Circulaire nr. Ci.RH. 243/336.365 d.d. 07.03.1984

Aanvullende richtlijnen aan de circ. 31.1.1983, zelfde nummer, m.b.t. de voorschotten op contracten en de inpandgeving van contracten :

- verduidelijking van bepaalde begrippen;

- organisatie van de controle van de voorschotten en de inpandgevingen;

- niet reglementaire voorschotten en inpandgevingen (in regelstelling van de contracten en sancties; onderzoek van de terugbetaling van de voorschotten of ontleende sommen):

- afhandeling van de in beraad gehouden bezwaarschriften.

Inleiding

1. De nrs. 21 tot 27 van de circ. 31.1.1983, Ci.RH.243/336.365 (hierna afgekort, aangeduid als, “de circ.””) behandelen de grenzen waarin een voorschot op contract op een inpandgeving van een contract mag worden toegestaan en de rentevoet van een dergelijk voorschot.

2. De hiernavolgende richtlijnen beogen de verduidelijking van bepaalde begrippen, van de controlemogelijkheden en de eventuele sancties ter zake, alsmede van de mogelijkheden, die de belastingplichtige heeft, om zich opnieuw in regel te stellen, teneinde sancties te vermijden.

3. Voor een goed begrip van deze richtlijnen wordt er aan herinnerd (cf. nr. 21 van de circ.) dat de betrokken voorschotten en inpandgevingen slechts mogen worden verleend:

- om het hoofd te bieden aan zeer bijzondere sociale of familiale toestanden;

- voor het verwerven van in België gelegen onroerende goederen (in dit geval is het voorschot of de lening beperkt tot 75 pct. van de theoretische afkoopwaarde van het contract);

- voor het verwerven van bepaalde nieuwe aandelen of deelbewijzen (in dit geval is het voorschot of de lening beperkt tot 50 pct. van de theoretische afkoopwaarde van het contract). De inpandgeving wordt eveneens toegestaan om een persoonlijke lening op afbetaling te waarborgen (cf. nr. 23 van de circ.).

Deze regels hebben tot doel het vervroegd “verteren” van pensioenuitkeringen te voorkomen; er kan, inderdaad, niet worden toegestaan dat de groepsverzekeringscontracten of de tegoeden op pensioenfondsen kunnen worden omgezet in spaar- of depositoboekjes waarvan het tegoed voor om het even wat kan worden afgehaald.

Deel 1 : verduidelijkingen van de richtlijnen die voorkomen in de nrs. 21 tot 26 van de circ.

Wat wordt verstaan onder “zeer bijzondere sociale of familiale toestanden” (cf. nr. 21, 1e gedachtenstreep van de circ.)?

4. Het is weliswaar niet mogelijk een volledige opsomming van deze toestanden te geven; het is de dwingende aard van de te verrichten uitgave die het fundamenteel criterium vormt waarop bij de beoordeling moet worden gesteund.

Die dwingende aard kan worden aangetoond bij middel van verschillende elementen die eigen zijn aan het onderzochte geval: bijvoorbeeld, de onvoorziene en plotselinge aard van de te verrichten uitgave terwijl het de belastingplichtige aan liquide middelen ontbreekt en de redelijke termijn gesteld voor de terugbetaling van het voorschot.

5. In de praktijk, dient geen essentieel onderscheid te worden gemaakt tussen de sociale en de familiale toestanden, die op dezelfde manier moeten worden behandeld.

Voorschotten opgenomen om in België gelegen onroerende goederen te verwerven die belastbare inkomsten voortbrengen ( cf. nr. 21, 2e gedachtenstreep van de circ.)

6. Hier worden eveneens de voorschotten beoogd die bestemd zijn om een duurdere hypothecaire lening, die was aangegaan voor de in nr. 7 aangeduide doeleinden, terug te betalen.

In tegenstelling tot wat in de 1e gedachtenstreep van nr. 21 van de circ. wordt gezegd, moeten ook onder deze rubriek worden opgenomen, de voorschotten verleend voor het herstellen of voor de wezenlijke verbetering van een onroerend goed met o.m. als gevolg dat het maximum van 75 pct. van de theoretische afkoopwaarde niet mag worden overschreden.

7. Men kan bijgevolg stellen dat de tweede gedachtenstreep van nr. 21 van de circ. alle gevallen beoogt die betrekking hebben op de voorschotten toegestaan voor het verwerven, het bouwen, het verbeteren of het herstellen van een in België gelegen onroerend goed dat belastbare inkomsten voortbrengt.

8. De “belastbare inkomsten” als bedoeld in nr. 7, begrijpen het kadastraal inkomen van een woonhuis zelfs indien dit volledig is vrijgesteld bij toepassing van art. 10 W.I.B.

Voorschotten opgenomen om bepaalde aandelen of deelbewijzen te verwerven (cf. nr. 21, 3e gedachtenstreep, van de circ.).

9. Dienstigheidshalve wordt er aan herinnerd dat het voornoemde nr. 21, 3e gedachtenstreep, slechts de voorschotten, betreft die bestemd zijn voor het verwerven van nieuwe aandelen of deelbewijzen die door de vennootschap worden voorbehouden aan de personeelsleden van de vennootschap waarvan de verzekerde deel uitmaakt.

10. Voor de toepassing van de in die gedachtenstreep uiteengezette richtlijnen, dient het begrip “vennootschap” te worden uitgebreid tot groep van vennootschappen. Ter zake geldt het begrip “groep” vastgelegd in art. 2, K.B., nr. 187 van 30.12.1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (V. 1652 – B. 615).

11. Opdat het voorschot aan de gestelde voorwaarden zou beantwoorden moet het door de verworven effecten vertegenwoordigd kapitaal, in België worden belegd.

Inzake de investering in België dienen, geval per geval, de kapitaalsverhogingen te worden onderzocht waartoe buitenlandse vennootschappen overgaan en waaraan werknemers van een Belgisch bijhuis deelnemen door middel van voorschotten op hun contract. In geval van twijfel zal het dossier, langs hiërarchische weg en met een omstandig advies, aan het hoofdbestuur worden voorgelegd.

12. In geen geval mogen voorschotten worden aanvaard die worden gevraagd om effecten te verwerven die vreemd zijn aan de groep van vennootschappen of om deel te nemen aan “stock option plans” (middel dat aan personeelsleden de mogelijkheid biedt om, over een bepaalde periode, een zeker aantal deelbewijzen te verwerven tegen een vooraf vastgestelde aantrekkelijke prijs).

Rentevoet van de voorschotten (nrs. 25 tot 27 van de circ.)

13. Deze rentevoet is de enige rentevoet die de verzekeraar aanrekent voor zijn hele portefeuille “groepsverzekeringen”.

Ter zake mogen niet worden aanvaard:

- de vermindering van de rentevoet wegens het schrappen van de winstdeelname;

- de kortingen toegestaan in verhouding tot de belangrijkheid van de verzekerde groep.

Inpandgevingen van contracten (cf. nrs. 21 tot 24 van de circ.)

14. Ter zake dient onder “inpandgeving” te worden verstaan, elke handeling die de overdracht aan een derde beoogt van het recht de afkoop van een verzekeringscontract te vorderen en de betaling te bekomen van de afkoopwaarde van voormeld contract of van het verzekerde kapitaal op de vervaldag.

Deel 2 : Organisatie van de controle van de voorschotten en de inpandgevingen

15. De pensioenreglementen en de clausules van de groepsverzekeringscontracten zullen moeten worden aangepast – eventueel door middel van een aanhangsel – voor 30 juni 1984 om rekening te houden met de nieuwe voorwaarden waaronder de voorschotten op contracten en de inpandgevingen van contracten zullen mogen gebeuren.

16. Op de voorschotakte of op het aanhangsel van inpandgeving moeten de vermeldingen voorkomen die de administratie ter zake volledige voorlichten Die akte en dat aanhangsel zullen ter kennis van de administratie worden gebracht door middel van het formulier in bijlage, formulier dat uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op dat waarop het betrekking heeft, aan een van de hiernavermelde documentatiecentra zal worden toegezonden (die ze aan de taxatiedienste van de verzekerde of de aangeslotene zal doen toekomen):

- Belliardstraat 45, 1040 Brussel voor het Brusselse agglomeratie;

- Rue d’Enghien 18, 7000 Mons, voor de Franse en Duitstalige gewesten;

- Kruisstraat 28, 9470 Denderleeuw, voor het Nederlandstalig gewest.

De taxatiedienst rangschikt het bovenbedoelde formulier in het permanent dossier en vermeldt het in het memorandum.

17. De noodzakelijke vermeldingen waarvan sprake in nr. 16 zijn :

1° de reden die wordt ingeroepen om het voorschot te vragen of om tot de inpandgeving over te gaan, deze reden dient overeen te stemmen met een van die voor dewelke de voorschotten op contracten of de inpandgevingen van contracten zijn toegestaan volgens nr. 21 of 23 van de circ.;

2° de theoretische afkoopwaarde van het contract, om de beperking van het bedrag van het voorschot of de lening zoals bedoeld in nr. 21, 2e en 3e gedachtenstreep van de circ. te kunnen nagaan;

3° in geval van een voorschot, de toegepaste rente, die, overeenkomstig nr. 25 van de circ., dient overeen te stemmen met het tarief dat, in de maatschappij, op het ogenblik van de toekenning van het voorschot, voor haar hele portefeuille “groepsverzekeringen” van kracht is.

NIET REGLEMENTAIRE VOORSCHOTTEN EN INPANDGEVINGEN

a) In regelstelling van de contracten en sancties

18. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee perioden: de eerste die de van 1.1.1983 af toegestane en gedane inpandgevingen bestrijkt, de tweede betreffende de voor die datum toegestane voorschotten en gedane inpandgevingen.

1. Voorschotten toegestaan en inpandgevingen gedaan sedert 1.1.1983

19. Wanneer de taxatiedienst oordeelt dat het voorschot of de inpandgeving niet-reglementair is en de belastingplichtige met deze zienswijze niet akkoord gaat, moet een afschrift van het in nr. 16 bedoelde formulier door toedoen van de Insp. A, samen met de beschouwingen en het advies van de optredende ambtenaren, aan het hoofdbestuur worden toegezonden.

De twijfelachtige gevallen zullen door het hoofdbestuur voor advies worden voorgelegd aan het overlegcomité dat daartoe door de ondertekenaars van het akkoord werd opgericht.

20. Hij die te goeder trouw een niet-reglementair voorschot of een niet-reglementaire inpandgeving heeft bekomen zal er zich, binnen een termijn van een maand die aanvangt vanaf de datum waarop hem het advies van het hoofdbestuur en, eventueel, van het overlegcomité zal zijn medegedeeld, uitdrukkelijk kunnen toe verbinden het voorschot terug te betalen of de inpandgeving te doen opheffen binnen een met de taxatiedienst overeen te komen redelijke termijn. Het bewijs van de terugbetaling van het voorschot of van de opheffing van de inpandgeving rust op de belanghebbende.

21. Wanneer de verbintenis bedoeld in nr. 20 niet wordt aangegaan of wanneer die verbintenis werd aangegaan, maar de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren, moeten de bedragen gestort op contracten die niet meer voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake voorschotten of inpandgevingen, onder de belastbare bezoldigingen van de verzekerde of de aangeslotene worden opgenomen (cf. nr. 12 van de circ.)

Het betreft hier, ofwel het totaal van de persoonlijke bijdragen tijdens het belastbaar tijdperk gestort op het contract C (1), ofwel het totaal van de werkgeverstoelagen tijdens dezelfde periode gestort op het contract A (2), ofwel de voormelde bijdragen en toelagen samen, naargelang het of de contracten waardoor het voorschot werd toegestaan of de inpandgeving werd uitgevoerd, daarbij moeten de contracten “A” en “C” afzonderlijk in aanmerking worden genomen.

----------

(1) In dit geval wordt de in het art. 54, 2°, a, W.I.B. bedoelde aftrek geweigerd.

(2) In dit geval wordt verondersteld dat er toekenning is van bezoldigingen.

22. De in nr. 21 uiteengezette regel is van toepassing met ingang van het jaar waarin het niet-reglementair voorschot of de niet-reglementaire inpandgeving werd toegestaan; het is derhalve niet nodig pro rata berekeningen van premies te maken.

23. In geval van de volledige terugbetaling van het voorschot of de opheffing van de inpandgeving, zal de werkgeverstoelage niet meer worden belast en zal de persoonlijke bijdrage opnieuw aftrekbaar zijn met ingang van het jaar waarin het voorschot volledig werd terugbetaald of de inpandgeving werd opgeheven.

24. Daarenboven zullen, in het nr. 20 beoogde geval en binnen de grenzen van de wettelijke bepalingen, in de zin wat voorafgaat, de aanslagen kunnen worden herzien van de aanslagjaren waarvoor als bewarende maatregel inkohieringen zouden zijn gedaan, bij gebreke van de volledige terugbetaling van het voorschot of van de opheffing van de inpandgeving.

25. Voorbeeld

Een voorschot van 500.000 F in 1984 toegestaan op een groepsverzekeringscontract wordt door de administratie in 1985 als niet-reglementair aangemerkt.

Eerste veronderstelling : de belastingplichtige laat na, binnen de maand van de kennisgeving van het advies van de administratie, zich uitdrukkelijk te verbinden het voorschot binnen een redelijke termijn terug te betalen.

De werkgeverstoelagen en de persoonlijke bijdragen van het jaar 1984 zijn belastbaar in hoofde van de verzekerde en blijven dit zolang het voorschot niet volledig is terugbetaald.

Tweede veronderstelling : in december 1984 – d.w.z. binnen de maand van de administratieve kennisgeving – verbindt de belastingplichtige er zich uitdrukkelijk toe het voorschot terug te betalen binnen een termijn van 3 jaar wat door de taxatie-ambtenaar wordt aanvaard, gelet op de goede trouw van de belanghebbende en op de zeer beperkte financiële middelen waarover hij beschikt

Daar de belanghebbende in december 1987 het bewijs van de volledige terugbetaling van het voorschot nog niet heeft geleverd, belast de taxatieambtenaar de werkgeverstoelagen en de persoonlijke bijdragen van het jaar 1984 ten einde de rechten van de Schatkist te vrijwaren. De belastingplichtige kan vanaf de ontvangst van het aanslagbiljet een bezwaarschrift indienen en bij die gelegenheid het bewijs leveren dat het voorschot volledig werd terugbetaald op 20 december 1987.

In dit geval kan ontheffing van de voor het aanslagjaar 1985 (inkomsten van het jaar 1984) gevestigde aanvullende aanslag worden verleend.

2. In 1982 of vroeger toegestane voorschotten en gedane inpandgevingen

26. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen twee mogelijkheden :

1e mogelijkheid : Er is geen laakbaar gebruik in de zin van nr. 6 van de circ. aangetoond

De toegestane voorschotten en gedane inpandgevingen worden in dergelijke gevallen niet in vraag gesteld, zelfs niet wanneer zij niet beantwoorden aan de richtlijnen uiteengezet in de nrs. 21 tot 27 van de circ.

2e mogelijkheid : Er is laakbaar gebruik van het contract in de zin van nr. 6 van de circ. aangetoond

Men handelt zoals voorzien in de nrs. 21 tot 23.

Toepassing van belastingverhogingen – Bijzondere aanslagen art. 132 W.I.B.

27. Wanneer een belastingplichtige die in bezwaar is, zijn grieven nopens de grond van de zaak intrekt, mag, indien het om een eerste inbreuk gaat, het percentage van de belastingverhogingen beperkt worden tot 10 pct.

28. Hetzelfde geldt wanneer de belastingplichtige akkoord gaat met de taxatieambtenaar voor de in regelstelling van zijn contracten en wanneer die ambtenaar, als bewarende maatregel, de werkgeverstoelagen en de persoonlijke bijdragen belast.

29. Behalve in de gevallen van gekarakteriseerde fraude, zullen de bepalingen van art. 132, W.I.B. (bijzondere aanvullende aanslag in de Ven.B.) niet worden toegepast op werkgeverstoelagen van de jaren 1982 en vorige, die op naam van de bij het bewuste pensioenreglement aangeslotene werkelijk werden belast of zullen worden belast.

Opmerking

30. In geval van werkelijke en definitieve belastingheffing, ten name van de verzekerde of de aangeslotene, op de werkgeverstoelagen en de persoonlijke bijdragen – wegens onregelmatig voorschot of onregelmatige inpandgeving – mag de verzekerde het betwiste contract splitsen, zelfs met terugwerkende kracht, in twee contracten, het eerste waarvan de premies normaal, geheel of gedeeltelijk, werden afgetrokken (de voordelen van dit contract zullen op de vervaldag belastbaar zijn op grond van art. 32bis, W.I.B.), en het tweede waarvoor de aftrek van de premies werd geweigerd en waarvan de voordelen niet als bedrijfsinkomsten zullen belastbaar zijn.

b) Onderzoek van de terugbetaling van de voorgeschoten of ontleende sommen in de gevallen bedoeld in nr. 21, 2e en 3e gedachtenstreep, van de circ.

31. Naast hetgeen voorzien is in nr. 22 van de circ. i.v.m. het verwerven en het behouden van nieuwe aandelen of deelbewijzen die door de vennootschap zijn voorbehouden aan haar personeelsleden, zullen de taxatiediensten eveneens moeten onderzoeken of de onroerende goederen die door middel van de voorgeschoten of ontleende sommen zijn verworven, niet zijn verdwenen uit het vermogen van de verzekerde of de aangeslotene en dit, zolang die sommen niet zijn terugbetaald.

32. In geval van vervreemding van het onroerend goed, of van de aandelen of deelbewijzen waarvan sprake in nr. 31, past het de belanghebbende uit te nodigen het bewijs te leveren dat hij de bovenvermelde sommen heeft terugbetaald of wederbelegd in goederen beoogd in nr. 21, 2e en 3e gedachtenstreep, van de circ., of, in de bijzondere gevallen, dat hij de bij die vervreemding ontvangen sommen heeft gebruikt om het hoofd te bieden aan sociale of familiale toestanden bedoeld in de 1e gedachtenstreep van het voormelde nr. 21 (zie ook nrs. 4 en 5).

Onderzoek van de bezwaarschriften

33. De in beraad gehouden geschillen betreffende voorschotten op contracten en inpandgevingen van contracten mogen afgehandeld worden op basis van de vorenstaande richtlijnen.