Circulaire nr. Ci.RH.835/502.739 dd. 09.01.1998
Deze circulaire werd opgeheven met ingang van 01.01.2025 |
WET
Wet betreffende de openbaarheid van bestuur.
Circulaire van de Administratie van Fiscale Zaken over de wet van 11.4.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3.
Hierbij gaat de circulaire van de Administratie van Fiscale Zaken met betrekking tot de wet van 11.4.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (V 2317 - Bull. 741, blz. 1689).
Een circulaire vanwege de Administratie der directe belastingen zal later verschijnen.
De Directeur-generaal,
BIJLAGE 1 Circulaire Wet openbaarheid van bestuurJ.-C. TILLIET.
1. Algemeen....................................................... 3 2. Actieve openbaarheid........................................... 4 2.1. Wegwijzers voor de belastingplichtigen.................... 4 2.2. Vermelding van de correspondent........................... 5 2.3. Kennisgeving van de beroepsmogelijkheid................... 5 3. Passieve openbaarheid: raadpleging van bestuursdocumenten...... 6 3.1. Algemeen.................................................. 6 3.2. Toepasselijke regelgeving................................. 7 3.3. Aanvraag om inzage en het verzoek om een afschrift te ontvangen................................................. 9 3.4. Register van vragen tot inzage............................ 11 3.5. Doorverwijzing............................................ 11 3.6. Inzage van een bestuursdocument........................... 12 3.6.1. Bestuursdocumenten - algemeen...................... 12 3.6.2. Inzage van algemene documenten..................... 13 3.6.3. Inzage van een document van persoonlijke aard...... 14 3.6.4. Inzage van documenten die in het archief zijn neergelegd......................................... 16 3.7. Inzage, uitleg en het verstrekken van kopieën............. 16 3.7.1. Inzage............................................. 16 3.7.2. Het toesturen van een afschrift.................... 18 3.7.3. Inzage en kopiename van beschermde stukken......... 20 3.7.4. Gedeeltelijke openbaarmaking van documenten........ 20 3.8. Afwijzing van een aanvraag................................ 21 3.8.1. Gronden om een verzoek af te wijzen................ 21 3.8.2. Werkwijze.......................................... 28 3.9. De termijn voor de behandeling van de aanvraag............ 28 4. Passieve openbaarheid aanvraag tot verbetering................. 29 5. Passieve openbaarheid beroepsprocedure......................... 30 6. Andere aspecten................................................ 32 6.1. Beroepsgeheim en spreekrecht.............................. 32 6.2. Bewaring van documenten................................... 32 6.3. Blijvende problemen....................................... 32 6.4. Raadpleging van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten........................................ 33Inhoud
DE WET OPENBAARHEID VAN BESTUUR Deze circulaire heeft als doel richtlijnen te verstrekken in verband met de toepassing van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Deze wet verscheen in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1994. Krachtens het koninklijk besluit van 23 juni 1994 (V 2318 - Bull. 714), dat gepubliceerd werd in hetzelfde Belgisch Staatsblad van 30 juni 1994, is die wet in werking getreden op 1 juli 1994.
Deze circulaire werd overeenkomstig artikel 8, § 3, van voormelde wet aan de Commissie voor de Toegang tot bestuursdocumenten voorgelegd. Hij werd op 9 juni 1997 tijdens de vergadering van de Commissie besproken en er werd rekening gehouden met de bemerkingen die zij heeft uitgebracht.
De voorzitter van de Commissie vestigt echter de aandacht op het feit dat de Commissie in de toekomst haar vrijheid wil behouden om haar adviezen aan latere evoluties aan te passen.
De wettekst, die verder zal worden aangeduid als de "wet openbaarheid bestuur", is in bijlage opgenomen.
In deze circulaire worden enkel de verplichtingen, die voortvloeien uit deze wet in de relatie tussen de administratie en de belastingplichtigen, nader toegelicht. De toepassing van de wet in andere zaken, zoals ambtenarenzaken, wordt in deze circulaire niet behandeld.
| 1. | Algemeen |
De wet voorziet, naast een voorlichtingsplicht van de overheid (actieve openbaarheid), vooral de mogelijkheid voor de belastingplichtige om op verzoek alle bestuursdocumenten waarover de administratie beschikt in te zien (uitvoering van artikel 32 van de Grondwet) en ze zo nodig te laten verbeteren (beide laatste aspecten vormen de passieve openbaarheid).
De wet openbaarheid van bestuur doet geen afbreuk aan wetsbepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien (art. 13). Wanneer een andere wet een ruimere openbaarheid bepaalt is de wet openbaarheid bestuur niet van toepassing terwijl dit wel het geval is wanneer een andere wet een beperktere openbaarheid stelt (voor de verhouding tussen verschillende wetteksten zie de punten 3.2., 3.6.3. en 4).
Zo zullen alle wettelijke bepalingen die het mogelijk maken om documenten op aanvraag in te zien of om er (tegen vergoeding) kopie van te krijgen primeren boven de wet openbaarheid bestuur. Zo wordt geen afbreuk gedaan aan, onder andere :
- art. 504, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (verder WIB 92) met betrekking tot de kadastrale bescheiden en het koninklijk besluit van 19 februari 1981 tot vaststelling van de vergeldingen voor de afgifte van kadastrale uittreksels;
- art. 144 van het Wetboek der successierechten;
- art. 127 van de wet van 16 december 1851 betreffende de openbaarheid van de registers van de hypotheekbewaarders;
- art. 236 van het Wetboek der Registratie-, hypotheek- en griffierechten, inzake het afleveren van afschriften of uittreksels door de ontvangers van de registratie;
- art. 143 van het Wetboek der successierechten, inzake het uitreiken van afschriften of uittreksels van successieaangiften.
| 2. | Actieve openbaarheid (artikelen 2 en 3) In het kader van de actieve openbaarheid zijn de fiscale administraties |
| 2.1. | Wegwijzers voor de belastingplichtigen |
Tevens zal het document zo beknopt mogelijk worden gehouden, gelet op de kostprijs, om ze gratis ter beschikking te kunnen stellen. De centrale administraties zullen deze documentatie ter beschikking stellen aan de buitendiensten.
Het document moet enkel op aanvraag verstrekt worden. Nopens de vorm van de aanvraag zijn in de wet geen bijzondere bepalingen opgenomen. Zelfs een eenvoudig mondeling verzoek is derhalve voldoende.
| 2.2. | Vermelding van de correspondent |
Waar deze verplichting vroeger enkel in een omzendbrief werd opgelegd (omzendbrief 360 van 28 april 1992 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken betreffende een grotere doorzichtigheid en toegankelijkheid van de administratie, Belgisch Staatsblad, 8 mei 1992) is deze vermelding nu een wettelijke verplichting.
Voor de praktische toepassing van deze verplichting wordt verder verwezen naar de Nota van de Minister van Financiën aan de Administratie- en Dienstchefs van 6 april 1995 (D.I. 200.13, 200.14/25.797) en de verschillende instructies die terzake werden opgesteld door elke fiscale administratie (bijv. de circulaire van de Administratie van de douane en accijnzen van 15 januari 1990 nr D. P. 93.445) (Zie de nota aan alle ambtenaren van 12.6.1992, Co. 5/62.205 nrs 5 tot 8, en de circ. 19.4.1990, Ci.RH.81/417.085).
| 2.3. | Kennisgeving van de beroepsmogelijkheid |
De administratie is van oordeel dat het voorstel van de Gewestelijke directeur van de douane en accijnzen om een vastgestelde overtreding inzake douane en accijnzen op basis van artikel 263 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen af te handelen door middel van een transactie, geen administratieve beslissing is in de zin van de wet openbaarheid bestuur.
Terzake handelt de directeur als vervolgende partij op basis van artikel 281 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen waarbij hij afziet van zijn recht om strafvervolgingen in te stellen. Bij niet aanvaarding van de minnelijke schikking worden immers strafvervolgingen ingeleid voor de bevoegde correctionele rechtbank.
De wet bepaalt uitdrukkelijk dat in administratieve handelingen moet worden medegedeeld welke de mogelijkheid of mogelijkheden zijn om in beroep te gaan, welke de beroepsinstantie(s) is (zijn) waarbij het beroep moet worden ingesteld (benaming, adres), welke vormvoorschriften verbonden zijn aan het instellen van beroep en binnen welke termijnen het beroep moet worden ingesteld.
Het vermelden van de mogelijkheid tot het instellen van beroep is enkel noodzakelijk voor zover het een voor de belastingplichtige negatieve beslissing of handeling betreft of indien een beslissing of handeling van de administratie "nadelige" gevolgen heeft voor de betrokkene (bijv. vestiging van een hogere belasting).
Het vermelden van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen is zowel noodzakelijk in de gevallen waarin in een specifieke procedure om beroep of bezwaar aan te tekenen tegen een bepaalde beslissing is voorzien, als in de gevallen waarin enkel een gemeenrechtelijke procedure mogelijk is (bevoegdheid van de Raad van State of van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht), dit zelfs zonder dat die mogelijkheid uitdrukkelijk voorzien is in de wettekst.
Wanneer deze verplichting niet wordt nageleefd, neemt de vervaltermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang (vergelijk met het nieuwe artikel 19 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State) (Cf. D.I. 136). Deze sanctie brengt mee dat er in het bijzonder zal moeten over gewaakt worden dat deze formaliteit strikt en concreet wordt nageleefd.
| 3. | Passieve openbaarheid : raadpleging van bestuursdocumenten (artikelen 4 tot 6) |
| 3.1. | Algemeen |
Er moeten daarbij dus zekere regels gevolgd worden:
| 1. | er moet een verzoek zijn om inzage te verkrijgen; |
| 2. | de aanvraag moet een bestuursdocument betreffen; |
| 3. | er mogen geen gronden aanwezig zijn die het inzagerecht uitsluiten. |
Het inzagerecht omvat drie mogelijkheden: het recht om de stukken materieel in te zien bij de administratie, het recht om uitleg te krijgen over deze documenten en het recht om een afschrift te bekomen van deze documenten.
| 3.2. | Toepasselijke regelgeving |
In principe moet in eerste instantie nagegaan worden bij welke overheid het document zich bevindt. In regel is de openbaarheidsregeling waaraan die overheid onderworpen is van toepassing (documenten die uitgaan van een gewest maar die zich bij een federale dienst bevinden kunnen dus ingezien worden op basis van de federale wet openbaarheid van bestuur). Dit volgt uit de bevoegdheidsverdeling tussen de wet-, decreet- en ordonnantiegever (zie: advies van de Raad van State, eerste kamer, dd. 24 november 1994 over een voorontwerp van ordonnantie betreffende de openbaarheid van bestuur, Gedr.St., Br.Hoofd.R., G.Z., 1994-1995, nr A-353/1, p. 18 en 19 en de in het advies opgenomen referenties naar de voorbereidende werken bij artikel 32 - oud artikel 24ter - van de Grondwet; zie tevens het advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/94/50, dd. 20 februari 1994).
Als voorbeeld kan worden gesteld dat wanneer de federale overheid enkel fungeert als loutere tussenpersoon tussen regionale instellingen en enkel documenten doorstuurt (brievenbusfunctie), de betreffende documenten niet onderworpen zijn aan de federale wet openbaarheid bestuur. De wet blijft echter van toepassing wanneer de federale overheid documenten zou ontvangen van gewesten die een element zouden vormen van een beslissing die door de federale administratieve overheid moet worden genomen. Dezelfde redenering is van toepassing wanneer documenten zich toevallig of per vergissing bij een bepaalde dienst bevinden in zaken waarvoor deze dienst geen enkele bevoegdheid heeft.
Wel blijft de decreet- of ordonnantiegever bevoegd om specifieke uitzonderingen op de openbaarheid voor te schrijven.
Volgende teksten zijn terzake relevant.
- Waals Gewest (decreet van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur, Belgisch Staatsblad, 28 juni 1995).
- Brussels Hoofdstedelijk Gewest (ordonnantie van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur, Belgisch Staatsblad, 23 juni 1995).
Het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 11 juli 1996 (decreet betreffende de openbaarheid van bestuur, Belgisch Staatsblad, 27 augustus 1996) is enkel van toepassing op de administratieve overheden die afhangen van de Franse Gemeenschapscommissie en op de andere administratieve overheden doch, wat deze laatsten betreft, slechts voor zover dit decreet op gronden die tot de bevoegdheden van de Franse Gemeenschapscommissie behoren, de openbaarheid van bestuursdocumenten verbiedt of beperkt.
- Vlaams Gewest (decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse executieve, Belgisch Staatsblad, 27 november 1991).
- Duitstalige Gemeenschap (decreet van 16 oktober 1995 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten, Belgisch Staatsblad, 29 december 1995).
Het is dus heel goed mogelijk dat eenzelfde document naargelang het tijdstip nu eens onder de ene dan weer onder een andere openbaarheidregeling valt (advies van de Raad van State, 2de kamer, dd. 30 november 1994 over "un avant-projet de décret relatif la publicité de l'administration", Gedr.St., Cons. Com.Fr., 1994-1995, nr 196-1, p. 13). Het ligt voor de hand dat een federale administratie die met dergelijke situaties geconfronteerd wordt, zou handelen in overleg met de betrokken regionale overheid.
Het exemplaar van de kadastrale documentatie dat neergelegd is bij de gemeenteoverheid blijft het eigendom van het Kadaster, en blijft derhalve onderworpen aan dezelfde bijzondere regels voor de openbaarmaking als de bescheiden van het Kadaster (zie onder punt 1). De federale en regionale regels voor de openbaarheid van bestuur zijn er dus niet op van toepassing.
De wet openbaarheid van bestuur doet geen afbreuk aan de voorrangregeling van de internationale verdragen en aan regels van volkenrechtelijke organisaties (zoals bijvoorbeeld op grond van de EG- richtlijnen). Indien een verdragstekst de openbaarmaking van de medegedeelde gegevens verbiedt, kunnen de op basis van het verdrag gekregen inlichtingen niet openbaar gemaakt worden.
Hierna wordt enkel de regeling op basis van de federale wet openbaarheid van bestuur besproken.
| 3.3. | Aanvraag om inzage en het verzoek om een afschrift te ontvangen |
De wet openbaarheid bestuur is zowel van toepassing op natuurlijke als op rechtspersonen (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CAD/95/32, dd. 18 april 1995 met verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 11 en 12 van de Grondwet, advies dat werd bevestigd door een arrest van de Raad van State, nr 54.901 van 29.8.1995).
Daartoe moet de bestuurde een schriftelijke aanvraag doen met de uitdrukkelijke vermelding van de aangelegenheid waarover het gaat en wanneer mogelijk op welke bestuursdocumenten de aanvraag precies betrekking heeft. Een aanvraag die in te vage bewoordingen is opgesteld kan geweigerd worden (zie punt 3.8.1., C, 4). Met uitzondering van zijn advocaat of de houder van een uitdrukkelijk daartoe specifieke schriftelijke opgestelde volmacht, kan enkel de bestuurde zelf een aanvraag doen.
De wet legt niet op dat de aanvraag tot inzage moet gebeuren bij aangetekende brief. De aanvraag kan dus ook per gewone brief gebeuren of ter plaatse schriftelijk worden gedaan. Een aanvraag per faxbericht is geen geldige aanvraag, omdat een faxbericht niet de nodige garanties biedt i.v.m. de identiteit van de verzoeker en niet altijd een adequate afhandeling van het verzoek door de administratie waarborgt (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/8/94, dd. 26 september 1994).
De manier waarop aanvraag om een afschrift te bekomen moet ingediend worden is wel geregeld. Het verzoek moet worden ingediend:
| 1° | hetzij door de aanvrager, die zich persoonlijk bij de betrokken administratieve overheid meldt en deze een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier overhandigt; |
| 2° | hetzij schriftelijk, door een brief gericht aan de betrokken administratieve overheid, met vermelding van de naam en het adres van de aanvrager. |
De aanvraag moet worden gericht aan de bevoegde administratieve overheid. Dit is de overheid waar de stukken zich bevinden (zie onder punt 3.2.), ook wanneer deze het document in een archief heeft neergelegd (zie verder onder punt 3.6.4.). Uit artikel 5, tweede lid, van de wet volgt dat hier de administratie bedoeld is die het document werkelijk materieel onder zich heeft.
De Directeur-generaal van elke administratie bepaalt voor zijn administratie op welk niveau de aanvragen zullen behandeld worden.
| 3.4. | Register van vragen tot inzage |
Elke dienst die bevoegd is voor de behandeling van de aanvraag (zie onder punt 3.3. in fine) zal een register bijhouden met volgende vermeldingen:
+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦nr datum aanvrager betrokken gegeven dossier- opmer- ontvangst, ¦ ¦ ontvangst documenten gevolg nummer kingen vergoeding¦ ¦ KB 30.8.96¦ +------------------------------------------------------------------------+ De registratie van de aanvraag is belangrijk omdat de datum van ontvangst het vertrekpunt is van de termijn waarbinnen de dienst de aanvraag moet beantwoorden (zie punt 3.9.). Dit register moet ook verzekeren dat alle vragen tot inzage effectief behandeld worden. Het is daarbij noodzakelijk om ook te vermelden welk gevolg gegeven werd aan de aanvraag om eventuele latere opzoekingen te vereenvoudigen.
Het vermelden van de ontvangst van de betaling van de vergoeding is verplicht krachtens artikel 9 van het Koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument (Belgisch Staatsblad, 20 september 1996; zie punt 3.7.2. hierna).
| 3.5. | Doorverwijzing |
| 1. | Het stuk bevindt zich bij een andere dienst van een fiscale administratie of de aanvragen om inzage worden behandeld bij een andere dienst. De dienst die de aanvraag ontvangt zal ze onmiddellijk overmaken aan de bevoegde dienst die verder het nodige zal doen (Omzendbrief nr 393 van 18 juli 1994 van de Minister van ambtenarenzaken betreffende de uitvoering van het handvest van de gebruiker van de openbare dienst, Belgisch Staatsblad, 28 september 1994). |
| 2. | De aanvraag is duidelijk niet bestemd voor een fiscale administratie. In dit geval laat de dienst aan wie de aanvraag gericht is, de aanvrager weten dat hij zijn verzoek heeft gericht aan een verkeerde dienst en deelt hem mee, op grond van de gegevens waarover de dienst beschikt, welke administratieve overheid (benaming en adres) waarschijnlijk het betrokken bestuursdocument in haar bezit heeft (artikel 5, lid 2). Deze regeling is uitdrukkelijk voorzien in de wet openbaarheid bestuur en moet toegepast worden niettegenstaande het handvest van de gebruiker van de openbare dienst in een andere regeling voorziet. In het schrijven aan de aanvrager wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat de aangewezen overheid enkel vermoedelijk over de betrokken documenten beschikt. In beide gevallen zal de dienst die ten onrechte de aanvraag ontvangt zo snel als mogelijk reageren. |
| 3.6. | Inzage van een bestuursdocument |
| 3.6.1. | Bestuursdocumenten - Algemeen |
De aanvraag kan enkel gebeuren voor bestaande documenten. De administratie is in het kader van de openbaarheid immers geenszins verplicht nieuwe documenten samen te stellen ter beantwoording van vragen (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten nr I/CTB/94/34, dd. 21 november 1994). Ook reeds afgesloten dossiers vallen onder het begrip bestuursdocument waarvan inzage kan bekomen worden voor zover zij nog bestaan (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CAD/94/26, dd. 24 oktober 1994). De individuele belastingdossiers van belastingplichtigen zijn bestuursdocumenten waartoe de belastingplichtige toegang kan hebben (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CAD/94/26, dd. 24 oktober 1994). Zelfs de stukken (bijv. aangifte) die de betrokkene zelf heeft ingediend vallen onder de toepassing van de wet (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CAD/95/1, dd. 20 februari 1995).
Uiteraard kunnen documenten die niet meer bestaan niet aan de openbaarheid worden onderworpen. De overheid heeft slechts de plicht om de stukken bij te houden volgens de toepasselijke reglementering.
Even vanzelfsprekend kunnen documenten niet medegedeeld worden indien zij nog niet bestaan. De administratie is in het kader van de openbaarheid ook niet verplicht nieuwe documenten samen te stellen ter beantwoording van vragen (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/94/34, dd. 21 november 1994).
De wet openbaarheid bestuur maakt een onderscheid tussen algemene documenten en documenten van persoonlijke aard. De meeste aanvragen tot inzage van individuele dossiers zullen thuishoren in de categorie aanvragen tot inzage van documenten van persoonlijke aard.
| 3.6.2. | Inzage van algemene documenten |
Niet publiek gemaakte omzendbrieven, circulaires, instructies, reglementen e.d.m. met een algemene strekking vallen onder de toepassing van de wet openbaarheid bestuur (advies van de Commissie voor de toegang tot de bestuursdocumenten, nr I/CTB/94/38, dd. 21 november 1994 en nr I/CTB/94/11, dd. 7 september 1994). De belastingplichtigen kunnen er dus inzage van krijgen of een afschrift bekomen behoudens indien één van de uitzonderingsgronden om dit te weigeren zou aanwezig zijn (zie verder onder punt 3.8.).
Ook documenten die, alhoewel er namen in vermeld staan, niet strikt op één of meerdere personen betrekking hebben zijn algemene documenten (bijv. een studie over een bepaalde sector of een bepaalde regio). Documenten die enkel betrekking hebben op één of meerdere personen zijn daarentegen documenten van persoonlijke aard, ook wanneer er vermeldingen in voorkomen die niet strikt die persoon of personen betreft. In dit laatste geval kunnen de gegevens die betrekking hebben op andere personen niet medegedeeld worden daar zij onder het beroepsgeheim vallen (voor de eventueel gedeeltelijke mededeling zie punt 3.7.4., voor het beroepsgeheim zie punt 3.8.1., B, 1 en 2).
| 3.3.3. | Inzage van een document van persoonlijke aard |
Voor de vragen van natuurlijke personen moet een bijkomend onderscheid gemaakt worden tussen het inzagerecht op basis van de wet openbaarheid bestuur en de inzage van gegevens die verwerkt worden zoals bedoeld in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (Belgisch Staatsblad, 18 maart 1993; voor de inwerkingtreding zie het Bericht aan de bevolking betreffende de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, Belgisch Staatsblad, 18 maart 1995). Deze laatste wet verleent enkel bescherming aan manueel of geautomatiseerde bijgehouden gegevens betreffende natuurlijke personen.
De fiscale administraties zijn immers in de huidige stand van de wetgeving ook onderworpen aan de wet van 8 december 1992 (Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, advies nr 22/95, dd. 27 juni 1995). Daar de wet van 8 december 1992 een bijzondere wet is, zal deze wet voorgaan op de wet openbaarheid bestuur, die een algemene wet is. De wet van 8 december 1992 zal eveneens primeren op de decreten en ordonnanties die in gewestelijke, materies de openbaarheid van bestuur regelen (advies van de Raad van State, 2de kamer, dd. 19 december 1994 over "un avant projet de décret relatif au droit d'accès aux documents de l'Administration", Gedr.St., Cons.Reg.W., 1994-1995, nr 301-1, p. 11; advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten nr I/CAD/94/12, dd. 21 november 1994).
Dit wordt nog benadrukt door het feit dat de richtlijn nr 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, in artikel 13, 1, e, een uitdrukkelijke uitzondering voorziet voor fiscale aangelegenheden, wat op heden niet het geval is in de Belgische privacywetgeving. De richtlijn moet worden omgezet in Belgisch recht binnen de 3 jaar na de aanneming ervan. Op dit ogenblik is dit nog niet gebeurd.
In deze circulaire wordt enkel rekening gehouden met de wet openbaarheid van bestuur.
Voor de aanvragen die betrekking hebben op bestuursdocumenten van persoonlijke aard (zie punt 3.8.1. voor de andere weigeringsgronden) voorziet de wet openbaarheid bestuur in een specifieke ontvankelijkheidsvoorwaarde: de aanvrager moet doen blijken van een belang (artikel 4, tweede lid).
In artikel 1, tweede lid, 3°, wordt een document van persoonlijke aard gedefinieerd als een bestuursdocument dat een beoordeling of een waarde-oordeel bevat over een met name genoemde of gemakkelijk identificeerbare persoon of de beschrijving van een gedrag waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk nadeel kan berokkenen.
Het volstaat echter niet dat een bestuursdocument de naam vermeldt van een persoon om het tot een document van persoonlijke aard te maken.
Het document van persoonlijke aard moet een beoordeling inhouden of een gedrag beschrijven waarvan het ruchtbaar maken aan de betrokken persoon schade zou kunnen berokkenen.
Het door de wet vereiste belang moet worden begrepen in de zin van het belang waarvan blijk moet gegeven worden bij een verzoek tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State. Het bestuursdocument of het geheimhouden van het stuk moet dus materiële of immateriële schade teweegbrengen voor de aanvrager wil de aanvraag ontvankelijk zijn.
Die schade moet drie kenmerken hebben nl. :
| 1. | er moet afbreuk gedaan worden aan een persoonlijk en rechtmatig (d.w.z. niet strijdig met de openbare orde of de goede zeden) belang van de aanvrager; |
| 2. | de schade moet bovendien actueel zijn (d.w.z. bestaan op het tijdstip van de aanvraag); |
| 3. | de schade moet een direct verband houden met het bestaan van het betrokken bestuursdocument (oorzakelijk verband tussen de schade en het document). |
| 3.6.4. | Inzage van documenten die in het archief zijn neergelegd (artikel 11) |
De aanvraag moet worden gericht aan de bevoegde administratieve overheid, ook wanneer deze het document in een archief heeft neergelegd (artikel 5, 1 ste lid).
Voor stukken die werden neergelegd bij het federaal archief is voorzien dat de beheerders van dat federaal archief gehouden zijn om hun medewerking te verlenen voor de toepassing van de wet. Zowel de stukken die bewaard worden in de eigen archieven van de fiscale administraties als die in andere federale archieven andere dan het Algemeen Rijksarchief of het Rijksarchief van de provinciën, worden hier bedoeld. De Directeur-generaal van elke administratie kan beslissen dat die aanvragen nopens dergelijke stukken in elk geval moeten overgemaakt worden aan het hoofdbestuur.
De voormelde regels betreffende de openbaarmaking van documenten die zich nog bevinden in de diensten, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor documenten die in een archief zijn neergelegd, de in art. 6 bepaalde weigeringsgronden ophouden van toepassing te zijn na het verstrijken van de termijn welke voor de geheimhouding van het betrokken archief is bepaald (zie art. 11, 3e lid).
Ook reeds afgesloten dossiers die niet in een archief zijn ondergebracht vallen onder de toepassing van de wet openbaarheid bestuur, uiteraard in de mate dat zij nog bestaan (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CAD/94/26, dd. 24 oktober 1995).
3.7. Inzage, uitleg en het verstrekken van kopieën
| 3.7.1. | Inzage |
Tevens wordt het tijdstip medegedeeld waarop gebruik kan gemaakt worden van het inzagerecht. In regel zal de periode vermeld worden van 30 dagen, waarbij de consultatie mogelijk is tijdens de normale openingsuren van de betrokken dienst.
In de omzendbrief nr 443 van 17 december 1996 (zie blz. 31.836 van het Belgisch Staatsblad van 20 december 1996) stelt de Minister van ambtenarenzaken dat de diensten van de federale departementen een grote soepelheid aan de dag moeten leggen voor wat de openingsuren betreft. In die omzendbrief besluit hij om de uitbreiding van de openingsuren te bevorderen zodat deze op vraag van de gebruiker van de openbare dienst op dinsdagen en vrijdagen open blijven tot 20.00 uur 's avonds.
De consultatie van de documenten gebeurt zonder enige vergoeding.
Wanneer de aanvrager zich aanbiedt wordt zijn identiteit gecontroleerd en opgenomen in een formulier dat hem voorgelegd wordt ter ondertekening.
Dit formulier bevat bovendien:
| 1. | een inventaris van de ter beschikking gestelde stukken; |
| 2. | de vermelding dat de in toepassing van de wet verkregen documenten niet mogen verspreid noch mogen gebruikt worden voor commerciële doeleinden (artikel 10); de stukken mogen derhalve niet gebruikt worden voor publicitaire doeleinden, om ze te verhuren of tegen betaling te laten inkijken door derden; |
| 3. | de vermelding dat een bestuursdocument waarin een auteursrechtelijk werk is opgenomen zonder toestemming van de maker of van de persoon aan wie de rechten van deze zijn overgegaan, mag ingezien worden, maar dat een mededeling in afschrift van een auteursrechtelijk beschermd werk enkel is toegestaan met voorafgaande toestemming van de maker of de persoon aan wie de rechten van deze zijn overgegaan (zie verder onder punt 3.7.3.); |
| 4. | de verbintenis dat de aanvrager geen enkele nota, wijziging of welk teken dan ook zal aanbrengen op de hem ter inzage voorgelegde stukken of deze stukken op enigerlei wijze zal beschadigen; |
| 5. | de vermelding dat de aanvrager op het formulier de nodige opmerkingen kan vermelden. |
Gedurende de volledige tijd dat de aanvrager de stukken inziet is een ambtenaar aanwezig die zo gevraagd de nodige uitleg zal verstrekken. Bij de consultatie mag de aanvrager notities maken en, behalve in de situatie behandeld onder punt 3.7.3., kopieën maken met eigen middelen en op eigen kosten zonder dat de stukken verplaatst of beschadigd worden.
Bij incidenten tijdens de consultatie zal de ambtenaar correct doch kordaat optreden en zo nodig een proces-verbaal opstellen of aangifte doen bij de politionele overheden.
| 3.7.2. | Het toesturen van een afschrift |
Wanneer een ruimere regeling bestaat om een afschrift te krijgen van een document (openbare registers zoals de registers voorhanden in de hypotheekbewaringen) zal de wet openbaarheid bestuur niet van toepassing zijn. Een regeling is ruimer wanneer er minder vereisten zijn dan in de wet openbaarheid bestuur om een afschrift te bekomen (d.w.z. dat het niet vereist is dat er geen enkele beperking is). De wet openbaarheid bestuur kan dan ook niet ingeroepen worden om de vergoeding die verschuldigd is krachtens de bijzondere regeling voor het bekomen van deze afschriften te omzeilen (zie bijvoorbeeld het Koninklijk besluit van 18 september 1962 houdende vaststelling van de lonen van de hypotheekbewaarders, enz.).
Van de stukken die een auteursrechtelijke bescherming genieten mag geen afschrift aan de aanvrager toegestuurd worden (zie punt 3.7.3.), behoudens indien de houder van het auteursrecht hiermee instemt.
Artikel 12 bepaalt dat de Koning kan beslissen dat voor de afschriften een vergoeding verschuldigd is door de aanvrager.
De artikelen 2 tot 9 van het Koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument regelen de kostenvergoeding als volgt:
"Art. 2. Het bedrag van de vergoeding wordt berekend per bestuursdocument en per aanvraag, met een minimum van vijftig frank.
"Art. 3. Wanneer het afschrift van een bestuursdocument in: zwart/wit versie wordt verstrekt op een formaat dat niet groter is dan formaat A4, wordt de vergoeding vastgesteld op 2 BEF per bladzijde.
"Wanneer het document echter meer dan honderd bladzijden bevat, wordt de vergoeding teruggebracht tot 1 BEF per bladzijde vanaf de honderd en eerste.
"Art 4. Wanneer het afschrift van een bestuursdocument in zwart/wit- versie wordt verstrekt op een formaat dat groter is dan formaat A4 maar niet groter dan formaat A3, worden de vergoedingen per bladzijde vastgesteld in artikel 3 verdubbeld.
"Art. 5. Wanneer een bestuursdocument bladzijden bevat van verschillend formaat als bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt de vergoeding berekend alsof het om twee aparte aanvragen gaat.
"Art.6. Wanneer het afschrift van een bestuursdocument geheel of gedeeltelijk in kleur of in een formaat groter dan formaat A3 wordt gevraagd, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig artikel 7.
"Art. 7. Wanneer het afschrift van een bestuursdocument wordt gevraagd op een andere drager dan papier, is de vergoeding gelijk aan de kostprijs.
Art. 8. De vergoedingen vastgesteld bij dit besluit zijn contant betaalbaar indien het afschrift door de aanvrager in ontvangst wordt genomen bij de administratieve overheid, die als bewijs van betaling een ontvangstbewijs afgeeft.
"Indien het afschrift per post aan de aanvrager wordt gezonden, worden de vergoedingen eer het afschrift wordt verzonden, betaald door overschrijving of storting op de postrekening van de rekenplichtige der ontvangsten van de overheid in kwestie. In dat geval wordt het bedrag van de vergoedingen vermeerderd met de portokosten.
"Art. 9. Bij ontvangst van de betaling van de vergoeding wordt er melding van gemaakt in het register bedoeld in artikel 5 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.
Deze regeling is van toepassing vanaf 20 september 1996 (art. 10, KB 30 augustus 1996).
Voor de Duitstalige Gemeenschap zie: Besluit van de Regering tot uitvoering van het decreet van 16 oktober 1995 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten, Belgisch Staatsblad, 4 mei 1996.
De stukken worden toegestuurd met een brief waarin opgenomen wordt :
| 1. | een inventaris van de ter beschikking gestelde stukken; |
| 2. | de vermelding dat in toepassing van de wet verkregen documenten niet mogen verspreid noch gebruikt worden voor commerciële doeleinden (artikel 10). |
| 3.7.3. | Inzage en kopiename van beschermde stukken (artikel 9) |
De wet stelt dat wanneer de vraag om openbaarheid betrekking heeft op een bestuursdocument waarin een auteursrechtelijk werk is opgenomen, de toestemming van de maker of van de persoon aan wie de rechten van deze zijn overgegaan niet vereist is om ter plaatse inzage van het document te verlenen of uitleg erover te verstrekken. Daarentegen is een mededeling in afschrift van een auteursrechtelijk beschermd werk niet toegestaan dan met voorafgaande toestemming van de maker of de persoon aan wie de rechten van deze zijn overgegaan.
Niettegenstaande deze situatie eerder zelden zal voorkomen in fiscale zaken, verdient deze regeling de nodige aandacht daar de wet uitdrukkelijk voorziet dat de overheid in ieder geval op het auteursrechtelijk karakter van het betrokken werk moet wijzen.
| 3.7.4. | Gedeeltelijke openbaarmaking van documenten |
Concreet zal in dat geval de tekst niet voorgelegd worden in origineel maar wel in kopie waarop bepaalde vermeldingen onleesbaar zijn gemaakt.
| 3.8. | Afwijzing van een aanvraag |
| 3.8.1. | Gronden om een verzoek af te wijzen |
Het volstaat niet dat de ingeroepen weigeringsgrond voorkomt in de lijst van de uitzonderingen opdat de overheid automatisch ontheven is van de verplichting om informatie te verstrekken. Aan de toepassing van een uitzonderingsgeval moet in elk concreet geval een belangenafweging ten grondslag liggen. Enkel in de gevallen opgesomd in artikel 6, § 2, namelijk de bescherming van de privacy, wanneer een specifieke wet de geheimhoudingsverplichting voorziet en het bewaren van het geheim van de overheidsberaadslaging (zie verder onder B. hierna), is de uitzondering absoluut en moet er geen belangenafweging worden gemaakt.
Hiermee zal moeten rekening gehouden worden bij de motivatie van de weigeringsbeslissing. Het zal derhalve niet volstaan om louter te verwijzen naar één of meerdere gronden die in de lijst voorkomen maar er zal moeten aangeduid worden waarom in het concreet geval de openbaarmaking niet opweegt tegen de ingeroepen weigeringsgrond.
De wet openbaarheid bestuur stelt in drie afzonderlijke reeksen weigeringsgronden voor, met name :
- een reeks die imperatief moet toegepast worden door de ambtenaren en waarvoor een afweging van belangen moet gebeuren (zie reeks A hierna);
- een tweede reeks die eveneens imperatief, maar van absolute aard is, zodat er geen belangenafweging nodig is (zie reeks B hierna);
- tenslotte een derde reeks die de ambtenaren facultatief (er bestaat een beoordelingsvrijheid) mogen toepassen, maar waarbij een belangenafweging dient te geschieden (zie reeks C hierna).
| A. | Wanneer de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van één van volgende belangen (artikel 6, § 1) : |
2. de fundamentele rechten en vrijheden van de bestuurden;
3. de federale internationale betrekkingen van België;
4. de openbare orde, de veiligheid of de bedreiging van het land;
| 5. | de opsporing of de vervolging van strafbare feiten; |
Vermits, naar de mening van de administratie, het onderzoek wegens overtredingen inzake douane en accijnzen een onderzoek in strafzaken is, kan in principe slechts inzage van het dossier worden verleend na het opstellen van het proces-verbaal voor de vastgestelde feiten of nadat de zaak bij de correctionele rechtbank werd ingeleid. Het vooronderzoek in strafzaken, hetzij het gerechtelijk onderzoek, hetzij het opsporingsonderzoek, heeft een geheim en niet-tegensprekelijk karakter.
Indien een belanghebbende of zijn advocaat op basis van de wet openbaarheid van bestuur om inzage verzoekt van een overtredingsdossier (bijvoorbeeld naar aanleiding van het aanbieden van een transactie) vooraleer een proces-verbaal werd opgesteld of vooraleer de zaak bij de rechtbank werd ingeleid, kan aan het verzoek in principe geen gunstig gevolg worden gegeven.
Aangezien aan de weigering om inzage te verlenen evenwel een belangenafweging moet voorafgaan, dient dit verbod tot inzage te worden genuanceerd. Zo zal aan betrokkene inzage kunnen worden verleend van stukken waarop de vordering van de belastingen is gesteund (bijv. tariefbeslissing betreffende de indeling van de goederen in het tarief van invoerrechten en van de eventueel door het laboratorium van de douane gedane bevindingen bij de ontleding van de goederen, brief van de buitenlandse douane autoriteiten waaruit blijkt dat het preferentieel regime niet kan worden toegekend, enz.). De inzage zal evenwel geweigerd worden van alle stukken die verband houden met de omstandigheden waarin de feiten zich hebben voorgedaan, eventuele gegevens betreffende aanbrengers, de overwegingen van de bekeurders, door de bekeurders geformuleerde voorstellen tot afhandeling van de zaak, enz.
Inzage zal, in het kader van de wet op openbaarheid van bestuur, eveneens geweigerd worden, wanneer dergelijke inzage wordt gevraagd van documenten betrokken in een gerechtelijke procedure die lopende is tussen de aanvrager en de betrokken administratie (ook de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten kan dan niet meer tussenkomen: advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/95/22, dd. 27 maart 1995). Dit geldt zowel voor procedures die behandeld worden door de rechterlijke macht, door de administratieve rechtscolleges of voor een scheidsgerecht (advies van de Commissie voor toegang, tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/94/44, dd. 19 december 1994 en nr I/CTB/95/30 van 27 maart 1995).
Dit brengt onder andere mee dat van zodra een bezwaar inzake directe belastingen hangende is voor de Gewestelijke directeur, geen beroep meer kan gedaan worden op de wet openbaarheid bestuur. Hier dienen enkel de aan de procedure eigen regels gevolgd te worden (zie art. 374, 3de lid, WIB 92).
Dit is ook het geval wanneer overgegaan wordt tot de betekening van een dwangbevel. De wet voorziet gemeenrechtelijke verzetsprocedures waar de mededeling van stukken wordt geregeld. De wet openbaarheid van bestuur kan niet gebruikt worden om die regels buiten werking te stellen.
Stukken of informatie die bekomen werden na inzage van een gerechtelijk dossier zullen evenmin openbaar zijn. De betrokkene kan zich wenden tot de bevoegde jurisdictionele overheid om inzage te bekomen van die stukken (Raad van State, arrest nr 54.901 van 29 augustus 1995, La Herseautoise vs. Belgische Staat).
Dit lijkt ook het geval te zijn wanneer een aanslag wordt gevestigd op basis van gegevens die verkregen zijn uit een (niet-fiscaal) gerechtsdossier (advies van de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CADA/96/86, dd. 21 juni 1996).
| 6. | het federaal economisch of financieel belang, de munt of het openbaar krediet; |
De laatste maanden worden de fiscale administraties steeds meer geconfronteerd met een oneigenlijk gebruik terzake de toepassing van de wet openbaarheid van bestuur. Steeds meer wordt inderdaad gepoogd om op grond van voormelde wet in het stadium van de vestiging van de belasting inlichtingen te bekomen waarover de administraties in die onderzoeksfase beschikken, doch met als enig doel fraudemechanismen te organiseren of vertragingsmanoeuvers op te zetten.
De vraag kan dan ook gesteld worden of in dergelijk geval de uitzonderingsgrond van punt 6 kan worden ingeroepen.
De Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten verklaart in een antwoord op een vraag om advies (nr J/CTB/96/133) van 18 december 1996 dat fiscale documenten in beginsel onder de toepassing van de wet vallen en dientengevolge normaliter moeten meegedeeld worden. Doch stelt de Commissie dat zonodig een uitzonderingsgrond kan worden ingeroepen om deze mededeling te weigeren met name "een federaal economisch of financieel belang, de munt op het openbaar krediet". De Commissie is van mening dat uit de voorbereidende werken van de wet duidelijk blijkt dat het federaal fiscaal belang, alhoewel niet expliciet vermeld, wel degelijk vervat is in de zinsnede "federaal economisch of financieel belang, de munt op het openbaar krediet". Doch, voegt zij er onmiddellijk aan toe, deze uitzonderingsgrond mag niet stelselmatig worden ingeroepen om enigerlei fiscale documenten aan de openbaarheid te onttrekken.
Dienaangaande heeft de Commissie in een vroeger advies (advies nr 95/58 van 18.09.1995) reeds gesteld dat de vraag tot mededeling kan geweigerd worden voor documenten die de fiscus verkrijgt bij de uitoefening van zijn onderzoeksbevoegdheid op grond van een in artikel 6 opgesomde uitzonderingsgrond, maar dat deze handelwijze niet op elk geval van toepassing is.
| 7. | het uit de aard van de zaak vertrouwelijk karakter van ondernemings- en fabricagegevens die aan de overheid zijn medegedeeld; |
| 8. | de geheimhouding van de identiteit van de persoon die het document of de inlichting vertrouwelijk aan de administratieve overheid heeft medegedeeld ter aangifte van een strafbaar of strafbaar geacht feit (noodzaak om formele aangifte te krijgen van frauduleuze handelingen). |
| B. | Wanneer de openbaarmaking afbreuk doet (artikel 6, § 2): |
| 1. | aan de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de inzage, de uitleg of de mededeling van een afschrift heeft ingestemd; |
Inzake de aanvragen die betrekking hebben op dossiers van natuurlijke personen zal rekening gehouden worden met de mogelijke familiale conflicten. Zo zullen de echtgenoten die effectief gescheiden zijn (echtscheiding werd overgeschreven) toegang blijven behouden voor documenten die betrekking hebben op de toestand van vóór de echtscheiding.
Er zal slechts inzage (en eventueel afschrift) worden verleend van de stukken die betrekking hebben op de aanvrager zelf. Voor de stukken die betrekking hebben op de toestand van de echtgenoot of echtgenote van de aanvrager mag inzage (en eventueel afschrift) verleend worden mits diens schriftelijke toestemming met een voor echt verklaarde handtekening. Indien het een stuk betreft dat gegevens bevat eigen aan de toestand van beide echtgenoten, moet alles in het werk worden gesteld om deze regel te eerbiedigen (gedeeltelijk inzage tenzij gelegaliseerde toestemming van de andere echtgenoot). Anderzijds heeft het Arbitragehof, als antwoord op een prejudiciële vraag, bij arrest nr 39/96 van 27 juni 1996 beslist dat artikel 267 WIB (thans artikel 366, WIB 92) het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre die bepaling het recht om bezwaar in te dienen slechts toekent aan de belastingplichtige ten name van wie de aanslag is gevestigd, met uitsluiting van de feitelijk gescheiden echtgenoot die gehouden is tot de belastingschuld die ten name van de andere echtgenoot is gevestigd. Volgens het hof volstaat het vertrouwelijk karakter van het fiscale dossier niet als verantwoording om af te wijken van het fundamenteel recht om voor een rechtsinstantie de gegrondheid van een schuld te betwisten.
Na het overlijden van een natuurlijke persoon is het de wettige erfgenaam die gerechtigd is om op te treden (artikel 724, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, Rb. Gent, 8 oktober 1993, T.G.R., 1994, 78). In dit geval zal moeten nagegaan worden of de aanvrager effectief een wettige erfgenaam is (zo is geen inzage mogelijk wanneer de wettige erfgenaam heeft verzaakt aan de nalatenschap).
Voor rechtspersonen zal uiteraard enkel toestemming verleend worden aan de personen die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigen.
Bij feitelijke verenigingen of handelsvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid zal in de regel de toestemming van alle betrokkenen vereist zijn.
| 2. | aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsplicht; |
Er werd reeds aangenomen dat artikel 337 WIB 92 een wetsbepaling is die onder deze uitzonderingsgrond valt (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/94/49, dd. 19 december 1994; zo valt bijvoorbeeld de schattingsdocumentatie van het Kadaster onder de toepassing van art. 337 WIB 92). Ook gelijkaardige bepalingen in de andere fiscale wetboeken zijn wetteksten die een geheimhoudingsplicht opleggen (bijvoorbeeld : artikel 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel 320 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen, artikel 236bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten). De geheimhoudingsplicht blijft dus onverkort van toepassing, met dien verstande dat het niet kan ingeroepen worden tegen de betrokkene zelf wanneer hij inzage vraagt van een document van persoonlijke aard waarin enkel gegevens over die persoon voorkomen.
| 3. | aan het geheim van de beraadslaging van de federale Regering en van de verantwoordelijke overheden die afhangen van de federale uitvoerende macht, of waarbij een federale overheid betrokken is. |
| C. | ln de mate dat de vraag (artikel 6, § 3): |
| 1. | een bestuursdocument betreft waarvan de openbaarmaking kan leiden tot misvatting omdat het document nog niet af is; |
| 2. | een advies of een mening betreft die iemand uit vrije wil en bij wijze van vertrouwelijke mededeling ter kennis gebracht heeft van de overheid; |
Voor de adviezen en verslagen die belastingambtenaren hebben opgesteld ter voorbereiding van een beslissing (bijvoorbeeld het advies van de hoofdcontroleur nopens een verzoek tot vermindering van fiscale boeten) kan deze uitzondering niet ingeroepen worden.
| 3. | kennelijk onredelijk is; |
| 4. | in kennelijk te vage bewoordingen gesteld is; |
| 3.8.2. | Werkwijze |
Bij afwijzing van de aanvraag moet die beslissing behoorlijk gemotiveerd zijn (wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (V 2131, Bull. 710), Belgisch Staatsblad, 12 september 1991). Deze motiveringsplicht is belangrijk daar de beroepsinstanties (zie punt 5) de rechtmatigheid van de weigering zullen toetsen aan de motivering van de weigering.
Wanneer de overheid niet zorgvuldig is bij afweging van de belangen brengt dit haar aansprakelijkheid in het gedrang.
Bij elke beslissing moet bovendien melding worden gemaakt van de mogelijkheden om in beroep te gaan, en van de vormvoorschriften en termijnen die daarvoor in acht moeten worden genomen (artikel 2, 4°, zie hoger onder punt 2.3.).
| 3.9. | De termijn voor de behandeling van de aanvraag |
Bij gebrek aan antwoord binnen de voorgeschreven termijn wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen (artikel 6, § 5). In dit geval wordt aangenomen dat de betrokken dienst geen uitzonderingsgrond inroept (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten nr I/CTB/94/53, dd. 23 januari 1995). Een laattijdig antwoord staat dus gelijk met een niet gemotiveerde en dus onregelmatige weigering (zie hoger onder punt 3.8.2.).
Er moet derhalve in het bijzonder over gewaakt worden dat binnen de voorgeschreven termijn wordt gereageerd.
| 4. | Passieve openbaarheid: aanvraag tot verbetering (artikel 7) De wet bepaalt dat als iemand aantoont dat een bestuursdocument van |
Hier is er een spanningsveld tussen de georganiseerde procedures die een verbetering mogelijk maken (bijv. ambtshalve ontheffing, procedure van teruggave) en de wet openbaarheid bestuur. Wanneer er een specifieke bijzondere procedure bestaat zal die voorrang hebben op de toepassing van de wet openbaarheid bestuur.
Zo kan de procedure voorzien in de wet openbaarheid bestuur niet aangewend worden om de terugbetaling te bekomen van teveel betaalde fiscale zegels (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/ 94/46, dd. 19 december 1994).
Hier moet de nodige soepelheid betracht worden en een aanvraag op basis van de wet openbaarheid bestuur, die eigenlijk op basis van een bijzondere procedure diende te gebeuren zal, zo aan de vormvereisten is voldaan, aanzien worden als een vraag tot toepassing van de bijzondere procedure. Zo nodig zal de belastingplichtige onmiddellijk op de hoogte gebracht worden van de te volgen procedure.
In elk geval is de wet openbaarheid bestuur niet meer van toepassing indien de aanvraag de verbetering betreft van een bestuursdocument waarover een georganiseerde procedure hangende is voor een rechtscollege of voor een administratieve rechter (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/94/95, dd. 23 januari 1995).
De procedure om verbetering te bekomen is in de wet openbaarheid bestuur gelijklopend georganiseerd als deze van de aanvraag tot inzage. Ook hier moet de aanvraag schriftelijk worden gedaan. Uiteraard moet men een bijzondere aandacht besteden aan de identiteit van de betrokkene. De dienst beschikt over een termijn van 60 dagen om in te gaan op een aanvraag tot verbetering die werd ontvangen. De dienst kan de aanvrager binnen die termijn laten weten dat het antwoord op zijn verzoek wordt uitgesteld waardoor de oorspronkelijke termijn met maximaal 30 dagen verlengd wordt.
De beslissing waarbij een aanvraag wordt geweigerd moet behoorlijk gemotiveerd worden en bij elke beslissing moet melding worden gemaakt van de mogelijkheden om in beroep te gaan, en van de vormvoorschriften en termijnen die daarvoor in acht moeten worden genomen. Bij gebrek aan antwoord binnen de voorgeschreven termijn wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen.
Als een aanvraag niet bestemd is voor de dienst zal gehandeld worden zoals onder punt 3.5.
Wanneer er redenen zijn om een verbetering aan te brengen wordt de procedure gebruikt die normaal voor de wijziging van die gegevens is voorzien.
| 5. | Passieve openbaarheid: beroepsprocedure De wet voorziet in een eerste fase in een niet-contentieuze |
De vraag om advies is niet ontvankelijk wanneer de verzoeker niet tegelijkertijd een verzoek tot inoverwegingneming richt aan de betrokken overheid (advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, nr I/CTB/95/22, dd. 27 maart 1995 en nr I/CTB/94/36, dd. 21 november 1994).
Op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 27 juni 1994 tot regeling van de samenstelling en de werkwijze van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten zijn de federale administratieve overheden gehouden alle nuttige documenten en inlichtingen aan de Commissie mede te delen die de Commissie nodig heeft om haar opdracht te vervullen. De Commissie kan dus de documenten waarvan de inzage/verbetering werd geweigerd opvragen. De administratie kan zich daarbij niet beroepen op het beroepsgeheim. Indien een verdrag of een akte van een volkenrechtelijke organisatie de openbaarheid van inlichtingen uitsluit gaat deze bepaling, zoals reeds gesteld, voor op de Belgische wet.
De Commissie brengt haar advies uit binnen 30 dagen en deelt dat tegelijkertijd aan de aanvrager en aan de betrokken dienst mee. Wanneer de Commissie de vraag van de bestuurde positief adviseert wil dit niet noodzakelijk zeggen dat inzage moet gegeven worden. Het is uiteindelijk de dienst die de documenten onder zich heeft die de beslissing neemt, uiteraard rekening houdende met het advies van de Commissie.
Bij ontstentenis van het advies binnen de voorgeschreven termijn wordt aan het advies voorbijgegaan. D.w.z. dat de betrokken overheid er in principe geen rekening mee moet houden bij de redactie van de beslissing tot heroverweging.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het advies of na afloop van de termijn waarbinnen het advies medegedeeld had moeten worden, moet de dienst beslissen over de aanvraag tot heroverweging. Na afloop van die termijn wordt de dienst geacht de aanvraag tot herziening afgewezen te hebben.
Bij een nieuwe weigering moet de beslissing voldoen aan de vormvereisten vermeld in punt 3.8.2. Wanneer de beslissing wordt herzien wordt gehandeld zoals in punt 3.6. is gesteld. Hier ook moet de beroepsinstantie en de vormvereisten voor het instellen van hoger beroep tot vernietiging vermeld worden.
Er moet gewezen worden op de aard van de adviezen van de Commissie: het zijn adviezen in de werkelijke betekenis van het woord. De betrokken overheid is er niet door gebonden maar moet met het advies rekening houden bij het motiveren van de beslissing over de aanvraag tot heroverweging.
Als het standpunt van de dienst definitief is geworden, dus na kennisgeving van de beslissing tot herziening van de eerste beslissing of na afloop van de termijn waarbinnen over de herziening moest beslist worden, kan de aanvrager binnen de 60 dagen in beroep gaan bij de Raad van State. Daartoe richt hij bij aangetekende brief een gedateerd ondertekend verzoekschrift voorzien van 7.000 BEF fiscale plakzegels aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel. Het verzoekschrift moet de naam, de hoedanigheid en woonplaats van de verzoeker en de verweerder, het voorwerp van de betwisting, een uiteenzetting van de feiten en de middelen en een inventaris van de stukken bevatten. Bij het verzoekschrift worden 4 voor eensluidend verklaarde kopieën van het verzoekschrift, een kopie van de aangevochten beslissing en een kopie van het advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten gevoegd (zie: het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van der rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State).
Als de Raad van State de aanvrager in het gelijk stelt (nietigverklaring van de administratieve beslissing) kan de betrokkene ook een rechtsvordering instellen om eventuele schadevergoeding te bekomen. De aanvragen moeten dan ook met de nodige zorgvuldigheid behandeld worden.
| 6. | Andere aspecten |
| 6.1. | Beroepsgeheim en spreekrecht |
| 6.2. | Bewaring van documenten |
| 6.3. | Blijvende problemen |
| 6.4. | Raadpleging van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten |
De Adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,
BIJLAGE 2J.-M. DELPORTE
11 APRIL 1994.- Wet betreffende de openbaarheid van bestuur.
Belgisch Staatsblad van 30 juni 1994 (tweede uitgave).
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen
Artikel 1.- Deze wet is van toepassing:
| a) | op de federale administratieve overheden; |
| b) | op de administratieve overheden andere dan de federale administratieve overheden doch slechts in de mate dat deze wet op gronden die tot de federale Bevoegdheid behoren, de openbaarheid van bestuursdocumenten verbiedt of beperkt. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: |
| 1° | administratieve overheid: een administratieve overheid als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; |
| 2° | bestuursdocument: alle informatie, in welke vorm ook, waarover een administratieve overheid beschikt; |
| 3° | document van persoonlijke aard: bestuursdocument dat een beoordeling of een waardeoordeel bevat van een met naam genoemd of gemakkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon of de beschrijving van een gedrag waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk nadeel kan berokkenen. |
Art. 2.- Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden:
| 1° | bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de organisatie en de opdrachten van de federale voorlichtingsdienst alsmede de federale administratieve overheden die ertoe gehouden zijn een gespecialiseerde instantie te belasten met de conceptie en de realisatie van het informatiebeleid; |
| 2° | publiceert elke federale administratieve overheid een document met de beschrijving van haar bevoegdheden en haar interne organisatie; dit document wordt ter beschikking gesteld van eenieder die erom vraagt; |
| 3° | vermeldt elke briefwisseling uitgaande van een federale administratieve overheid de naam, de hoedanigheid, het adres en het telefoonnummer van degene die meer inlichtingen kan verstrekken over het dossier; |
| 4° | vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang. |
HOOFDSTUK III - Passieve openbaarheid
Art. 4.- Het recht op het raadplegen van een bestuursdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document bestaat erin dat eenieder, volgens de voorwaarden bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen.
Voor documenten van persoonlijke aard is vereist dat de verzoeker van een belang doet blijken.
De Koning kan de bemiddeling door de gemeentebesturen regelen voor de raadpleging of de verbetering van documenten op grond van deze wet.
Art. 5.- Inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument geschiedt op aanvraag. De vraag vermeldt duidelijk de betrokken aangelegenheid en, waar mogelijk, de betrokken bestuursdocumenten en wordt schriftelijk gericht aan de bevoegde federale administratieve overheid, ook wanneer deze het document in een archief heeft neergelegd.
Wanneer de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift is gericht tot een federale administratieve overheid die het bestuursdocument niet onder zich heeft, stelt deze de verzoeker daarvan onverwijld in kennis en deelt hem de benaming en het adres mede van de administratieve overheid die naar haar informatie het document onder zich heeft.
De federale administratieve overheid houdt een register bij van de schriftelijke aanvragen, volgens datum van ontvangst.
Art. 6.- § 1. Een federale of niet-federale administratieve overheid wijst de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument af, wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen:
| 1° | de veiligheid van de bevolking; |
| 2° | de fundamentele rechten en vrijheden van de bestuurden; |
| 3° | de federale internationale betrekkingen van België; |
| 4° | de openbare orde, de veiligheid of de verdediging van het land; |
| 5° | de opsporing of vervolging van strafbare feiten; |
| 6° | een federaal economisch of financieel belang, de munt of het openbaar krediet; |
| 7° | het uit de aard van de zaak vertrouwelijk karakter van de ondernemings- en fabricagegegevens die aan de overheid zijn meegedeeld; |
| 8° | de geheimhouding van de identiteit van de persoon die het document of de inlichting vertrouwelijk aan de administratieve overheid heeft meegedeeld ter aangifte van een strafbaar of strafbaar geacht feit. |
| 1° | aan de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift heeft ingestemd; |
| 2° | aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting; |
| 3° | aan het geheim van de beraadslagingen van de federale Regering en van de verantwoordelijke overheden die afhangen van de federale uitvoerende macht, of waarbij een federale overheid betrokken is. |
| 1° | een bestuursdocument betreft waarvan de openbaarmaking, om reden dat het document niet af of onvolledig is, tot misvatting aanleiding kan geven; |
| 2° | een advies of een mening betreft die uit vrije wil en vertrouwelijk aan de overheid is, meegedeeld; |
| 3° | kennelijk onredelijk is; |
| 4° | kennelijk te vaag geformuleerd is. |
§ 5. De federale administratieve overheid die niet onmiddellijk op een vraag om openbaarheid kan ingaan of ze afwijst, geeft binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aanvraag aan de verzoeker kennis van de redenen van het uitstel of de afwijzing. In geval van uitstel kan de termijn nooit met meer dan vijftien dagen worden verlengd.
Bij ontstentenis van een kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen.
Art. 7.- Wanneer een persoon aantoont dat een bestuursdocument van een federale administratieve overheid onjuiste of onvolledige gegevens bevat die hem betreffen, is die overheid ertoe gehouden de nodige verbeteringen aan te brengen zonder dat het de betrokkene iets kost. De verbetering geschiedt op schriftelijke aanvraag van de betrokkene, onverminderd de toepassing van een door of krachtens de wet voorgeschreven procedure.
De federale administratieve overheid die niet onmiddellijk op een aanvraag om verbetering kan ingaan of ze afwijst, geeft binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag aan de verzoeker kennis van de redenen van het uitstel of de afwijzing. In geval van uitstel kan de termijn niet met meer dan dertig dagen worden verlengd. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen.
Wanneer de vraag is gericht tot een federale administratieve overheid die niet bevoegd is om de verbeteringen aan te brengen, stelt deze de verzoeker daarvan onverwijld in kennis en deelt hem de benaming en het adres mee van de overheid die naar haar informatie daartoe bevoegd is.
Art. 8.- § 1. Er wordt een Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten opgericht.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de samenstelling en de werkwijze van de Commissie.
§ 2. Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, kan hij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken federale administratieve overheid. Terzelfdertijd verzoekt hij de Commissie een advies uit te brengen.
De Commissie brengt haar advies ter kennis van de verzoeker en van de betrokken federale administratieve overheid binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn wordt aan het advies voorbijgegaan.
De federale administratieve overheid brengt binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies of na verloop van de termijn waarbinnen kennis moest worden gegeven van het advies, haar beslissing tot inwilliging of afwijzing van het verzoek tot heroverweging ter kennis van de verzoeker. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn, wordt de overheid geacht een beslissing tot afwijzing te hebben genomen.
Tegen deze beslissing kan de verzoeker beroep instellen overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973. Het beroep bij de Raad van State is in voorkomend geval vergezeld van het advies van de Commissie.
§ 3. De Commissie kan eveneens worden geraadpleegd door een federale administratieve overheid.
§ 4. De Commissie kan op eigen initiatief advies verstrekken betreffende de algemene toepassing van de wet op de openbaarheid van bestuur. Ze kan aan de wetgevende macht voorstellen doen in verband met de toepassing en de eventuele herziening van deze wet.
Art. 9.- Wanneer de vraag om openbaarheid betrekking heeft op een bestuursdocument van een federale administratieve overheid waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is opgenomen, is de toestemming van de maker of van de persoon aan wie de rechten van deze zijn overgegaan niet vereist om ter plaatse inzage van het document te verlenen of uitleg erover te verstrekken.
Een mededeling in afschrift van een auteursrechtelijk beschermd werk is niet toegestaan dan met voorafgaande toestemming van de maker of van de persoon aan wie de rechten van deze zijn overgegaan.
In ieder geval wijst de overheid op het auteursrechtelijk beschermd karakter van het betrokken werk.
Art. 10.- De in toepassing van deze wet verkregen bestuursdocumenten mogen niet verspreid, noch gebruikt worden voor commerciële doeleinden.
Art. 11.- De bepalingen van deze wet zijn mede van toepassing op de bestuursdocumenten die door een federale administratieve overheid in een archief zijn neergelegd.
De beheerder van een federaal archief is ertoe gehouden zijn medewerking te verlenen aan de toepassing van deze wet.
De in artikel 6 bedoelde uitzonderingsgronden houden op van toepassing te zijn na het verstrijken van de termijn welke voor de geheimhouding van het betrokken archief is bepaald.
De eerste drie leden zijn niet van toepassing op het Algemeen Rijksarchief of het Rijksarchief in de Provinciën, voor wie de wettelijke bepalingen betreffende de Archieven onverminderd van toepassing blijven.
Art. 12.- Het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument kan worden onderworpen aan het betalen van een vergoeding waarvan de Koning het bedrag vaststelt.
HOOFDSTUK IV - Slotbepalingen
Art. 13.- Deze wet doet geen afbreuk aan de wetsbepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien.
Art. 14.- Deze wet treedt in werking op de datum die de Koning bepaalt en ten laatste zes maand na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 april 1994.
ALBERT
De Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken,Van Koningswege:
Met 's Lands zegel gezegeld,L. TOBBACK
De Minister van Justitie,
M. WATHELET
Bron: FisconetPlus
