Circulaire nr. 8/2003 du 15.05.2003

Begrip nieuwbouw
Tijdstip vervreemding
Vrijstelling registratierechten
Dos. EE/L 117
De programmawet van 2 augustus 2002 (B.S. van 29 augustus 2002 - 2de uitgave) heeft onder meer de artikelen 1, 8°, § 1, 12, § 2 en 44, § 3 van het BTW-Wetboek gewijzigd.
Deze wijzigingen - die de goederen onderworpen aan de BTW betreffen, evenals de duur van de onderwerping aan de BTW - hebben repercussies op de toepassing van de vrijstelling vervat in artikel 159, 8°, W.Reg., dat echter zelf geen enkele wijziging heeft ondergaan.
Er wordt verwezen naar de circulaires nr. 5 van 11 februari 1993 en nr. 18 van 31 oktober 2002.
Deze informatie slaat zowel op de overdracht van nieuwe gebouwen als op de vestiging, overdracht of wederoverdacht van zakelijke rechten op deze gebouwen.
1. DOEL VAN DE WIJZIGING
Met de nieuwe bepalingen heeft de wetgever beoogd een beperking in te voeren van de periode gedurende dewelke een gebouw als nieuw zal beschouwd worden in de zin van de BTW, vooral gelet op de onroerende goederen die nooit het voorwerp uitmaken van een inkohiering inzake de onroerende voorheffing omdat de titularissen van zakelijke rechten op deze goederen ervan vrijgesteld waren (de Staat, de Gemeenschappen, de gemeenten, …) of die het voorwerp uitmaken van een laattijdige inkohiering.
2. AARD VAN HET GOED
Uitbreiding van het begrip nieuwbouw
Voor de toepassing van het BTW-stelsel, werd het begrip gebouw gedefinieerd als "ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden".
Het nieuwe begrip gebouw veronderstelt in de eerste plaats het onroerend uit zijn aard maken van grondstoffen (beton, asfalt, …) of van materialen (buizen, palen, vloerstenen, enz…).
Worden dus bedoeld de onroerende goederen die reeds daarvoor aan het begrip gebouw beantwoordden, d.w.z. alle gebouwde onroerende goederen uit hun aard waaraan een kadastraal inkomen van gebouwd onroerend goed kan worden toegekend (gewone huizen en villa's, flats, nijverheids-, handels- of landbouwgebouwen, scheidingsmuren, enz.), en de industriële uitrustingen die onroerend uit hun aard zijn.
Maar dit begrip is voortaan eveneens van toepassing op de infrastructuurwerken (wegennet, kanalisaties van water, gas en elektriciteit, goten, parkeerterrein voor wagens zelfs indien dit laatste slechts bestaat uit een verharding van de bovengrond) en, meer algemeen, op alle werken vast met de grond verbonden en bijgevolg onroerend uit hun aard, zoals:
  • wegen, spoorwegen, gebetonneerde kanalen, binnenhavens, sluizen, bruggen, aquaducten, tunnels, omheiningsmuren, dijken, stuwdammen, pylonen, elektrische lijnen, verlichtingspalen, pijpleidingen, gas-, water- en elektriciteitsleidingen, rioleringsnetten, enz…
  • en, voor zover hun inrichting zich niet beperkt tot het effen maken van de grond (d.w.z. een terrein van aangestampte grond) of tot het simpel aanbrengen van een steenlaag maar een vasthechtend wegdek bevat : parkeerterreinen, kades voor lossing, plaatsen (terreinen) voor het behandelen of overladen, plaatsen voor goederenopslag, bermen, ingangsrijstroken tot waterwegen, bekkens voor het recupereren van regenwater en andere infrastructuurwerken.
Uit wat voorafgaat volgt onder meer dat, in een verkaveling, de infrastructuurwerken uitgevoerd door de promotor-verkavelaar kunnen worden overgedragen met toepassing van de BTW, zelfs als er geen overdracht van een gebouw plaatsheeft (zie RJ R 45/03.12).
Omdat er terzake evenwel geen sprake is van inlijving van materialen in de grond, zijn de terreinen waarvan de inrichting bestaat uit beplantingen en/of zaailand (bvb. de glooiingen (taluuds) en de boorden onder de vorm van groene ruimtes) en, a fortiori, de niet gebetonneerde kanalen en de sloten (grachten) geen gebouwen in de zin van de nieuwe bepaling, aangezien zij niet kunnen worden aangemerkt als " werken die vast met de grond verbonden zijn". Dit is zo zelfs indien voor de inrichting van deze gronden werken nodig waren voor het effen maken, het uitgraven, het ophogen, het verplaatsen van grond, het uitbaggeren, enz.
Bijgevolg, bij wijze van voorbeeld, wordt de parkeerplaats op de autosnelweg slechts beschouwd als gebouw ten aanzien van de geasfalteerde oppervlakte en de eventuele bouwwerken, terwijl de grasperken en de groene ruimtes niet onder het begrip gebouw vallen.
3. TIJDSTIP VAN DE VERVREEMDING
Nieuw criterium
Het criterium van de inkohiering voor de onroerende voorheffing wordt verlaten voor dat van de datum van de eerste ingebruikneming of van de eerste inbezitneming van het gebouw. Voortaan blijft een onroerend goed een nieuwbouw tot 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming.
Door de termijn, binnen dewelke de vervreemding met toepassing van de BTW kan plaatshebben, te koppelen aan de datum van de eerste ingebruikneming of van de eerste inbezitneming van het gebouw, en niet langer aan de inkohiering voor de onroerende voorheffing, worden alle beoogde onroerende goederen op eenzelfde wijze behandeld, of ze nu ingekohierd zijn of niet.
4. VORMVOORWAARDE
Gelet op hetgeen vooraf gaat, is het niet meer nodig dat de partijen die de toepassing van artikel 159, 8°, W.Reg. inroepen, in de akte of in een geschrift dat aan deze akte gehecht is, vermelden in de loop van welk jaar de eerste inkohiering voor de onroerende voorheffing van het overgedragen gebouw heeft plaatsgehad (zoals de 5de alinea van artikel 159, 8°, W.Reg. voorschrijft).
Deze alinea is echter nog niet gewijzigd (deze wijziging valt onder de bevoegdheid van de Gewesten).
In de praktijk moeten, in afwachting van deze wijziging, de partijen die het voordeel van artikel 159, 8°, W.Reg. inroepen, overeenkomstig artikel 168 W.Reg., in de akte of in een aangehecht geschrift de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het vervreemde gebouw vermelden.
Overigens moet, meer dan ooit aangezien de controle berust bij de BTW-controleur, in de akte van vervreemding het kantoor aangeduid worden waar de belastingplichtige van rechtswege of door optie zijn aangifte voor de heffing van de BTW moet indienen, en voor laatstgenoemde de datum waarop hij de verkrijger heeft ingelicht over zijn intentie om onder het BTW-regime te verkopen.
5. TOEPASSING IN DE TIJD
In principe zijn de nieuwe berekeningsregels betreffende de termijnen toepasselijk met ingang van 29 augustus 2002.
Niettemin kent dit principe een UITZONDERING: de nieuwe regels zijn toepasselijk vanaf 26 april 2002 voor de gebouwen of zakelijke rechten waarvoor, vóór deze datum, geen enkel recht op aftrek van de BTW, geheven op de oprichting of de verkrijging van de gebouwen, is ontstaan.
Concreet betekent dit dat de nieuwe bepalingen toepasselijk zijn vanaf 29 augustus 2002 voor elke belastingplichtige die, vóór 26 april 2002, recht kon laten gelden op de aftrek van de voorbelasting, betreffende de oprichting of de verwerving van het gebouw of de zakelijke rechten.
Deze retroactieve inwerkingtreding, aangekondigd in een bericht van het Ministerie van Financiën gepubliceerd in het B.S. van 30 april 2002, had als doel te vermijden dat de belanghebbenden hun onroerend patrimonium snel zouden vervreemden met het doel in extremis de op de constructie betaalde BTW te recupereren.
Dit retroactief effect zal slechts weinig overdrachten aanbelangen.
Het zal inderdaad niet de "professionele oprichters" treffen die bedoeld worden in artikel 44, §3, 1°, a, 1ste streepje W.BTW, omdat het recht op aftrek van de belastingen die drukken op de goederen en diensten geleverd aan deze belastingplichtige slechts ontstaat op de datum dat de BTW opvorderbaar is.
Het zou, in principe, evenmin slaan op de BTW-plichtigen uit hoofde van een andere economische activiteit, die geen oprichters of handelaars van nieuwbouwen zijn, bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, a, 2de streepje W.BTW
De retroactieve werking zou dus enkel de belastingplichtigen treffen die geen aan de BTW onderworpen economische activiteit uitoefenen en die moeten opteren voor de toepassing van de BTW bij de overdracht onder bezwarende titel van een nieuwbouw (bedoeld bij artikel 44, § 3, 1°, a, 3de streepje W.BTW)
6. BIJZONDERE GEVALLEN
De datum van inwerkingtreding van de bepaling betreffende de nieuwe omschrijving van gebouw zoals hiervoor beschreven kan enkele problemen opleveren.
Het bericht gepubliceerd op 30 april 2002 sloeg inderdaad niet op de aard van de onroerende goederen die onder de toepassing van de BTW kunnen vallen, noch op de regel van de retroactiviteit van de wet in het geval van het bestaan van een recht op aftrek vóór 26 april 2002, wat aanleiding kon geven tot enige rechtsonzekerheid en oorzaken van discriminatie aangezien de belanghebbenden onwetend waren over de draagwijdte van de nieuwe bepalingen.
Bekijken we twee voorbeelden:
  • Voorbeeld 1: een verzekeringsmaatschappij die met toepassing van de BTW een parkeerterrein voor voertuigen heeft aangelegd of verworven kan, vanaf 26 april 2002, deze parkeerplaats overdragen met toepassing van de BTW, op voorwaarde dat alle andere voorwaarden vervuld zijn (nieuwbouw, geen ontstaan van het recht op aftrek, optie …);
  • Voorbeeld 2: een transportfirma die met toepassing van de BTW een parkeerterrein heeft aangelegd of verworven voor haar vrachtwagens, en die dus haar recht op aftrek heeft kunnen uitoefenen, kan daarentegen, onder geen enkel beding, het bewuste parkeerterrein vóór 29 augustus 2002 overdragen met toepassing van de BTW.
In het eerste voorbeeld heeft de vervreemding normaal gezien plaats gehad met toepassing van het registratierecht, daar waar, bij optie, ze had kunnen gebeuren met BTW.
In het tweede voorbeeld, waarbij we te maken hebben met een verkoper-belastingplichtige die zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend voorafgaandelijk aan de vervreemding met toepassing van het registratierecht, had hij er - in de veronderstelling dat hij correct geïnformeerd was over de uitbreiding van het begrip gebouw - belang kunnen bij hebben de overdracht met enkele weken uit stellen, zodat ze kon onderworpen worden aan de BTW.
Bijgevolg zal door onze administratie, in overleg met de AOIF, op de verrichtingen tot stand gekomen tussen 26 april 2002 en 29 augustus 2002, geen kritiek geleverd worden indien de bij de beoogde overeenkomsten betrokken partijen kenbaar maken dat zij besloten hebben om, met retroactieve toepassing, de overdracht tussen hen onder de toepassing van de BTW te plaatsen (wat uiteraard impliceert dat de BTW wordt geregulariseerd en de geheven registratierechten worden teruggegeven).
Deze vragen tot teruggave, evenals alle moeilijkheden die zich zouden kunnen voordoen als gevolg van de toepassing van de nieuwe bepalingen, zullen aan het Hoofdbestuur, Dienst I, worden meegedeeld.
De Administrateur-generaal van de Patrimoniumdocumentatie,
D. DE BRONE