Aanschrijving nr. 5 d.d. 20.05.1997
Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen
Jaarlijkse taks op de coördinatiecentra
Onderwerp van de aanschrijving
1. Het in bijlage 1 weergegeven koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende wijziging van het Wetboek der Successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (Belgisch Staatsblad van 6 december 1996) wijzigt de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen en breidt deze taks uit tot de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen.
De wijzigingen aangebracht aan de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen - ingevoerd door art. 73 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen (Aanschrijving nr. 20 van 29 september 1993) - betreffen de belastbare grondslag (art. 3 KB, art. 161bis W.Succ.), de datum van opeisbaarheid en van betaling (art. 4 KB, art. 161quater W.Succ.) en de aangiftetermijn (art. 5 KB, art. 161quinquies W.Succ.).
De jaarlijkse taks van 0,06 % wordt uitgebreid tot de kredietinstellingen die inkomsten of dividenden toekennen als bedoeld in art. 21, 5° en 6° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en tot de verzekeringsondernemingen die dividenden of inkomsten toekennen als bedoeld in art. 21, 6° en 9° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (art. 2 KB, art. 161 W.Succ.). Wat de belastbare grondslag betreft wordt verwezen naar de tekst van de wet (art. 3 KB, art. 161bis W.Succ.) en naar het Verslag aan de Koning, weergegeven in bijlage. Wat de datum van opeisbaarheid en van betaling en de aangiftetermijn betreft wordt eveneens verwezen naar de tekst van de wet (art. 4 en 5 KB, art. 161quater en 161quinquies W.Succ.).
2. De vorm en de inhoud van de aangifte, de betalingsmodaliteiten en de bijkomende regels met het oog op de juiste heffing van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen worden vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 maart 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten (Belgisch Staatsblad van 28 maart 1997), weergegeven in bijlage 3.
Het zesde registratiekantoor te Brussel, gevestigd Regentschapsstraat 54 te 1000 Brussel, is, zoals voor de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, eveneens bevoegd voor de invordering van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen alsmede van de boeten en interesten (zie beslissing van de Secretaris-generaal van 23 april 1997, weergegeven in bijlage 4).
De postrekening-courant van voormeld kantoor is het nr. 000-2003161-14. De aandacht wordt er inzonderheid op gevestigd dat geen enkele andere betalingswijze van de taks is toegelaten dan deze door storting of overschrijving op de postrekening-courant. Het stortings- of overschrijvingsborderel vermeldt het belastbaar jaar, de naam, het nationaal nummer en de maatschappelijke zetel van de instelling waarvoor de taks is betaald.
De Opsporings- en documentatiediensten van de registratie bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen kunnen kennis nemen van alle documenten nodig voor de juiste heffing van de taks (art. 6 KB, art. 161nonies W.Succ.).
3. Art. 5 van het voormelde koninklijk besluit van 10 maart 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten wijzigt een betalingsmodaliteit van de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra (art. 5 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot invoeging van art. 8ter in het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, zie Aanschrijving nr. 7 van 5 maart 1993).
4. De bijgewerkte tekst van boek IIbis van het Wetboek der Successierechten en van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten worden als bijlagen 5 en 6 bijgevoegd.
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 6 december 1996. 18 NOVEMBER 1996. - Koninklijk besluit houdende wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie. ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, inzonderheid op de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°;
Gelet op het Wetboek der successierechten, inzonderheid op boek IIbis;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 oktober 1996;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 17 oktober 1996;
Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door de op 1 januari 1997 vastgelegde inwerkingtreding van het voorliggend besluit;
Gelet op het advies van de Raad van State;
Gelet op de gecoördineerde wetten op de Raad van State, meer in het bijzonder het artikel 3bis, § 1;
Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het opschrift van boek IIbis van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
"Boek IIbis. Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen".
Art. 2. Artikel 161 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993. wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 161. Zijn onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op, naargelang het geval, hun inschrijving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen of bij de Controledienst voor de Verzekeringen :
Art. 3. Artikel 161bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 161bis. § 1. Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen is de taks verschuldigd op de inventariswaarde van de beleggingsinstelling op 1 januari van elk aanslagjaar.
Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen met een vast aantal rechten, is de taks verschuldigd op de inventariswaarde bij de afsluiting van het boekjaar of, later, op de laatste voorlopige inventariswaarde die vóór 1 januari. is vastgesteld, verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling van voornoemde inventariswaarde en de eerste januari van het aanslagjaar zijn uitgegeven.
§ 2. Wat betreft de kredietinstellingen, is de taks verschuldigd op een quotiteit van het totaal bedrag van de in artikel 21, 5°, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 bedoelde spaardeposito's op 1 januari van het aanslagjaar, de interesten voor het vorig jaar niet inbegrepen. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van vermeld artikel 21, 5° niet-belastbare inkomsten, tot het totaal van de toegekende inkomsten voor het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
§ 3. Wat betreft de verzekeringsondernemingen, is de taks verschuldigd op het totaal bedrag op 1 januari van het aanslagjaar van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op de levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 21, 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 4. In geval een instelling of onderneming bedoeld in artikel 161, 2° of 3° de vorm heeft van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, is de taks bovendien verschuldigd op een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van artikel 21, 6° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet-belastbare dividenden, tot het totaal van de toegekende dividenden voor het boekjaar dat voorafgaat.
Art. 4. In artikel 161quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
"Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31 maart van elk jaar. Nochtans wordt die termijn, wat betreft de betaling van de taks of van het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in voorkomend geval, verlengd tot de achtste werkdag na de datum van de algemene vergadering waarop over de toekenning van de dividenden is beslist",
Art. 5. Artikel 161quinquies, eerste lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De instellingen of ondernemingen bedoeld in artikel 161 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar op het bevoegde kantoor een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven. Evenwel moeten, wat aangaat de taks of het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie de aangifte of een bijkomende aangifte die de belastbare grondslag opgeeft van de taks of van het gedeelte van de taks betreffende die dividenden, indienen ten laatste de dag waarop de betaling overeenkomstig artikel 161quater, tweede lid moet worden gedaan."
Art. 6. Artikel 161nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen kunnen kennis nemen van alle documenten nodig voor de juiste heffing van de taks."
Art. 7. De kredietinstellingen mogen de kost van de taks met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 21, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet verhalen op de houders van in dit artikel bedoelde.
Art. 9. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 18 november 1996.
Artikel 2, § 1, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, luidt als volgt :
"Teneinde de toetreding van België tot de Europese Economische en Monetaire Unie mogelijk te maken en artikel 104C van het Verdrag betreffende de Europese Unie alsmede artikel 1 van het bijgevoegd Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten na te leven, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de in artikel 3 bedoelde maatregelen nemen".
Artikel 3, § 1, van dezelfde wet bepaalt :
"De Koning kan maatregelen nemen om :
1° ...
2° de belastingen, taksen, rechten, retributies, accijnzen, boeten en andere ontvangsten aan te passen, op te heffen, te wijzigen of te vervangen en inzonderheid de grondslag, het tarief, de nadere regels voor heffing en inning en de procedure, met uitsluiting van de rechtsprekende procedures;
...".
Dit ontwerp van besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit voor te leggen strekt ertoe de Staatsschuld te verminderen. Daartoe wordt voorgesteld het opeisbaar passief van kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen dat overeenkomt met de niet-belastbare roerende inkomsten bij toepassing van artikel 21, 5°, 6° en 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, te onderwerpen aan de taks van 0,06 pct. die gevestigd wordt door boek IIbis van het Wetboek der successierechten. Aan die taks zijn.nu enkel de collectieve beleggingsinstellingen onderworpen.
Door dit ontwerp worden bijgevolg de nodige wijzigingen aan boek IIbis van het Wetboek der successierechten aangebracht.
B. Belastingschuldigen, tijdstip van ontstaan van de belastingschuld en tijdstip waarop de belastbare grondslag wordt vastgesteld.
De datum waarop de belastingschuld ontstaat en waarop de belastbare grondslag wordt bepaald, wordt eenvormig vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar (zowel voor de beleggingsinstellingen als voor de instellingen en ondernemingen die er voor het eerst worden aan onderworpen).
Artikel 3
C.1. Nieuwe belastingschuldigen, andere dan die bedoeld in het nieuwe artikel 161bis, § 4.
Wat betreft de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen, andere dan die welke de vorm hebben van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie, wordt de belastbare grondslag uitsluitend gevormd door respectievelijk een quotiteit van de spaardeposito's en een quotiteit van de wiskundige balansprovisies of de technische provisies. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding tussen de op grond van artikel 21 WIB 1992 geïmmuniseerde inkomsten en het totaal van de inkomsten die betrekking hebben op die deposito's (de interesten niet inbegrepen) of provisies.
Betreft het kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen die de vorm hebben van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie dan moet voor de bepaling van de belastbare grondslag volgend onderscheid worden gemaakt :
a) de vennootschap heeft enkel inkomsten toegekend als bedoeld in artikel 21, 5° of 9° WIB 1992; in dat geval is de belastbare grondslag dezelfde als voor de in vorige paragraaf bedoelde instellingen en ondernemingen;
b) de vennootschap heeft enkel dividenden toegekend als bedoeld in artikel 21, 6° WIB 1992; in dat geval wordt de belastbare grondslag gevormd door een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal en is die quotiteit gelijk aan de verhouding tussen de op grond van artikel 21, 6° WIB geïmmuniseerde dividenden en het totaal van de toegekende dividenden;
c) de vennootschap heeft zowel inkomsten als bedoeld in artikel 21, 5° of 9° WIB 1992 als dividenden bedoeld in artikel 21, 6° WIB 1992 toegekend : de grondslag die is vermeld onder b) moet dan gevoegd worden bij de grondslag vermeld onder a).
Vermits de taks berekend wordt over een grondslag die op 1 januari van het aanslagjaar wordt vastgesteld, moet er geen rekening gehouden worden met verrichtingen die op de eerste januari zelf zouden worden uitgevoerd. De belastbare grondslag wordt dus bepaald rekening houdend, naargelang het geval, met :
a) de inventariswaarde op de eerste januari van het aanslagjaar waarin begrepen zijn alle verrichtingen gedaan tot en met de 31ste december van het jaar dat voorafgaat of met de laatste voorlopige inventariswaarde verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling ervan en tot en met de 31ste december van het jaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar zijn uitgegeven;
b) het bedrag van de spaardeposito's die tot en met de 31ste december van het jaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar zijn ontvangen, daarin echter niet begrepen de interesten voor dat jaar;
c) de provisies die op de 1ste januari van het aanslagjaar gevormd zijn en die betrekking hebben op levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 21, 9° WIB 1992;
Ten aanzien van dergelijke vennootschappen kunnen zich dus drie gevallen voordoen :
a) de algemene vergadering heeft plaatsgehad meer dan acht werkdagen vóór de 31ste maart van het aanslagjaar : op 31 maart moet de (oorspronkelijke en enige) aangifte ingediend zijn en de taks volledig betaald zijn;
b) heeft de vennootschap enkel dividenden die onder toepassing vallen van artikel 21, 6° WIB 1992 toegekend op een algemene vergadering die plaatsgehad heeft minder dan acht werkdagen vóór 31 maart van het aanslagjaar, of na die datum, dan moet de (enige en oorspronkelijke) aangifte pas ingediend en de taks pas betaald worden uiterlijk 8 werkdagen na de datum waarop de algemene vergadering heeft beslist over die toekenning;
c) heeft de vennootschap zowel inkomsten toegekend die onder toepassing vallen van artikel 21, 5° of 9° WIB 1992, als dividenden toegekend onder de voorwaarden vermeld onder b), dan moet :
Met de opmerkingen van de Raad van State werd rekening gehouden behalve met de opmerking die betrekking heeft de nummering van het besluit.
Ik heb de eer te zijn,
Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Ph. MAYSTADT BLJLAGE 3 Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 28 maart 1997
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van
31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Wetboek der successierechten inzonderheid op artikel 161septies ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en artikel 162quinquies, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992;
Gelet op het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
Gelet op het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 1939, bij het besluit van de Regent van 5 februari 1945 en bij de koninklijke besluiten van 20 januari 1954, 30 januari 1987, 15 oktober 1987, 15 maart 1993, 27 augustus 1993 en 27 september 1993;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat dit besluit zonder uitstel de uitvoeringsmaatregelen moet bepalen van het koninklijk besluit van 18 november 1996 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, dat in werking is getreden op 1 januari 1997;
Overwegende dat 1997 het eerste jaar is waarvoor de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen verschuldigd is en dat deze taks uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar moet zijn betaald;
Overwegende dat de aan de jaarlijkse taks onderworpen kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen in de gelegenheid moeten worden gesteld om de nodige maatregelen te nemen voor het betalen van de taks, zodat onverwijld de aanvullende regels betreffende de vorm en de inhoud van de aangifte, de betalingsmodaliteiten en de bijkomende regels met het oog op de juiste heffing van de taks moeten worden bepaald;
Overwegende dat de regels voor de betaling van de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra moeten worden aangevuld;
Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij
Artikel 1. In artikel 2, 3de lid, a) van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, ingevoegd bij koninklijk besluit van 27 september 1993, worden de woorden "1 juli" en "eerste juli" vervangen door de woorden "1 januari" en "eerste januari".
Art. 2. In hetzelfde koninklijk besluit wordt in de plaats van artikel 2bis, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1993 en 27 september 1993, dat artikel 2quater wordt, een nieuw artikel 2bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 2bis. De jaarlijkse aangifte van de taks op de kredietinstellingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 3 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt :
Art. 3. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 2ter. De jaarlijkse aangifte van de taks op de verzekeringsondernemingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 4 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt :
Art. 4. In artikel 2bis van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 maart 1993 en van 27 september 1993, dat artikel 2quater wordt, worden na de woorden "collectieve beleggingsinstellingen" de woorden ", op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen" ingevoegd.
Art. 5. In artikel 8ter van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1993, worden in het eerste lid na de woorden "de naam" en voor de woorden "en de maatschappelijke zetel" de woorden ", het nationaal nummer" ingevoegd.
Art. 6. In artikel 8quater van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 september 1993, worden in het eerste lid na de woorden "collectieve beleggingsinstellingen" de woorden ", op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen" ingevoegd. In het tweede lid worden na de woorden "de benaming" en voor de woorden "en de maatschappelijke zetel", de woorden ", het nationaal nummer" ingevoegd. Tevens worden na de woorden "collectieve beleggingsinstelling" de woorden ", van de kredietinstelling of van de verzekeringsonderneming" ingevoegd.
Art. 7. De bij dit koninklijk besluit gevoegde bijlage bevat de bijlagen 3 en 4 van het voornoemde koninklijk besluit van 31 maart 1936.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 9. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 maart 1997. ALBERT
Gelet op het koninklijk besluit van 17 mei 1971 tot vaststelling van de bevoegdheden van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen;
Gelet op het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel;
Gelet op het ministerieel besluit van 10 oktober 1979 waarbij delegatie wordt verleend voor het uitoefenen van sommige bevoegdheden;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989, 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat ingevolge de invoering vanaf 1 januari 1997 in boek IIbis van het Wetboek der successierechten van een jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen, de bevoegdheden van het zesde registratiekantoor Brussel belast met de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, dienovereenkomstig moeten worden aangepast;
Overwegende dat de indiening van de aangifte en de betaling van de taks in toepassing van de gewijzigde artikelen 161quater en 161quinquies van het Wetboek der successierechten moeten geschieden uiterlijk op 31 maart van elk jaar. Dat de instellingen en ondernemingen onderworpen aan de taks onverwijld in de gelegenheid moeten worden gesteld aan deze verplichtingen te voldoen. Dat de bevoegdheden van het bedoelde kantoor derhalve dringend moeten worden aangepast,
Art. 2. Het ministerieel besluit van 23 september 1993 houdende bepaling van het bevoegde kantoor voor de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen wordt opgeheven.
Brussel, 23 april 1997
Art. 161bis. § 1. Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen is de taks verschuldigd op de inventariswaarde van de beleggingsinstelling op 1 januari van elk aanslagjaar.
Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen met een vast aantal rechten, is de taks verschuldigd op de inventariswaarde bij de afsluiting van het boekjaar of, later, op de laatste voorlopige inventariswaarde die vóór 1 januari is vastgesteld, verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling van voornoemde inventariswaarde en de eerste januari van het aanslagjaar zijn uitgegeven.
§ 2. Wat betreft de kredietinstellingen, is de taks verschuldigd op een quotiteit van het totaal bedrag van de in artikel 21, 5°, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 bedoelde spaardeposito's op 1 januari van het aanslagjaar, de interesten voor het vorig jaar niet inbegrepen. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van vermeld artikel 21, 5 niet-belastbare inkomsten, tot het totaal van de toegekende inkomsten voor het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
§ 3. Wat betreft de verzekeringsondernemingen, is de taks verschuldigd op het totaal bedrag op 1 januari van het aanslagjaar van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op de levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 21, 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 4. In geval een instelling of onderneming bedoeld in artikel 161, 2° of 3° de vorm heeft van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, is de taks bovendien verschuldigd op een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van artikel 21, 6° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet-belastbare dividenden, tot het totaal van de toegekende dividenden voor het boekjaar dat voorafgaat.
De belastbare grondslag wordt, zo nodig, afgerond op het hogere of lagere miljoen frank, al naar gelang hij al dan niet 500.000 frank overschrijdt.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31 maart van elk jaar. Nochtans wordt die termijn, wat betreft de betaling van de taks of van het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in voorkomend geval, verlengd tot de achtste werkdag na de datum van de algemene vergadering waarop over de toekenning van de dividenden is beslist.
Indien de taks of het gedeelte van de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt de belastbare grondslag in franken, in voorkomend geval, afgerond op het hoger duizendtal.
Elke fractie van een maand wordt gerekend als een volle maand.
Art. 161quinquies. De instellingen of ondernemingen bedoeld in artikel 161 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar op het bevoegde kantoor een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven. Evenwel moeten, wat aangaat de taks of het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie de aangifte of een bijkomende aangifte die de belastbare grondslag opgeeft van de taks of van het gedeelte van de taks betreffende die dividenden, indienen ten laatste de dag waarop de betaling overeenkomstig artikel 161quater, tweede lid moet worden gedaan.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een boete verbeurd van 10.000 frank per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.
Art. 161sexies. Is het kantoor niet geopend op de laatste dag van de termijn, van betaling of van neerlegging, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het kantoor geopend is.
Art. 161septies. De Minister van Financiën of zijn vertegenwoordiger bepaalt het bevoegde kantoor voor de invordering van de taks, boeten en interesten.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.
Art. 161octies. Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 161quinquies, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een boete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, te verminderen volgens een schaal die door de Koning wordt vastgesteld, zonder dat deze boete lager mag zijn dan 10.000 frank per overtreding.
Art. 161nonies. De ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen kunnen kennis nemen van alle documenten nodig voor de juiste heffing van de taks.
Art. 162. Op de belasting ingesteld bij artikel 161 zijn van toepassing de bepalingen van boek I betreffende het bewijs van het verzuim van aangifte van goederen, alsmede die betreffende de verjaring, de teruggave, de vervolgingen en gedingen en de correctionele straffen.
BIJLAGE 6 Koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten ... Artikel 1. De administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen staat in voor de dienst van de in het Wetboek der successierechten opgenomen belastingen. De registratiekantoren staan in voor de dienst van de in het eerste en tweede boek van dit wetboek opgenomen belastingen. Voor deze belastingen kunnen evenwel, volgens de behoeften van de dienst, bijzondere kantoren der successierechten ingesteld worden.
Het zesde registratiekantoor te Brussel staat in voor de dienst van de in het derde boek van dit wetboek opgenomen belasting.
Art. 2. De jaarlijkse aangifte van de taks op de collectieve beleggingsinstellingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 2 van dit besluit opgesteld op papier met standaardforrnaat DIN A4. Zij vermeldt :
Indien de collectieve beleggingsinstelling verschillende compartimenten bevat, wordt de belastbare grondslag per compartiment gedetailleerd onderaan de aangifte.
Wanneer de inventariswaarde uitgedrukt is in een buitenlandse munt, moet aangeduid worden :
a) de omrekeningskoers in Belgische frank op datum van 1 januari van het aanslagjaar of, in voorkomend geval, de laatste koers voorafgaand aan de eerste januari, bepaald overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1992 tot vaststelling van de nadere regels voor de omrekening in Belgische frank van bedragen die in de openbare en administratieve akten zijn uitgedrukt in ecu of in bepaalde munteenheden;
Art. 2bis. De jaarlijkse aangifte van de taks op de kredietinstellingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 3 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt :
Art. 2ter. De jaarlijkse aangifte van de taks op de verzekeringsondernemingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 4 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt :
Art. 2quater. Alle schrappingen of veranderingen van woorden en van cijfers in de aangiften van nalatenschap, in de jaarlijkse aangiften van de goederen van de verenigingen zonder winstoogmerken en van de taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsinstellingen en in de jaarlijkse opgaven van de taks op de coördinatiecentra moeten door de aangevers in margine goedgekeurd en ondertekend of geparafeerd worden.
Wanneer een persoon in de aangifte door een lasthebber vertegenwoordigd is, moet bij de aangifte, hetzij het origineel van de onderhandse of in brevet verleden volmachtsakte, hetzij een expeditie van de in minuut opgestelde volmachtsakte worden gevoegd.
Art. 3. De ontvangers geven aan de betrokken partijen die zulks aanvragen een ontvangstbewijs, dat van de datum waarop de aangifte werd ingeleverd, laat blijken.
Art. 4. In geval van overlijden van een persoon buiten de gemeente van zijn domicilie of van zijn gewone verblijfplaats, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van overlijden opgemaakt heeft, binnen de acht dagen, daarvan een expeditie aan deze van het domicilie of van de gewone verblijfplaats van de overledene.
Art. 5. Vóór de 15de van elke maand laat het college van burgemeester en.schepenen aan het kantoor der successierechten waaronder de gemeente ressorteert een staat geworden, opgemaakt volgens het door de Minister van Financiën bepaald model, van al de tijdens de vorige maand aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aangegeven sterfgevallen, alsook van de buiten de gemeente voorgekomen sterfgevallen waarvan de ambtenaar van de burgerlijke stand, in de loop van dezelfde maand, kennis heeft gekregen door de overeenkomstig hetzij vorenstaand artikel 4, hetzij artikelen 80, 82, 84 en 87 van het Burgerlijk Wetboek ontvangen expedities.
Wanneer het grondgebied van een gemeente onder verscheidene kantoren van successierechten verdeeld is, wordt een afzonderlijke staat voor het ambtsgebied van elk dier kantoren opgemaakt.
Bij ontstentenis van aangegeven of genotificeerde sterfgevallen wordt de staat vervangen door een ontkennend getuigschrift opgemaakt volgens het door de Minister van Financiën bepaald model.
Art 6. De prijscourant der openbare effecten, der aandelen en der interesten vermeld onder artikel 21, nummer III, van het Wetboek der successierechten wordt de 20ste van elke maand in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Zij wordt door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen vastgesteld volgens de in de loop der vorige maand ter Beurze van Brussel, zoniet ter Beurze van Antwerpen, Luik of Gent, toegepaste koersen.
Art. 7. De kennisgeving of de lijst der in artikelen 96 tot 99, 101 en 103/1 van het Wetboek der successierechten bedoelde effecten, sommen, waarden en voorwerpen wordt afgegeven aan de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen binnen wiens ambtsgebied degenen die daartoe gehouden zijn, hun zetel of hun verblijfplaats hebben.
Deze ambtenaar is eveneens bevoegd :
Art. 8. Onverminderd de bijzondere wijzen van betaling ingevoerd door een wettelijke bepaling, worden de successierechten, de rechten van overgang bij overlijden, de jaarlijkse taks tot vergoeding der successierechten en de interesten en boeten erop betrekkelijk betaald op één der navolgende wijzen :
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan, in bijzondere omstandigheden, andere wijzen van betaling toestaan.
§ 2. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de datum waarop de betaling uitwerking heeft, wanneer hij overeenkomstig artikel 8, tweede lid, een andere wijze van betaling toestaat.
Art. 8ter. De jaarlijkse taks op de coördinatiecentra en de interesten en boeten erop betrekkelijk, worden betaald door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het zesde registratiekantoor te Brussel. Op het stortings- of overschrijvingsformulier worden de naam, het nationaal nummer en de maatschappelijke zetel van het coördinatiecentrum op het tijdstip van de betaling alsmede het aanslagjaar waarvoor de betaling geschiedt, vermeld. Indien de benaming van het coördinatiecentrurn tussen 1 januari van het aanslagjaar en het tijdstip van de betaling werd gewijzigd, wordt tevens de benaming op 1 januari van het aanslagjaar vermeld.
De betaling heeft uitwerking op de in artikel 8bis bepaalde datum.
Art. 8quater. De jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen en de interesten en boeten erop betrekkelijk, worden betaald door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het kantoor belast met de invordering.
Op het stortings- of overschrijvingsformulier worden de benaming, het nationaal nummer en de maatschappelijke zetel van de collectieve beleggingsinstelling, van de kredietinstelling of van de verzekeringsonderneming op het tijdstip van de betaling alsmede het aanslagjaar waarvoor de betaling geschiedt, vermeld.
De betaling heeft uitwerking op de in artikel 8bis bepaalde datum.
Art. 9. De vermindering van de proportionele fiscale boeten bedoeld in artikel 141 van het Wetboek der successierechten geschiedt volgens het barema dat in de bijlage (lezen : "bijlage 1") bij dit besluit is opgenomen.
Dit barema is evenwel niet van toepassing op overtredingen die gepleegd werden met de bedoeling de belasting te ontduiken of dit mogelijk te maken.
Art. 10. De verminderde boete wordt niet ingevorderd wanneer zij het bedrag van 200 frank niet bereikt.
Art. 11. Wanneer de rechten, boeten en toebehoren bij dwangbevel worden ingevorderd, wordt de verminderde boete verhoogd met 50 pct., zonder dat het in te vorderen bedrag lager mag zijn dan 10 pct. van de verschuldigde rechten.
De verhoging is evenwel niet van toepassing wanneer de rechter de vordering van de Staat gedeeltelijk vermindert of wanneer de bewijsvoering van de belastingplichtige enkel betrekking heeft op een rechtspunt.
Art. 12. Het bedrag van de verminderde boete wordt afgerond op het lager honderd- of duizendtal naargelang het bedrag lager of hoger is dan 10.000 frank.
Wanneer de verminderde boete verhoogd wordt bij toepassing van artikel 11 van dit besluit, wordt het resultaat niet meer afgerond.
Art. 13. De boete bedoeld in artikel 162sexies van het Wetboek der successierechten wordt bepaald volgens de schaal die in de bijlage (lezen "bijlage 1") bij dit besluit is opgenomen.
Art. 14. Bij dit algemeen reglement worden al de vorige bepalingen terzake ingetrokken.
Onze Ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat op 1 juni 1936 in werking treedt. Gegeven te Brussel, de 31 Maart 1936.
A. Vermindering van de proportionele fiscale boeten bedoeld bij artikel
141 van het Wetboek der successierechten
-------------------------------------------------------------------------- Aard van de overtreding ¦ Bedrag van de verminderde ¦ boete --------------------------------------+----------------------------------- I. Niet-betaling van de rechten ¦ geen vermindering binnen vijftien dagen na de ¦ betekening van het dwangbevel ¦ (art. 125 van het Wetboek) ¦ ¦ II. Verzuim (art. 126 en 158ter ¦ van het Wetboek) ¦ A. Verzuim van in België gelegen ¦ 1/10 van de bijkomende onroerende goederen of van ¦ rechten renten en schuldvorderingen ¦ die in de in België gehouden ¦ registers van de hypotheek- ¦ bewaarders ingeschreven zijn ¦ B. Verzuim van goederen behorende ¦ 1/10 van de bijkomende tot de nalatenschap bij ¦ rechten toepassing van de artikelen ¦ 9 tot 11 van het Wetboek, ¦ ongeacht hun aard ¦ C. Verzuimen andere dan deze ¦ 1/5 van de bijkomende bedoeld sub A en B ¦ rechten ¦ III. Tekort in de waardering ¦ (art. 127 en 158ter van het ¦ Wetboek) ¦ A. Aan de controleschatting ¦ onderworpen goederen ¦ 1. tekort niet hoger dan ¦ 1/20 van de bijkomende 1/4 van de aangegeven ¦ rechten waarde ¦ 2. tekort hoger dan 1/4 ¦ 1/10 van de bijkomende van de aangegeven waarde ¦ rechten zonder 1/2 daarvan te ¦ overschrijden ¦ 3. tekort hoger dan 1/2 ¦ 1/6 van de bijkomende van de aangegeven waarde ¦ rechten zonder de geheelheid ¦ daarvan te overschrijden ¦ 4. tekort hoger dan de ¦ 1/4 van de bijkomende aangegeven waarde ¦ rechten B. Niet aan de controleschatting ¦ onderworpen goederen ¦ 1. tekort niet hoger dan ¦ 1/10 van de bijkomende 1/2 van de aangegeven ¦ rechten waarde ¦ 2. tekort hoger dan 1/2 van ¦ 1/5 van de bijkomende de aangegeven waarde ¦ rechten IV. Boete bedoeld in artikel 128 van ¦ 1/5 van de bijkomende het Wetboek ¦ rechten ¦ V. Betaling van successierechten door ¦ 1/5 van de bijkomende middel van effecten van de 4 t.h. ¦ rechten geünificeerde schuld die niet tot ¦ de nalatenschap behoren (art. 129 ¦ van het Wetboek) ¦ ¦ VI. Boeten bedoeld in artikel ¦ 161octies van het Wetboek, ¦ onverminderd het minimum ¦ van 10.OOO frank ¦ A. ongenoegzaamheid of verzuim ¦ 1/5 van de bijkomende ¦ rechten B. andere onregelmatigheden die ¦ 1/10 van de bijkomende een bijkomend recht opeisbaar ¦ rechten maken ¦ VII. Boete bedoeld in artikel ¦ 162septies van het Wetboek ¦ A. Het ontdoken recht bedraagt ¦ 1/10 van de ontdoken 400.000 frank ¦ rechten B. Het ontdoken recht bedraagt ¦ 1/4 van de ontdoken 800.000 frank ¦ rechten C. Het ontdoken recht bedraagt ¦ 1/2 van de ontdoken 1.200.000 frank of meer ¦ rechten ¦ B. Schaal bedoeld in artikel 162sexies van het Wetboek ¦ I. Vertraging van niet meer dan ¦ 1/20 van de taks 1 maand ¦ II. Vertraging van niet meer dan ¦ 1/10 van de taks 2 maand ¦ III. Vertraging van meer dan 2 maand ¦ 1/5 van de taks - Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 15 maart 1993.
JAARLIJKSE TAKS OP DE KREDIETINSTELLINGEN AANSLAGJAAR 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ..................................................................... Maatschappelijke zetel : ............................................ ..................................................................... Nationaal nummer : .................................................. Datum van oprichting : .............................................. Belastbare grondslag : A. De instelling heeft niet de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : - spaardeposito's : ............................................ F - quotiteit : .................................................. F (1) - belastbare grondslag : ....................................... F B. De instelling heeft wel de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : 1) - spaardeposito's : ......................................... F - quotiteit : ............................................... F (1) - belastbare grondslag : .................................... F 2) dividenden : - datum algemene vergadering toekenning ervan : ............... - quotiteit maatschappelijk kapitaal : ...................... F (1) - belastbare grondslag : .................................... F TOTAAL : ....................................................... F Bedrag van de taks (0,06 %) : ..................................... F Voor echt verklaard, ........................................... 19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... ---------- (1) niet lezen : F. Bijlage 4 tot het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten. JAARLIJKSE TAKS OP DE VERZEKERINGSONDERNEMINGEN AANSLAGJAAR 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ..................................................................... Maatschappelijke zetel : ............................................ ..................................................................... Nationaal nummer : .................................................. Datum van oprichting : .............................................. Belastbare grondslag : A. De instelling heeft niet de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : - totaal bedrag provisies : .................................... F B. De instelling heeft wel de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie: 1) totaal bedrag provisies : ................................... F 2) dividenden : - datum algemene vergadering toekenning ervan : .............. - quotiteit maatschappelijk kapitaal : ...................... F (1) - belastbare grondslag : .................................... F TOTAAL : ....................................................... F Bedrag van de taks (0,06 %) : ..................................... F Voor echt verklaard, ........................................... 19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... ---------- (1) niet lezen : F.
Jaarlijkse taks op de coördinatiecentra
Onderwerp van de aanschrijving
1. Het in bijlage 1 weergegeven koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende wijziging van het Wetboek der Successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (Belgisch Staatsblad van 6 december 1996) wijzigt de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen en breidt deze taks uit tot de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen.
De wijzigingen aangebracht aan de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen - ingevoerd door art. 73 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen (Aanschrijving nr. 20 van 29 september 1993) - betreffen de belastbare grondslag (art. 3 KB, art. 161bis W.Succ.), de datum van opeisbaarheid en van betaling (art. 4 KB, art. 161quater W.Succ.) en de aangiftetermijn (art. 5 KB, art. 161quinquies W.Succ.).
De jaarlijkse taks van 0,06 % wordt uitgebreid tot de kredietinstellingen die inkomsten of dividenden toekennen als bedoeld in art. 21, 5° en 6° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en tot de verzekeringsondernemingen die dividenden of inkomsten toekennen als bedoeld in art. 21, 6° en 9° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (art. 2 KB, art. 161 W.Succ.). Wat de belastbare grondslag betreft wordt verwezen naar de tekst van de wet (art. 3 KB, art. 161bis W.Succ.) en naar het Verslag aan de Koning, weergegeven in bijlage. Wat de datum van opeisbaarheid en van betaling en de aangiftetermijn betreft wordt eveneens verwezen naar de tekst van de wet (art. 4 en 5 KB, art. 161quater en 161quinquies W.Succ.).
2. De vorm en de inhoud van de aangifte, de betalingsmodaliteiten en de bijkomende regels met het oog op de juiste heffing van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen worden vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 maart 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten (Belgisch Staatsblad van 28 maart 1997), weergegeven in bijlage 3.
Het zesde registratiekantoor te Brussel, gevestigd Regentschapsstraat 54 te 1000 Brussel, is, zoals voor de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, eveneens bevoegd voor de invordering van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen alsmede van de boeten en interesten (zie beslissing van de Secretaris-generaal van 23 april 1997, weergegeven in bijlage 4).
De postrekening-courant van voormeld kantoor is het nr. 000-2003161-14. De aandacht wordt er inzonderheid op gevestigd dat geen enkele andere betalingswijze van de taks is toegelaten dan deze door storting of overschrijving op de postrekening-courant. Het stortings- of overschrijvingsborderel vermeldt het belastbaar jaar, de naam, het nationaal nummer en de maatschappelijke zetel van de instelling waarvoor de taks is betaald.
De Opsporings- en documentatiediensten van de registratie bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen kunnen kennis nemen van alle documenten nodig voor de juiste heffing van de taks (art. 6 KB, art. 161nonies W.Succ.).
3. Art. 5 van het voormelde koninklijk besluit van 10 maart 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten wijzigt een betalingsmodaliteit van de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra (art. 5 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot invoeging van art. 8ter in het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, zie Aanschrijving nr. 7 van 5 maart 1993).
4. De bijgewerkte tekst van boek IIbis van het Wetboek der Successierechten en van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten worden als bijlagen 5 en 6 bijgevoegd.
Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
BIJLAGE 1F. BURNONVILLE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 6 december 1996. 18 NOVEMBER 1996. - Koninklijk besluit houdende wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie. ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, inzonderheid op de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°;
Gelet op het Wetboek der successierechten, inzonderheid op boek IIbis;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 oktober 1996;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 17 oktober 1996;
Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door de op 1 januari 1997 vastgelegde inwerkingtreding van het voorliggend besluit;
Gelet op het advies van de Raad van State;
Gelet op de gecoördineerde wetten op de Raad van State, meer in het bijzonder het artikel 3bis, § 1;
Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het opschrift van boek IIbis van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
"Boek IIbis. Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen".
Art. 2. Artikel 161 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993. wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 161. Zijn onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op, naargelang het geval, hun inschrijving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen of bij de Controledienst voor de Verzekeringen :
| 1° | de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, die geregeld zijn bij statuten; |
| 2° | de kredietinstellingen beheerst door de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen die inkomsten of dividenden toekennen als bedoeld in artikel 21, 5° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; |
| 3° | de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen die dividenden of inkomsten toekennen als bedoeld in artikel 21, 6° en 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. |
"Art. 161bis. § 1. Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen is de taks verschuldigd op de inventariswaarde van de beleggingsinstelling op 1 januari van elk aanslagjaar.
Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen met een vast aantal rechten, is de taks verschuldigd op de inventariswaarde bij de afsluiting van het boekjaar of, later, op de laatste voorlopige inventariswaarde die vóór 1 januari. is vastgesteld, verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling van voornoemde inventariswaarde en de eerste januari van het aanslagjaar zijn uitgegeven.
§ 2. Wat betreft de kredietinstellingen, is de taks verschuldigd op een quotiteit van het totaal bedrag van de in artikel 21, 5°, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 bedoelde spaardeposito's op 1 januari van het aanslagjaar, de interesten voor het vorig jaar niet inbegrepen. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van vermeld artikel 21, 5° niet-belastbare inkomsten, tot het totaal van de toegekende inkomsten voor het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
§ 3. Wat betreft de verzekeringsondernemingen, is de taks verschuldigd op het totaal bedrag op 1 januari van het aanslagjaar van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op de levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 21, 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 4. In geval een instelling of onderneming bedoeld in artikel 161, 2° of 3° de vorm heeft van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, is de taks bovendien verschuldigd op een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van artikel 21, 6° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet-belastbare dividenden, tot het totaal van de toegekende dividenden voor het boekjaar dat voorafgaat.
Art. 4. In artikel 161quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
| 1° | in het eerste lid worden de woorden "de eerste juli" vervangen door de woorden "de eerste januari"; |
| 2° | het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling : |
| 3° | in het derde lid worden tussen de woorden "de taks" en "niet betaald" de woorden "of het gedeelte van de taks" ingevoegd. |
"De instellingen of ondernemingen bedoeld in artikel 161 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar op het bevoegde kantoor een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven. Evenwel moeten, wat aangaat de taks of het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie de aangifte of een bijkomende aangifte die de belastbare grondslag opgeeft van de taks of van het gedeelte van de taks betreffende die dividenden, indienen ten laatste de dag waarop de betaling overeenkomstig artikel 161quater, tweede lid moet worden gedaan."
Art. 6. Artikel 161nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen kunnen kennis nemen van alle documenten nodig voor de juiste heffing van de taks."
Art. 7. De kredietinstellingen mogen de kost van de taks met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 21, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet verhalen op de houders van in dit artikel bedoelde.
| Art. | 8. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1997. |
Gegeven te Brussel, 18 november 1996.
ALBERT
BIJLAGE 2 Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 6 december 1996 Koninklijk besluit houdende wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie. VERSLAG AAN DE KONING Sire,Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
Artikel 2, § 1, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, luidt als volgt :
"Teneinde de toetreding van België tot de Europese Economische en Monetaire Unie mogelijk te maken en artikel 104C van het Verdrag betreffende de Europese Unie alsmede artikel 1 van het bijgevoegd Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten na te leven, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de in artikel 3 bedoelde maatregelen nemen".
Artikel 3, § 1, van dezelfde wet bepaalt :
"De Koning kan maatregelen nemen om :
1° ...
2° de belastingen, taksen, rechten, retributies, accijnzen, boeten en andere ontvangsten aan te passen, op te heffen, te wijzigen of te vervangen en inzonderheid de grondslag, het tarief, de nadere regels voor heffing en inning en de procedure, met uitsluiting van de rechtsprekende procedures;
...".
| A. | Opzet. |
Door dit ontwerp worden bijgevolg de nodige wijzigingen aan boek IIbis van het Wetboek der successierechten aangebracht.
Het opschrift van voornoemd boek IIbis wordt aangepast in het licht van het verruimde toepassingsgebied van de taks.Artikel 1.
B. Belastingschuldigen, tijdstip van ontstaan van de belastingschuld en tijdstip waarop de belastbare grondslag wordt vastgesteld.
Naast de collectieve beleggingsinstellingen zullen voortaan aan deze taks onderworpen zijn :Artikel 2.
| 1° | de kredietinstellingen bedoeld in artikel 21, 5° van het WIB 1992 die inkomsten toekennen met betrekking tot spaardeposito's als bedoeld in hetzelfde artikel; |
| 2° | de verzekeringsondernemingen die levensverzekeringscontracten sluiten als bedoeld in artikel 21, 9° van voornoemd Wetboek; |
| 3° | de coöperatieve vennootschappen die bij toepassing van het 6° van hetzelfde artikel 21 niet-belastbare dividenden toekennen, voor zover die vennootschappen kredietinstellingen of verzekeringsondernemingen zijn. |
| C. | Belastbare grondslag |
C.1. Nieuwe belastingschuldigen, andere dan die bedoeld in het nieuwe artikel 161bis, § 4.
Wat betreft de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen, andere dan die welke de vorm hebben van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie, wordt de belastbare grondslag uitsluitend gevormd door respectievelijk een quotiteit van de spaardeposito's en een quotiteit van de wiskundige balansprovisies of de technische provisies. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding tussen de op grond van artikel 21 WIB 1992 geïmmuniseerde inkomsten en het totaal van de inkomsten die betrekking hebben op die deposito's (de interesten niet inbegrepen) of provisies.
| C.2. | Belastingschuldigen bedoeld in het nieuwe artikel 161his, § 4. |
a) de vennootschap heeft enkel inkomsten toegekend als bedoeld in artikel 21, 5° of 9° WIB 1992; in dat geval is de belastbare grondslag dezelfde als voor de in vorige paragraaf bedoelde instellingen en ondernemingen;
b) de vennootschap heeft enkel dividenden toegekend als bedoeld in artikel 21, 6° WIB 1992; in dat geval wordt de belastbare grondslag gevormd door een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal en is die quotiteit gelijk aan de verhouding tussen de op grond van artikel 21, 6° WIB geïmmuniseerde dividenden en het totaal van de toegekende dividenden;
c) de vennootschap heeft zowel inkomsten als bedoeld in artikel 21, 5° of 9° WIB 1992 als dividenden bedoeld in artikel 21, 6° WIB 1992 toegekend : de grondslag die is vermeld onder b) moet dan gevoegd worden bij de grondslag vermeld onder a).
| C.3. | De belastbare grondslag op 1 januari van het aanslagjaar. |
a) de inventariswaarde op de eerste januari van het aanslagjaar waarin begrepen zijn alle verrichtingen gedaan tot en met de 31ste december van het jaar dat voorafgaat of met de laatste voorlopige inventariswaarde verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling ervan en tot en met de 31ste december van het jaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar zijn uitgegeven;
b) het bedrag van de spaardeposito's die tot en met de 31ste december van het jaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar zijn ontvangen, daarin echter niet begrepen de interesten voor dat jaar;
c) de provisies die op de 1ste januari van het aanslagjaar gevormd zijn en die betrekking hebben op levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 21, 9° WIB 1992;
| d) | het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. |
| D. | Aangifte en betaling van de taks |
De aangifte en de betaling van de taks moeten in beginsel geschieden ten laatste op 31 maart van het aanslagjaar. Daarop wordt uitzondering gemaakt voor de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen die de vorm hebben aangenomen van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie, maar enkel in de mate dat zij de taks of een gedeelte van de taks verschuldigd zijn wegens toekenning van dividenden die onder toepassing vallen van artikel 21, 6° WIB 1992. In voorkomend geval wordt de termijn in dat geval voor hen verlengd tot de achtste werkdag na de datum van de algemene vergadering waarop over de toekenning van de dividenden is beslist.Artikelen 4 en 5
Ten aanzien van dergelijke vennootschappen kunnen zich dus drie gevallen voordoen :
a) de algemene vergadering heeft plaatsgehad meer dan acht werkdagen vóór de 31ste maart van het aanslagjaar : op 31 maart moet de (oorspronkelijke en enige) aangifte ingediend zijn en de taks volledig betaald zijn;
b) heeft de vennootschap enkel dividenden die onder toepassing vallen van artikel 21, 6° WIB 1992 toegekend op een algemene vergadering die plaatsgehad heeft minder dan acht werkdagen vóór 31 maart van het aanslagjaar, of na die datum, dan moet de (enige en oorspronkelijke) aangifte pas ingediend en de taks pas betaald worden uiterlijk 8 werkdagen na de datum waarop de algemene vergadering heeft beslist over die toekenning;
c) heeft de vennootschap zowel inkomsten toegekend die onder toepassing vallen van artikel 21, 5° of 9° WIB 1992, als dividenden toegekend onder de voorwaarden vermeld onder b), dan moet :
- voor het gedeelte van de taks dat betrekking heeft op de inkomsten een oorspronkelijke aangifte ingediend worden en het overeenstemmend gedeelte van de taks betaald worden uiterlijk 31 maart van het aanslagjaar;
- voor het gedeelte van de taks dat betrekking heeft op de dividenden, een bijkomende aangifte ingediend worden en het overeenstemmend resterend gedeelte van de laks betaald worden uiterlijk 8 werkdagen na de datum van de algemene vergadering waarop is beslist over de toekenning van de dividenden.
| E. | Controle |
Artikel 161nonies wordt aangepast gelet op de nieuwe belastingschuldigen.Artikel 6
| F. | Verhaalbaarheid van de taks |
De taks mag door de kredietinstellingen niet verhaald worden op de houders van spaarboekjes.Artikel 7
| G. | Inwerkingtreding |
De inwerkingtreding van het besluit is bepaald op 1 januari 1997. De taks in zijn nieuwe vorm zal dus voor het eerst verschuldigd zijn voor het aanslagjaar 1997.Artikel 8
Met de opmerkingen van de Raad van State werd rekening gehouden behalve met de opmerking die betrekking heeft de nummering van het besluit.
Ik heb de eer te zijn,
Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Ph. MAYSTADT BLJLAGE 3 Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 28 maart 1997
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van
31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Wetboek der successierechten inzonderheid op artikel 161septies ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en artikel 162quinquies, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992;
Gelet op het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
Gelet op het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 1939, bij het besluit van de Regent van 5 februari 1945 en bij de koninklijke besluiten van 20 januari 1954, 30 januari 1987, 15 oktober 1987, 15 maart 1993, 27 augustus 1993 en 27 september 1993;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat dit besluit zonder uitstel de uitvoeringsmaatregelen moet bepalen van het koninklijk besluit van 18 november 1996 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, dat in werking is getreden op 1 januari 1997;
Overwegende dat 1997 het eerste jaar is waarvoor de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen verschuldigd is en dat deze taks uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar moet zijn betaald;
Overwegende dat de aan de jaarlijkse taks onderworpen kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen in de gelegenheid moeten worden gesteld om de nodige maatregelen te nemen voor het betalen van de taks, zodat onverwijld de aanvullende regels betreffende de vorm en de inhoud van de aangifte, de betalingsmodaliteiten en de bijkomende regels met het oog op de juiste heffing van de taks moeten worden bepaald;
Overwegende dat de regels voor de betaling van de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra moeten worden aangevuld;
Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij
Artikel 1. In artikel 2, 3de lid, a) van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, ingevoegd bij koninklijk besluit van 27 september 1993, worden de woorden "1 juli" en "eerste juli" vervangen door de woorden "1 januari" en "eerste januari".
Art. 2. In hetzelfde koninklijk besluit wordt in de plaats van artikel 2bis, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1993 en 27 september 1993, dat artikel 2quater wordt, een nieuw artikel 2bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 2bis. De jaarlijkse aangifte van de taks op de kredietinstellingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 3 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt :
| 1° | het aanslagjaar; |
| 2° | de benaming, de maatschappelijke zetel en het nationaal nummer van de aangevende instelling; |
| 3° | de oprichtingsdatum van deze instelling; |
| 4° | de belastbare grondslag; |
| 5° | het bedrag van de verschuldigde taks. |
"Art. 2ter. De jaarlijkse aangifte van de taks op de verzekeringsondernemingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 4 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt :
| 1° | het aanslagjaar; |
| 2° | de benaming, de maatschappelijke zetel en het nationaal nummer van de aangevende instelling; |
| 3° | de oprichtingsdatum van deze instelling; |
| 4° | de belastbare grondslag; |
| 5° | het bedrag van de verschuldigde taks." |
Art. 5. In artikel 8ter van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1993, worden in het eerste lid na de woorden "de naam" en voor de woorden "en de maatschappelijke zetel" de woorden ", het nationaal nummer" ingevoegd.
Art. 6. In artikel 8quater van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 september 1993, worden in het eerste lid na de woorden "collectieve beleggingsinstellingen" de woorden ", op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen" ingevoegd. In het tweede lid worden na de woorden "de benaming" en voor de woorden "en de maatschappelijke zetel", de woorden ", het nationaal nummer" ingevoegd. Tevens worden na de woorden "collectieve beleggingsinstelling" de woorden ", van de kredietinstelling of van de verzekeringsonderneming" ingevoegd.
Art. 7. De bij dit koninklijk besluit gevoegde bijlage bevat de bijlagen 3 en 4 van het voornoemde koninklijk besluit van 31 maart 1936.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 9. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 maart 1997. ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en
Minister van Financiën,
JAARLIJKSE TAKS OP DE KREDIETINSTELLINGEN AANSLAGJAAR 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ..................................................................... Maatschappelijke zetel : ............................................ ..................................................................... Nationaal nummer : .................................................. Datum van oprichting : .............................................. Belastbare grondslag : A. De instelling heeft niet de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : - spaardeposito's : ............................................ F - quotiteit : .................................................. F - belastbare grondslag : ....................................... F B. De instelling heeft wel de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : 1) - spaardeposito's : .......................................... F - quotiteit : ................................................ F - belastbare grondslag : ..................................... F 2) dividenden : - datum algemene vergadering toekenning ervan: ................. - quotiteit maatschappelijk kapitaal : ....................... F - belastbare grondslag : ..................................... F TOTAAL : ..................................................... F Bedrag van de taks (0,06 %) : ..................................... F Voor echt verklaard, ............................................19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... JAARLIJKSE TAKS OP DE VERZEKERINGSONDERNEMINGEN AANSLAGJAAR 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ..................................................................... Maatschappelijke zetel : ............................................ ..................................................................... Nationaal nummer : .................................................. Datum van oprichting : .............................................. Belastbare grondslag : A. De instelling heeft niet de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : - totaal bedrag provisies : .................................... F B. De instelling heeft wel de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie: 1) totaal bedrag provisies : ................................... F 2) dividenden : - datum algemene vergadering toekenning ervan: ................... - quotiteit maatschappelijk kapitaal : ......................... F - belastbare grondslag : ....................................... F TOTAAL : ....................................................... F Bedrag van de taks (0,06 %) : ..................................... F Voor echt verklaard, ............................................19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... BIJLAGE 4 Beslissing houdende aanduiding van het bevoegde kantoor voor de invordering van de jaarlijks taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen. De Secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën, Gelet op het Wetboek der successierechten, inzonderheid artikel 161septies, 1ste lid, overeenkomstig hetwelke de Minister van Financiën of zijn vertegenwoordiger het kantoor aanduidt bevoegd voor de invordering van de taks, boeten en interesten bedoeld in Boek IIbis van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 73 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen; Gelet op het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende wijziging van het Wetboek der successierechten, met toepassing van de artikelen, 2, § 1, en 3, § 1, 2°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;Ph. MAYSTADT
Gelet op het koninklijk besluit van 17 mei 1971 tot vaststelling van de bevoegdheden van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen;
Gelet op het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel;
Gelet op het ministerieel besluit van 10 oktober 1979 waarbij delegatie wordt verleend voor het uitoefenen van sommige bevoegdheden;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989, 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat ingevolge de invoering vanaf 1 januari 1997 in boek IIbis van het Wetboek der successierechten van een jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen, de bevoegdheden van het zesde registratiekantoor Brussel belast met de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, dienovereenkomstig moeten worden aangepast;
Overwegende dat de indiening van de aangifte en de betaling van de taks in toepassing van de gewijzigde artikelen 161quater en 161quinquies van het Wetboek der successierechten moeten geschieden uiterlijk op 31 maart van elk jaar. Dat de instellingen en ondernemingen onderworpen aan de taks onverwijld in de gelegenheid moeten worden gesteld aan deze verplichtingen te voldoen. Dat de bevoegdheden van het bedoelde kantoor derhalve dringend moeten worden aangepast,
Artikel 1. Het zesde registratiekantoor Brussel is bevoegd voor de invordering van de in Boek IIbis van het Wetboek der successierechten bedoelde jaarlijkse taks, boeten en interesten.BESLIST:
Art. 2. Het ministerieel besluit van 23 september 1993 houdende bepaling van het bevoegde kantoor voor de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen wordt opgeheven.
| Art. | 3. Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 1997. |
BIJLAGE 5 Boek IIbis Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen. Art. 161. Zijn onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op, naargelang het geval, hun inschrijving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen of bij de Controledienst voor de Verzekeringen :A. VAN de VOORDE
| 1° | de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, die geregeld zijn bij statuten; |
| 2° | de kredietinstellingen beheerst door de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen die inkomsten of dividenden toekennen als bedoeld in artikel 21, 5° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; |
| 3° | de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen die dividenden of inkomsten toekennen als bedoeld in artikel 21, 6° en 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. |
Wat betreft de collectieve beleggingsinstellingen met een vast aantal rechten, is de taks verschuldigd op de inventariswaarde bij de afsluiting van het boekjaar of, later, op de laatste voorlopige inventariswaarde die vóór 1 januari is vastgesteld, verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling van voornoemde inventariswaarde en de eerste januari van het aanslagjaar zijn uitgegeven.
§ 2. Wat betreft de kredietinstellingen, is de taks verschuldigd op een quotiteit van het totaal bedrag van de in artikel 21, 5°, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 bedoelde spaardeposito's op 1 januari van het aanslagjaar, de interesten voor het vorig jaar niet inbegrepen. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van vermeld artikel 21, 5 niet-belastbare inkomsten, tot het totaal van de toegekende inkomsten voor het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
§ 3. Wat betreft de verzekeringsondernemingen, is de taks verschuldigd op het totaal bedrag op 1 januari van het aanslagjaar van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op de levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 21, 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 4. In geval een instelling of onderneming bedoeld in artikel 161, 2° of 3° de vorm heeft van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, is de taks bovendien verschuldigd op een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van artikel 21, 6° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet-belastbare dividenden, tot het totaal van de toegekende dividenden voor het boekjaar dat voorafgaat.
| Art. | 161ter. De taks wordt vastgesteld op 0,06 pct. |
| Art. | 161quater. De taks is opeisbaar de eerste januari van elk jaar. |
Indien de taks of het gedeelte van de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt de belastbare grondslag in franken, in voorkomend geval, afgerond op het hoger duizendtal.
Elke fractie van een maand wordt gerekend als een volle maand.
Art. 161quinquies. De instellingen of ondernemingen bedoeld in artikel 161 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar op het bevoegde kantoor een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven. Evenwel moeten, wat aangaat de taks of het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie de aangifte of een bijkomende aangifte die de belastbare grondslag opgeeft van de taks of van het gedeelte van de taks betreffende die dividenden, indienen ten laatste de dag waarop de betaling overeenkomstig artikel 161quater, tweede lid moet worden gedaan.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een boete verbeurd van 10.000 frank per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.
Art. 161sexies. Is het kantoor niet geopend op de laatste dag van de termijn, van betaling of van neerlegging, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het kantoor geopend is.
Art. 161septies. De Minister van Financiën of zijn vertegenwoordiger bepaalt het bevoegde kantoor voor de invordering van de taks, boeten en interesten.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.
Art. 161octies. Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 161quinquies, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een boete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, te verminderen volgens een schaal die door de Koning wordt vastgesteld, zonder dat deze boete lager mag zijn dan 10.000 frank per overtreding.
Art. 161nonies. De ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen kunnen kennis nemen van alle documenten nodig voor de juiste heffing van de taks.
Art. 162. Op de belasting ingesteld bij artikel 161 zijn van toepassing de bepalingen van boek I betreffende het bewijs van het verzuim van aangifte van goederen, alsmede die betreffende de verjaring, de teruggave, de vervolgingen en gedingen en de correctionele straffen.
BIJLAGE 6 Koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten ... Artikel 1. De administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen staat in voor de dienst van de in het Wetboek der successierechten opgenomen belastingen. De registratiekantoren staan in voor de dienst van de in het eerste en tweede boek van dit wetboek opgenomen belastingen. Voor deze belastingen kunnen evenwel, volgens de behoeften van de dienst, bijzondere kantoren der successierechten ingesteld worden.
Het zesde registratiekantoor te Brussel staat in voor de dienst van de in het derde boek van dit wetboek opgenomen belasting.
Art. 2. De jaarlijkse aangifte van de taks op de collectieve beleggingsinstellingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 2 van dit besluit opgesteld op papier met standaardforrnaat DIN A4. Zij vermeldt :
| 1° | het aanslagjaar; |
| 2° | de benaming, de maatschappelijke zetel en het nationaal nummer van de aangevende instelling; |
| 3° | de oprichtingsdatum van deze instelling; |
| 4° | de totale belastbare grondslag; |
| 5° | het bedrag van de verschuldigde taks. |
Wanneer de inventariswaarde uitgedrukt is in een buitenlandse munt, moet aangeduid worden :
a) de omrekeningskoers in Belgische frank op datum van 1 januari van het aanslagjaar of, in voorkomend geval, de laatste koers voorafgaand aan de eerste januari, bepaald overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1992 tot vaststelling van de nadere regels voor de omrekening in Belgische frank van bedragen die in de openbare en administratieve akten zijn uitgedrukt in ecu of in bepaalde munteenheden;
| b) | de omrekeningswaarde van deze inventariswaarde in Belgische frank. |
| 1° | het aanslagjaar; |
| 2° | de benaming, de maatschappelijke zetel en het nationaal nummer van de aangevende instelling; |
| 3° | de oprichtingsdatum van deze instelling; |
| 4° | de belastbare grondslag; |
| 5° | het bedrag van de verschuldigde taks. |
| 1° | het aanslagjaar; |
| 2° | de benaming, de maatschappelijke zetel en het nationaal nummer van de aangevende instelling; |
| 3° | de oprichtingsdatum van deze instelling; |
| 4° | de belastbare grondslag; |
| 5° | het bedrag van de verschuldigde taks. |
Wanneer een persoon in de aangifte door een lasthebber vertegenwoordigd is, moet bij de aangifte, hetzij het origineel van de onderhandse of in brevet verleden volmachtsakte, hetzij een expeditie van de in minuut opgestelde volmachtsakte worden gevoegd.
Art. 3. De ontvangers geven aan de betrokken partijen die zulks aanvragen een ontvangstbewijs, dat van de datum waarop de aangifte werd ingeleverd, laat blijken.
Art. 4. In geval van overlijden van een persoon buiten de gemeente van zijn domicilie of van zijn gewone verblijfplaats, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van overlijden opgemaakt heeft, binnen de acht dagen, daarvan een expeditie aan deze van het domicilie of van de gewone verblijfplaats van de overledene.
Art. 5. Vóór de 15de van elke maand laat het college van burgemeester en.schepenen aan het kantoor der successierechten waaronder de gemeente ressorteert een staat geworden, opgemaakt volgens het door de Minister van Financiën bepaald model, van al de tijdens de vorige maand aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aangegeven sterfgevallen, alsook van de buiten de gemeente voorgekomen sterfgevallen waarvan de ambtenaar van de burgerlijke stand, in de loop van dezelfde maand, kennis heeft gekregen door de overeenkomstig hetzij vorenstaand artikel 4, hetzij artikelen 80, 82, 84 en 87 van het Burgerlijk Wetboek ontvangen expedities.
Wanneer het grondgebied van een gemeente onder verscheidene kantoren van successierechten verdeeld is, wordt een afzonderlijke staat voor het ambtsgebied van elk dier kantoren opgemaakt.
Bij ontstentenis van aangegeven of genotificeerde sterfgevallen wordt de staat vervangen door een ontkennend getuigschrift opgemaakt volgens het door de Minister van Financiën bepaald model.
Art 6. De prijscourant der openbare effecten, der aandelen en der interesten vermeld onder artikel 21, nummer III, van het Wetboek der successierechten wordt de 20ste van elke maand in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Zij wordt door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen vastgesteld volgens de in de loop der vorige maand ter Beurze van Brussel, zoniet ter Beurze van Antwerpen, Luik of Gent, toegepaste koersen.
Art. 7. De kennisgeving of de lijst der in artikelen 96 tot 99, 101 en 103/1 van het Wetboek der successierechten bedoelde effecten, sommen, waarden en voorwerpen wordt afgegeven aan de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen binnen wiens ambtsgebied degenen die daartoe gehouden zijn, hun zetel of hun verblijfplaats hebben.
Deze ambtenaar is eveneens bevoegd :
| 1° | tot het ontvangen der kennisgevingen en berichtgevingen waarvan spraak in artikelen 98, laatste alinea, 99, laatste alinea, 101, tweede alinea, 102/1, laatste alinea, en 102/3, eerste alinea, van gezegd wetboek; |
| 2° | tot het aanduiden van de ambtenaar die gelast is aanwezig te zijn bij het opmaken van de lijst of van de inventaris in de door artikelen 98, 99 en 101 voorziene gevallen. |
| 1° | door middel van een storting of overschrijving op de postrekening- courant van het met de invordering belast kantoor; |
| 2° | door middel van een postwissel ten gunste van de met de invordering belaste ontvanger; |
| 3° | door middel van een vooraf gekruiste gecertifieerde of gewaarborgde cheque, ten gunste van de met de invordering belaste ontvanger, getrokken op een financiële instelling die aangesloten of vertegenwoordigd is bij een verrekenkamer van het land; |
| 4° | in handen van een gerechtsdeurwaarder, wanneer deze vervolgingen instelt in opdracht van de ontvanger. |
| Art. | 8bis. § 1. De in artikel 8 bedoelde betaling heeft uitwerking : |
| 1° | voor een storting op een postkantoor, op de datum van de storting; |
| 2° | voor een overschrijving, de laatste werkdag die voorafgaat aan de datum van creditering van de postrekening-courant van het kantoor volgens de documenten van het Bestuur der postchecks. Als werkdagen worden aangemerkt, alle andere dagen dan de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen; |
| 3° | in geval van afgifte aan de ontvanger van gecertifieerde of gewaarborgde cheques of postwissels, op de datum van de overhandiging van deze cheques of postwissels aan de ontvanger; |
| 4° | in geval van betaling na vervolgingen ingesteld door een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de ontvanger, op de datum van de overhandiging der betaalmiddelen in handen van de gerechtsdeurwaarder. |
Art. 8ter. De jaarlijkse taks op de coördinatiecentra en de interesten en boeten erop betrekkelijk, worden betaald door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het zesde registratiekantoor te Brussel. Op het stortings- of overschrijvingsformulier worden de naam, het nationaal nummer en de maatschappelijke zetel van het coördinatiecentrum op het tijdstip van de betaling alsmede het aanslagjaar waarvoor de betaling geschiedt, vermeld. Indien de benaming van het coördinatiecentrurn tussen 1 januari van het aanslagjaar en het tijdstip van de betaling werd gewijzigd, wordt tevens de benaming op 1 januari van het aanslagjaar vermeld.
De betaling heeft uitwerking op de in artikel 8bis bepaalde datum.
Art. 8quater. De jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen en de interesten en boeten erop betrekkelijk, worden betaald door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het kantoor belast met de invordering.
Op het stortings- of overschrijvingsformulier worden de benaming, het nationaal nummer en de maatschappelijke zetel van de collectieve beleggingsinstelling, van de kredietinstelling of van de verzekeringsonderneming op het tijdstip van de betaling alsmede het aanslagjaar waarvoor de betaling geschiedt, vermeld.
De betaling heeft uitwerking op de in artikel 8bis bepaalde datum.
Art. 9. De vermindering van de proportionele fiscale boeten bedoeld in artikel 141 van het Wetboek der successierechten geschiedt volgens het barema dat in de bijlage (lezen : "bijlage 1") bij dit besluit is opgenomen.
Dit barema is evenwel niet van toepassing op overtredingen die gepleegd werden met de bedoeling de belasting te ontduiken of dit mogelijk te maken.
Art. 10. De verminderde boete wordt niet ingevorderd wanneer zij het bedrag van 200 frank niet bereikt.
Art. 11. Wanneer de rechten, boeten en toebehoren bij dwangbevel worden ingevorderd, wordt de verminderde boete verhoogd met 50 pct., zonder dat het in te vorderen bedrag lager mag zijn dan 10 pct. van de verschuldigde rechten.
De verhoging is evenwel niet van toepassing wanneer de rechter de vordering van de Staat gedeeltelijk vermindert of wanneer de bewijsvoering van de belastingplichtige enkel betrekking heeft op een rechtspunt.
Art. 12. Het bedrag van de verminderde boete wordt afgerond op het lager honderd- of duizendtal naargelang het bedrag lager of hoger is dan 10.000 frank.
Wanneer de verminderde boete verhoogd wordt bij toepassing van artikel 11 van dit besluit, wordt het resultaat niet meer afgerond.
Art. 13. De boete bedoeld in artikel 162sexies van het Wetboek der successierechten wordt bepaald volgens de schaal die in de bijlage (lezen "bijlage 1") bij dit besluit is opgenomen.
Art. 14. Bij dit algemeen reglement worden al de vorige bepalingen terzake ingetrokken.
Onze Ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat op 1 juni 1936 in werking treedt. Gegeven te Brussel, de 31 Maart 1936.
LEOPOLD
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
M.-L.GERARD
Bijlage 1 tot het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten.De Minister van Binnenlandse Zaken,
DU BUS DE WARNAFFE
A. Vermindering van de proportionele fiscale boeten bedoeld bij artikel
141 van het Wetboek der successierechten
-------------------------------------------------------------------------- Aard van de overtreding ¦ Bedrag van de verminderde ¦ boete --------------------------------------+----------------------------------- I. Niet-betaling van de rechten ¦ geen vermindering binnen vijftien dagen na de ¦ betekening van het dwangbevel ¦ (art. 125 van het Wetboek) ¦ ¦ II. Verzuim (art. 126 en 158ter ¦ van het Wetboek) ¦ A. Verzuim van in België gelegen ¦ 1/10 van de bijkomende onroerende goederen of van ¦ rechten renten en schuldvorderingen ¦ die in de in België gehouden ¦ registers van de hypotheek- ¦ bewaarders ingeschreven zijn ¦ B. Verzuim van goederen behorende ¦ 1/10 van de bijkomende tot de nalatenschap bij ¦ rechten toepassing van de artikelen ¦ 9 tot 11 van het Wetboek, ¦ ongeacht hun aard ¦ C. Verzuimen andere dan deze ¦ 1/5 van de bijkomende bedoeld sub A en B ¦ rechten ¦ III. Tekort in de waardering ¦ (art. 127 en 158ter van het ¦ Wetboek) ¦ A. Aan de controleschatting ¦ onderworpen goederen ¦ 1. tekort niet hoger dan ¦ 1/20 van de bijkomende 1/4 van de aangegeven ¦ rechten waarde ¦ 2. tekort hoger dan 1/4 ¦ 1/10 van de bijkomende van de aangegeven waarde ¦ rechten zonder 1/2 daarvan te ¦ overschrijden ¦ 3. tekort hoger dan 1/2 ¦ 1/6 van de bijkomende van de aangegeven waarde ¦ rechten zonder de geheelheid ¦ daarvan te overschrijden ¦ 4. tekort hoger dan de ¦ 1/4 van de bijkomende aangegeven waarde ¦ rechten B. Niet aan de controleschatting ¦ onderworpen goederen ¦ 1. tekort niet hoger dan ¦ 1/10 van de bijkomende 1/2 van de aangegeven ¦ rechten waarde ¦ 2. tekort hoger dan 1/2 van ¦ 1/5 van de bijkomende de aangegeven waarde ¦ rechten IV. Boete bedoeld in artikel 128 van ¦ 1/5 van de bijkomende het Wetboek ¦ rechten ¦ V. Betaling van successierechten door ¦ 1/5 van de bijkomende middel van effecten van de 4 t.h. ¦ rechten geünificeerde schuld die niet tot ¦ de nalatenschap behoren (art. 129 ¦ van het Wetboek) ¦ ¦ VI. Boeten bedoeld in artikel ¦ 161octies van het Wetboek, ¦ onverminderd het minimum ¦ van 10.OOO frank ¦ A. ongenoegzaamheid of verzuim ¦ 1/5 van de bijkomende ¦ rechten B. andere onregelmatigheden die ¦ 1/10 van de bijkomende een bijkomend recht opeisbaar ¦ rechten maken ¦ VII. Boete bedoeld in artikel ¦ 162septies van het Wetboek ¦ A. Het ontdoken recht bedraagt ¦ 1/10 van de ontdoken 400.000 frank ¦ rechten B. Het ontdoken recht bedraagt ¦ 1/4 van de ontdoken 800.000 frank ¦ rechten C. Het ontdoken recht bedraagt ¦ 1/2 van de ontdoken 1.200.000 frank of meer ¦ rechten ¦ B. Schaal bedoeld in artikel 162sexies van het Wetboek ¦ I. Vertraging van niet meer dan ¦ 1/20 van de taks 1 maand ¦ II. Vertraging van niet meer dan ¦ 1/10 van de taks 2 maand ¦ III. Vertraging van meer dan 2 maand ¦ 1/5 van de taks - Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 15 maart 1993.
BOUDEWIJN,
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
Bijlage 2 tot het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten. Model van aangifte Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen Aanslagjaar 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ............................. Nationaal nummer : .................................................. Maatschappelijke zetel : ............................................ ............................................ Datum van oprichting : .............................................. Totale belastbare grondslag (1) : ............................... BEF Bedrag van de taks : ............................................ BEF Voor echt verklaard, ........................................... 19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... ---------- (1) Details per compartiment : te vermelden op de volgende bladzijde. Vermeldingen per compartiment -------------------------------------------------------------------------- Naam van het ¦ Munt- ¦ Waarde van het ¦ omrekenings- ¦ Waarde van het actieve ¦ eenheid ¦ compartiment in ¦ koers ¦ compartiment in compartiment ¦ ¦ deze munteenheid ¦ ¦ Belgische frank -------------+---------+------------------+--------------+---------------- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ --------------- Totaal : Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 september 1993.Ph. MAYSTADT
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
Bijlage 3 tot het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten.Ph. MAYSTADT
JAARLIJKSE TAKS OP DE KREDIETINSTELLINGEN AANSLAGJAAR 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ..................................................................... Maatschappelijke zetel : ............................................ ..................................................................... Nationaal nummer : .................................................. Datum van oprichting : .............................................. Belastbare grondslag : A. De instelling heeft niet de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : - spaardeposito's : ............................................ F - quotiteit : .................................................. F (1) - belastbare grondslag : ....................................... F B. De instelling heeft wel de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : 1) - spaardeposito's : ......................................... F - quotiteit : ............................................... F (1) - belastbare grondslag : .................................... F 2) dividenden : - datum algemene vergadering toekenning ervan : ............... - quotiteit maatschappelijk kapitaal : ...................... F (1) - belastbare grondslag : .................................... F TOTAAL : ....................................................... F Bedrag van de taks (0,06 %) : ..................................... F Voor echt verklaard, ........................................... 19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... ---------- (1) niet lezen : F. Bijlage 4 tot het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten. JAARLIJKSE TAKS OP DE VERZEKERINGSONDERNEMINGEN AANSLAGJAAR 19.. Benaming van de aangevende instelling : ............................. ..................................................................... Maatschappelijke zetel : ............................................ ..................................................................... Nationaal nummer : .................................................. Datum van oprichting : .............................................. Belastbare grondslag : A. De instelling heeft niet de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie : - totaal bedrag provisies : .................................... F B. De instelling heeft wel de vorm van een CV, erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie: 1) totaal bedrag provisies : ................................... F 2) dividenden : - datum algemene vergadering toekenning ervan : .............. - quotiteit maatschappelijk kapitaal : ...................... F (1) - belastbare grondslag : .................................... F TOTAAL : ....................................................... F Bedrag van de taks (0,06 %) : ..................................... F Voor echt verklaard, ........................................... 19.. Hoedanigheid ondertekenaar : ........................................ Handtekening : ...................................................... ---------- (1) niet lezen : F.
Bron: FisconetPlus
