Circulaire AAFisc Nr. 12/2014 (nr. Ci.RH.241/632.642) d.d. 02.04.2014

Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst PB
Personenbelasting

Voordeel van alle aard
Forfaitaire raming van de voordelen van alle aard
Kosteloze beschikking over een onroerend goed

Bepalingen betreffende de forfaitaire raming van het voordeel van de kosteloze beschikking over een onroerend goed.

I. INLEIDING

1. De terbeschikkingstelling van een onroerend goed of een gedeelte van een onroerend goed uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van een werknemer of bedrijfsleider, vormt een belastbaar voordeel van alle aard bij de begunstigde van die terbeschikkingstelling. Overeenkomstig artikel 18, § 3, punt 2 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92), wordt dit voordeel, bij gebrek aan een sociale of economische reglementering die de waarde ervan vaststelt, forfaitair vastgesteld op basis van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed.

2. Bovenop het feit dat de delen van het onroerend goed die niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt (vergaderzalen, onthaalruimte, wachtzalen, …), niet in aanmerking komen om het belastbaar voordeel vast te stellen, bepaalt artikel 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92: "wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet, bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.".

3. Naar aanleiding van de parlementaire vraag nr. 467 van 24 juni 2013, gesteld door Volksvertegenwoordiger Marie-Christine MARGHEM, heeft de Minister van Financiën gepreciseerd welke interpretatie moet worden gegeven aan de verschillende begrippen die voorkomen in het voormelde derde lid, om zo te verduidelijken op welke manier het voordeel kan worden vastgesteld en om de fiscale behandeling van het voordeel van alle aard voortkomend uit de terbeschikkingstelling van onroerende goederen te uniformeren.

II. BEOORDELINGSCRITERIA

Opgelegde betrekking

4. Het betrekken van een goed kan worden aangemerkt als "opgelegd" in de zin van artikel 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92 wanneer een werkgever of een vennootschap een werknemer of een bedrijfsleider verplicht om er te verblijven wegens dwingende redenen verbonden aan de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de werkgever of de vennootschap, en er geen alternatief is dat beantwoordt aan de reële behoeften van de werknemer of bedrijfsleider.

5. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de tekst van artikel 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92 niet oplegt dat het verplicht betrekken van het goed zijn oorsprong vindt in een wettelijke, reglementaire of contractuele eis. Een eis die voortkomt uit de wetgeving of een reglementering kan de administratie evenwel overtuigen van het verplichte karakter van de betrekking.

6. Het volstaat daarentegen niet dat een contract uitdrukkelijk eist dat de verkrijger van het voordeel het goed bewoont opdat art. 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92 ipso facto van toepassing zou zijn. Deze eis mag immers niet louter formeel zijn. Er moet worden aangetoond, door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, dat het betrekken van het goed wordt genoodzaakt wegens dwingende redenen verbonden aan de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en dat er geen alternatief is dat beantwoordt aan de werkelijke behoeften van de werknemer of bedrijfsleider.

7. Wat de bedrijfsleiders betreft, heeft de Minister in zijn antwoord op de voormelde parlementaire vraag duidelijk gesteld dat deze er niet "vanzelfsprekend" toe zijn gehouden om dicht bij hun plaats van tewerkstelling te wonen. Zoals voor een werknemer, moet de verplichting om een goed te betrekken berusten op concrete en bewezen beroepsmatige redenen bij de vennootschap waar de bedrijfsleider zijn activiteit uitoefent. Er zal in het bijzonder moeten worden aangetoond dat, indien de bedrijfsleider een ander onroerend goed zou betrekken dan datgene dat hij bewoont, de activiteit van de vennootschap hieronder zwaar te lijden zou hebben of onmogelijk zou worden.

8. Involgende situaties zal de administratie het betrekken van een onroerend goed als opgelegd beschouwen:

- een filiaalhouder van een bankagentschap die bezoldigingen van werknemer of bedrijfsleider ontvangt en die contractueel verplicht is om een appartement boven het agentschap of een onroerend goed daartegenover te betrekken;

- een onderhouds- en toezichtsagent die is belast met een autonome productie-eenheid en die deze in geval van defect binnen een korte tijd moet kunnen heropstarten of repareren en hiertoe snel ter plaatse moet kunnen zijn, zonder afhankelijk te zijn van een transportmiddel.

Goed waarvan de belangrijkheid duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker te boven gaat, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin.

9. Uit de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92 blijkt dat het ter beschikking gestelde goed op een onbetwistbare wijze de behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, moet te boven gaan.

10. Tot de vele beoordelingscriteria die toelaten om te bepalen of de belangrijkheid van het goed de persoonlijke behoeften van de betrekker duidelijk te boven gaat, behoren: de bewoonbare oppervlakte, het aantal vertrekken, de plaats waar het goed gelegen is, het type van woning, het uitrustingsniveau, enz.

11. De bepalingen van artikel 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92 wijken af van de algemene regel voor de vaststelling van het voordeel van alle aard en moeten bijgevolg strikt worden geïnterpreteerd. Zo is het bijvoorbeeld in België gebruikelijk dat elk kind van een gezin zijn eigen kamer heeft. Een belastingplichtige die voorhoudt dat de woning die hij betrekt zijn behoeften duidelijk te boven gaat omdat in deze woning elk kind zijn eigen kamer heeft, terwijl zij een kamer zouden kunnen delen, kan wat dit betreft niet gevolgd worden.

Gemeubileerd goed

12. Tot al wat nuttig is wordt in herinnering gebracht dat wanneer de terbeschikkingstelling een gemeubileerd onroerend goed betreft, het voordeel van alle aard met 2/3 moet worden verhoogd (Com.IB 92 nr. 36/129).

III. BIJZONDERE GEVALLEN

Pastorieën

13. Priesters zijn er in principe toe gehouden om te wonen in een ruimte die ingevolge een wettelijke verplichting ter beschikking wordt gesteld door de gemeenten. In dat geval spreekt het voor zich dat het betrekken van het door de gemeente aangewezen goed moet worden beschouwd als opgelegd in de zin van artikel 18, § 3, punt 2, 3e lid, KB/WIB 92.

Wanneer het grote gebouwen betreft dan wordt het voordeel als volgt berekend:

- het deel dat niet voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt (bijvoorbeeld vergaderzalen), wordt uitgesloten;

- het deel dat wel voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt, wordt herleid in functie van zijn persoonlijke behoeften rekening houdend met zijn familiale situatie en zijn maatschappelijke stand.

Het te weerhouden voordeel van alle aard voor een priester die alleen leeft, kan concreet worden vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van een kleine woning of een klein appartement met één slaapkamer gelegen in de buurt van de pastorie of, bij gebrek hieraan, in een aangrenzende wijk.

Conciërgewoningen

14. Gewoonlijk bereikt het kadastrale inkomen (KI) van een aan een conciërge ter beschikking gestelde woning het bedrag van 745 EUR niet en vormt de vaststelling van het voordeel van alle aard geen probleem. Het is evenwel mogelijk dat voormelde woning in bepaalde gemeenten of wijken een KI heeft dat hoger is dan 745 EUR. Indien dit het geval is, en de woning duidelijk de behoeften van de conciërge en zijn familie overtreft, mag het voordeel van alle aard worden vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van een appartement van het gebouw of de wijk waar de activiteit van conciërge wordt uitgeoefend en dat beantwoordt aan de behoeften van de conciërge en zijn familie. Als voor een bepaalde wijk geen enkele woning kan worden gevonden, kan de administratie aanvaarden dat het KI van een appartement van hetzelfde type in een aangrenzende wijk wordt weerhouden.

IV. INWERKINGTREDING

15. Deze circulaire verduidelijkt een bestaande wettelijke bepaling, zodat de richtlijnen hiervan onmiddellijk van toepassing zijn op alle betrokken dossiers in alle stadia van de procedure.

Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

S. QUINTENS

Adviseur-generaal - Auditeur-generaal van financiën