Circulaire nr. Ci.RH.331/481.525 van 26.09.1996

CIRC 26.09.96/2
Bull. nr. 765, pag. 2184
BEREKENING VAN DE BELASTING
Regularisatie van de berekening van het remgeld.

PERSONENBELASTING
Berekening van de personenbelasting.

REMGELD
Terugbetaling van remgeld.
Verrekening van het remgeld.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
INHOUDSTAFEL Nrs I. INLEIDING ............................................ 1 II. WETTEKST ............................................. 3 III. REMGELD .............................................. 4 IV. FISCAAL GEZIN ........................................ 8 V. REGULARISATIE A. - Algemeen ........................................ 12 B. - Referentiebedragen .............................. 13 C. - Belastbaar inkomen .............................. 14 D. - Bijzonder geval : zelfstandigen ................. 15 E. - Tussenkomsten van de verzekeringsinstellingen ... 16 F. - Voorbeelden (aj. 1996) .......................... 17 VI. MINIMUMBEDRAG VAN EEN TERUGGAVE OF BETALING .......... 19 VII. INWERKINGTREDING ..................................... 20
1. INLEIDING
1. Met ingang van het aj. 1995 is de Administratie der directe belastingen, naast haar eigenlijke opdracht, zijnde de vestiging en de invordering van de belastingen, ook nog belast met de regularisatie van de vrijstelling van het remgeld waarvan sprake in art. 43 van de Programmawet van 24.12.1993 (V 2280, Bull. 736), achtereenvolgens gewijzigd door art. 23, W 21.12.1994 houdende sociale en diverse bepalingen (cf. addendum aan V 2350, Bull. 761) en de art. 113 en 118, W 29.4.1996 houdende sociale bepalingen (V 2449, Bull. 762).
Alhoewel het hier in feite geen fiscale materie betreft, heeft de wetgever een eventuele vrijstelling van het remgeld niettemin afhankelijk willen maken van de fiscale toestand van de belastingplichtigen. Het betaalde remgeld moet bijgevolg in aanmerking worden genomen om het bedrag te bepalen dat uiteindelijk moet worden ingevorderd of terugbetaald, ongeacht of de belastingplichtige een aangifte heeft ingediend of niet.
2. In deze circulaire worden de berekeningsmodaliteiten uiteengezet die gelden inzake de vrijstelling van het remgeld.
II. WETTEKST
Art.
43, W 24.12.1993
(Gecoördineerde tekst, rekening houdende met art. 23, W 21.12.1994 en de art. 113 en 118, W 29.4.1996)
3.
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° persoonlijk aandeel van één jaar: het geheel van de persoonlijke aandelen bedoeld in:
a) artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 3 november 1993 tot uitvoering van artikel 37 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
b) artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 december 1993 tot uitvoering van artikel 37, § 18, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, met betrekking tot sommige zelfstandigen;
c) artikel 8 van de wet van 16 juni 1960 die de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en die waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd en artikel 49 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, voor zover deze betrekking hebben op zorgen verstrekt in België.
De hierboven vermelde persoonlijke aandelen moeten betrekking hebben op de tijdens dat kalenderjaar terugbetaalde verstrekkingen die door een rechthebbende daadwerkelijk ten laste zijn genomen.
Uitgesloten zijn evenwel:
  • de persoonlijke aandelen die betrekking hebben op de farmaceutische produkten bedoeld in artikel 34, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  • de persoonlijke aandelen die betrekking hebben op de opnames bedoeld in artikel 34, 6°, van dezelfde gecoördineerde wet en dit vanaf 1 januari 1996;
  • de verblijfskosten verbonden aan de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, 11° en 18°, van dezelfde wet.
Wanneer een fiscaal gezin verscheidene rechthebbenden omvat, stemt het persoonlijk aandeel van één jaar overeen met de som van de aandelen die betrekking hebben op de tijdens dat jaar terugbetaalde verstrekkingen die daadwerkelijk door alle rechthebbenden samen ten laste worden genomen;
2° fiscaal gezin: de persoon of alle personen samen lastens wie een enige fiscale aanslag in de personenbelasting wordt gevestigd, overeenkomstig de artikelen 126 en 128 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 2. De Administratie der directe belastingen stort het gedeelte van het persoonlijk aandeel van één jaar als sociale vrijstelling terug of verrekent het met de eventueel door de rechthebbende of door het fiscaal gezin, waarvan hij deel uitmaakt, verschuldigde inkomstenbelastingen, voor zover dat, in hoofde van een fiscaal gezin, meer bedraagt dan een referentiebedrag dat in verhouding tot het belastbaar inkomen van dat fiscaal gezin tijdens dat jaar, als volgt varieert :
Belastbaar inkomen Referentiebedrag van 0 tot 537.999 F ................................. 15.000 F van 538.000 F tot 828.999 F ......................... 20.000 F van 829.000 F tot 1.119.999 F ....................... 30.000 F van 1.120.000 F tot 1.410.999 F ..................... 40.000 F van 1.411.000 F ..................................... 50.000 F
§ 3. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden en de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid storten de in § 2 vermelde bedragen terug voor rekening van de Administratie der directe belastingen in een bijzonder fonds, dat voor het overige wordt gelijkgesteld met een terugbetalingsfonds als bedoeld in artikel 37 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de regels van uitvoering van het eerste lid, met inbegrip van de berekeningswijze der nalatigheidsinteresten en andere administratieve kosten in geval van laattijdige storting door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid (Tot op heden is nog geen KB gepubliceerd).
§ 4. De in § 2 vermelde terugstorting wordt behandeld als een overschot van voorheffing als bedoeld in artikel 419, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De terugstorting wordt slechts in aanmerking genomen voor zover het bedrag ervan ten minste 100 frank bedraagt.
Titel VII van genoemd Wetboek is van toepassing op dat overschot.
§ 4bis. De verzekeringsinstellingen en andere rechtspersonen die tussenkomen in het persoonlijk aandeel van één jaar geven hiervan aangifte aan de Administratie der directe belastingen, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde uitvoeringsregelen en modaliteiten. Deze tussenkomst wordt afgetrokken van de som die diezelfde Administratie dient terug te storten of te verrekenen op grond van § 2 (§ 4bis is in principe van toepassing vanaf 2.1.1995, zijnde 10 dagen na de publicatie (op 23.12.1994) van de W 21.12.1994. Tot op heden is evenwel nog geen KB gepubliceerd).
§ 5. Dit artikel is voor de eerste maal van toepassing op de tijdens het jaar 1994 vergoede verstrekkingen waarvoor daadwerkelijk door de rechthebbenden een persoonlijk aandeel is ten laste genomen.
III. REMGELD
4. Onder remgeld wordt verstaan het persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kostprijs van bepaalde geneeskundige verstrekkingen, rekening houdende met de overeenkomsten, akkoorden en als zodanig geldende documenten of met de bij koninklijk besluit vastgestelde honoraria. In feite is het in aanmerking te nemen remgeld dus gelijk aan het verschil tussen het voor die verstrekkingen vastgestelde officiële tarief en de tussenkomst daarin van de mutualiteit.
5. Niet alle geneeskundige verstrekkingen komen evenwel voor de fiscale vrijstelling van het remgeld in aanmerking. Daar deze materie evenwel volledig buiten het bestek van de fiscaliteit valt, wordt er niet verder op ingegaan. Belastingplichtigen die daaromtrent meer inlichtingen wensen te vernemen kunnen best contact opnemen met hun mutualiteit of met het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV).
6. Het bedrag van het voor de fiscale vrijstelling in aanmerking te nemen remgeld wordt via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid aan de Administratie der directe belastingen medegedeeld. Het is enkel dat bedrag dat in aanmerking mag worden genomen voor de regularisatie van de fiscale toestand van de belastingplichtige.
7. Het door de Kruispuntbank medegedeelde remgeld heeft betrekking op de tijdens een bepaald kalenderjaar terugbetaalde verstrekkingen die door een rechthebbende daadwerkelijk ten laste zijn genomen (cf. art. 43, § 1, 1°, 2de lid, W 24.12.1993). Dit houdt in dat niet het jaar van de geneeskundige verstrekking, maar wel het jaar waarin die verstrekking door de mutualiteit wordt terugbetaald, bepalend is voor het jaar waarin het remgeld in aanmerking moet worden genomen voor de regularisatie van de fiscale toestand van de betrokkene.
IV. FISCAAL GEZIN
8. Voor de regularisatie van de toestand van de belastingplichtige, moeten, per kalenderjaar, alle remgelden van de leden van een fiscaal gezin worden samengevoegd.
9. Onder fiscaal gezin moet worden verstaan, de persoon of alle personen samen lastens wie overeenkomstig de art. 126 en 128, WIB 92 een enige fiscale aanslag in de PB wordt gevestigd (cf. art. 43, § 1, 2°, W 24.12.1993).
10. Dit houdt o.m. in dat de fiscale vrijstelling van het remgeld niet geldt voor personen die in de BNI belast worden.
11. Indien een persoon voor de vestiging van de PB ten laste is van een andere belastingplichtige, doch zelf ook het voorwerp is van een aanslag in de PB (b.v. een student die fiscaal nog ten laste is van zijn ouders, doch zelf ook een aangifte in de PB heeft ingediend met het oog op de recuperatie van de op zijn geringe bijverdienste ingehouden BV), wordt het remgeld steeds in aanmerking genomen voor de regularisatie van de toestand van de belastingplichtige van wie die persoon ten laste is.
V. REGULARISATIE
A.
Algemeen
12. Slechts het gedeelte van het remgeld dat een bepaald referentiebedrag overschrijdt, komt voor vrijstelling in aanmerking.
Dit referentiebedrag is bovendien afhankelijk van de hoogte van het belastbaar inkomen van de belastingplichtige.
B.
Referentiebedragen
13. De hiernavolgende tabel vermeldt de in aanmerking te nemen referentiebedragen van het remgeld in functie van het belastbaar inkomen.
Belastbaar inkomen Referentiebedragen van het remgeld van 0 tot 537.999 F 15.000 F van 538.000 tot 828.999 F 20.000 F van 829.000 tot 1.119.999 F 30.000 F van 1.120.000 tot 1.410.999 F 40.000 F meer dan 1.410.999 F 50.000 F
C.
Belastbaar inkomen
14. Het inkomen dat in aanmerking moet worden genomen om uit te maken of een gedeelte van het remgeld van het gezin kan worden vrijgesteld, is het gezamenlijk belastbaar inkomen (d.w.z. het inkomen na aftrek van de in art. 104, WIB 92 bedoelde bestedingen en andere gelijkaardige uitgaven), verhoogd met het afzonderlijk belastbaar inkomen, en dit ongeacht het feit of het inkomsten van Belgische of van buitenlandse oorsprong betreft, dan wel of het om onroerende, roerende, beroeps- of diverse inkomsten gaat.
D.
Bijzonder geval : zelfstandigen
15. Wat de zelfstandigen betreft die recht hebben op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming voor WIGW (gepensioneerden, weduwnaars, weduwen, wezen en invaliden, die een inkomen hebben dat, samen met dat van de personen te hunnen laste, een door de Koning bepaald bedrag niet overschrijdt), moet, volgens een beslissing van de Minister van Sociale Zaken, niet alleen het persoonlijk aandeel in de verplichte verzekering, maar ook het persoonlijk aandeel in de vrije verzekering voor geneeskundige verzorging, in aanmerking worden genomen om uit te maken of de in nr. 13 bedoelde referentiebedragen zijn bereikt.
Indien dit het geval is, mag evenwel alleen het persoonlijk aandeel in de verplichte verzekering in aanmerking worden genomen voor de eigenlijke verrekening met de PB of de effectieve terugbetaling aan de belastingplichtige (zie voorbeeld 2 hierna).
E.
Tussenkomsten van verzekeringsinstellingen
16. Met ingang van het jaar 1995 (aj. 1996) moeten de tussenkomsten van de verzekeringsinstellingen en andere rechtspersonen in het remgeld waarvan sprake is in de nrs. 4 tot 7, afgetrokken worden van de som die de Administratie der directe belastingen moet terugstorten of verrekenen.
Tot op heden is evenwel nog geen KB getroffen dat de uitvoeringsmodaliteiten van die bepaling regelt.
F.
Voorbeelden (aj. 1996)
Voorbeeld 1
17.
Echtpaar met 1 kind ten laste.
Beroepsinkomsten (van de man):
  • gezamenlijk belastbare nettowinst : 1.100.000 F
  • afzonderlijk belastbare stopzettingsmeerwaarde : 100.000 F.
Gift : 1.000 F. Door het gezin gedragen remgeld : 45.000 F.
Gezamenlijk belastbaar netto-inkomen van het gezin: 1.099.000 F. Afzonderlijk belastbaar inkomen : 100.000 F.
Berekening van de belasting
Saldo Staat : 348.766 F PB/gem. (6 %): 17.795 F --------- Totaal : 366.561 F
Vrijstelling van het remgeld
Referentiebedrag op een belastbaar inkomen van 1.199.000 F
(1.099.000 + 100.000 = 1.199.000) : 40.000 F Betaald remgeld: - 45.000 F -------- Vrijstelling : 5.000 F
Te betalen : 361.561 F (nl. 366.561 - 5.000).
Voorbeeld 2
18.
Echtpaar zonder kinderen ten laste.
Beroepsinkomsten :
  • zelfstandigenpensioen van de man (WIGW) : 200.000 F
  • nettoloon van de vrouw : 300.000 F.
Samenstelling van het remgeld dat door het gezin in 1995 werd gedragen.
Persoonlijk aandeel in :
- de verplichte verzekering (man) : 8.000 F - de vrije verzekering (man) : 20.000 F - de verplichte verzekering (vrouw) : 5.000 F -------- Totaal: 33.000 F
Berekening van de belasting
Saldo Staat : 31.116 F PB/gem. (7 %) : 2.115 F -------- Totaal : 33.231 F
Vrijstelling van het remgeld
Referentiebedrag op een belastbaar inkomen van 500.000 F: 15.000 F Betaald remgeld : - 33.000 F ---------- Vrijstelling : 18.000 F,
te beperken tot het persoonlijk aandeel in de verplichte verzekering, nl. 13.000 F (8.000 + 5.000).
Te betalen : 20.231 F (nl. 33.231 - 13.000).
VI. MINIMUMBEDRAG VAN EEN TERUGGAVE OF BETALING
19. De eventuele terugstorting van het remgeld wordt behandeld als een overschot van een met de PB verrekenbare voorheffing.
Indien het totale bedrag van de aanslag in de PB, de PB/gem. en de PB/agg. (na regularisatie van het remgeld en van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid) kleiner is dan 100 F, wordt het tot nul herleid.
Dit houdt in dat de in art. 304, WIB 92 gestelde grens van 100 F per aanslag slechts éénmaal van toepassing is.
VII. INWERKINGTREDING
20. De tussenkomst van de Administratie der directe belastingen in de vrijstelling van het remgeld is voor de eerste maal van toepassing met betrekking tot de tijdens het jaar 1994 vergoede verstrekkingen.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,
V. KINDT.