Circulaire nr. Ci.RH.331/483.361 van 18.10.1996
CIRC 18.10.96/1
Bull. nr. 766, pag. 2458
BIJDRAGE
Bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid.
BIJZONDERE BIJDRAGE VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID
Berekeningsgrondslag van de bijzondere bijdrage.
Berekening van de bijzondere bijdrage.
Tarief van de bijzondere bijdrage.
Bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid.
BIJZONDERE BIJDRAGE VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID
Berekeningsgrondslag van de bijzondere bijdrage.
Berekening van de bijzondere bijdrage.
Tarief van de bijzondere bijdrage.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
INHOUDSTAFEL Nr I. INLEIDING 1 II. WETTEKSTEN 3 III. ONDERWORPEN PERSONEN 6 IV. MAANDELIJKSE INHOUDINGEN 9 V. JAARLIJKSE BIJZONDERE BIJDRAGE VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID A. Schuldenaars van de jaarlijkse bijzondere bijdrage 11 B. Berekeningsgrondslag 1° Bedoelde inkomsten 15 2° Uit de berekeningsgrondslag gesloten inkomsten 16 3° Voorbeeld 18 C. Tarieven 1° Voor de jaren 1994 en 1995 19 2° Vanaf het jaar 1996 20 D. Berekening van de jaarlijkse bijzondere bijdrage 21 VI. VOORBEELD 25 VII. SLOTBEMERKING 26 VIII. INWERKINGTREDING 27 1. Met ingang van het aj. 1995 is de Administratie der directe belastingen, naast haar eigenlijke opdracht, zijnde de vestiging en de invordering van de belastingen, ook nog belast met de regularisatie van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid die is ingesteld bij de W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (V 2298, Bull. 739), gewijzigd door:
- de W 10.4.1995 tot wijziging van de wet van 30.3.1994 houdende sociale bepalingen met betrekking tot de grensarbeiders (V 2410, Bull. 752);
- de art. 80 tot 84, W 20.12.1995 houdende sociale bepalingen (V 2423, Bull. 757);
- art. 121, W 29.4.1996 houdende sociale bepalingen (V 2449, Bull. 762).
Alhoewel het hier in feite geen fiscale materie betreft, heeft de wetgever de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid afhankelijk willen maken van de fiscale toestand van de belastingplichtigen. Bovenstaande bepalingen betreffende die bijdrage moeten m.a.w. in aanmerking worden genomen om het bedrag te bepalen dat uiteindelijk moet worden ingevorderd of terugbetaald, ongeacht of de belastingplichtige een aangifte heeft ingediend of niet.
2. In deze circulaire worden de berekeningsmodaliteiten uiteengezet die gelden inzake de regularisatie van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid.
Voor de overige fiscale implicaties van die bijdrage wordt verwezen naar de nrs 16 tot 19 van de circ. 9.10.1995, Ci.RH.243/464.916 (Bull. 755).
II. WETTEKSTEN
A. Officieus gecoördineerde tekst van de art. 106 tot 112, 125 en 127, § 2, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (gewijzigd door de W 10.4.1995 tot wijziging van de wet van 30.3.1994 houdende sociale bepalingen met betrekking tot de grensarbeiders, door de art. 80 tot 84, W 20.12.1995 houdende sociale bepalingen en door art. 121, W 29.4.1996 houdende sociale bepalingen) (Behoudens andere vermelding, is de gecoördineerde tekst van toepassing vanaf 1.1.1996)
Titel XI. - Bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid
3. Art. 106, § 1. Deze titel is van toepassing op alle personen die als werknemer of daarmee gelijkgestelde, geheel of gedeeltelijk vallen onder:
1° de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
3° de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden der koopvaardij.
| § | 2. Deze titel is eveneens van toepassing op: |
1° de personen vermeld in artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, voor zover zij niet beoogd zijn in § 1;
2° voor zover zij niet beoogd zijn in § 1 of in het 1°; de personen die, in gelijk welk opzicht, gerechtigd zijn op een van de sociale uitkeringen waarop van toepassing is de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 3. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit het toepassingsgebied van deze titel uitbreiden tot de categorieën van personen die Hij bepaalt (KB 15.6.1995; zie nr. 5).
§ 4. Deze titel evenwel is niet van toepassing op de gezinnen bedoeld in artikel 125, 2°, van titel XII.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, andere categorieën van personen bepalen, waarop deze titel niet van toepassing is (Tot op heden is nog geen KB gepubliceerd).
| Art. | 107. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: |
1° "Gezin": de persoon of alle personen samen, lastens wie een enige belastingaanslag in de inkomstenbelastingen wordt gevestigd, overeenkomstig de artikelen 126, 128, 243 tot 244bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
2° "Gezinsinkomen het totale belastbare netto-inkomen vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 116, 129 en 228 tot 242 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hieronder niet begrepen de overeenkomstig artikel 171 van voormeld Wetboek afzonderlijk belaste inkomsten, verminderd met het bedrag van de in de artikelen 34 en 228, § 2, 6°, van dat Wetboek vermelde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, alsmede met het bedrag van de in artikel 23, § 1, 4°, van dat Wetboek vermelde bezoldigingen verkregen in Duitsland, Frankrijk en Nederland waarop respectievelijk de artikelen 15, § 3, 1°, 11, § 2, c, en 15, § 3, 1°, van de met die landen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing zijn en die in die landen aan een sociale wetgeving gelijkaardig aan die vermeld in artikel 106, § 1, zijn onderworpen.
Art. 108, § 1. De gezinnen waarvan de in artikel 106, §§ 1 tot 3, bedoelde personen deel uitmaken, zijn een jaarlijkse bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid verschuldigd. Die bijdrage wordt bepaald indien het gezinsinkomen:
begrepen is in de schijf van 750.000 frank tot 850.000 frank: op 9 % van het gedeelte van het gezinsinkomen dat meer bedraagt dan 750.000 frank;
begrepen is in de schijf van 850.001 frank tot 2.426.923 frank: op 9.000 frank verhoogd met 1,3 % van het gedeelte van het gezinsinkomen dat meer bedraagt dan 850.000 frank;
hoger is dan 2.426.923 frank : op 29.500 frank (Voor de jaren 1994 (zie echter art. 111) en 1995, luidde art. 108, § 1 als volgt: "De gezinnen waarvan de in artikel 106, §§ 1 tot 3, bedoelde personen deel uitmaken, zijn een jaarlijkse bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid verschuldigd ten bedrage van:
- 4.200 frank wanneer het gezinsinkomen begrepen is in de schijf van 750.000 tot 828.999 frank;
- 9.000 frank wanneer het gezinsinkomen begrepen is in de schijf van 829.000 tot 1.119.999 frank;
- 12.000 frank wanneer het gezinsinkomen begrepen is in de schijf van 1.120.000 tot 1.410.999 frank;
- 18.000 frank wanneer het gezinsinkomen begrepen is in de schijf van 1.411.000 tot 1.999.999 frank;
- 24.000 frank wanneer het gezinsinkomen 2.000.000 bereikt".).
De in artikel 106, § 1, bedoelde personen die geen deel uitmaken van een gezin dat een gezinsinkomen heeft in de zin van artikel 107, 2°, zijn een bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid verschuldigd ten bedrage van de op grond van artikel 109 te verrichten inhoudingen.
§ 2. Deze bijdrage is bestemd voor de financiering van de regelingen van de sociale zekerheid der werknemers.
Art. 109, § 1. In afwachting van de in artikel 110 bedoelde jaarlijkse vaststelling van de definitieve verschuldigde bijdragen, wordt een inhouding verricht door de werkgever ten laste van de personen bedoeld in artikel 106, § 1, op het loon dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen van het stelsel waaraan de werknemer is onderworpen. Deze inhouding heeft geen invloed op de berekening van de inhouding van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing.
Deze inhouding bedraagt:
1° indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven begrepen is in de schijf van 235.407 frank tot 265.055 frank: 7,6 % van het maandloon dat meer bedraagt dan 78.469 frank, wanneer dit maandloon begrepen is in de schijf van 78.469 frank tot 88.352 frank, met een minimum van 375 frank per maand voor personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft (De onderlijnde tekst werd ingevoegd door art. 121, W 29.4.1996).
Voor personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft en waarvan het driemaandelijks aan te geven loon begrepen is in de schijf van 132.528 frank tot 235.407 frank wordt de inhouding forfaitair bepaald op 375 frank per maand;
2° indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven begrepen is in de schijf van 265.056 frank tot 729.588 frank: 750 frank, verhoogd met 1,1 % van het gedeelte van het maandloon dat meer bedraagt dan 88.352 frank, wanneer dit maandloon begrepen is in de schijf van 88.353 frank tot 243.196 frank, zonder dat deze inhouding meer dan 2.083 frank per maand kan bedragen voor de personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft;
3° indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven hoger is dan 729.588 frank:
a) 2.083 frank per maand voor de personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft;
b) 2.458 frank per maand voor de personen die alleenstaand zijn of wier echtgenoot geen beroepsinkomsten heeft.
Voor de werknemers voor wie de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon, vermeerderd met 8 %, ingevolge artikel 19, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, houdt men voor de toepassing van het vorige lid rekening met het loon aan 108 % (Tekst van toepassing voor de jaren 1994 en 1995:
Deze inhouding bedraagt:
| 1° | 350 frank per maand indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven, voor de handarbeiders en gelijkgestelden berekend à 108 %, handarbeiders aangegeven bij de R.S.Z.P.P.O. uitgezonderd, begrepen is in de schijf van 135.619 frank tot 258.828 frank voor de personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft, hetzij begrepen is in de schijf van 235.406 frank tot 258.828 frank voor de personen die alleenstaand zijn of wier echtgenoot geen beroepsinkomsten heeft; |
| 2° | 750 frank per maand indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven, voor de handarbeiders en gelijkgestelden berekend à 108 %, handarbeiders aangegeven bij de R.S.Z.P.P.O. uitgezonderd, begrepen is in de schijf van 258.829 frank tot 345.104 frank; |
| 3° | 1.000 frank per maand indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven, voor de handarbeiders en gelijkgestelden berekend à 108 %, handarbeiders aangegeven bij de R.S.Z.P.P.O. uitgezonderd, begrepen is in de schijf van 345.105 frank tot 431.380 frank; |
| 4° | 1.500 frank per maand indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven, voor de handarbeiders en gelijkgestelden berekend à 108 %, handarbeiders aangegeven bij de R.S.Z.P.P.O. uitgezonderd, begrepen is in de schijf van 431.381 frank tot 606.008 frank; |
| 5° |
| a) | 1.650 frank per maand indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven, voor de handarbeiders en gelijkgestelden berekend à 108 %, handarbeiders aangegeven bij de R.S.Z.P.P.O. uitgezonderd, hoger is dan 606.008 frank voor de personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft; |
| b) | 2.000 frank per maand indien het loon dat per werknemer driemaandelijks wordt aangegeven, voor de handarbeiders en gelijkgestelden berekend à 108 %, handarbeiders aangegeven bij de R.S.Z.P.P.O. uitgezonderd, hoger is dan 606.008 frank voor de personen die alleenstaand zijn of wier echtgenoot geen beroepsinkomsten heeft. |
Onder personen wier echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft moet worden verstaan de echtgenoot die, overeenkomstig de reglementering inzake bedrijfsvoorheffing, persoonlijk beroepsinkomsten heeft die meer bedragen dan het bedrag dat als grondslag dient voor de vermindering van die bedrijfsvoorheffing voor andere gezinslasten met betrekking tot de echtgenoot die persoonlijk beroepsinkomsten heeft.
§ 2. De inhouding wordt verricht door de werkgever bij de betaling van het loon.
Zij wordt binnen dezelfde termijn als de sociale zekerheidsbijdragen door de werkgever overgemaakt aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor de in artikel 106, § 1, bedoelde werknemers.
§ 3. De opbrengst van de inhoudingen bedoeld in § 1 wordt door de instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor de in artikel 106, § 1, bedoelde personen overgemaakt aan het fonds voor het financieel evenwicht van de sociale zekerheid, bedoeld in artikel 39bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
§ 4. De werkgever wordt met betrekking tot die inhouding gelijkgesteld met de werkgever bedoeld in de sociale zekerheidsregeling toepasselijk op de werknemer, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht, de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning van de bijdragen.
§ 5. De Koning kan, voor de categorieën van werknemers die hij aanwijst, bijzondere regels bepalen met betrekking tot de inning van de inhouding bedoeld in § 1 (KB 31.3.1994, zoals gewijzigd door KB 12.8.1994; zie nr. 4).
§ 6. De werkgever moet de nodige bewijsstukken overleggen op verzoek van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van deze bepalingen, of van de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, waaraan het ingehouden bedrag door de werkgever moet worden overgemaakt.
§ 7. De werkgever vermeldt het bedrag van de inhoudingen bedoeld in § 1 afzonderlijk op de loonfiche die aan de werknemer wordt afgegeven met toepassing van artikel 57 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art. 110, § 1. De Administratie der directe belastingen berekent het bedrag van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid en trekt er, in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 109 gedane inhoudingen en het supplement bedoeld in artikel 125, 1°, van af.
Zij int het eventueel saldo dat overblijft na deze aftrek en stort de opbrengst na voorafname van 2.500 miljoen frank ten voordele van de Rijksmiddelenbegroting aan het Fonds voor het financieel evenwicht van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 39bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
De bedragen van minder dan 100 frank worden niet in het kohier opgenomen.
§ 2. Wanneer de in § 1, eerste lid, vermelde inhoudingen en het supplement hoger zijn dan het bedrag van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, verrekent de Administratie der directe belastingen dit overschot met de door de betrokkene of door het gezin, waarvan hij deel uitmaakt, verschuldigde inkomstenbelastingen en stort het eventueel saldo terug indien het tenminste 100 frank bedraagt.
Dit saldo wordt behandeld als een in artikel 419, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoeld overschot van voorheffing.
§ 3. Het in § 1 vermelde Fonds stort de in § 2, eerste lid, vermelde overschotten terug, voor rekening van de Administratie der directe belastingen, op een bijzonder fonds dat voor het overige wordt gelijkgesteld met een terugbetalingsfonds in de zin van artikel 37 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
§ 4. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop de stortingen worden uitgevoerd bepaald in § 1, tweede lid, en in § 3, en dit met inbegrip van de berekeningswijze der nalatigheidsinteresten en andere administratieve kosten in geval van laattijdige stortingen (Tot op heden is nog geen KB gepubliceerd).
§ 5. Titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is van toepassing op de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid.
Art. 111. Voor het jaar 1994 worden de in artikel 108, § 1, vermelde bedragen van 4.200, 9.000, 12.000, 18.000 en 24.000 frank, respectievelijk vervangen door de bedragen van 3.150 frank, 6.750 frank, 9.000 frank, 13.500 frank en 18.000 frank.
Art. 112 (Tekst conform W 30.3.1994), § 1. De artikelen 106 tot 108 en 111 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1994.
| § | 2. Artikel 109 treedt in werking op 1 april 1994. |
| § | 3. Artikel 110 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1995. |
Titel XII. - Middenstand en sociaal statuut der zelfstandigen
Hoofdstuk I. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
| Art. | 113 tot 115. ... |
Art. 116. In de artikelen 12 en 13 van hetzelfde besluit (KB nr. 38 van 27.7.1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen), zoals het laatst gewijzigd bij de wet van 26 juni 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
1° de percentages "3,54", "9,25", "12,76" en "8,23" worden vervangen door respectievelijk "3,84", "9,15", "12,86" en "8,43";
2° het bedrag "154.000" wordt vervangen door het bedrag "150.311" (Deze wijzigingen betreffen in feite een verhoging van de sociale bijdragen voor zelfstandigen).
| Art. | 117 tot 121. ... |
Hoofdstuk II. - Rijkstoelage
| Art. | 122 tot 124. ... |
Hoofdstuk III. - Diverse bepalingen
Art. 125. Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen deelt jaarlijks aan het Ministerie van Financiën mee:
1° de identiteitsgegevens van de personen die, ten gevolge van de wijziging bedoeld in artikel 116 van deze wet, een supplementair bedrag verschuldigd zijn, alsmede het juiste bedrag van dit supplement;
2° de identiteitsgegevens van de zelfstandigen die deel uitmaken van een gezin waarin zij zelf noch hun echtgenoot, op 1 januari van het jaar waarvoor de bijdrage wordt geheven, benevens de beroepsactiviteit als zelfstandige, gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsactiviteit uitoefenen in de zin van artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, alsmede van de personen die deel uitmaken van een gezin waarvan de leden, op 1 januari van het bijdragejaar, enkel pensioenen genieten die volledig werden toegekend op basis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
| Art. | 126. ... |
| Art. | 127, § 1. ... |
| § | 2. De artikelen 116 en 125 treden in werking op 1 april 1994. |
§ 3 en 4.
B. KB 31.3.1994 tot uitvoering van art. 109, § 5, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (V 2299 - Bull. 739), zoals gewijzigd door KB 12.8.1994 (V 2338 - Bull. 743 en erratum in Bull. 746)
4. Art. 1, § 1. Voor de werknemers bedoeld in artikel 106, § 1, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, moet de werkgever bij de laatste loonbetaling met betrekking tot iedere maand, indien het totale loon van de werknemer voor die maand één derde bereikt van de ondergrens van één der schijven vastgesteld in artikel 109, § 1, van deze wet, het voor die schijf toepasselijke maandbedrag inhouden.
§ 2. Bij de laatste loonbetaling van het kwartaal bedraagt de inhouding het verschil tussen drie maal het maandbedrag, rekening houdend met de grenzen vastgesteld bij artikel 109, § 1, van de voornoemde wet van 30 maart 1994, verminderd met het bedrag van de inhoudingen die voor dat kwartaal reeds werden verricht. In voorkomend geval, betaalt de werkgever bij die gelegenheid aan de werknemer het bedrag terug dat te veel werd ingehouden.
Art. 2. Voor de werknemers bedoeld in artikel 106, § 1, van de voornoemde wet van 30 maart 1994, die tegelijkertijd worden tewerkgesteld bij meerdere werkgevers, wordt de inhouding bepaald bij artikel 109, § 1, van deze wet, door iedere werkgever afzonderlijk verricht, zonder rekening te houden met het loon ten laste van de andere werkgever(s).
Art. 2bis. Voor de werknemers bedoeld in artikel 106, § 1, van de voornoemde wet van 30 maart 1994, wordt voor de vaststelling van de loonschijven bedoeld in artikel 109, § 1, van diezelfde wet, geen rekening gehouden met de loongedeelten van het kwartaal waarop sociale zekerheidsbijdragen moeten berekend worden maar waarvan de werkgever niet in staat is geweest het bedrag te bepalen op het ogenblik dat hij voor dat kwartaal zijn aangifte heeft verricht bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
| Art. | 3. Dit besluit treedt in werking op 1 april 1994. |
C. KB 15.6.1995 tot uitvoering van art. 106, § 3, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (BS 2.8.1995)
5. Art. 1. De toepassing van titel XI van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen wordt uitgebreid tot de personen die voor zover zij niet beoogd zijn bij artikel 106, §§ 1 en 2, van deze wet gerechtigd zijn op één van de sociale uitkeringen waarop de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld van toepassing is.
| Art. | 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994. |
| Art. | 3. ... |
6. Samengevat is de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid van toepassing op alle werknemers die onder de Belgische maatschappelijke zekerheid der arbeiders vallen, alsook op de personen die gerechtigd zijn op Belgische sociale uitkeringen.
Deze bijdrage is bestemd voor de financiering van de regelingen van de sociale zekerheid der werknemers.
| 7. | Zijn niet onderworpen: |
- de personen die in hoofdgroep een zelfstandige activiteit uitoefenen;
- de personen die enkel pensioenen genieten die volledig werden toegekend op basis van het KB nr. 72 van 10.11.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
Daar deze materie buiten het toepassingsveld van de fiscaliteit valt, wordt dienaangaande zonder meer verwezen naar art. 106, W 30.3.1994 en art. 1, KB 15.6.1995.
8. Opgemerkt wordt nog dat voor de zelfstandigen, alhoewel niet onderworpen aan de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, toch een verhoging van hun gewone sociale bijdragen werd opgelegd (zie art. 116, W 30.3.1994).
9. In afwachting van de jaarlijkse vaststelling van de definitief verschuldigde bijdragen, is de werkgever ertoe gehouden op de bezoldigingen maandelijks een inhouding te verrichten waarvan het bedrag in art. 109, § 1, W 30.3.1994 is vastgesteld.
Hierbij wordt opgemerkt dat het barema van deze inhouding met ingang van 1.1.1996 is gewijzigd.
Zij heeft overigens geen invloed op de berekening van de bedrijfsvoorheffing (art. 109, § 1, 1ste lid, W 30.3.1994).
10. Het totale bedrag van de door de werkgever als bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid op de bezoldigingen van werknemers, bestuurders en werkende vennoten ingehouden sommen moet tegenover de kenletter "D" van de fiches 281.10 (bezoldigingen van werknemers), "D Adm" van de fiches 281.20 (bezoldigingen van bestuurders), "D Ven" van de fiches 281.21 (bezoldigingen van werkende vennoten) worden vermeld, alsmede op de overeenstemmende samenvattende opgaven 325.
Dit bedrag omvat de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid die op de bezoldigingen van de maanden januari tot december werd ingehouden, zelfs indien de bezoldiging van die laatste maand begin januari is uitbetaald.
| A. | Schuldenaars van de jaarlijkse bijzondere bijdrage |
11. De gezinnen waarvan de in nr. 6 hiervoor bedoelde personen deel uitmaken zijn een jaarlijkse bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid verschuldigd.
Het volstaat aldus dat één van beide echtgenoten aan de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid onderworpen is opdat het gezin de jaarlijkse bijzondere bijdrage verschuldigd zou zijn.
12. Onder gezin moet worden verstaan, de persoon of alle personen samen lastens wie overeenkomstig de art. 126, 128, 243 tot 244bis, WIB 92, een enige aanslag in de PB of BNI/nat.pers. wordt gevestigd.
13. De nodige gegevens worden rechtstreeks op geautomatiseerde wijze door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid aan de Administratie der directe belastingen medegedeeld en worden bij de geautomatiseerde berekening van de aanslag in aanmerking genomen.
14. Teneinde de belastingplichtigen niet-inwoners die aan de Belgische maatschappelijke zekerheid der werknemers onderworpen zijn beter te kunnen identificeren, werd de aangifte BNI/nat.pers. betreffende het aanslagjaar 1996 aangepast door de invoeging van een nieuwe rubriek in vak I.
| B. | Berekeningsgrondslag |
| 1° | Bedoelde inkomsten |
15. Voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid moet het totale belastbare netto-inkomen van het gezin in aanmerking worden genomen, ongeacht de categorie (onroerende, roerende, beroeps- en diverse inkomsten), de aard (inkomsten van een loontrekker of van een zelfstandige) en de oorsprong ervan (Belgische inkomsten, tegen het verlaagd tarief belastbare buitenlandse inkomsten of bij verdrag vrijgestelde buitenlandse inkomsten).
Onder het totale belastbare netto-inkomen van het gezin moet het GBI van het gezin worden verstaan, zoals het is vastgesteld na aftrek van de in art. 104, WIB 92, bedoelde bestedingen en andere gelijkaardige uitgaven.
| 2° | Uit de berekeningsgrondslag gesloten inkomsten |
16. Het totale belastbare netto-inkomen van het gezin moet evenwel verminderd worden met:
- de afzonderlijk belaste inkomsten;
- de in de art. 34 en 228, § 2, 6°, WIB 92, beoogde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen;
- de in art. 23, § 1, 4°, WIB 92, vermelde bezoldigingen die door rijksinwoners werden verkregen in Duitsland, Frankrijk en Nederland en waarop respectievelijk de art. 15, § 3, 1°, 11, § 2, c, en 15, § 3, 1°, van de met die landen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing zijn (grensarbeiders), mits zij in die landen aan een sociale wetgeving gelijkaardig aan die vermeld in art. 106, § 1, W 30.3.1994, onderworpen zijn.
17. Het bedrag dat als pensioen, rente, enz., en als bezoldiging van grensarbeiders moet uitgesloten worden, wordt bekomen door het bedrag van deze netto-inkomsten (in voorkomend geval na aftrek van de beroepskosten, de verliezen en de toekenning van het huwelijksquotiënt) te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het netto gezamenlijk belastbaar inkomen van de echtgenoot (D.w.z. na aftrek van de in art. 104, WIB 92, bedoelde bestedingen en andere gelijkaardige uitgaven) en de noemer gelijk is aan het totale netto-inkomen van de echtgenoot (D.w.z. vóór aftrek van de in art. 104, WIB 92, bedoelde bestedingen en andere gelijkaardige uitgaven).
3° Voorbeeld
18. Man: - nettobezoldiging : 1.000.000 F - pensioen : 500.000 F - vorig verlies : 100.000 F - aftrekbare onderhoudsuitkering : 40.000 F Vrouw: geen inkomsten Het echtpaar heeft eveneens 10.000 F giften gedaan. Vaststelling van de belastbare inkomsten Man Vrouw Bezoldiging Pensioen Bezoldiging Pensioen Nettobedrag: 1 000.000 F 500.000 F Vorig verlies (100.000 F): - 66.667 F(1) - 33.333 F(2) ----------- ---------- Verschil: 933.333 F 466.667 F Huwelijksquotiënt (297.000 F): - 198.000 F(3) - 99.000 F(4) 198.000 F 99.000 F ----------- ---------- ----------- -------- Verschil: 735.333 F 367.667 F 198.000 F 99.000 F Totaal netto-inkomen: 1.103.000 F 297.000 F Onderhoudsuitkeringen: - 40.000 F Giften (10.000 F) - 7.879 F(5) - 2.121 F(6) ----------- ---------- Gezamenlijk belastbaar inkomen: 1.055.121 F 294.879 F GBI van het gezin: 1.350 000 F Berekeningsgrondslag van de bijzondere bijdrage GBI van het gezin: 1.350.000 F Uitgesloten inkomen: - Pensioen van de man: - 351.707 F(7) - Pensioen van de vrouw: - 98.293 F(8) ----------- Grondslag van de bijzondere bijdrage: 900.000 F (1) 100.000 x 1.000.000/1.500.000 (2) 100.000 x 500.000/1.500.000 (3) 297.000 x 933.333/1.500.000 (4) 297.000 x 466.667/1.400.000 (5) 10.000 x 1.103.000/1.400.000 (6) 10.000 x 297.000/1.400.000 (7) 367.667 x 1.055.121/1.103.00 (8) 99.000 x 294.879/297.000| C. | Tarieven |
1° Voor de jaren 1994 (Zie art. 111, W 30.3.1994) (Zie verwijzing (1) bij art. 108, W 30.3.1994) en 1995 (Zie verwijzing (1) bij art. 108, W 30.3.1994)
19.
-------------------------------------------------------------------------- Gezinsinkomen (GBI) Bedrag van de bijzondere bijdrage voor het jaar: 1994 1995 -------------------------------------------------------------------------- 750.000 F nihil nihil van 750.000 tot 828.999 F 3.150 F 4.200 F van 829.000 tot 1.119.999 F 6.750 F 9.000 F van 1.120.000 tot 1.410.999 F 9.000 F 12.000 F van 1.411.000 tot 1.999.999 F 13.500 F 18.000 F > 1.999.999 F 18.000 F 24.000 F --------------------------------------------------------------------------
2° Vanaf het jaar 1996 (Zie art. 108, § 1, van de gecoördineerde tekst van de W 30.3.1994)
20.
-------------------------------------------------------------------------- Gezinsinkomen (GBI) Bedrag van de bijzondere bijdrage -------------------------------------------------------------------------- 750.000 F nihil van 750.000 tot 850.000 F 9 % x (gezinsinkomen - 750.000 F) van 850.001 tot 2.426.923 F 9.000 F + 1,3 % x (gezinsinkomen - 850.000 F) > 2.426.923 F 29.500 F --------------------------------------------------------------------------
| D. | Berekening van de jaarlijkse bijzondere bijdrage |
21. Na toepassing van bovenstaand barema worden de maandelijkse inhoudingen verrekend met de principieel verschuldigde som.
22. Voor de "gemengde" gevallen (b.v. een gezin waar een van de echtgenoten loontrekker is en de andere zelfstandige), wordt het supplement aan sociale zekerheidsbijdragen betaald als zelfstandige (zie nr. 8) eveneens in mindering gebracht van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid (De nodige gegevens worden op geautomatiseerde wijze door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid medegedeeld en worden bij de geautomatiseerde berekening van de aanslag in aanmerking genomen).
23. Het aldus bekomen verschil wordt verrekend met de door de belastingplichtige op het inkomen verschuldigde belasting.
24. De personen die aan de bijzondere bijdrage onderworpen zijn (zie nr. 6), maar die geen deel uitmaken van een gezin waarvan het inkomen aan die bijdrage onderworpen is (b.v. grensarbeiders - niet-rijksinwoners werkzaam in België), zijn een bijzondere bijdrage verschuldigd gelijk aan het totale bedrag van de maandelijkse inhoudingen. In dergelijk geval zijn de maandelijkse inhoudingen definitief door de Schatkist verworven en moet aldus geen jaarlijkse regularisatie meer geschieden.
VI. VOORBEELD (aanslagjaar 1995)
| 25. | Echtpaar zonder gezinslasten. |
In aanmerking te nemen netto-inkomsten:
- onroerende inkomsten : 130.000 F
- bezoldigingen (man) : 875.000 F
- winst (vrouw) : 700.000 F
Aftrekbare giften: 5.000 F
Verrekenbare bestanddelen:
- BV : 355.000 F
- VA1 : 250.000 F
- Inhoudingen voor de bijzondere bijdrage : 3.150 F
- Supplement van de gewone sociale bijdragen betaald als zelfstandige: 3.500 F
GBI van het gezin : 1.700.000 F
Berekening van de belasting:
Belasting Staat: - 55.378 F PB/Gem. (6 %): 32.994 F ---------- Saldo: - 22.384 F Bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid: Bedrag verschuldigd op 1.700.000 F: 13.500 F Reeds ingehouden (3.150 F + 3.500 F): - 6.650 F --------- Saldo bijzondere bijdrage: 6.850 F Terug te geven (- 22.384 F + 6.850 F): 15.534 F 26. Het (positieve of negatieve) saldo van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid dat bekomen wordt na aftrek van het totale bedrag van de maandelijkse inhoudingen en van het supplement van de sociale bijdragen der zelfstandigen, wordt met de inkomstenbelastingen verrekend.
Het saldo wordt slechts ingekohierd indien het totale bedrag van de aanslag (na regularisatie van de bijzondere bijdrage en het remgeld) groter of gelijk is aan 100 F (te betalen of terug te geven).
Met andere woorden, de in art. 304, WIB 92, gestelde grens van 100 F is per aanslag slechts éénmaal van toepassing.
VIII. INWERKINGTREDING
27. Overeenkomstig art. 112, § 3, W 30.3.1994, treedt de berekening van de jaarlijkse bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid in werking vanaf het aj. 1995.
Dit impliceert dat wanneer in de personenbelasting een bijzondere aanslag wordt gevestigd voor het aj. 1994 (b.v. ingevolge het definitieve vertrek van de belastingplichtige naar het buitenland), er geen verrekening van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid kan geschieden.
NAMENS DE MINISTER:Voor de Directeur-generaal:De Auditeur-generaal,
V. KINDT.
Bron: FisconetPlus
