Circulaire nr. Ci.RH.242/570.116 (AOIF 38/2005) dd. 21.09.2005

CIRC 21.09.05/1

Circulaire nr. Ci.RH.242/570.116 (AOIF 38/2005) dd. 21.09.2005


VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL
Toepassingsvoorwaarde

WET
Bevordering van het zelfstandig ondernemerschap


Vrijstelling voor bijkomend personeel - Uitsluiting van de wettelijke feestdagen in de berekening van het gemiddeld personeelsbestand

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

I. PROBLEEMSTELLING
1. De centrale diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit hebben vastgesteld dat de berekening van het gemiddeld personeelsbestand zoals dit werd uiteengezet in de nrs. 30 en volgende van de circulaire Ci.RH.242/516.233 (AOIF Nr. 27/2003) van 29 oktober 2003 (hierna de circulaire genoemd) die commentaar verstrekt op het stelsel van de vrijstelling voor bijkomend personeel, ingevoerd door artikel 29 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (gewijzigd door artikel 167 van de programmawet van 30.12.2001 en door de wet van 4.7.2004), in de praktijk aanleiding geeft tot interpretatieproblemen.

Meer bepaald rijst de vraag of de tien wettelijke feestdagen die een burgerlijk jaar in België telt al dan niet moeten worden meegerekend om, in het kader van de voormelde vrijstellingsregeling, de teller te bepalen van de breuk voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand.

II. ONDERZOEK
2. De nrs. 30, 31 en 34 van de voormelde circulaire bepalen dat het gemiddeld personeelsbestand van een bepaald jaar wordt verkregen door het totaal aantal door het personeel tijdens dat jaar in België gepresteerde arbeidsdagen, te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens dat jaar door één werknemer kan worden gepresteerd, met name door "251" of "303" (naargelang het personeelsleden betreft die in het stelsel van de vijfdagenweek of in het stelsel van de zesdagenweek werkzaam zijn).

De voormelde getallen "251" (stelsel van de vijfdagenweek) of "303" (stelsel van de zesdagenweek) uit de noemer werden bekomen door van de 365 dagen die een burgerlijk jaar normaal telt, de niet-gepresteerde weekenddagen evenals de tien wettelijke feestdagen in mindering te brengen.

3. Omwille van de logica en om de samenhang inzake de wijze van vaststelling van de noemer van de breuk te bewaren, mogen de wettelijke feestdagen - zelfs wanneer ze betaald zijn en aangegeven bij de RSZ - derhalve niet in aanmerking worden genomen om de teller van de voormelde breuk te bepalen.

III. BESLUIT
4. Indien de wettelijke feestdagen deel zouden uitmaken van de bezoldigde dagen opgenomen onder kolom 7 van de vakken V en VI van de
tabel 276 T, wat doorgaans het geval zal zijn, dienen ze hier dus uit te worden verwijderd. Hiertoe verdient het aanbeveling om per personeelslid de wettelijke feestdagen op te nemen in kolom 9 "Correcties" van voormelde vakken V en VI en ze over de vier kwartalen te spreiden op basis van de in elk kwartaal voorkomende wettelijke feestdagen.

Dienaangaande wordt er op gewezen dat een burgerlijk jaar 10 wettelijke feestdagen telt : Nieuwjaar (kwartaal I), Paasmaandag (I of II), Feest van de Arbeid (II), O.H. Hemelvaart (II), Pinkstermaandag (II), Nationale feestdag (III), O.L.V. Tenhemelopneming (III), Allerheiligen (IV), Wapenstilstand (IV) en Kerstmis (IV).

5. Deze circulaire is onmiddellijk van toepassing, in eender welk stadium van de procedure, ook wat de hangende en toekomstige geschillen betreft.

Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,

G. DELSOIR