring heeft afgeleverd vooraleer de douaneautoriteit het INF 4 officieel bevestigt en het verslag afrondt.

2. Verificatieprocedure

§89. De grondslag van het verzoek, d.w.z. het gebruik van hetzij het attest van oorsprong hetzij de aan de importeur bekende informatie, zal bepalen hoe de controle zal worden uitgevoerd.

In kader van de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Japan, is een verificatieprocedure geïntroduceerd bestaande uit twee stappen waarbij de volgorde verplicht dient gevolgd te worden.

2.1. Verificatie op basis van een attest van oorsprong opgesteld door de exporteur van de Partij van uitvoer

Voor wat betreft het oorsprongsattest ziet de procedure er als volgt uit:

Stap 1:

§90.De douaneautoriteit van de Partij van invoer vraagt aan de importeur ten hoogste de informatie die wordt vermeld in §35 (aangaande de verificatieprocedure) van deze Circulaire. Met uitzondering van het oorsprongsattest zelf is de importeur niet verplicht om de gevraagde informatie mee te delen, maar de douaneautoriteit van het land van invoer kan hiermee eventueel overgaan naar stap 2.

De importeur kan er ook voor kiezen om de exporteur uit de andere Partij de informatie rechtstreeks te laten aanleveren aan de douane van de Partij van invoer of dat de informatie wordt aangeleverd via de procedure voor administratieve samenwerking.

De importeur die werd verzocht om informatie te bezorgen kan deze informatie dus bezorgen aan de douaneautoriteit van het land van invoer. Indien de importeur deze informatie echter nog zou moeten vragen aan de exporteur, dan zou dit enkel kunnen op basis van de contractuele verplichtingen tussen importeur (koper) en exporteur (verkoper). Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst bevat immers geen bepalingen waarmee de exporteur wordt verplicht om informatie te bezorgen aan de importeur, zelfs niet als de importeur door de douaneautoriteiten van het land van invoer wordt verzocht om deze informatie aan te leveren (al is hij hiertoe niet verplicht).

Desalniettemin kan een exporteur die in deze fase met een vraag om informatie wordt geconfronteerd door de importeur, de informatie of een deel daarvan bezorgen aan de importeur of aan de verzoekende douaneautoriteiten van het land van invoer zelf. Door in deze fase van de verificatie reeds informatie door te geven aan de importeur of aan de verzoekende douaneautoriteiten van het land van invoer, vermijdt de exporteur dat deze informatie alsnog wordt opgevraagd via een verzoek tot administratieve bijstand in stap 2.

De importeur moet minstens het oorsprongsattest kunnen tonen waarmee het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd verzocht, tenzij dit attest al eerder werd ingediend als onderdeel van de procedure.

Stap 2

§91. Als de douaneautoriteit van de Partij van invoer eerst het oorsprongsattest heeft opgevraagd én de informatie zoals voorzien in §35, maar deze informatie werd niet verkregen of is nog steeds onvoldoende, dan kan deze douaneautoriteit administratieve bijstand vragen aan de douane van het land van uitvoer.

Het verzoek tot administratieve samenwerking is dus maar mogelijk nadat het oorsprongsattest en de nodige informatie wordt opgevraagd bij de importeur én deze informatie wordt onvoldoende geacht om de oorsprong van het product te verifiëren.

Het verzoek om administratieve samenwerking moet gebeuren binnen de twee jaar te rekenen vanaf de datum van invoer van de goederen.

De douaneautoriteit van de Partij van invoer zal nooit verificaties (laten) uitvoeren in de Partij van uitvoer op een andere manier dan via administratieve samenwerking met de douane van het land van uitvoer en dan nog enkel indien het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong.

In kader van het verificatieproces is het is niet mogelijk om rechtstreekse verzoeken om informatie aan de exporteur te richten of om deel te nemen aan bezoeken van bedrijfslocaties van de exporteur.

De douaneautoriteit van het land van uitvoer die werd verzocht om administratieve bijstand te leveren, mag aan de exporteur die het oorsprongsattest heeft opgesteld verzoeken om de nodige documentatie en bewijzen aan te leveren die de oorsprong aantonen voor de goederen waarvoor het oorsprongsattest werd opgesteld. De douane kan ook de bedrijfslokalen bezoeken om de gegevens aangaande de producten van oorsprong te onderzoeken en ze mag eveneens het productieproces

De exporteur is verplicht om mee te werken met de douaneautoriteiten van het land van uitvoer die de verificatie uitvoeren. De exporteur heeft wel het recht om de verzamelde informatie die deze douaneautoriteit zou willen overmaken aan de douaneautoriteit van het land van invoer, te beoordelen en te bespreken. Vervolgens kan de exporteur beslissen dat bepaalde vertrouwelijke informatie niet mag worden doorgegeven aan de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2.2. Verificatie op basis van de aan de importeur bekende informatie

§92. In het geval dat het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op basis van ‘aan de importeur bekende kennis’, kan het verificatieproces ook hier potentieel uit twee fases bestaan:

Stap 1:

§93. De douaneautoriteit van de Partij van invoer vraagt aan de importeur ten hoogste de informatie zoals voorzien in §35 op.

De importeur moet in staat zijn om aan te tonen dat het product van oorsprong is en dat de voorwaarden van Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst zijn vervuld. Dit houdt niet noodzakelijk in dat al die informatie reeds op het moment van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling beschikbaar is bij de importeur. De importeur moet wel zien dat hij deze informatie binnen de drie maanden vanaf de datum van het verzoek ter beschikking van de douane kan stellen.

Wanneer de importeur niet in staat is om de verzochte informatie binnen de termijn voor te leggen, dan zal dit leiden tot weigering van de preferentiële tariefbehandeling en eventueel tot administratieve maatregelen of sancties.

Stap 2:

§94. Indien de douaneautoriteit van het land van invoer na stap 1 nog van mening is dat zij aanvullende informatie nodig heeft om de oorsprong van het product te bepalen, dan kan zij deze aanvullende informatie enkel opvragen bij de importeur zelf. Er kan geen beroep worden gedaan op administratieve samenwerking met de douane van de Partij van uitvoer aangezien er hier in principe geen exporteur is geïdentificeerd.

Rechtstreekse verzoeken om informatie gericht tot de exporteur of deelnames aan bezoeken van bedrijfslocaties van de exporteur maken geen deel uit van het verificatieproces.

2.3. Reden voor de stapsgewijze verificatie

§95. Door een eerste stap in het verificatieproces toe te voegen:

wordt de gelijke behandeling van importeurs in beide Partijen gegarandeerd aangezien het de benadering van de douaneautoriteit van het land van invoer in overeenstemming brengt en dit ten aanzien van de importeur volgend op zijn verzoek om preferentiële tariefbehandeling;

wordt verzekerd dat er niet meer informatie van de importeur wordt gevraagd dan strikt genomen nodig is om de oorsprong van de desbetreffende goederen vast te stellen; en

wordt de nieuwe band tussen de importeur en de exporteur weerspiegeld. Hierbij steunt de importeur die een oorsprongsattest van de exporteur gebruikt op de handelsrelatie tussen beiden om meer ondersteunende informatie te verkrijgen ter staving van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling.


Zoals bij andere elementen van een handelstransactie, is de relatie tussen importeur (koper) en exporteur (verkoper) gebaseerd op vertrouwen. En deze vertrouwensband wordt nu uitgebreid naar de oorsprongsstatus van de goederen waarvoor het oorsprongsattest werd opgesteld.

2.4. Weigering van de preferentiële tariefbehandeling

§96. De verificatie kan worden uitgevoerd voor of nadat de goederen werden vrijgegeven en kan ertoe leiden dat de preferentiële tariefbehandeling wordt geweigerd en dat er een douaneschuld ontstaat.

De verificatieprocedures zoals beschreven in §§90–95 bepalen de stappen die de douaneautoriteiten van het land van invoer moeten ondernemen om te verzekeren dat het verzoek om preferentiële tariefbehandeling rechtsgeldig is.

Artikel 3.24 van de Overeenkomst bevat de voorwaarden die de douaneautoriteiten van het land van invoer zich moeten volgen om een verzoek om preferentiële tariefbehandeling te weigeren alsook de termijn hiervoor.

De weigering van de preferentiële tariefbehandeling is mogelijk indien:

er aan een verzoek om informatie van de douaneautoriteiten van het land van invoer geen gevolg wordt gegeven; of

de aangeleverde informatie onvoldoende is. Hieronder moet worden begrepen dat de aangeleverde informatie niet volstaat om tot een duidelijke conclusie te komen inzake de oorsprongsstatus.


§97. In het geval er gebruik wordt gemaakt van een oorsprongsattest om preferentiële tariefbehandeling te vragen, zullen de douaneautoriteiten van het land van invoer dit niet weigeren indien de importeur, na een eerste verzoek om informatie (zie §91) enkel het attest van oorsprong indient zonder verdere informatie. De douane kan in dat geval de procedure voor administratieve samenwerking opstarten.

§98. De termijnen waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden om de preferentiële tariefbehandeling te kunnen weigeren staan vermeld in §44 van deze Circulaire.

§99. Indien de producten het voorwerp uitmaken van een fraudeonderzoek en er een verzoek om bijstand op grond van artikel 3.23 van de Overeenkomst, spreken de douaneautoriteiten van de twee Partijen een termijn af waarbinnen bijstand moet worden verleend. In dit geval zal de preferentiële tariefbehandeling worden geweigerd als er binnen deze afgesproken termijn:

door de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer geen bijstand wordt verleend, of

het resultaat van die bijstand niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is.

Deel V: Beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

1. Besluiten vooraf

§100. Artikel 4.7 van de Overeenkomst stelt dat elke Partij, via haar douaneautoriteit, een besluit vooraf kan vaststellen waarin de behandeling wordt omschreven die zal worden toegepast op goederen waarvoor een verzoek om informatie werd ingediend. De aanvrager dient een schriftelijk verzoek in met alle nodige gegevens, op papier of in elektronische vorm, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de Partij. De bevoegde autoriteit die de aanvraag heeft ontvangen zal een besluit nemen en meedelen binnen de aan de aanvrager gestelde termijn.

Deze besluiten vooraf kunnen betrekking hebben op de tariefindeling van de goederen, de oorsprong van de goederen, met inbegrip van de kwalificatie daarvan als goederen van oorsprong uit hoofde van de bovenstaande bepalingen, of enige andere door de Partijen overeengekomen aangelegenheid, in het bijzonder wat betreft de methode of de criteria die moeten worden toegepast om de douanewaarde van de goederen te bepalen.

Besluiten vooraf kunnen worden bekendgemaakt, onder meer via het internet, zij het onder voorbehoud van de vertrouwelijkheidsbeginselen ingevolge de wet- en regelgeving van de betrokken Partij.

2. De beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

§101. Voor wat betreft het oorsprongsaspect heeft artikel 33 DWU betrekking op beschikkingen inzake bindende inlichtingen waarvan verzoeken met betrekking tot oorsprong deel uitmaken.

Er kan een BOI worden aangevraagd als er twijfel bestaat over de bepaling van de oorsprong en om rechtszekerheid te verkrijgen over een preferentiële oorsprongsbepaling. In de BOI wordt aangegeven of de goederen al dan niet als product van oorsprong kunnen worden beschouwd.

Deze voorafgaande beschikkingen zijn afkomstig van de bevoegde douaneautoriteiten en zijn enkel bindend voor het bepalen van de oorsprong van de goederen:

jegens de houder van de beschikking ten aanzien van de goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de beschikking van kracht wordt;

jegens de houder van de beschikking en jegens de douaneautoriteiten, met ingang van de datum waarop hem mededeling van de beschikking wordt gedaan of wordt geacht te zijn gedaan.


BOI-beschikkingen gelden voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop de beschikking van kracht wordt.

De houder van een BOI moet kunnen aantonen dat de goederen en de omstandigheden die voor het verkrijgen van de oorsprong bepalend zijn, in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen en omstandigheden.

Overeenkomstig artikel 33 DWU kunnen zowel Japanse exporteurs als EU-importeurs een aanvraag voor een BOI indienen.

Wat België betreft, kunnen aanvragen inzake preferentiële oorsprong per mail worden ingediend en opgestuurd naar het volgende adres: da.ops.douane1@minfin.fed.be.

Deel VI: Andere bepalingen

1. De no-drawbackbepaling

§102. De economische partnerschapsovereenkomst bevat geen bepalingen die betrekking hebben op de "no-drawback"-regel. Hierdoor is drawback toegestaan.

1.1. Wat betekent "no drawback"?

§103. "No drawback" verwijst naar het principe van niet-terugbetaling of het verbod op de terugbetaling van douanerechten en houdt in dat grondstoffen die afkomstig zijn uit derde landen en die gebruikt worden bij de vervaardiging van producten die van oorsprong zijn uit de Europese Unie, niet in aanmerking komen voor een terugbetaling of vrijstelling van douanerechten. Ondernemingen moeten dus douanerechten betalen op niet van oorsprong zijnde grondstoffen. Het terugbetalingsverbod dekt onder meer de betaling van antidumpingrechten.

Concreet betekent dit dat ondernemingen die over een vergunning Actieve Veredeling beschikken hun producten kunnen vervaardigen en naar Japan uitvoeren zonder dat ze douanerechten moeten betalen op grondstoffen die afkomstig zijn uit derde landen.

2. Ceuta en Melilla

§104. De situatie van Ceuta en Melilla wordt opgenomen in de Overeenkomst. De term "Partij" sluit Ceuta en Melilla uit.

Toch wordt bepaald dat uit Japan afkomstige producten die worden ingevoerd in Ceuta of Melilla genieten van een preferentiële tariefbehandeling net zoals producten die naar de rest van de Europese Unie worden geïmporteerd.

Ook uit Ceuta of Melilla afkomstige producten die in Japan worden ingevoerd, genieten van de preferentiële tariefbehandeling.

Hieruit volgt dat de oorsprongsregels, de oorsprongsprocedures en de bepalingen aangaande cumulatie die in deze Circulaire werden beschreven eveneens van toepassing zijn op de uitvoer uit Japan naar Ceuta en Melilla en op de uitvoer uit Ceuta en Melilla naar Japan.

De bepalingen aangaande cumulatie zijn eveneens van toepassing op de invoer en uitvoer van producten tussen de Europese Unie, Japan, Ceuta en Melilla.

Voor de toepassing van het protocol worden Ceuta en Melilla bovendien als één grondgebied beschouwd.

3. Het Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden

§105. Ingevolge artikels 3.28 en 22.3 van de Overeenkomst wordt een comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden aangesteld dat verantwoordelijk is voor de daadwerkelijke toepassing en werking van volgende taken gerelateerd aan Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst, en dit bovenop haar andere verantwoordelijkheden (zie artikel 4.14, lid 1 van de Overeenkomst):

Het comité heeft de volgende taken:

“evalueren van en zo nodig doen van passende aanbevelingen aan het Gemengd Comité EPO EU-Japan over:

  • de toepassing en werking van dit hoofdstuk, en
  • alle door een Partij voorgestelde wijzigingen van de bepalingen van dit hoofdstuk;

opstellen van toelichtingen om de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Overeenkomst te vergemakkelijken;

vaststellen van de overlegprocedure als bedoeld in artikel 3.24, lid 3, en

zich buigen over alle andere door de vertegenwoordigers van de Partijen overeengekomen aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk.”

4. Meer informatie en contact

4.1. Aanvullende informatiebronnen

§106. Om te weten wat er juist voor uw producten specifiek verandert, kan de Market Acces Database steeds worden geraadpleegd: http://madb.europa.eu/madb/indexPubli.htm;

of er kan worden gebruik gemaakt van de nieuwe applicatie Access2Markets: https://trade.ec.europa.eu/access-to-markets/nl/content

Verdere tarifaire informatie kan worden teruggevonden in de webapplicatie TARBEL: https://financien.belgium.be/nl/E-services/tarbel

§107. Naast deze Circulaire kan er eveneens bijkomende informatie worden gevonden via volgende informatienota’s van de EU-Commissie:

- Over de vertrouwelijkheid van informatie: https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/eu_japan_epa_guidance_confidential_information_en.pdf

- Over verzoek, verificatie en weigering van preferentie: https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/eu_japan_epa_guidance_claim_verification_denial_en.pdf

- Over Importer’s knowledge:
https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/eu_japan_epa_guidance_importers_knowledge_en.pdf

- Over oorsprongsattesten voor identieke goederen verspreid over meerdere zendingen:
https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/eu_japan_epa_guidance_statement_on_origin_for_multiple_shipments_of_identical_products_en.pdf

- Toepassing van artikel 3.16, lid 3 van de Overeenkomst, aangaande de bijkomende uitleg over de oorsprong van een product zoals gevraagd door de Japanse douane:
https://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2019/august/tradoc_158307.pdf

- Over het oorsprongsattest: https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/eu-japan-epa-guidance-statements-on-origin.pdf

- Richtlijnen van de Japanse douane aangaande attest van oorsprong, “importer’s knowledge” en verificatie in Japan: https://www.customs.go.jp/roo/procedure/riyou_eu_EN.pdf

4.2. Nog vragen?

§108. Voor verdere vragen over deze Circulaire kunt u contact opnemen met de dienst Douanewetgeving op volgend e-mailadres: da.lex.douane@minfin.fed.be

Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen.
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE


BIJLAGEN

Bijlage I

AANVRAAG TOT REGISTRATIE ALS GEREGISTREERDE EXPORTEUR

Ten behoeve van de stelsels van algemene tariefpreferenties van de Europese Unie, Noorwegen, Zwitserland en Turkije (1)
of
in het kader van de CETA of andere vrijhandelsovereenkomsten die werden afgesloten door de EU en die berusten op zelfcertificatie (REX).

1. Naam, adres en land van de uitvoerder, gegevens, EORI of identificatienummer van de operator (TIN) (2).

2. Aanvullende gegevens, met inbegrip van telefoon- en faxnummer, alsook het e-mailadres, in voorkomend geval (optioneel).

3. Aangeven of de hoofdactiviteit productie of verkoop is.

4. Gelieve een indicatieve omschrijving te geven van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van de posten van het geharmoniseerde systeem (of de hoofdstukken wanneer bedoelde goederen onder meer dan twintig posten van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld).

5. Verbintenissen van een exporteur

Ondergetekende verklaart:

dat bovenstaande gegevens juist zijn;

dat een eerdere registratie niet werd ingetrokken of, als dit wel het geval is geweest, dat de omstandigheden die tot deze intrekking hebben geleid, zijn verholpen;

zich ertoe te verbinden slechts attesten van oorsprong op te stellen voor goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen en die aan de oorsprongsregels van het stelsel van algemene preferenties voldoen;

zich ertoe te verbinden een passende boekhouding te voeren over de productie/levering van goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen en deze boekhouding ten minste drie jaar te bewaren vanaf het eind van het kalenderjaar waarin het attest van oorsprong is opgemaakt;

zich ertoe te verbinden de bevoegde autoriteit na verkrijging van het nummer van geregistreerd exporteur onmiddellijk in kennis te stellen van eventuele wijzigingen in zijn registratiegegevens;

zich ertoe te verbinden samen te werken met de bevoegde autoriteit;


zich ertoe te verbinden te aanvaarden dat de door hem opgestelde attesten van oorsprong worden gecontroleerd, onder meer door administratieve controles aan zijn bedrijfsruimten door de Europese Commissie of de autoriteiten van de lidstaten en de autoriteiten van Noorwegen, Zwitserland en Turkije (enkel van toepassing op exporteurs uit begunstigde SAP-landen);

zich ertoe te verbinden te verzoeken om intrekking van zijn registratie in het systeem zodra hij niet langer aan de voorwaarden voldoet om goederen in het kader van het stelsel uit te voeren;

zich ertoe te verbinden te verzoeken om intrekking van zijn registratie in het systeem zodra hij niet langer voornemens is deze goederen in het kader van het stelsel uit te voeren.

Plaats, datum en handtekening van de gemachtigde ondertekenaar, naam en functie (3)

6. Toestemming van de exporteur voor de bekendmaking van de door hem verstrekte gegevens op de openbare website

De ondergetekende wordt hierbij meegedeeld dat de in zijn aanvraag verstrekte gegevens op de openbare website aan het publiek kunnen worden bekendgemaakt. De ondergetekende aanvaardt de bekendmaking van deze gegevens op de openbare website. De ondergetekende kan zijn toestemming om deze gegevens op de openbare website bekend te maken, intrekken door een verzoek te sturen naar de voor de registratie verantwoordelijke bevoegde autoriteiten.


Plaats, datum en handtekening van de gemachtigde ondertekenaar, naam en functie (3)

7. Vak bestemd voor de bevoegde autoriteit

De aanvrager is geregistreerd onder het volgende nummer:

Registratienummer:----------------------------

Datum van registratie----------------------------

Datum vanaf wanneer de registratie geldig is---------------------

Handtekening en stempel (3)--------------------------------


(1) Dit aanvraagformulier is gemeenschappelijk voor de SAP-stelsels van vier entiteiten: de Unie (EU), Noorwegen, Zwitserland en Turkije ("de entiteiten"). Opgemerkt zij dat de landen en producten in de respectieve SAP-stelsels van deze entiteiten kunnen verschillen. Daarom is een afgegeven registratie alleen te gebruiken voor uitvoer in het kader van het SAP-stelsel of de SAP-stelsels waarin uw land als een begunstigd land wordt beschouwd.
(2) De vermelding van het EORI-nummer is verplicht voor EU-exporteurs en wederverzenders. Voor exporteurs in begunstigde landen, Noorwegen, Zwitserland en Turkije is de vermelding van het TIN verplicht.
(3) Wanneer aanvragen tot registratie als geregistreerde exporteur of andere uitwisselingen van informatie tussen geregistreerde exporteurs en bevoegde autoriteiten in begunstigde landen of douaneautoriteiten in de lidstaten worden gedaan door elektronische technieken voor gegevensverwerking te gebruiken, wordt de in de vakken 5, 6 en 7 genoemde handtekening en stempel vervangen door een elektronische authenticatie.


Bijlage II

Aantekeningen met betrekking tot toleranties die gelden voor textiel (Bijlage 3-A - Aantekening 6 tot en met 8 van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan).

Deze bijlage werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PBEU) (L330) van 27 december 2018 en kan worden geraadpleegd via de volgende link:
http://publications.europa.eu/resource/cellar/d40c8f20-09a4-11e9-81b4-01aa75ed71a1.0009.01/DOC_1#page=634

Aantekening 6
Definities van nuttige termen gebruikt in afdeling XI van bijlage 3-B

Voor de toepassing van productspecifieke oorsprongsregels wordt verstaan onder:

"synthetische of kunstmatige vezels": kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, synthetische of kunstmatige stapelvezels of afval daarvan, van de posten 55.01 tot en met 55.07;

"natuurlijke vezels": andere dan synthetische of kunstmatige vezels. Het gebruik ervan is beperkt tot het stadium vóór het spinnen, met inbegrip van afval, en omvat, tenzij anders vermeld, ook vezels die zijn gekaard, gekamd of anderszins bewerkt, doch niet gesponnen; "natuurlijke vezels" omvat paardenhaar van post 05.11, zijde van de posten 50.02 en 50.03, wol, fijn of grof haar van de posten 51.01 tot en met 51.05, katoen van de posten 52.01 tot en met 52.03 en andere plantaardige vezels van de posten 53.01 tot en met 53.05;

"bedrukken": techniek waarmee aan een textielsubstraat door middel van digitale, zeef-, wals- of transfertechnieken een permanente objectief te beoordelen functie, zoals kleur, ontwerp of technische prestatie, wordt verleend; en

"bedrukken (als zelfstandige bewerking)": techniek waarmee aan een textielsubstraat door middel van digitale, zeef-, wals- of transfertechnieken een permanente objectief te beoordelen functie, zoals kleur, ontwerp of technische prestatie, wordt verleend, samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen, scheren, schroeien, droogtrommelproces, spanproces, vermalen, stomen en krimpen alsook nat decatiseren), mits de waarde van alle gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 50% van de prijs af fabriek of 45% van de FOB-prijs van het product.

Aantekening 7
Toleranties voor producten die twee of meer basistextielmaterialen bevatten

1. Voor de toepassing van deze aantekening wordt onder basistextielmaterialen verstaan:

a) zijde;
b) wol;
c) grof haar;
d) fijn haar;
e) paardenhaar (crin);
f) katoen;
g) papier en materiaal voor het vervaardigen van papier;
h) vlas;
i) hennep;
j) jute en andere bastvezels;
k) sisal en andere textielvezels van het geslacht Agave;
l) kokosvezels, abaca, ramee en andere plantaardige textielvezels;
m) synthetische filamenten;
n) kunstmatige filamenten;
o) filamenten die elektriciteit geleiden;
p) synthetische stapelvezels van polypropyleen;
q) synthetische stapelvezels van polyester;
r) synthetische stapelvezels van polyamide;
s) synthetische stapelvezels van polyacrylonitril;
t) synthetische stapelvezels van polyimide;
u) synthetische stapelvezels van polytetrafluorethyleen;
v) synthetische stapelvezels van polyfenyleensulfide;
w) synthetische stapelvezels van polyvinylchloride;
x) andere synthetische stapelvezels;
y) kunstmatige stapelvezels;
z) andere stapelvezels;
aa) garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld;
bb) garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyester, al dan niet omwoeld;
cc) producten van post 56.05 (metaalgarens) met strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststof;
dd) andere producten van post 56.05;
ee) glasvezels; en
ff) metaalvezels.

2. Wanneer in bijlage 3B naar deze aantekening wordt verwezen, zijn de in kolom 2 genoemde vereisten bij wijze van tolerantie niet van toepassing op bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen, mits:

a) het product twee of meer basistextielmaterialen bevat, en
b) het gewicht van de niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen samen niet hoger is dan 10% van het totale gewicht van alle gebruikte basistextielmaterialen.

Bijvoorbeeld:

Voor een weefsel van wol van post 51.12 bevattende garen van wol van post 51.07, synthetisch garen van stapelvezels van post 55.09 en andere materialen dan basistextielmaterialen, mag niet van oorsprong zijnd garen van wol dat niet aan de vereisten van bijlage 3B voldoet of niet van oorsprong zijnd synthetisch garen dat niet aan de vereisten van bijlage 3B voldoet, of een combinatie van beide, worden gebruikt, mits het totale gewicht ervan niet hoger is dan 10% van het gewicht van alle basistextielmaterialen.

3. Onverminderd aantekening 7.2, onder b), bedraagt de tolerantie voor producten bevattende "garen van polyurethaan, met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld" ten hoogste 20%. Het percentage van de andere niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen mag evenwel niet meer dan 10% bedragen.

4. Onverminderd aantekening 7.2, onder b), bedraagt de tolerantie voor producten bevattende "strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststof" ten hoogste 30%. Het percentage van de andere niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen mag evenwel niet meer dan 10% bedragen.

5. Voor producten van de posten 51.06 tot en met 51.10 en van de posten 52.04 tot en met 52.07 mogen niet van oorsprong zijnde synthetische of kunstmatige vezels worden gebruikt bij het spinnen van natuurlijke vezels, mits het totale gewicht ervan niet hoger is dan 40% van het gewicht van het product.

Aantekening 8
Andere toegestane afwijkingen voor bepaalde textielproducten

1. Wanneer in bijlage3B naar deze aantekening wordt verwezen, mogen niet van oorsprong zijnde textielmaterialen (met uitzondering van voeringen en tussenvoeringen) die niet voldoen aan de in kolom 2 van de lijst genoemde vereisten voor een geconfectioneerd textielproduct, worden gebruikt, mits deze onder een andere post vallen dan het product en de waarde ervan niet hoger is dan 8% van de prijs af fabriek of de FOB-prijs van het product.

2. Niet van oorsprong zijnde materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld, mogen zonder beperking worden gebruikt bij de productie van textielproducten die onder hoofdstuk 61, 62 of 63 zijn ingedeeld, ongeacht of zij textiel bevatten.

Bijvoorbeeld:

Wanneer uit hoofde van een vereiste van bijlage 3B voor een bepaald textielartikel (zoals een pantalon) garen moet worden gebruikt, dan sluit dit het gebruik van niet van oorsprong zijnde artikelen van metaal (zoals knopen) niet uit, omdat artikelen van metaal niet zijn ingedeeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63. Om dezelfde reden is het gebruik van niet van oorsprong zijnde ritssluitingen toegelaten, al bevatten deze normalerwijze ook textiel.

3. Wanneer een vereiste van bijlage 3B bestaat in een maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen wordt bij de berekening van de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen rekening gehouden met de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die niet zijn ingedeeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63.


Bijlage III

Explanation that the product satisfies the origin criteria (Japan-EU EPA)


Datum:


1. Invoice number and date of issue (please refer to the invoice which contains the originating products if multiple invoices are submitted)



2. Explanation that the product satisfies the origin criteria









3. Name of the person who produced the explanation Name: (signature or stamp)


Address:


Bijlage IV

BIJLAGE 22-02 van de IA

Inlichtingenblad INF 4 en aanvraag tot afgifte van een inlichtingenblad INF 4

Aanwijzingen voor het drukken:

1. Het inlichtingenblad INF4 wordt gedrukt op een formulier van wit papier, zodanig gelijmd dat het goed beschrijfbaar is, houtvrij en met een gewicht van 40 à 65 g/m2.

2. De afmetingen van het formulier zijn 210 × 297 mm.

3. Het drukken van de inlichtingenbladen is een bevoegdheid van de lidstaten. Elk inlichtingenblad wordt met het oog op de identificatie ervan voorzien van een volgnummer. De formulieren worden in één van de officiële talen van de Europese Unie gedrukt.

4. Oudere versies van inlichtingenbladen mogen ook gebruikt worden tot uitputting van de voorraad of tot 1 mei 2019, waarbij de recentste datum van de twee wordt genomen.


AANTEKENINGEN

1. Er mogen geen schrappingen noch overschrijvingen op het inlichtingenblad voorkomen. Het aanbrengen van eventuele wijzigingen dient te geschieden door doorhaling van de onjuiste en toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging moet worden geparafeerd door de persoon die het inlichtingenblad heeft afgeleverd en moet zijn goedgekeurd door de douaneautoriteiten van het land of gebied van afgifte.

2. De op het inlichtingenblad vermelde artikelen moeten elkaar volgen zonder interlinie en elk artikel moet worden voorafgegaan door een volgnummer. Onmiddellijk onder het laatste artikel moet een horizontale lijn worden getrokken. De lege ruimten dienen zodanig te worden doorgehaald dat elke latere toevoeging onmogelijk wordt.

3. De goederen moeten worden beschreven volgens de handelspraktijk en voldoende duidelijk om ze te kunnen identificeren.

4. De formulieren worden ingevuld in één van de officiële talen van de Europese Unie. De douaneautoriteiten van de lidstaat die de informatie moet verstrekken of erom moeten vragen, kunnen verzoeken om een vertaling van de informatie in het aan hen aangeboden document in de officiële taal of talen van die lidstaat.