Circulaire nr. Ci.RH.243/559.035 (AOIF Nr. 41/2010) dd 18.05.2010

Circulaire nr. Ci.RH.243/559.035 (AOIF Nr. 41/2010) dd 18.05.2010

Personenbelasting.

Sociaal voordeel aan het personeel.

Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer.

Vennootschapsbelasting.

Beroepskosten.

Verhoogde aftrek van kosten.

Vervoer van personeel.

Reiskosten voor woon-werkverkeer.

Commentaar op de artikelen 54, 57, 59 en 60, W 8.6.2008. - Kosten voor gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.

Aan alle ambtenaren van de sector Directe belastingen.

INLEIDING

1. De circ. Ci.RH.243/559.035 (AOIF nr. 33/2006) van 4.8.2006 heeft onder meer artikel 63 van de wet van 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting besproken, inzake de aftrekbaarheid van kosten die betrekking hebben op het door de werkgever of een groep van werkgevers ingericht gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.

De programmawet van 8.6.2008 (BS 16.6.2008, Ed. 2) heeft, enerzijds, artikel 63 van de wet van 10.8.2001 opgeheven (cf. artikel 59, eerste lid) en, anderzijds, een gelijkaardige bepaling opgenomen in het nieuwe artikel 64ter, WIB 92 (cf. artikel 54).

WETTEKSTEN

Art. 54 (pro parte), W 8.6.2008

2. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een artikel 64ter ingevoegd, luidende :

"Art. 64ter. - Zijn ten belope van 120 pct. aftrekbaar :

de kosten die zijn gedaan of gedragen wanneer een werkgever of een groep van werkgevers het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling heeft ingericht;

Wat de in het eerste lid, 1°, bedoelde kosten betreft, is de verhoogde aftrek enkel van toepassing in de mate dat de kosten rechtstreeks betrekking hebben op minibussen, autobussen en autocars, zoals deze voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van motorvoertuigen of dat ze betrekking hebben op het bezoldigde vervoer van personen met dergelijke voertuigen.

Wanneer de in het eerste lid, 1°, bedoelde kosten bestaan uit afschrijvingen van de in het tweede lid bedoelde voertuigen, wordt het aftrekbare bedrag per belastbaar tijdperk bekomen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk met 20 pct. te verhogen.

Artikel 66, § 1, is niet van toepassing op de in het tweede lid vermelde kosten die betrekking hebben op minibussen.

De afschrijvingen die overeenkomstig het derde lid worden aanvaard boven de aanschaffings- of beleggingswaarde van de in het tweede lid bedoelde voertuigen, komen niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden of minderwaarden van die voertuigen."

Art. 57, W 8.6.2008

3. In hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 190bis ingevoegd, luidende :

"Art. 190bis. - De aftrek van 20 pct. van de in artikel 64ter bedoelde kosten, dat werd aanvaard boven het bedrag van de werkelijk gedane of gedragen kosten en het behoud ervan zijn onderworpen aan de in artikel 190, tweede lid, bedoelde voorwaarde."

Art. 59, W 8.6.2008

4. Artikel 63 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting wordt opgeheven.

De bepaling van artikel 63, § 2, van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, zoals die bestond vóór ze werd opgeheven bij de programmawet van 8.6.2008, blijft evenwel van toepassing voor de vrijgestelde bedragen die op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt zijn.

Art. 60, W 8.6.2008

5. De artikelen 54 en 56 tot 59 zijn van toepassing op de uitgaven die zijn gedaan of gedragen vanaf 1 januari 2009.

ALGEMEEN

6. Aangezien de onder nr. 2 hiervoor weergegeven teksten van het nieuwe artikel 64ter, WIB 92, en de onder nr. 3 hiervoor vermelde tekst van het nieuwe artikel 190bis, WIB 92, de getrouwe weergave zijn van de voorheen in artikel 63 van de wet van 10.8.2001 opgenomen bepalingen, kan worden verwezen naar de richtlijnen van de in nr. 1 hiervoor vermelde circ. van 4.8.2006.

De daarin opgenomen richtlijnen blijven verder van toepassing, onder voorbehoud evenwel van de in nr. 7 hierna aangebrachte verduidelijkingen.

Daarenboven is het nuttig gebleken om nog enkele bijkomende verduidelijkingen met betrekking tot de hier behandelde materie te verstrekken.

KOSTEN BEDOELD IN ART. 66, § 1, WIB 92

7. De circ. van 4.8.2006 bepaalt, enerzijds, dat de beroepskosten van minibussen die geen betrekking hebben op het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden en, anderzijds, dat de kosten van personenauto's en auto's voor dubbel gebruik die voor gemeenschappelijk vervoer worden aangewend, onderworpen zijn aan de in artikel 66, § 1, WIB 92, beoogde aftrekbeperking van 75 %.

Het spreekt vanzelf dat dit percentage, voor wat de Ven.B en de BNI/ven. betreft, moet worden vervangen door de in art. 198bis, WIB 92, vermelde percentages (zie art. 84 en 85 van de programmawet van 27.4.2007 - BS 8.5.2007, Ed. 3, art. 143 en 146 van de wet houdende diverse bepalingen van 22.12.2008 - BS 29.12.2008, Ed. 4 en art. 129 en 133, eerste lid, van de programmawet van 23.12.2009 - BS 30.12.2009, Ed. 1).

GEMEENSCHAPPELIJK VERVOER

Bedoelde voertuigen

8. Het betreft hier uitsluitend het gemeenschappelijk vervoer met minibussen, autobussen of autocars, zoals deze voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van motorvoertuigen.

Elk ander transportmiddel is bijgevolg uitgesloten, zoals bijvoorbeeld de gemeenschappelijke taxi's wanneer zij niet als minibussen, autobussen of autocars kunnen worden aangemerkt.

De gebruikte voertuigen mogen eigendom zijn van de werkgever of van een groep van werkgevers, of door hen gehuurd of geleasd zijn.

Georganiseerd vervoer

9. Het gemeenschappelijk vervoer moet georganiseerd zijn door een werkgever of door een groep van werkgevers.

Dit houdt in dat het de werkgever of de groep van werkgevers is die, enerzijds, de regels en de voorwaarden tot het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer vastlegt en, anderzijds, het gebruik ervan door de werknemers superviseert.

10. De werkgever (of de groep van werkgevers) mag eveneens beroep doen op een onderneming voor personenvervoer die de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling organiseert.

In dat laatste geval dient men zich ervan te vergewissen dat het wel degelijk een gemeenschappelijk georganiseerd vervoer (met in nr. 8, lid 1, hiervoor bedoelde voertuigen) als dusdanig betreft van personeelsleden tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling of een deel van dat traject (bv. tussen het station en de onderneming).

Dit betekent onder meer dat de tenlasteneming door de werkgever van kosten van abonnementen, al dan niet op naam, van passes, van tickets voor pendelverkeer, van reiskaarten enz., bij een gemeenschappelijke openbare vervoersmaatschappij om zijn personeel toe te laten om bv. gebruik te maken van een reguliere autobusdienst, niet in aanmerking komt voor verhoogde aftrek van 120 %, zelfs niet indien de werknemer op die manier zijn verplaatsingen doet tussen zijn woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Men kan immers niet stellen dat het openbaar vervoer kan aangemerkt worden als een gemeenschappelijk vervoer dat door de werkgever wordt georganiseerd ten behoeve van zijn personeelsleden.

Gedeeld gemeenschappelijk vervoer

11. Wanneer een groep van werkgevers beslist om het gemeenschappelijk vervoer van het personeel uit te besteden aan een derde in plaats van het zelf te organiseren, komt elke werkgever in aanmerking voor de aftrek van 120 % voor het gedeelte van de kosten dat hij werkelijk zelf draagt in het kader van de organisatie van het gemeenschappelijk vervoer van zijn personeelsleden.

12. In dat geval kunnen dezelfde kosten uiteraard geen tweemaal ten belope van 120 % worden afgetrokken, nl. eenmaal door de werkgever en eenmaal door de onderneming die de kosten in de eerste plaats maakt.

Aldus zal een onderneming die, met een autobus waarvan zij eigenaar is, zowel gemeenschappelijk vervoer organiseert voor haar eigen personeelsleden als voor de personeelsleden van een groep werkgevers, slechts de verhoogde aftrek van 120 % kunnen genie ten in de mate dat de beoogde kosten betrekking hebben op het vervoer van haar eigen per soneel (tussen de woonplaats en de werkplaats).

13. In het geval waarin het gemeenschappelijk vervoer zou worden georganiseerd door een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, kan nog worden verduidelijkt dat de loute re overschrijving van een som geld aan deze vereniging op zich niet kan worden aangemerkt als een uitgave die beantwoordt aan de in artikel 49, WIB 92, gestelde voorwaarden tot aftrekbaarheid als beroepskost.

Dergelijke sommen kunnen slechts in aanmerking komen voor de aftrek ten belope van 120 % vanaf het ogenblik dat zij werkelijk worden aangewend ter financiering van de in artikel 64ter, lid 1, 1°, WIB 92, bedoelde kosten.

INWERKINGTREDING

14. Zowel de opheffing van art. 63 van de wet van 10.8.2001 als de invoeging van de bepalingen van art. 64ter, WIB 92, zijn van toepassing op de uitgaven die zijn gedaan of gedragen vanaf 1 januari 2009, zodat de beoogde wettelijke bepalingen zonder onderbreking kunnen worden toegepast.

15. Inzake Ven.B en BNI/ven. blijven de bepalingen van art. 63, § 2, van de wet van 10.8.2001 zoals zij bestonden vóór ze werden opgeheven bij de programmawet van 8.6.2008, evenwel van toepassing voor de vrijgestelde bedragen die op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt zijn.

Dienaangaande wordt erop gewezen dat gelijkaardige bepalingen thans zijn opgenomen in het nieuwe artikel 190bis, WIB 92.

NAMENS DE MINISTER :

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d.,

J. VANHOUTTE

Directeur