Circulaire 2020/C/89 betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan koninklijke besluiten 1, 7, 10, 24, 31, 35, 46 et 56 inzake btw door het koninklijk besluit van 07.11.2019

Eerste commentaar met betrekking tot het koninklijk besluit van 07.11.2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 7, 10, 24, 31, 35, 46 et 56 inzake belasting over de toegevoegde waarde.

belasting over de toegevoegde waarde ; deeleconomie ; facturatie ; telecommunicatiediensten, radio- en televisie-omroepdiensten ; langs elektronische weg verrichte diensten ; curatoren ; passieve veredeling ; zelfstandige groepering van personen ; verhuur van onroerende goederen ; reisbureau ; vervoermiddel ; grensoverschrijdende teruggaaf

FOD Financiën, 30.06.2020

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde

Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Deeleconomie

2.1. Reglementaire bepaling

2.2. Commentaar

3. Factureringsregels van toepassing op telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en elektronische diensten verricht voor niet-belastingplichtigen

3.1. Reglementaire bepaling

3.2. Commentaar

4. Aangifte- en betalingsverplichtingen van curatoren

4.1. Reglementaire bepaling

4.2. Commentaar

5. Passieve veredeling

5.1. Reglementaire bepaling

5.2. Commentaar

6. Zelfstandige groeperingen van personen

6.1. Reglementaire bepaling

6.2. Commentaar

7. Opties in het kader van de bijzondere regeling van toepassing op de telecommunicatiediensten, de radio- en T.V.-omroepdiensten of de langs elektronische weg verrichte diensten voor niet-belastingplichtige personen en in het kader van de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen

7.1. Reglementaire bepaling

7.2. Commentaar

7.2.1. Optie in het kader van de bijzondere regeling van toepassing op de telecommunicatiediensten, de radio- en T.V.-omroepdiensten of de langs elektronische weg verrichte diensten voor niet-belastingplichtige personen

7.2.2. Optie in het kader van de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen

8. Reisbureaus

8.1. Reglementaire bepaling

8.2. Commentaar

9. Aangifte en betaling van de verschuldigde btw met betrekking tot de verwerving van vervoermiddelen

9.1. Reglementaire bepaling

9.2. Commentaar

10. Vervaltermijn inzake de grensoverschrijdende teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde

10.1. Reglementaire bepaling

10.2. Commentaar

11. Technische aanpassingen betreffende de Europese wetgeving

11.1. Reglementaire bepaling

11.2. Commentaar

12. Slotbepalingen

12.1. Reglementaire bepaling

12.2. Commentaar

1. Inleiding

Het koninklijk besluit van 07.11.2019 inzake btw, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25.11.2019, wijzigt:

- het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 7 van 29.12.1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid, en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 24 van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen

- het koninklijk besluit nr. 35 van 28.12.1999 tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de winstmarge van reisbureaus

- het koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw

- het koninklijk besluit nr. 56 van 09.12.2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf.

Hieronder bevindt zich een eerste algemene commentaar betreffende de wijzigingen die dit koninklijk besluit heeft ingevoerd in de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van het Btw-Wetboek.

2. Deeleconomie

2.1. Reglementaire bepaling

Het artikel 1 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 vult het artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 1 voornoemd, aan met een lid, luidende:

'In afwijking van het eerste lid, is de belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 4, van het Wetboek ervan ontheven een factuur uit te reiken voor de diensten die hij verricht.'.

2.2. Commentaar

De programmawet van 01.07.2016 heeft een specifieke fiscale reglementering geïntroduceerd, toepasbaar op diensten (en dus niet op leveringen van goederen) die een particulier, die niet in het kader van zijn professionele activiteit handelt, verschaft aan een andere particulier door de tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd. De administratieve lasten zijn beperkt voor de activiteiten uitgeoefend in het kader van de deeleconomie.

Het artikel 40 van de programmawet voornoemd, heeft artikel 50, van het Btw-Wetboek, vervolledigd met een 4de paragraaf die bepaalt dat, onder bepaalde voorwaarden, de belastingplichtige natuurlijke personen die actief zijn in de deeleconomie niet voor btw-doeleinden worden geïdentificeerd.

Desondanks zou dergelijke belastingplichtige, overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, in uitzonderlijke gevallen ertoe gehouden zijn om voor sommige diensten die hij verricht voor de privé-behoeften van natuurlijke personen een factuur uit te reiken, zoals bijvoorbeeld werken in onroerende staat of werken aan gemotoriseerde landvoertuigen voor een waarde van meer dan 125 euro.

Dergelijke belastingplichtige zou evenwel niet in staat zijn om alle vereiste vermeldingen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, op die factuur op te nemen, aangezien de essentie van de vereenvoudigingsregeling in het kader van de deeleconomie erin bestaat dat de betrokken belastingplichtigen niet voor btw-doeleinden worden geïdentificeerd. Het uitreiken van facturen druist bovendien in tegen de geest van de regeling die ertoe strekt om de betrokken belastingplichtigen van zoveel mogelijk administratieve verplichtingen te ontheffen.

In het kader van de voormelde vereenvoudiging worden de in artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek, bedoelde belastingplichtigen er daarom eveneens van ontheven om facturen uit te reiken voor de diensten bestemd voor het privégebruik van natuurlijke personen. Artikel 1 van dit ontwerp vult in die zin artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1 aan met een nieuw tweede lid.

3. Factureringsregels van toepassing op telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en elektronische diensten verricht voor niet-belastingplichtigen

3.1. Reglementaire bepaling

Het artikel 2 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 vult het artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1 voornoemd, aan met de woorden 'en, wanneer de handeling plaatsvindt in een andere lidstaat van de gemeenschap, de vermelding dat het tarief en de te betalen of te herziene belasting die lidstaat betreffen'.

3.2. Commentaar

Artikel 53decies, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11.02.2019 tot wijziging van het Btw-Wetboek met betrekking tot de behandeling van vouchers en de bijzondere regelingen voor telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten of elektronische diensten verricht voor niet-belastingplichtigen, bepaalt dat inzake de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58ter en 58quater van het Btw-Wetboek, de facturering onderworpen is aan de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de dienstverrichter of leverancier die gebruikmaakt van één van die bijzondere regelingen, is geïdentificeerd voor btw-doeleinden. Die nieuwe bepaling vormt de omzetting van artikel 219bis, lid 2, b), van de richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn).

Ingevolge de inwerkingtreding, op 01.01.2019, van artikel 53decies, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek, is België nu de bevoegde lidstaat inzake factureringsregels voor:

- de telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten of de elektronische diensten die plaatsvinden in België of in een andere lidstaat en die worden verricht door een dienstverrichter die gevestigd is in een derde land die in België de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58ter van het Btw-Wetboek toepast ('niet-Unieregeling') en die dienovereenkomstig in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd,

- de telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en de elektronische diensten die plaatsvinden in een andere lidstaat en die worden verricht door een dienstverrichter die gevestigd is in België die de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek toepast ('Unieregeling').

Die bevoegdheid heeft zowel betrekking op de verplichting om een factuur uit te reiken als op de bepaling van de verplichte factuurvermeldingen. Ten aanzien van dat eerste punt bepaalt artikel 53, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek dat de belastingplichtige die leveringen van goederen of diensten verricht voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon een factuur moet uitreiken aan zijn medecontractant.

De combinatie van die bepalingen heeft tot gevolg dat een in België voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die gebruik maakt van één van de regelingen bedoeld in artikel 58ter of 58quater van het Btw-Wetboek en een dienst verricht voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die plaatsvindt in een andere lidstaat, een factuur moet uitreiken aan die persoon met de verplichte vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Eén van die verplichte vermeldingen, bedoeld in artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, heeft betrekking op de tarieven van de belasting en het totaalbedrag van de te betalen of te regulariseren belasting.

Die bepaling, ook al maakt ze strikt genomen geen formeel onderscheid, heeft steeds betrekking gehad op de tarieven van de Belgische btw en op de Belgische btw die in rekening werd gebracht. Sinds de inwerkingtreding van artikel 53decies, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek, is België voor het eerst ook bevoegde lidstaat met betrekking tot de factureringsregels in een situatie waarin een belastingplichtige die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in België btw van een andere lidstaat in rekening moet brengen.

De oude bewoordingen van artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, laten aldus niet toe om op een ondubbelzinnige wijze te garanderen dat voormeld geval is afgedekt door die bepaling.

Dientengevolge, om maximale rechtszekerheid te garanderen en om te verzekeren dat in dat bijzondere geval het bedrag aan buitenlandse btw correct in rekening wordt gebracht op de factuur die wordt uitgereikt door de belastingplichtige die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, werd artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, aangepast om de dienstverrichter te verplichten op de factuur die hij uitreikt aan zijn medecontractant niet alleen de btw-tarieven en het btw-bedrag op te nemen maar ook een vermelding die aanduidt dat wanneer de bedoelde handeling plaatsvindt in een andere lidstaat van de gemeenschap, het tarief en de te betalen of te regulariseren belasting die lidstaat betreffen.

Een eenvoudige vermelding van de betrokken lidstaat op de factuur is voldoende, naast die van het tarief en/of het btw-bedrag overeenkomstig artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (voorbeelden: 'btw-tarief (Frankrijk):' of 'btw-bedrag (Frankrijk)' of nog 'btw-bedrag: xx, xx euros (Frankrijk)').

Elke andere vermelding die toelaat om op de factuur vast te stellen dat het toepasselijke tarief of het verschuldigde of te regulariseren btw-bedrag betrekking heeft op een bepaalde lidstaat, zal als voldoende worden beschouwd voor de toepassing van artikel 5, § 1, 9°, nieuw van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, woorden die wordt toegevoegd wanneer de bedoelde handeling plaatsvindt in een andere lidstaat van de gemeenschap, om aan te duiden dat het van toepassing zijnde tarief en de te betalen of te regulariseren belasting die lidstaat betreffen.

Die bijzondere aanduiding maakt aldus als dusdanig geen bijkomende vermelding uit maar vormt louter een precisering van de toepassing aan de verplichte vermeldingen opgenomen in artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, (artikel 226, 9) en 10) van de btw-richtlijn), om rekening te houden met een zeer specifiek en tot op heden onuitgegeven geval (namelijk het geval waarin de lidstaat die bevoegd is om de factureringsregels vast te leggen verschilt van de lidstaat waarin de belasting opeisbaar is zonder dat er een verleggingsregeling van toepassing is). Dit voorschrift is dus niet onverenigbaar met artikel 273, tweede lid, van de btw-richtlijn.

4. Aangifte- en betalingsverplichtingen van curatoren

4.1. Reglementaire bepaling

Artikel 3 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 brengt de volgende wijzigingen aan, aan het koninklijke besluit nr. 1, voornoemd.

Artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende:

' § 8. In afwijking van artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek, dient de curator van een gefailleerde belastingplichtige, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel XX.140 van het Wetboek economisch recht, volgens de modaliteiten bepaald in paragraaf 4 en 5 en ten laatste op 28 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop ze betrekking heeft, jaarlijks een aangifte in voor de aan de belasting onderworpen handelingen die hij verricht in naam van die belastingplichtige met ingang van de dag van het vonnis van faillietverklaring.

De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste op 30 april van het kalenderjaar volgend op dat waarop de aangifte bedoeld in het eerste lid betrekking heeft.

In afwijking van het eerste lid, dient de curator bij de sluiting van het faillissement de in het eerste lid bedoelde aangifte in ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van het vonnis van faillietverklaring.

De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste binnen de drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn voor de indiening van de in het derde lid bedoelde aangifte.'

De artikelen 4 en 5 wijzigen het koninklijk besluit nr. 24 van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16.02.2017, als volgt:

- In artikel 1, inleidende zin, worden de woorden 'artikel 8, § 1' vervangen door de woorden 'de artikelen 8, § 1, en 10, 1° /1'.

- In artikel 10 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. de bepaling onder 1°/1 wordt ingevoegd, luidende:
'1° /1 de belasting over de toegevoegde waarde waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de aangifte bedoeld in artikel 18, § 8, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;';
b. in de bepaling onder 2° wordt het woord 'aangifte' vervangen door het woord 'aangiften';
c. in de bepaling onder 3° worden de woorden 'dezelfde aangifte' vervangen door de woorden 'die aangiften'.

4.2. Commentaar

Artikel 53undecies van het Btw-Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30.07.2018 houdende diverse bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt dat de curator in de plaats wordt gesteld van de gefailleerde belastingplichtige in het kader van de afwikkeling van het faillissement, voor alle rechten die worden toegekend aan en alle verplichtingen die worden opgelegd aan die laatste door het Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten. Hiermee wordt verduidelijkt dat de curator in de context van de vereffening van het faillissement in de plaats wordt gesteld van de gefailleerde belastingplichtige en alle btw-verplichtingen moet vervullen die normaal door de gefailleerde belastingplichtige zelf zouden worden vervuld.

Die verplichtingen omvatten met name de uitreiking van facturen, het houden van boeken, het opstellen van de opgave van zijn belastingplichtige klanten, de bewaring en de mededeling van documenten en ook de indiening van periodieke btw-aangiften met uitzondering van de aangiften met betrekking tot de handelingen van de gefailleerde verricht vóór het vonnis van faillietverklaring die de gefailleerde nog niet heeft ingediend op de dag van dat vonnis.

Om rekening te houden met de specifieke aard van de vereffeningswerkzaamheden, werd in artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, een nieuwe paragraaf 8 ingevoegd, waarbij wordt voorzien in een jaarlijkse btw-aangifte voor de aan de belasting onderworpen handelingen die de curator inzake btw geacht wordt te verrichten in de plaats van de belastingplichtige (artikel 2 van het Btw-Wetboek) met ingang van de dag van het vonnis van faillietverklaring met een aangepaste indienings- en betalingsdatum voor de verschuldigde btw.

Als uitgangspunt geldt dat de curator in het kader van de afwikkeling van het faillissement en vanaf het vonnis van faillietverklaring, gehouden is om jaarlijks een periodieke btw-aangifte in te dienen (verzamelaangifte), ten laatste op 28 februari volgend op het jaar waarop ze betrekking heeft. De verschuldigde belasting die voortvloeit uit die aangifte moet ten laatste worden voldaan op 30 april van hetzelfde jaar. Deze betaaltermijn is noodzakelijk omdat de betaling loopt via de vrijmaking van sommen vanuit de deposito- en consignatiekas, wat een zekere tijd in beslag neemt.

Bij wijze van overgang, zal de verzamelaangifte in te dienen tegen 28.02.2020, voor de faillissementen geopend in 2018, de handelingen bevatten die werden verricht in 2018 vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring en de handelingen die verricht werden in 2019.

De jaarlijkse periodiciteit geldt niet ingeval de curator werd gemachtigd door de rechtbank van koophandel om na het faillissement de activiteiten van de belastingplichtige voort te zetten. In dat geval zullen de btw-aangiften door de curator overeenkomstig de normale regels moeten worden ingediend, i.e. aan dezelfde periodiciteit als de btw-aangiften die door de belastingplichtige werden ingediend vóór het faillissement.

Bij de afsluiting van het faillissement geldt anderzijds dat de laatste verzamelaangifte (die betrekking heeft op de periode van 1 januari van dat jaar tot het vonnis van sluiting van het faillissement) moet worden ingediend ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op het vonnis van sluiting van het faillissement. De verschuldigde belasting die voortvloeit uit die aangifte moet ten laatste worden voldaan binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn voor de indiening van de aangifte.

Artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, voorziet in de indiening van de periodieke btw-aangifte langs elektronische weg. Deze verplichting is zonder onderscheid van toepassing op de curatoren in het kader van de hiervoor bedoelde verplichting tot indiening van btw-verzamelaangiften, onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 5 van die bepaling wanneer ze niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan die verplichting te voldoen.

5. Passieve veredeling

5.1. Reglementaire bepaling

De artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 brengen de volgende wijzigingen aan in artikelen 40 en 41 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd:

In artikel 40, § 1, worden de woorden 'de artikelen 185 en 186 van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek' vervangen door de woorden 'artikel 259 van de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie'.

In artikel 41:

1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:

' § 3. De verschuldigde belasting wordt berekend over de waarde van de in het buitenland geleverde goederen en van de diensten die niet in de Gemeenschap plaatsvinden overeenkomstig de artikelen 21, § 2 en 21bis, § 2, 6°, c), van het Wetboek, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen, die volgens artikel 34, § 2, van het Wetboek in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen, en tegen het tarief dat van toepassing is voor de in België ingevoerde goederen.';

2° in de Nederlandse tekst van paragraaf 4, 2°, worden de woorden 'waren verricht' vervangen door de woorden 'hadden plaatsgevonden'.

5.2. Commentaar

Artikel 88 van de btw-richtlijn voorziet dat 'voor tijdelijk uit de Gemeenschap uitgevoerde goederen die, na buiten de Gemeenschap een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te hebben ondergaan, wederom worden ingevoerd, [treffen] de lidstaten maatregelen treffen teneinde te verzekeren dat de voor de verkregen goederen geldende behandeling met betrekking tot de btw dezelfde is als die welke op de betrokken goederen zou zijn toegepast indien vorengenoemde handelingen op hun grondgebied zouden zijn verricht.'.

België heeft een dergelijke maatregel genomen door de invoering van een btw-vrijstelling in artikel 40, § 1, 2°, b), van het Btw-Wetboek voor de wederinvoer, door degene die de goederen heeft uitgevoerd buiten de gemeenschap, van goederen die buiten de gemeenschap een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing hebben ondergaan.

De toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling zijn bepaald in artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29.12.1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Op grond van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, is een wederinvoer bedoeld in artikel 40, § 1, 2°, b), van het Btw-Wetboek gedeeltelijk van de belasting vrijgesteld, onder voorbehoud van de twee gevallen van volledige vrijstelling opgenomen in artikel 41, § 4 van het koninklijk besluit nr. 7 voornoemd.

Conceptueel leidt de toepassing van de huidige bepaling tot situaties waarbij een dubbele belastingheffing zou kunnen ontstaan naar aanleiding van werkzaamheden die buiten de gemeenschap worden verricht aan goederen die daartoe vanuit België zijn uitgevoerd en vervolgens na die werkzaamheden opnieuw in België worden ingevoerd.

Dit probleem kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld (opgenomen in de circulaire AOIF nr. 20/2010 van 26.02.2010, punt 27, voorbeeld 3).

A, een in België gevestigde belastingplichtige die handelt voor beroepsdoeleinden, voert stoffen die hij in België met toepassing van de btw heeft gekocht uit naar China om ze aldaar door B te laten confectioneren tot mantels. A koopt de draad, de knopen en de voering die nodig zijn voor de vervaardiging van de mantels bij de Chinese handelaar C en geeft deze laatste de opdracht die benodigdheden ter beschikking te stellen van maakloonwerker B.

Bij de wederinvoer kan A zich niet beroepen op een volledige btw-vrijstelling bij invoer. B verricht immers een maakloonwerk dat weliswaar in de gemeenschap plaatsvindt, met name in België, land waar de belastingplichtige/ontvanger van de dienst is gevestigd. De dienst is evenwel gepaard gegaan met een samenhangende levering van goederen door een derde, C. Er is daardoor dan ook niet voldaan aan de voorwaarde om de goederen met volledige vrijstelling van btw in te voeren overeenkomstig artikel 41, § 4, 1°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd. Tevens vindt ook de volledige btw-vrijstelling voorzien in artikel 41, § 4, 2°, van dat koninklijk besluit geen toepassing, aangezien het maakloonwerk in België aan de belasting is onderworpen en de samenhangende levering van goederen aan de belasting zou zijn onderworpen indien die in België had plaatsgevonden.

Bij de invoer van de mantels kan A zich derhalve alleen beroepen op een gedeeltelijke vrijstelling overeenkomstig artikel 41, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd. Artikel 41, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit voorziet aldus in het hiervoor uiteengezette voorbeeld dat de verschuldigde belasting wordt berekend over de waarde van de in het buitenland verstrekte goederen en verrichte werken, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen, die volgens artikel 34, § 2, van het Btw-Wetboek in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen, en tegen het tarief dat van toepassing is voor de in België ingevoerde goederen.

Dat impliceert dat in het voorbeeld de maatstaf van heffing bij wederinvoer zowel bestaat uit de waarde van het door de dienstverrichter B verrichte maakloonwerk als de door leverancier C verrichte samenhangende levering van goederen, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen, die volgens artikel 34, § 2, van het Btw-Wetboek in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen.

Daarbij moet evenwel worden opgemerkt dat het door dienstverrichter B verrichte maakloonwerk overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek geacht wordt in België plaats te vinden zodat die al in België belast is op grond van artikel 2 van het Btw-Wetboek.

In theorie hebben de huidige bepalingen aldus in sommige uitzonderlijke gevallen tot gevolg dat, ook al gaat het voor btw-doeleinden uiteraard over twee afzonderlijke handelingen, er een dubbele belastingheffing plaatsvindt, met name eenmaal over de dienstverrichting (maakloonwerk) als dusdanig die materieel werd uitgevoerd buiten de gemeenschap maar voor btw-doeleinden geacht wordt plaats te vinden in België en eenmaal over de (weder) invoer van de goederen in België waarbij de waarde van de dienst is begrepen in de maatstaf van heffing voor btw-doeleinden (waarde van de goederen bij wederinvoer).

Ook al zal de betrokken btw in hoofde van de belastingplichtige opdrachtgever van het maakloonwerk normaal volledig aftrekbaar zijn, een dergelijke situatie druist in tegen de doelstelling van artikel 88 van de btw-richtlijn op grond waarvan de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat de btw-behandeling van de wederingevoerde goederen dezelfde is als die op de betrokken goederen zou zijn toegepast indien de herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing op het grondgebied van de lidstaten zelf zou hebben plaatsgevonden.

Derhalve werd artikel 41, § 3 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, gewijzigd in die zin dat in de maatstaf van heffing bij wederinvoer niet langer alle 'in het buitenland verrichte werken' worden opgenomen maar enkel die diensten die krachtens de artikelen 21, § 2 en 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek niet in de gemeenschap plaatsvinden. Vermits het derhalve diensten betreft die niet binnen de gemeenschap werden belast, kan de opname van hun waarde in de maatstaf van heffing bij wederinvoer niet langer een dubbele belastingheffing tot gevolg hebben.

De Nederlandse tekst van artikel 41, § 4, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, werd eveneens gewijzigd en de woorden 'waren verricht' werden vervangen door 'hadden plaatsgevonden'. De eerste uitdrukking werd immers gebruikt vóór de implementatie van de nieuwe plaatsbepalingsregels in 2010, toen voor diensten die bestonden uit een materieel werk met betrekking tot een roerend goed overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), oud, van het Btw-Wetboek, de plaats waar de dienst werd geacht plaats te vinden voor btw-doeleinden overeenstemde met de plaats waar het goed zich bevond op het tijdstip waarop de dienst materieel werd verricht, ongeacht of de diensten werden verricht voor een belastingplichtige (situatie 'B2B') of voor een niet-belastingplichtige (situatie 'B2C'). Sinds 01.01.2010, worden dergelijke diensten die worden verricht voor een belastingplichtige (situatie 'B2B'), overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, evenwel geacht plaats te vinden waar de afnemer gevestigd is. Rekening houdend met de wijziging van de plaatsbepalingsregels sinds 01.01.2010, en naar analogie met de formulering gehanteerd in artikel 41, § 4, 1°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, is het aangewezen om voortaan de terminologie 'hadden plaatsgevonden' te hanteren. Op die manier wordt tot slot ook overeenstemming tot stand gebracht tussen de Franse en de Nederlandse taalversie van artikel 41, § 4, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.

Er werd van de huidige wijziging van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, gebruik gemaakt om in artikel 40 een verwijzing naar een reglementering aan te passen die achterhaald is. Artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, vermeldt, met betrekking tot de douaneregeling die van toepassing is bij de terugkeer van uitgevoerde goederen, 'de artikelen 185 en 186 van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12.10.1992, tot vaststelling van het communautaire douanewetboek'. Dat Douanewetboek heeft het voorwerp uitgemaakt van een volledige herschikking die aanleiding gegeven heeft tot het douanewetboek van de Unie, middels de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de raad van 09.10.2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie. De inhoud van de voormelde artikelen 185 en 186 van de Verordening (EEG) nr. 2913/92, voornoemd, werd overgenomen in artikel 259 van het nieuwe douanewetboek van de Unie.

6. Zelfstandige groeperingen van personen

6.1. Reglementaire bepaling

De artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 brengen de volgende wijzigingen aan in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd:

In artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° het vijfde lid wordt vervangen als volgt:

'Wordt ontheven van de verplichting tot aangifte bedoeld in het eerste lid, de persoon die in de uitoefening van zijn economische activiteit uitsluitend handelingen verricht die bij toepassing van artikel 44 van het Wetboek zijn vrijgesteld en die hem geen recht op aftrek verlenen met uitzondering van de zelfstandige groeperingen van personen bedoeld in artikel 44, § 2bis, van het Wetboek.';

artikel 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:

'De in artikel 44, § 2bis, van het Wetboek bedoelde zelfstandige groepering van personen is er overeenkomstig artikel 44, § 2bis, derde en vierde lid, van het Wetboek eveneens toe gehouden binnen de maand die volgt op de aanvang van haar activiteit aan de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde op papier of in elektronisch formaat een lijst voor te leggen met de naam, rechtsvorm, adres, ondernemingsnummer en de aard van de activiteit van haar leden.'.

In artikel 2 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14.04.2009, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

'In afwijking van het eerste lid, licht de in artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Wetboek bedoelde zelfstandige groepering van personen, overeenkomstig artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Wetboek, op papier of in elektronisch formaat, de bevoegde dienst van de administratie enkel in van elke wijziging, geheel of gedeeltelijk, van haar economische activiteit, binnen de maand volgend op die gebeurtenis. In geval van toetreding of vertrek van een lid van een in artikel 44, § 2bis, van het Wetboek bedoelde zelfstandige groepering van personen of bij wijziging van de activiteit van één van haar leden, licht de groepering overeenkomstig artikel 44, § 2bis, derde en vierde lid, van het Wetboek binnen de maand volgend op die gebeurtenis dezelfde dienst op papier of in elektronisch formaat daarvan in.'.

6.2. Commentaar

De wet van 26.05.2016 tot wijziging van het Btw-Wetboek met betrekking tot de vrijstelling van de diensten verricht aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen heeft de regeling met betrekking tot deze groeperingen hervormd om een betere omzetting van de Europese voorschriften te verzekeren.

Artikel 44, § 2bis, nieuw, van het Btw-Wetboek stelt de diensten verricht aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen vrij van de belasting als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

De leden 3 tot en met 5 van artikel 44, § 2bis, nieuw, van het Btw-Wetboek bepalen de verplichtingen die, naargelang het geval, door elke zelfstandige groepering van personen moeten worden nageleefd, ongeacht of de handelingen van deze groepering al dan niet volledig van btw zijn vrijgesteld. Zo moet de groepering onder meer de bevoegde dienst van de administratie belast met de btw inlichten omtrent de aanvang of de uitoefening van een dergelijke activiteit en moet ze een lijst van de leden alsook van de aard van hun activiteit voorleggen. De groepering is er bovendien toe gehouden de voormelde dienst eveneens elke wijziging mee te delen inzake haar eigen activiteit of die van haar leden.

Krachtens de oude wetgeving ontheft artikel 1, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, uitdrukkelijk alle op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde belastingplichtigen van de verplichting de administratie in te lichten over de aanvang van een dergelijke economische activiteit. Om die bepaling van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, in overeenstemming te brengen met de leden 3 tot en met 5 van artikel 44, § 2bis, nieuw, van het Btw-Wetboek, werd artikel 1, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, gewijzigd door de zelfstandige groeperingen van personen bedoeld in artikel 44, § 2bis, van het Btw-Wetboek van deze ontheffing uit te sluiten.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, wordt aangevuld met een lid dat preciseert dat de lijst van de leden en de aard van hun activiteit die de autonome groepering van personen is gehouden aan de administratie mee te delen, op papier of in elektronisch formaat kan worden opgesteld. De lijst van de leden moet de naam, rechtsvorm, adres en ondernemingsnummer van die leden omvatten.

De zelfstandige groepering van personen is eveneens verplicht om, in elektronisch formaat of op papier, de bevoegde dienst van de administratie in te lichten van de toetreding of het vertrek van een lid of de wijziging van activiteit van één van haar leden. Deze verplichting maakt het voorwerp uit van een tweede lid, nieuw, ingevoegd in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd.

7. Opties in het kader van de bijzondere regeling van toepassing op de telecommunicatiediensten, de radio- en T.V.-omroepdiensten of de langs elektronische weg verrichte diensten voor niet-belastingplichtige personen en in het kader van de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen

7.1. Reglementaire bepaling

De artikelen 10 tot 12 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 brengen de volgende wijzigingen aan in koninklijk besluit nr. 10, voornoemd:

In het opschrift van het koninklijk besluit nr. 10, worden de woorden 'artikelen 15, § 2, derde lid, en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid' vervangen door de woorden 'artikelen 15, § 2, derde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d)'.

Er wordt een artikel 7ter ingevoegd, luidende:

'Art. 7ter. § 1. Iedere belastingplichtige die de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Wetboek toepast of wenst toe te passen maakt de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Wetboek, door de administratie daarvan op de hoogte te brengen op het elektronische adres dat daarvoor door de minister van Financiën of zijn gemachtigde is gecreëerd.

De keuze gemaakt overeenkomstig het eerste lid door een belastingplichtige bedoeld in artikel 58quater, § 3, van het Wetboek, gaat in op de dag dat de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Wetboek van toepassing is overeenkomstig artikel 57quinquies van de uitvoeringsverordening (EU) Nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelstel van belasting over de toegevoegde waarde. In de gevallen dat de belastingplichtige die bijzondere regeling al toepast, gaat de optie in op 1 januari van het jaar waarvoor de optie werd uitgeoefend.

De overeenkomstig het eerste lid gemaakte keuze geldt tot 31 december van het tweede jaar volgend op die datum.

§ 2. De belastingplichtige bedoeld in artikel 58quater, § 2, van het Wetboek die de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Wetboek niet wenst toe te passen maakt de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Wetboek, door de dienst van de administratie waaronder hij ressorteert bij aangetekende zending van die keuze op de hoogte te brengen.

Die brief moet vermelden:

1° de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige en het adres van diens administratieve of maatschappelijke hoofdzetel, alsmede het identificatienummer dat hem krachtens artikel 50 van het Wetboek werd toegekend voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;

2° de lidstaat of de lidstaten waar de diensten overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 9°, eerste lid, van het Wetboek plaatsvinden en waarvoor de keuze wordt gemaakt;

3° het identificatienummer dat aan de belastingplichtige in die lidstaat of lidstaten werd toegekend voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;

4° de datum vanaf wanneer de keuze ingaat;

5° de datum, alsook de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar.

De overeenkomstig het eerste lid gemaakte keuze gaat in op datum van de aangetekende zending bedoeld in het eerste lid en geldt tot 31 december van het tweede jaar volgend op die datum.

§ 3. Iedere belastingplichtige dient bij de bevoegde dienst van de administratie een verklaring in van het overschrijden van de drempel bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, c), van het Wetboek vanaf de eerste handeling, in zijn geheel beschouwd, waardoor de drempel wordt overschreden.

Zij zijn evenwel van die verklaring ontslagen indien een dergelijke verklaring in de loop van het voorafgaande kalenderjaar werd ingediend of indien zij in de loop van één van de twee voorafgaande kalenderjaren of in het lopende kalenderjaar de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Wetboek hebben gemaakt.

De minister van Financiën of zijn gemachtigde bepaalt de vorm en de manier waarop de verklaring wordt gedaan.'.

Er wordt een artikel 7quater ingevoegd, luidende:

'Art. 7quater. § 1. De optie voor de belastingheffing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek wordt uitgeoefend door middel van een door de verhuurder en de huurder gedateerde en ondertekende verklaring, ten laatste op het tijdstip dat het huurcontract uitwerking heeft tussen de partijen.

Deze verklaring bevat de volgende vermeldingen:

1° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50 van het Wetboek, van de verhuurder en de huurder;

2° de identificatie van het gebouw of het gedeelte van het gebouw, desgevallend met inbegrip van het bijhorend terrein, waarvan de verhuur belast wordt;

3° de wilsverklaring van de partijen om de verhuur te belasten;

4° de datum waarop de optie uitwerking heeft.

§ 2. Het opnemen van de vermeldingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, in de akte die tussen de partijen titel vormt van het contract van verhuur, wordt gelijkgesteld met een verklaring bedoeld in paragraaf 1.

§ 3. In geval van stilzwijgende verlenging van een contract van belaste verhuur ingevolge optie, moet geen bijkomende verklaring worden opgesteld tussen de partijen.'.

7.2. Commentaar

7.2.1. Optie in het kader van de bijzondere regeling van toepassing op de telecommunicatiediensten, de radio- en T.V.-omroepdiensten of de langs elektronische weg verrichte diensten voor niet-belastingplichtige personen

Overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 9°, eerste lid van het Btw-Wetboek, dat werd vervangen bij de wet van 11.02.2019 ingevolge de omzetting van artikel 1, punt 1), van de richtlijn 2017/2455/EU dat artikel 58 van de btw-richtlijn wijzigt, worden telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en elektronische diensten die binnen de gemeenschap worden verricht voor niet-belastingplichtige personen, geacht plaats te vinden in de lidstaat van vestiging van de afnemer van de dienst.

Het tweede lid van artikel 21bis, § 2, 9° van het Btw-Wetboek, voorziet evenwel in een uitzondering op die basisregel. Het is de bedoeling om micro-ondernemingen die dergelijke diensten verrichten toe te laten, onder bepaalde voorwaarden (en met name tot een bepaald drempelbedrag), dergelijke diensten aan de belasting te onderwerpen in hun lidstaat van vestiging (in plaats van in de lidstaat van vestiging van de afnemer).

Op die manier kan de btw die eventueel op die diensten verschuldigd is, worden afgedragen via de nationale btw-aangifte. Op die manier wordt vermeden dat er btw moet worden afgedragen in een lidstaat waar die micro-onderneming niet gevestigd is, desgevallend door middel van de bijzondere regeling ('EU-regeling') bedoeld in artikel 57bis, punt 2 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, van het Btw-Wetboek, voorziet aldus dat, in afwijking van de basisregel van het eerste lid van dat artikel, de telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en elektronische diensten die binnen de gemeenschap werden verricht voor niet-belastingplichtige afnemers, geacht worden plaats te vinden in de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter wanneer:

- de dienstverrichter gevestigd is in slechts één lidstaat;

- de diensten worden verleend aan niet-belastingplichtige personen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter;

- het totale bedrag van de bedoelde diensten, btw niet inbegrepen, in het lopende kalenderjaar niet hoger is dan 10.000 euro, en dit bedrag ook niet overschreden werd in de loop van het voorafgaande kalenderjaar.

Overeenkomstig het vierde lid van artikel 21bis, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek, kunnen de betrokken belastingplichtigen er evenwel voor kiezen om af te zien van die afwijking van de basisregel inzake plaatsbepaling voor de betrokken diensten, en dus hun diensten overeenkomstig die basisregel toch onmiddellijk te laten plaatsvinden in de lidstaat van vestiging van de afnemer. Die keuze geldt dan voor een periode van minstens twee kalenderjaren.

Artikel 21bis, § 2, 9°, vijfde lid, van het Btw-Wetboek machtigt de koning om de toepassingsmodaliteiten van die keuzeregeling te bepalen en in het bijzonder de vormvoorwaarden die in acht moeten worden genomen inzake het meedelen van informatie met betrekking tot de drempeloverschrijding en de keuzeverklaring.

Het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, werd gewijzigd om enerzijds rekening te houden met de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek en anderzijds met de optie voor de belastingheffing op de verhuur van onroerende goederen uit hun aard, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek (zie 7.2.2. hierna).

Een nieuw artikel 7ter werd ingevoerd in het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, om de uitoefeningsmodaliteiten te voorzien van de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek evenals de informatie die moet worden meegedeeld aan de administratie met betrekking tot de overschrijding van de drempel van 10.000 euro bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, c) van het Btw-Wetboek.

Meer concreet maakt dit nieuwe artikel vooreerst in de paragrafen 1 en 2, met betrekking tot de modaliteiten voor het maken van de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek, een onderscheid tussen de bedoelde belastingplichtigen, al naargelang ze al dan niet gebruik maken van de bijzondere EU-regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek om de btw te voldoen op de diensten die, ingevolge hun keuzeverklaring, onmiddellijk plaats zullen vinden voor btw-doeleinden in de lidstaat van ontvanger van de betrokken diensten.

Enerzijds zijn de belastingplichtigen die de keuze willen maken om de voormelde diensten plaats te doen vinden in de lidstaat van vestiging van de ontvanger overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek én die die daarnaast ook gebruik zullen maken van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek, ertoe gehouden om de administratie op de hoogte te brengen dat ze die keuze willen maken op het elektronisch adres dat daarvoor door de minister van Financiën of zijn gemachtigde werd gecreëerd (moss@minfin.fed.be).

De keuze zal ingaan op de eerste dag dat de belastingplichtige de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek mag toepassen, i.e. in principe, overeenkomstig artikel 57quinquies van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelstel van belasting over de toegevoegde waarde, op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het registratieverzoek in die bijzonder regeling. Het is logisch dat indien de belastingplichtige zijn economische activiteit aanvangt en op dat moment beide keuzes tegelijk uitoefent, die keuzes ook op hetzelfde moment uitwerking zullen hebben.

In die gevallen dat de belastingplichtige die bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek al toepast, kan voor de datum van uitwerking van de keuze geen aansluiting worden gevonden bij artikel 57quinquies van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de raad van 15.03.2011 dat enkel toeziet op de situatie waarin een belastingplichtige zijn activiteit aanvangt. In dat geval gaat de optie derhalve in op 1 januari van het jaar waarvoor de bevoegde dienst van de administratie op de hoogte werd gebracht van de keuze. Op die manier kan er meer in het bijzonder voor worden gezorgd dat de belastingplichtigen die de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek reeds toepasten vóór 01.01.2019 en die ook blijven toepassen na die datum, zich voor btw-doeleinden niet moeten laten identificeren in alle lidstaten waarin hun afnemers gevestigd zijn, wanneer zij al hun diensten in die lidstaten wensen te belasten.

Anderzijds zijn de belastingplichtigen die de keuze willen maken om de voormelde diensten plaats te doen vinden in de lidstaat van vestiging van de ontvanger overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek maar die geen gebruik willen maken van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater van het Btw-Wetboek, er eveneens toe gehouden om via aangetekende zending de dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder ze ressorteren daarvan op de hoogte te brengen. De te verstrekken informatie heeft voornamelijk als doel om de administratie te informeren over de btw-identificatie in de betrokken lidstaat of lidstaten voor de voormelde diensten.

Vervolgens verduidelijkt paragraaf 3 van het nieuwe artikel 7ter de modaliteiten inzake de verklaring die moet worden gedaan aan de administratie met betrekking tot de overschrijding van de drempel van 10.000 euro bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, c), van het Btw-Wetboek: iedere belastingplichtige bedoeld in paragraaf 1 dient jaarlijks bij de bevoegde dienst van de administratie een verklaring van drempeloverschrijding in vanaf de eerste handeling, in zijn geheel beschouwd, waardoor die drempel wordt overschreden.

Die verklaring moet evenwel niet worden ingediend indien de betrokken belastingplichtige:

- reeds een dergelijke verklaring heeft ingediend in de loop van het voorafgaande kalenderjaar, of

- de keuze bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek heeft gemaakt (overeenkomstig de modaliteiten opgenomen in artikel 7ter, paragrafen 1 en 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd), in de loop van één van de twee voorafgaande kalenderjaren of in het lopende kalenderjaar.

De minister van Financiën of zijn afgevaardigde zal de modaliteiten van die verklaring, en met name diens vorm en de manier waarop ze wordt gedaan, bepalen.

7.2.2. Optie in het kader van de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen

Artikel 44, § 3, 2°, d), vijfde lid, van het Btw-Wetboek voorziet dat de koning, met betrekking tot de optionele belastingheffing op de verhuur van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, en, in voorkomend geval, met bijhorend terrein, ingevoerd bij de wet van 14.10.2018, het tijdstip bepaalt waarop de optie moet worden uitgeoefend evenals de modaliteiten die in het kader van die optie in acht moeten worden genomen.

Een nieuw artikel 7quater werd in het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, ingevoegd dat in het eerste lid van zijn paragraaf 1 preciseert dat die optie tot belastingheffing wordt uitgeoefend door middel van een gemeenschappelijke verklaring van de contractspartijen, die door hen wordt gedateerd en ondertekend. Die bepaling preciseert bovendien dat die verklaring ten laatste moet worden opgesteld op het tijdstip waarop het huurcontract dat wordt belast uitwerking heeft tussen de partijen. In casu heeft de omstandigheid dat het huurcontact al dan niet geregistreerd is geen impact, aangezien ter zake geldt dat de overeenkomst kracht van wet heeft tussen de partijen, onafhankelijk van om het even welke formaliteit in verband met de tegenstelbaarheid van het verhuurcontract.

Artikel 7quater, § 1, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, preciseert de vermeldingen die minimaal moeten worden opgenomen in de keuzeverklaring:

1° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50 van het Btw-Wetboek, van de verhuurder en van de huurder (voor die laatste volstaat desgevallend het ondernemingsnummer als hij niet geïdentificeerd is voor btw-doeleinden);

2° de identificatie van het gebouw of het gedeelte van het gebouw, desgevallend met inbegrip van het bijhorend terrein, waarvan de verhuur belast wordt;

3° de wilsverklaring van de partijen om de verhuur te belasten;

4° de datum waarop de optie uitwerking heeft.

De manier waarop de intentie wordt uitgedrukt om een verhuur van onroerende goederen uit hun aard te belasten of de termen die daarbij worden gebruikt zijn van ondergeschikt belang, op voorwaarde dat de wilsverklaring maar op een ondubbelzinnige manier tot uiting wordt gebracht. Zo spreekt het vanzelf dat bijvoorbeeld een expliciete verwijzing naar artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek in hoofde van de partijen een ondubbelzinnige wilsuiting uitmaakt om de optie voor de belastingheffing uit te oefenen.

De memorie van toelichting van de wet van 14.10.2018 die de optionele belastingheffing op de verhuur van onroerende goederen uit hun aard invoert preciseert dat 'er wordt aanvaard dat een specifieke verklaring pro fisco in de huurovereenkomst, die de wil van de partijen bevestigt om de optie uit te oefenen, zal volstaan om ten aanzien van de administratie aan te tonen dat de optie daadwerkelijk door de verhuurder en de huurder gezamenlijk werd uitgeoefend'. In dezelfde gedachtegang voorziet artikel 7quater, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, dat het opnemen van de vermeldingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, in de akte die tussen de partijen het verhuurcontract vormt, wordt gelijkgesteld met een verklaring bedoeld in paragraaf 1 van die bepaling.

Om een buitensporig formalisme te vermijden preciseert artikel 7quater, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, dat ingeval van stilzwijgende verlenging van een verhuurcontact dat wordt belast overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d) van het Btw-Wetboek, er geen aanvullende optieverklaring moet worden opgesteld door de partijen voor de periode dat de overeenkomst wordt verlengd. Overeenkomstig het toepasselijke huurrecht heeft de stilzwijgende verlenging, behoudens andersluidende bepaling, immers de verdere toepassing van dezelfde contractuele voorwaarden tussen partijen tot gevolg. Dat geldt aldus ook voor de heffing van de btw op de huurvergoedingen die door de huurder aan de verhuurder verschuldigd zijn.

Aangezien het een toepassingsmodaliteit betreft van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek waarvan de inwerkingtreding werd vastgelegd op 01.01.2019, overeenkomstig artikel 15 van de wet van 14.10.2018, heeft het nieuwe artikel 7quater van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, eveneens uitwerking vanaf 01.01.2019.

8. Reisbureaus

8.1. Reglementaire bepaling

Artikel 13 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 vervangt in artikel 1, inleidende zin, van het koninklijk besluit nr. 35, voornoemd, het woord 'reiziger' door het woord 'afnemer'.

8.2. Commentaar

De artikelen 306 tot 310 van de btw-richtlijn stellen een bijzondere belastingregeling in voor de handelingen verricht door reisbureaus wanneer deze in eigen naam handelen ten aanzien van de reiziger.

Overeenkomstig artikel 35, tweede lid, van het Btw-Wetboek is de koning gemachtigd om een forfaitaire maatstaf van heffing vast te stellen voor de dienst verricht door de reisbureaus, bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek. Net zoals de btw-richtlijn, verwees genoemd artikel 35, tweede lid zoals het van kracht was vóór de wetswijziging van 02.05.2019, naar de diensten verricht door het reisbureau aan de reiziger.

België heeft een vraag om informatie ontvangen van de diensten van de Europese Commissie met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling voor reisbureaus, ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 08.02.2018, Commissie/Bondsrepubliek Duitsland, C-380/16, dat met name de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Commissie/Spanje, C-189/11, van 26.09.2013, bevestigt.

In die vraag benadrukt de Europese Commissie dat het hof, geconfronteerd met de verschillen tussen de taalversies van de btw-richtlijn op dit punt, zich steunt op een benadering die uitgaat van het concept afnemer (en dus niet reiziger). Daaruit volgt dat de bijzondere regeling voor de reisbureaus van toepassing zou moeten zijn op de reizen die bestemd zijn voor om het even welke categorie van afnemers. De bijzondere regeling voor de reisbureaus is derhalve niet alleen van toepassing op reizen verstrekt aan reizigers-natuurlijke personen, maar eveneens op reizen verkocht aan reisbureaus die die reizen bestemmen voor de doorverkoop en ook aan rechtspersonen die de reis hebben aangekocht met het oog op de verplaatsing en verblijf van hun personeel, zaakvoerders of bestuurders.

Het artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 35 van 28.12.1999 tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de winstmarge van reisbureaus wordt bijgevolg aangepast door de term 'reiziger(s)' te vervangen door de term 'afnemer(s)' die die interpretatie adequater weergeeft, niettegenstaande in de Nederlandstalige versie van de voormelde artikelen 306 tot 310 van de btw-richtlijn de term 'reiziger' verder wordt behouden. De artikelen 18, § 2, tweede lid, 29, § 2, 35, tweede lid, en 45, § 4, van het Btw-Wetboek werden reeds op een gelijkaardige manier gewijzigd bij de wet van 02.05.2019 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van de belastingvermindering voor giften (Belgisch Staatsblad van 15.05.2019).

9. Aangifte en betaling van de verschuldigde btw met betrekking tot de verwerving van vervoermiddelen

9.1. Reglementaire bepaling

Artikel 14 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 vervangt in artikel 5, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd, paragraaf 2 als volgt:

'§ 2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing wanneer aan de persoon die gehouden is de belasting verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving van het vervoermiddel of een daarmee gelijkgestelde handeling te voldoen in de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek, door de minister van Financiën of zijn gemachtigde vergunning werd verleend om het vignet dat het communautair karakter van dat vervoermiddel vastlegt via de procedure van elektronische gegevensuitwisseling door te zenden naar de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV).'.

9.2. Commentaar

Overeenkomstig artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw, zijn de personen die de verschuldigde belasting op de intracommunautaire verwerving van een nieuwe vervoermiddel mogen voldoen in een aangifte die niet moet worden ingediend bij een douanekantoor, toch gehouden om aan het douanekantoor naar keuze de factuur voor te leggen die werd uitgereikt door de leverancier voor de levering van het voertuig evenals alle stukken die aantonen dat de vermeldingen op de factuur en de gegevens opgenomen in de aangifte juist zijn.

Die regel is evenwel niet van toepassing voor die personen aan wie door of vanwege de minister van Financiën vergunning werd verleend om het vignet dat het communautair karakter van het voertuig vastlegt zelf in te vullen op naam van een Belgisch douanekantoor of, om in de plaats van het invullen van dat vignet, via de procedure van elektronische gegevensuitwisseling het vervangend signaal door de zenden naar de Dienst voor de Inschrijving van de Voertuigen.

Het voormelde vignet is een papieren vignet (het vignet nr. 705) dat moet worden aangebracht op de aanvraag tot inschrijving van landvoertuigen.

In de loop van 2018 is de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen begonnen met een digitaliseringsproject voor dat vignet. Het zelfklevend vignet zal vanaf de implementatie van de nieuwe procedure steeds vervangen worden door een elektronisch signaal naar de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Rekening houdend met deze digitalisering, werd artikel 5, § 2, van het voormelde koninklijk besluit nr. 46, gewijzigd om nog enkel de verzending van dat vignet aan de D.I.V. te behouden door een procedure van elektronische gegevensuitwisseling.

10. Vervaltermijn inzake de grensoverschrijdende teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde

10.1. Reglementaire bepaling

Artikel 15 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 vervangt in artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit nr. 56, voornoemd, de bepaling onder 1° als volgt:

'1° de belasting geheven op leveringen van goederen en diensten waarvoor een factuur werd uitgereikt overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Wetboek, tijdens het teruggaaftijdvak, mits de belasting vóór of op het tijdstip van de uitreiking van de factuur opeisbaar geworden is, of ten aanzien waarvan de belasting opeisbaar geworden is tijdens het teruggaaftijdvak, mits voor die handelingen een factuur werd uitgereikt overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Wetboek, vooraleer de belasting opeisbaar is geworden;'.

10.2. Commentaar

Als een belastingplichtige in de onmogelijkheid verkeert (in afwezigheid van enige indicatie van fraude of misbruik) om binnen de daartoe voorzien vervaltermijn zijn recht op teruggaaf uit te oefenen dat is voorzien in richtlijn 2008/9/EG van de raad van 12.02.2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in btw-richtlijn vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, mag een lidstaat dat recht niet weigeren omdat de vervaltermijn die in haar reglementering is voorzien voor de uitoefening van dat recht zou beginnen lopen zijn vanaf de datum van de opeisbaarheid van de belasting en zou verlopen zijn vooraleer de belastingplichtige zijn aanvraag tot teruggaaf kon indienen.

Die zienswijze vloeit voort uit de recente rechtspraak van het hof (Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest Volkswagen AG, zaak C-533/16, van 21.03.2018).

In die zaak werd het hof geconfronteerd met de regelgeving van een lidstaat die een niet-gevestigde belastingplichtige het recht op teruggaaf weigert van btw die hem werd gefactureerd meerdere jaren na de levering van de betrokken goederen, omwille van het feit dat de vervaltermijn voorzien in de betrokken regelgeving voor de uitoefening van dat recht zou beginnen lopen zijn vanaf de datum van de levering en verlopen zijn vooraleer de aanvraag tot teruggaaf werd ingediend.

Het hof heeft in herinnering gebracht dat het recht op teruggaaf van de btw ten voordele van een belastingplichtige die niet gevestigd of geïdentificeerd is voor btw-doeleinden in de lidstaat van verbruik, gegrond op de bepalingen van de voormelde richtlijn 2008/9/EG, de tegenhanger vorm van het recht op aftrek van de input-btw betaald in een lidstaat waar een belastingplichtige periodieke btw-aangiften indient.

Het hof brengt bovendien in herinnering dat wie een recht op aftrek wil uitoefenen zowel aan materiële voorwaarden (belastingplichtige zijn en goederen en diensten aankopen van een andere belastingplichtige voor zijn eigen handelingen die een recht op aftrek verlenen) als aan formele voorwaarden (in het bezit zijn van een regelmatige factuur) moet voldoen.

Het hof onderlijnt evenwel dat krachtens de artikelen 180 en 182 van de btw-richtlijn een belastingplichtige kan worden toegelaten om de btw-aftrek te verrichten ook al heeft hij zijn recht niet uitgeoefend in de loop van de periode waarin het is ontstaan, op voorwaarde evenwel dat is voldaan aan de bij de nationale wettelijke regelingen ingestelde voorwaarden en voorschriften zonder dat die regel evenwel aanleiding kan geven tot rechtsonzekerheid door een recht op aftrek toe te laten zonder enige tijdsbeperking.

Aldus aanvaardt het hof op zich het principe van het verval van dat recht op aftrek als sanctie voor de onvoldoende voortvarende belastingplichtige op voorwaarde dat het beginsel van gelijkwaardigheid (dat oplegt dat die termijn op dezelfde wijze geldt voor soortgelijke rechten in belastingzaken naar nationaal en naar Unierecht) en het doeltreffendheidsbeginsel (dat oplegt dat die termijn het recht op aftrek niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt) worden nageleefd.

Het hof gaat dus uit van het principe dat het recht op aftrek niet kan vervallen zolang de materiële en formele voorwaarden niet effectief vervuld zijn in hoofde van degene die dat recht wenst uit te oefenen, onafhankelijk van het moment waarop de af te trekken belasting opeisbaar is geworden, weliswaar onder voorbehoud van gevallen van fraude, misbruik of onzorgvuldig gedrag.

In België wordt het recht op teruggaaf van btw in hoofde van belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan België en in België niet gehouden zijn om periodieke btw-aangiften in te dienen, uitgeoefend overeenkomstig artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek.

De modaliteiten van die teruggaaf zijn opgenomen in het koninklijk besluit nr. 56 van 09.12.2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf.

Het koninklijk besluit nr. 56, voornoemd, voorziet, zoals trouwens de voormelde richtlijn 2008/9/EG, in artikel 12, eerste lid, een vervaltermijn voor de indiening van de aanvraag tot teruggaaf die de uitoefening van het recht op teruggaaf materialiseert. Die termijn is overeenkomstig artikel 11 van dat besluit vastgelegd op 30 september van het jaar dat volgt op het betrokken teruggaaftijdvak (dat wordt berekend in kalendermaanden en betrekking heeft op een periode van minimum 3 maanden en maximaal een jaar).

Overeenkomstig artikel 1, 3° van het koninklijk besluit nr. 56, voornoemd, wordt onder 'teruggaaftijdvak' verstaan, het tijdvak waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft. Artikel 13, § 1, 1°, van datzelfde besluit bepaalt dat het teruggaafverzoek betrekking heeft op de belasting geheven op de handelingen waarvoor een factuur werd uitgereikt en ten aanzien waarvan de belasting opeisbaar is geworden gedurende het teruggaaftijdvak. De tweede paragraaf van die bepaling preciseert dat het verzoek ook betrekking kan hebben op facturen die nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een teruggaafverzoek als die betrekking hebben op handelingen die tijdens het kalenderjaar van het teruggaaftijdvak werden verricht.

Artikel 14, lid 1, onder a) van de voornoemde richtlijn 2008/9/EG bepaalt anderzijds dat het teruggaafverzoek betrekking heeft op 'verwervingen van goederen of afnames van diensten die gedurende het teruggaaftijdvak gefactureerd zijn, mits de btw vóór of op het tijdstip van facturatie verschuldigd geworden is, of ten aanzien waarvan de btw gedurende het teruggaaftijdvak verschuldigd geworden is, mits de afnames gefactureerd zijn voordat de belasting verschuldigd is geworden'. Een meer richtlijnconforme omzetting van die bepaling laat toe om, onder de voorwaarden vastgesteld bij die richtlijn, de uitoefening van het recht op teruggaaf te behouden in het geval bedoeld in het voormelde arrest van het hof van 21.03.2018.

Het artikel 13, § 1, 1°, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 56, werd gewijzigd om een meer richtlijnconforme omzetting van het artikel te garanderen en tegelijk het artikel in overeenstemming te brengen met de recente rechtspraak van het hof.

11. Technische aanpassingen betreffende de Europese wetgeving

11.1. Reglementaire bepaling

Het artikel 16 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 vervangt in artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd, paragraaf 1 als volgt:

'§ 1. De belastingplichtige die niet in de Gemeenschap gevestigd is, laat een aansprakelijk vertegenwoordiger erkennen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, tenzij hij daarvan is ontslagen krachtens artikel 55, § 1, tweede lid, van het Wetboek, vooraleer in België:

1° goederen te leveren of diensten te verrichten, andere dan die waarvoor overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Wetboek de belasting verschuldigd is door de medecontractant;
2° goederen in te voeren, een intracommunautaire verwerving van goederen of een handeling te verrichten waarvoor hij schuldenaar is van de belasting krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek;
3° een handeling te verrichten van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting is onderworpen.

De niet in België gevestigde belastingplichtige, die gevestigd is in de Gemeenschap, of die wordt bedoeld in artikel 55, § 1, tweede lid, van het Wetboek, kan vooraleer een handeling te verrichten bedoeld in het eerste lid, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Indien hij ontslagen wordt van de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger, wordt geen enkel btw-identificatienummer toegekend aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige.'.

11.2. Commentaar

Artikel 204, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn bepaalt dat wanneer op grond van de bepalingen van die richtlijn de tot voldoening van de belasting gehouden persoon een belastingplichtige is die niet is gevestigd in de lidstaat waar de btw verschuldigd is, de lidstaten hem de mogelijkheid kunnen geven een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon.

Artikel 204, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn bepaalt verder dat in het geval dat een belastbare handeling wordt verricht door een belastingplichtige die niet in de lidstaat is gevestigd waar de btw verschuldigd is, en er met het land van het hoofdkantoor of de vestiging van deze belastingplichtige geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 76/308/EEG (momenteel richtlijn 2010/24/EU betreffende wederzijdse bijstand bij de invordering van btw-schuldvorderingen) en Verordening (EG) nr. 1798/2003 (momenteel Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende administratieve samenwerking en bestrijding van fraude op het gebied van btw), de lidstaten kunnen bepalen dat deze belastingplichtige een fiscaal vertegenwoordiger moet aanwijzen met het oog op de voldoening van de belasting.

België heeft van deze mogelijkheden gebruik gemaakt door middel van artikel 55 van het Btw-Wetboek.

Artikel 55 van het Btw-Wetboek voorziet in zijn huidige bewoordingen aldus geen uitzondering op de verplichting om een aansprakelijk vertegenwoordiger aan te stellen ten voordele van belastingplichtigen die weliswaar niet in de gemeenschap zijn gevestigd, maar wel in een land waarmee een rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 2010/24/EU betreffende wederzijdse bijstand bij de invordering van btw-schuldvorderingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende administratieve samenwerking en bestrijding van fraude op het gebied van btw.

Omdat België aldus op deze manier tekortkomt aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 204 van de btw-richtlijn, werd artikel 55 van het Btw-Wetboek gewijzigd bij de wet van 02.05.2019 om de omvang van de verplichting om een aansprakelijk vertegenwoordiger aan te stellen voor belastingplichtigen die buiten de gemeenschap zijn gevestigd maar schuldenaar zijn van btw in België te beperken tot die gevallen waarin dat overeenkomstig voormeld artikel van de btw-richtlijn mogelijk is.

Een gelijkaardige aanpassing in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, werd dientengevolge gerealiseerd.

12. Slotbepalingen

12.1. Reglementaire bepaling

Het artikel 17 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 bepaalt wat volgt:

'De belastingplichtigen die een verhuurcontract hebben afgesloten met betrekking tot een gebouw of een gedeelte van een gebouw, desgevallend met de bijhorende grond, dat uitwerking heeft vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en die ten laatste op het moment van de inwerkingtreding van die overeenkomst de intentie hadden de verhuur te belasten, oefenen de optie voor de belastingheffing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek uit ten laatste op de laatste dag van de tweede maand na de maand waarin dit besluit in werking is getreden, op één van de volgende manieren:

1° door het opstellen van de verklaring bedoeld in artikel 7quater, § 1, van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid, en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde zoals ingevoegd bij artikel 12 van dit besluit, overeenkomstig de modaliteiten bepaald in dat artikel;
2° door het toevoegen, aan de akte die tussen de partijen titel vormt van het contract van verhuur, van een addendum waarin de vermeldingen worden opgenomen van de verklaring bedoeld in 1°.'.

Het artikel 18 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 bepaalt wat volgt:

'Artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 4 februari 2019.'.

12.2. Commentaar

Een overgangsregeling werd voorzien inzake de uitoefening van de optie voor de belastingheffing op de onroerende verhuur van onroerende goederen uit hun aard overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek.

Rekening houdend met het feit dat de betrokken regeling al uitwerking heeft op 01.01.2019, wordt aan de belastingplichtigen die reeds voordien de intentie hadden om de verhuur aan de btw-heffing te onderwerpen een aanvullende termijn verleend om de formaliteiten voor de uitoefening van de voormelde optie correct te vervullen.

Betrokkenen zullen daartoe de tijd hebben tot het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin dit besluit in werking is getreden, d.w.z. de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Binnen de voormelde termijn zullen ze ofwel de verklaring kunnen opstellen bedoeld in artikel 7quater van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, of een addendum toevoegen aan de akte die tussen hen titel vormt van het contract van verhuur, met opname van de vermeldingen die moeten worden opgenomen in de voormelde verklaring.

Overeenkomstig de datum van inwerkingtreding van de wet van 14.10.2018, die in het Wetboek onder meer artikel 44, § 3, 2°, d), met betrekking tot de optionele belastingheffing inzake onroerende goederen uit hun aard heeft ingevoerd, wordt de inwerkingtreding van artikel 7quater, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 10, met betrekking tot de optie voor de belastingheffing op de verhuur van onroerende goederen uit hun aard vastgesteld op 01.01.2019 onder voorbehoud van toepassing van de overgangsregeling.

De wijzigingen van artikel 5, van het koninklijk besluit nr. 46 betreffende het vignet 705 zal uitwerking hebben vanaf 04.02.2019 om aan te sluiten bij de datum van uitwerking van de reglementering inzake douane en de implementatie van de digitalisering van de betrokken toepassing. Op die manier kunnen de betrokkenen reeds vanaf die datum de voordelen van de nieuwe procedure genieten.

Interne ref.: 137.009