Aanschrijving nr. 83 dd. 15.12.1970
AANSCHRIJVING 70/083
Aanschrijving nr. 83 dd. 15.12.1970
Vervoer en bijkomende diensten bij vervoer
Artikel 41 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat :
"§ 1.- Van de belasting zijn vrijgesteld :
1 o het zeevervoer van personen; het internationaal luchtvervoer van personen;
2 o het vervoer van goederen wanneer is aangetoond dat het deel heeft in de uitvoer of de doorvoer van goederen of wanneer het betrekking heeft op de verzending tot op de plaats van bestemming hier te lande van goederen herkomstig uit het buitenland,
"§ 2.- Wanneer ze worden verricht voor in § 1 genoemd vervoer zijn de nagenoemde diensten eveneens van de belasting vrijgesteld :
1 o het slepen, loodsen en meren van zee- of binnenschepen;
2 o het gebruik van de instellingen van havens, luchthavens en binnenwateren;
3 o het laden, lossen, overslaan, behandelen, stouwen, verstouwen, wegen, meten, peilen, nazien en in ontvangstnemen van goederen;
4 o het opbergen en het bewaren van goederen;
5 o de verhuur van middelen tot vervoer, verpakking en beveiliging van goederen;
6 o de bijkomende diensten waarvan de Koning de lijst geeft.
"§ 3.- Vrijgesteld zijn ook :
1 o de diensten door makelaars en lasthebbers bij handelingen bedoeld in de §§ 1 en 2 van dit artikel;
2 o het verrichten van de douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer of doorvoer.
"§ 4.- De Koning bepaalt de voor het verkrijgen van de vrijstelling na te komen formaliteiten en te leveren bewijzen, alsmede de verplichtingen en de aansprakelijkheid tegenover de Staat van de bij de vrijgestelde handeling tussenkomende personen."
Het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, genomen ter uitvoering van artikel 41, § 2, 6 o, en § 4, van het Wetboek bepaalt :
"Artikel 1. In artikel 41, § 2, 6 o, van het Wetboek worden bedoeld :
1 o de diensten die betrekking hebben op de handelingen aangewezen in artikel 41, §§ 1 tot 3, van het Wetboek, en die, in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid, gewoonlijk worden verleend door de belastingplichtigen die deze handelingen verrichten;
2 o de diensten door scheepsagenten en luchtvaartagenten als agent verleend aan rederijen en luchtvaartmaatschappijen;
3 o de diensten ten behoeve van de aan- en afvaart en het verblijf van zeeschepen of binnenschepen in de havens, alsmede de diensten ten behoeve van het landen, opstijgen en verblijf van luchtvaartuigen op de luchthavens;
4 o de diensten ten behoeve van passagiers en bemanning verleend voor rekening van rederijen en luchtvaartmaatschappijen."
"Art. 2. Aanspraak op de vrijstellingen van artikel 41, §§ 1, 2 en 3, van het wetboek, moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden echter, ten aanzien van de door of namens hem aan te wijzen diensten, de aard en de vorm bepaald van de voor te leggen stukken en bescheiden."
Eerste hoofdstuk.- Inleiding
1. Vrijgestelde diensten.
Ingevolge artikel 41 van het BTW-wetboek bestaat er aanspraak op vrijstelling ten aanzien van navolgende diens-ten :
1 o het zeevervoer van personen, het internationaal luchtvervoer van personen en de bijkomende diensten verricht voor dit vervoer;
2 o het goederenvervoer bij doorvoer, uitvoer en bij- invoer tot op de plaats van bestemming hier te lande; de bijkomende diensten verricht voor dit vervoer;
3 o de diensten door makelaars en lasthebbers bij, ingevolge artikel 41, §§ 1 en 2, van het BTW-wetboek, vrijgesteld vervoer en vrijgestelde bijkomende diensten;
4 o de diensten verricht door grensexpediteurs.
2. Bepaling van vervoer.
Vervoer is een dienst die bedoeld wordt in artikel 18, § 1, 1 o, van het BTW-wetboek, die bestaat in het overbrengen van goederen of van personen vanuit een bepaalde plaats naar een andere bepaalde plaats, welke ook de vervoermiddelen zijn die daarbij worden gebruikt. Deze dienst gaat vaak gepaard met bijkomende diensten zoals het laden, het lossen en het bewaren van goederen.
Voor de toepassing van het BTW-wetboek wordt onder een vervoercontract verstaan, niet alleen de overeenkomst die gesloten wordt met iemand die zelf het vervoer verricht, doch ook de overeenkomst gesloten met iemand die het vervoer geheel of gedeeltelijk doet verrichten door een of meer andere personen (z. nr. 4).
Vervoerdiensten als bedoeld in artikel 41 van het BTW-wetboek zijn onder meer
a) de diensten die worden verricht ingevolge een contract van verhuizing; het verpakken, uitpakken, demonteren, monteren van meubelen, enz. zijn daaronder begrepen, wanneer die bijkomende prestaties door de vervoerder worden verricht;
b) het laden en lossen, wanneer die prestaties worden verricht door degene die met het vervoer is belast;
c) het ter beschikking stellen van een vervoermiddel samen met één of meer personeelsleden die met de bediening ervan zijn belast, zoals bij voorbeeld: het ter beschikking stellen van een boot of een schip met kapitein en bemanning (tijdbevrachting of reisbevrachting genoemd, in het Engels respectievelijk "time charter party" en "voyage charter party" het ter beschikking stellen van een auto met bestuurder;
d) het ter beschikking stellen van personeel dat met de bediening van een vervoermiddel is belast;
e) het slepen van vervoermiddelen, wanneer het voorttrekken en de besturing door dezelfde persoon wordt verzorgd;
f) diensten m.b.t. het overbrengen van gas, vloeistoffen of andere produkten door middel van pijpleidingen;
g) diensten m.b.t. het overbrengen van drijfkracht of warmte.
Als vervoerdiensten worden daarentegen niet aangemerkt :
1 o het weghalen van aarde of andere stoffen, waarvan de eigendom wordt overgedragen;
2 o de diensten m.b.t. het strooien van zand, grint of andere materialen;
3 o de diensten m.b.t. het ruimen van sneeuw samen met het strooien van kiezel;
4 o het ter beschikking stellen van een vervoermiddel zonder bedienend personeel, zoals bij voorbeeld het ter beschikking stellen van een schip zonder kapitein en bemanning;
5 o de dienst verricht ter uitvoering van een contract van ligbevrachting;
6 o de uitvoering van de verbintenis door een leverancier van een goed of door een dienstverrichter tegenover een afnemer aangegaan om het verkochte of bewerkte goed te vervoeren;
7 o de diensten verricht door radiodistributiebedrijven, televisiedistributiebedrijven en telecommunicatiebedrijven, zoals bijvoorbeeld de diensten verricht door de Regie van Telegrafie en Telefonie;
8 o de diensten die alleen bestaan in het leveren van trekkracht ten behoeve van de voortbeweging van een vervoermiddel dat eigen besturing behoudt.
3. De partijen bij een vervoercontract.
Bij een vervoercontract zijn altijd twee personen betrokken : degene die zich verbindt personen of goederen naar een bepaalde plaats over te brengen en degene tegenover wie deze verbintenis wordt aangegaan. Inzake vervoer te land wordt eerstgenoemde vervoerder genoemd en laatstgenoemde afzender of reiziger, naargelang het om vervoer van goederen of van personen gaat.
Een derde persoon is vaak onmiddellijk betrokken bij de uitvoering van vervoer, met name de geadresseerde of geconsigneerde. Deze derde persoon is degene aan wie de zending, bij goederenvervoer, in opdracht van de afzender, is gericht. Door de rechtsleer en de rechtspraak wordt algemeen aangenomen dat de geadresseerde, wanneer hij de zending heeft aanvaard, het recht bezit de vervoerder aan te spreken om de uitvoering van het vervoercontract te bekomen, zodat hij tegen de vervoerder eisen kan instellen met betrekking tot verlies, averij of vertraging. Wanneer de geadresseerde de zending heeft aanvaard, kan de vervoerder, van zijn kant, zich tot de geadresseerde richten om betaling van de prijs te bekomen. Aangenomen wordt dan ook dat op het stuk van de BTW als medecontractant van de vervoerder aangemerkt dient te worden, hetzij de afzender, hetzij de geadresseerde, naargelang op het document waarbij de vervoerder de BTW aanrekent de naam van de afzender of de naam van de geadresseerde vermeld staat,
4. De tussenpersonen.
Voor de toepassing van artikel 41 van het BTW-wetboek, wordt als vervoerder aangemerkt, niet alleen hij die tegen vergoeding zelf het vervoer verricht, doch ook hij die alleen de verbintenis aangaat vervoer van goederen of van personen te verrichten of te doen verrichten, zoals bij voorbeeld een vervoercommissionair of een commissionair-expediteur bij het vervoer,
Ingevolge artikel 20 van het BTW-wetboek wordt een tussenpersoon die bemiddeling verleent bij het tot stand komen van een dienstverrichting op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek, immers geacht de dienst zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verleend.
Op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek handelen:
1 o de tussenpersoon bij vervoer die een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk van de vervoerder ontvangt, wanneer hij handelt voor rekening van een reiziger of van een afzender;
2 o de tussenpersoon bij vervoer die een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk aan een reiziger, afzender of geadresseerde uitreikt, wanneer hij handelt voor rekening van, de vervoerder.
De vervoercommissionair of de commissionair-expediteur bij het vervoer die zich tegenover zijn klant verbonden heeft te zorgen voor vervoer en die een op zijn naam gestelde factuur van de vervoerder ontvangt, wordt geacht zelf een vervoerdienst te hebben ontvangen en tevens zelf een vervoerdienst aan zijn klant te hebben verleend.
Op het stuk van de BTW wordt de tussenpersoon die handelt op de wijze als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek, geacht als partij betrokken te zijn bij het vervoercontract en dat zowel in de relatie tot de vervoerder als in de relatie tot de reiziger of de afzender. Deze regels gelden overigens ongeacht de vervoermiddelen die voor het vervoer worden gebruikt. Deze regeling geldt mede voor de tussenpersonen ten aanzien van bijkomende diensten bij vervoer,
5. Plaats van gebruik van diensten. Ten aanzien van vervoerdiensten en van bijkomende diensten bij vervoer wordt de plaats in aanmerking genomen waar de dienst plaatsheeft. Als diensten die hier te lande worden gebruikt worden dan ook aangemerkt, al de vervoerdiensten en al de bijkomende diensten bij vervoer die hier te lande worden verricht. De plaats waar het vervoer een aanvang neemt of eindigt en de plaats waar de vervoerder, de afzender of de geadresseerde gevestigd zijn, doen niets ter zake.
Wanneer het vervoer plaatsheeft op Belgisch en op buitenlands grondgebied, wordt de vervoerdienst geacht hier te lande te zijn gebruikt voor het hier te lande verrichte deel van het vervoer.
Aangezien de tussenpersoon die bemiddeling verleent bij vervoer of bij een bijkomende dienst bij vervoer op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek, geacht wordt zelf een vervoerdienst of een bijkomende dienst bij vervoer aan de klant te hebben verleend, geldt de regeling ten aanzien van vervoer en van bijkomende diensten bij vervoer dan ook mede voor de dienst die door de tussenpersoon wordt bewezen.
Wanneer daarentegen de tussenpersoon handelt als makelaar of als lasthebber, wordt de door hem verrichte dienst geacht hier te lande te zijn gebruikt, in zover de handeling waarvoor hij bij de totstandkoming tussenkomst heeft verleend hier te lande wordt gebruikt (z. nr. 44).
6. Vervoer van personen en vervoer van goederen.
Onder personen wordt elk menselijk wezen verstaan. Alle vervoer van menselijke wezens is dus personenvervoer.
Vervoer van lijken, met inbegrip van kist en andere kransen, versiersels, enz.), is personenvervoer.
Onder goederen wordt niet alleen verstaan, de lichamelijk roerende goederen, doch ook goederen zoals effecten van vennootschappen, overheidseffecten, bankbriefjes, enz, wanneer het contract betrekking heeft op de verplaatsing van die voorwerpen.
Wanneer een vervoerder zich belast met vervoer van personen en van goederen, is die vervoerdienst tweeërlei : personenvervoer en goederenvervoer, die ieder een eigen regeling hebben. Het vervoer van de voorwerpen waarvan reizigers vergezeld gaan volgt echter de regeling die geldt voor personenvervoer, voor zover die voorwerpen niet geregistreerd worden. Wanneer daarentegen goederen door iemand worden begeleid om ze te bewaken of erover toezicht uit te oefenen, geldt het een vervoer van goederen voor het geheel.
Wanneer de vervoerder voor het vervoer van dieren dezelfde vervoerbewijzen uitreikt als die welke hij uitreikt voor het vervoer van personen, geldt voor dat vervoer dezelfde regeling als voor het vervoer van personen.
7. Zeevervoer.
De overeenkomst van zeevervoer wordt scheepsbevrachting genoemd.
Bij dit contract zijn twee partijen betrokken, hij die de vrachtkosten ontvangt, vervrachter genoemd, en hij die de vracht betaald, scheepsbevrachter of cargadoor genoemd. De vervrachter kan de eigenaar van het schip of reder (scheepsexploitant) zijn. Vaak gebeurt het dat iemand de dubbele hoedanigheid van vervrachter en van scheepsbevrachter bezit. Dit is inzonderheid het geval voor degene die met een scheepsexploitant een contract van scheepsbevrachting heeft gesloten en zich daarna tegenover iemand verbindt goederen te vervoeren. Een contract van scheepsbevrachting kan ook worden gesloten door de kapitein van een schip, doch in dat geval wordt aangenomen dat hij handelt als lasthebber van de vervrachter.
Degene die recht heeft op de aflevering van de lading, op de plaats van bestemming, wordt ontvanger of vaker nog geadresseerde genoemd.
Wanneer een scheepsbevrachter zich belast met het inladen van de goederen in een zeeschip, wordt hij ook inlader genoemd.
Vaak verlenen verschillende tussenpersonen bemiddeling bij het tot stand komen of de uitvoering van een contract van scheepsbevrachting.
Vooreerst is er de scheepsagent, die eigenlijk de vaste vertegenwoordiger van een rederij in een bepaalde haven is. Aangenomen wordt dat de scheepsagent, als vaste vertegenwoordiger, lasthebber is, die namens en voor rekening van een rederij handelt. Dit geldt inzonderheid voor de scheepsagenten wier naam wordt gevolgd door de vermelding "as agent". Soms wordt de benaming scheepsagent echter gegeven aan commissionairs-expediteurs bij het vervoer die geregeld relaties onderhouden met scheepvaartmaatschappijen, ofschoon zij handelen als commissionair.
De scheepsmakelaar, volgens de eigenlijke betekenis van die term, is degene die de vervrachter en de scheepsbevrachter tot elkaar brengt met het oog op het sluiten van een overeenkomst van bevrachting.
Scheepsmakelaars behartigen, in feite, op vaste wijze de belangen van één of meer bepaalde rederijen. Zij zoeken lading voor die rederijen en behartigen de belangen van de rederij tijdens het verblijf van het schip in de haven. Scheepsmakelaars handelen vaak ook als commissionair-expediteur bij het vervoer.
De geconsigneerde van het schip is, volgens de eigenlijke betekenis van die term, de lasthebber die de opdracht heeft de volledige lading in ontvangst te nemen en de verscheidene partijen goederen aan de respectieve houders van cognossementen af te leveren, tegen betaling van de vrachtprijs. Meestal is de geconsigneerde lasthebber van de scheepsbevrachter die een volledig schip bevracht heeft of van de tijdbevrachter (z. hierna de bepaling van tijdbevrachter.).
De kapitein wordt aangesteld door de reder of door de eigenaar van het schip en handelt als wettelijke lasthebber; het contract waarbij de kapitein is verbonden is een contract sui generis.
Er bestaan verschillende soorten van bevrachtingen :
- de bevrachting voor een gedeelte van een schip, wanneer de verbintenis van de vervrachter op een gedeelte van een schip slaat;
- de bevrachting voor het geheel, wanneer de verbintenis van de vervrachter op het hele schip slaat;
- de bevrachting bij aanleg op stukgoederen, wanneer de verbintenis van de vervrachter betrekking heeft op het vervoer van bepaalde goederen.
- de tijdbevrachting, wanneer de verbintenis van de vervrachter voor een bepaalde duur wordt aangegaan;
- de onderbevrachting, wanneer een bevrachter op zijn beurt een overeenkomst van bevrachting sluit.
Het geschrift dat als bewijs van de overeenkomst van scheepsbevrachting wordt opgemaakt, wordt chertepartij genoemd. Het cognossement is de akte die dient om het feit van het aan boord brengen van de goederen en de verbintenis om die goederen naar de aangewezen haven te vervoeren, vast te leggen. Bovendien vormt die akte de titel bij de aflevering van de goederen. Bepaalde vermeldingen moeten noodzakelijk op het cognossement voorkomen, zoals onder meer de naam en de woonplaats van de inlader en de naam en de woonplaats van de geadresseerde.
8. Het vervoer per binnenschip.
Het contract van vervoer per binnenschip wordt rivierbevrachting genoemd.
Bij dit contract zijn twee partijen betrokken, degene die het vervoer verricht, gewoonlijk schipper genoemd, en degene voor wiens rekening het vervoer wordt verricht, gewoonlijk afzender of inlader genoemd.
Bij de totstandkoming van die overeenkomst treedt vaak nog een derde persoon op, met name de bevrachter. De bevrachter is een makelaar die in opdracht van degene die goederen te vervoeren heeft een schipper aanspreekt om dit vervoer te verrichten De bevrachter handelt tegenover de schipper als een lasthebber, die tot opdracht heeft een contract van rivierbevrachting te sluiten in last en voor rekening van zijn opdrachtgever. Opgemerkt dient te worden dat de bevrachter recht heeft op een bevrachtingsprovisie (commissie) van de schipper, ofschoon de bevrachter handelt voor degene die goederen te vervoeren heeft.
De bevrachter handelt soms ook als commissionair-expediteur bij het vervoer. Dit is het geval wanneer hij aan de schipper niet de naam van zijn opdrachtgever kenbaar maakt of wanneer hij het schip bevracht "voor rekening van de rechthebbende" of "voor rekening van wie dit aangaat".
Er bestaan verschillende soorten van bevrachtingscontracten:
- bevrachting voor het geheel;
- bevrachting voor een gedeelte van een binnenschip;
- reisbevrachting;
- tijdbevrachting.
Het document dat als bewijs geldt voor de inlading van de goederen in het binnenschip wordt cognossement genoemd. Deze akte houdt de erkenning door de schipper in dat hij de goederen, ter uitvoering van een vooraf opgemaakt contract, aan boord van zijn boot heeft ontvangen. In het cognossement moet onder meer worden vermeld : plaats van vertrek en bestemming, naam en adres van de inlader, naam en adres van de geadresseerde.
9. Het luchtvervoer.
Partijen bij luchtvervoer zijn normaal de luchtvervoerder en de reiziger of afzender, naargelang het personenvervoer of goederenvervoer betreft. Degene aan wie de goederen worden afgeleverd wordt geadresseerde genoemd.
Het vervoerbewijs ter zake van luchtvervoer heet passagebiljet voor reizigersvervoer, bagagebiljet of bagagereçu voor het vervoer van bagage en luchtvrachtbrief voor het vervoer van goederen.
10. Het vervoer te land.
Het contract omtrent het vervoer te land heeft geen bijzondere benaming.
De partijen bij het contract zijn gewoonlijk de vervoerder, die ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, is die zich met vervoer belast en het zelf verricht en de reiziger, wanneer het personenvervoer betreft, of de afzender, wanneer het om goederenvervoer gaat.
Degene aan wie de goederen worden verzonden wordt, op het stuk van goederenvervoer, de geadresseerde of geconsigneerde genoemd.
Op het stuk van personenvervoer geldt normaal het biljet of ticket als bewijs van de overeenkomst. Bij goederenvervoer wordt dit bewijsstuk vrachtbrief genoemd. In de vrachtbrief worden onder meer vermeld : plaats en datum van afzending, naam en adres van de afzender en van de geadresseerde.
Het statuut van de tussenpersonen op het gebied van het goederenvervoer is geregeld bij de wet van 26 juni 1967.
Ingevolge artikel 1, 1 o, van die wet, wordt onder vervoercommissionair verstaan : "elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden doet uitvoeren".
Ingevolge artikel 1, 2 o, wordt onder vervoermakelaar verstaan: "elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, twee of meer personen met elkaar in contact brengt met het oog op het wederzijds sluiten van een vervoerovereenkomst, en die, ingeval hij bij het sluiten van die overeenkomst optreedt, dit slechts doet in hoedanigheid van vertegenwoordiger van zijn lasthebbers".
Ingevolge hetzelfde artikel 1, 3 o, wordt onder commissionair-expediteur bij het vervoer verstaan : "elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat goederen te doen vervoeren in eigen naam maar voor rekening van zijn committent, en een of meer met dat vervoer samenhangende verrichtingen, zoals het in ontvangst nemen, het bezorgen aan derdenvervoerders, het opslaan, de verzekering en het in- of uitklaren, uit te voeren of te doen uitvoeren".
Hoofdstuk II - Regeling op het stuk van personenvervoer en bijkomende diensten bij dat vervoer.
11. Inleiding.
Ingevolge artikel 41, § 1, 1 o, van het BTW-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld: het zeevervoer van personen en het internationaal luchtvervoer van personen. Vrijgesteld van de belasting zijn eveneens de bijkomende diensten bij dat vervoer, opgesomd in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, wanneer die diensten worden verricht voor vervoer dat ingevolge artikel 41, § 1, 1 o, van het wetboek van de belasting is vrijgesteld.
Het overige internationaal personenvervoer is aan de belasting onderworpen tegen het tarief van 6 pct., in de mate waarin het vervoer hier te lande wordt verricht.
Eerste afdeling. Het zeevervoer van personen.
12. Bepaling.
Onder zeevervoer van personen wordt verstaan, het personenvervoer dat verricht wordt door middel van een zeeschip.
Onder nr. 6 wordt bepaald wat onder personen moet worden verstaan.
Ingevolge artikel 1 van boek II van het Wetboek van Koophandel wordt onder een zeeschip verstaan, een vaartuig van ten minste 25 ton, gewoonlijk gebruikt of bestemd tot het vervoer van personen of zaken, tot vissen, slepen, of tot elke andere winstgevende verrichting van scheepvaart op de zeewateren.
Een zeeschip moet aan die twee vereisten voldoen. Een vaartuig van meer dan 25 ton dat bij voorbeeld alleen wordt gebruikt om personenvervoer te verrichten tussen Antwerpen en Vlissingen, wordt niet als een zeeschip aangemerkt. Dit vaartuig vaart, in het gestelde voorbeeld, immers gewoonlijk niet in volle zee.
De belasting is dan ook verschuldigd ten aanzien van het gedeelte van het traject dat hier te lande wordt afgelegd.
Wanneer daarentegen een vaartuig van ten minste 25 ton dat gewoonlijk gebruikt wordt of bestemd is om te varen in volle zee, slechts af en toe uitsluitend binnenlands personenvervoer verricht, is dit vervoer van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 41, § 1, 1 o, van het wetboek.
13. Bewijs van rechtmatige aanspraak.
Ingevolge artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, moet de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden.
De passagierslijsten samen met de dubbelen van de reisbiljetten worden in de regel als genoegzame bewijsmiddelen aangemerkt.
Afdeling 2. Het internationaal luchtvervoer van personen.
14. Bepaling.
Onder luchtvervoer wordt verstaan het vervoer verricht door middel van luchtvaartuigen.
Het woord luchtvaartuig is de soortnaam voor al de toestellen waarmee men zich door de lucht kan bewegen.
Onder internationaal luchtvervoer wordt verstaan, het vervoer vanuit een plaats in het buitenland naar een plaats hier te land, of omgekeerd, alsmede het vervoer vanuit een plaats in het buitenland over Belgisch grondgebied naar een andere plaats in het buitenland.
Voor de toepassing van artikel 41, § 1, 1 o, van het Wetboek wordt daarentegen niet als internationaal vervoer aangemerkt, de vlucht vanuit een luchthaven hier te lande over buitenlands grondgebied naar een andere luchthaven hier te lande.
Onder nr. 6 wordt bepaald wat onder personen moet worden verstaan.
15. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Aanspraak op de vrijstelling moet worden aangetoond op dezelfde wijze als voor het zeevervoer van personen (z. nr. 13).
Afdeling 3. De bijkomende diensten bij personenvervoer.
16. Inleiding. Op het stuk van personenvervoer beperkt een vervoerder zich maar zelden tot het eigenlijk vervoeren. Aan de reizigers worden vaak nog andere diensten verleend die nauw met het vervoer verbonden zijn, welke worden verricht vóór, tijdens of na afloop van het vervoer. Meestal worden die diensten door de vervoerder verricht, maar ze kunnen ook door een andere dienstverrichter worden verleend.
Naast die bijkomende diensten, welke aan de reizigers worden bewezen, bestaan er ook diensten die aan de vervoerder worden verleend ten behoeve van personenvervoer.
De bijkomende diensten bij personenvervoer bestaan uit die twee soorten van diensten. In deze afdeling echter worden alleen de diensten behandeld die verleend worden aan de reizigers. De regeling die geldt voor de andere bijkomende diensten bij personenvervoer, wordt toegelicht onder hoofdstuk III, afdeling 4 . Deze regeling geldt immers in de meeste gevallen zowel voor goederenvervoer als voor personenvervoer.
17. Voorwaarden van de vrijstelling.
Rechtmatige aanspraak op de vrijstelling ten aanzien van de diensten bedoeld in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, kan maar bestaan, voor zover die diensten aan een dubbele vereiste voldoen:
1 o de dienst moet ondergebracht kunnen worden onder de diensten die opgesomd zijn in artikel 41, § 2, van het Wetboek of in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6;
2 o de dienst moet worden verricht voor personenvervoer dat vrijgesteld is ingevolge artikel 41, § 1, 1 o, van het Wetboek.
De aanspraak op de vrijstelling wordt dus afhankelijk gesteld, enerzijds, van de aard van de dienst en, anderzijds, van het feit dat de dienst deel uitmaakt van een vrijgesteld vervoer.
18. Diensten verricht vóór of na afloop van het vervoer. De navolgende diensten worden aangemerkt als de diensten die gewoonlijk door zeevervoerders of luchtvervoerders, vóór de aanvang of na afloop van het vervoer, aan de reizigers worden verleend :
1 o de ontvangst van de reizigers;
2 o het vervoer van de reizigers vanuit het ontvangstcentrum naar de luchthaven of de haven, of omgekeerd;
3 o het vervoer van de bagage van de reizigers vanuit het ontvangstcentrum naar de luchthaven of de haven, of omgekeerd;
4 o het verlenen van tussenkomst bij de overheid voor het vervullen van diverse formaliteiten, waarmee reizen gepaard kunnen gaan;
5 o het bespreken van hotelkamers, met uitsluiting van het verschaffen van logies.
Op de vrijstelling kan maar rechtmatig aanspraak worden gemaakt op voorwaarde dat genoemde bijkomende diensten worden verleend door de vervoerder of door iemand die handelt in last en voor rekening van de vervoerder. Onder vervoerder wordt hier verstaan, hij die zelf het vervoer verricht, de tussenpersoon die met een vervoerder wordt gelijkgesteld (z. nr. 4) alsmede de makelaar die tussenkomst heeft verleend bij het tot stand komen van de vervoerdienst. Maar geen onderscheid hoeft te worden gemaakt naargelang bovengenoemden aan de reizigers al of niet een afzonderlijke prijs voor die bijkomende diensten aanrekenen.
Wanneer een reiziger m.b.t. bovengenoemde diensten rechtstreeks handelt met een andere dienstverrichter, kan hij geen aanspraak maken op de vrijstelling.
De andere diensten die door de vervoerder, de met een vervoerder gelijkgestelde of een makelaar bij de vervoerdienst aan reizigers worden verleend, zoals het vervoer naar het ontvangstcentrum vanuit een andere plaats dan de luchthaven of haven of het verblijf in een hotel hier te lande, zijn niet van de belasting vrijgesteld, ongeacht of de prijs van die diensten al dan niet in de prijs van het vervoer is begrepen.
Wanneer echter de vervoerder, uit oorzaak van onvoorziene omstandigheden (ongeval, defect, ongunstige weersomstandigheden), ertoe gehouden is hier te lande aan de reizigers een vervoerdienst te verlenen, logies te verschaffen in een hotel of voor maaltijden te zorgen, of andere diensten te verlenen die normaal niet vrijgesteld zijn, wordt aangenomen dat voor die diensten aanspraak kan worden gemaakt op de vrijstelling, voor zover de vervoerder ten aanzien van die diensten geen bijkomende prijs vraagt.
19. Diensten verricht tijdens het vervoer.
Als regel wordt aangenomen dat diensten die verleend worden aan boord van een zeeschip of een luchtvaartuig, gebruikt voor internationaal luchtvervoer, van de belasting zijn vrijgesteld, zonder dat nagegaan hoeft te worden door wie de diensten worden verleend of op welke wijze die diensten worden aangerekend.
Vrijgesteld worden inzonderheid het verschaffen van logies, maaltijden en dranken aan de reizigers aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen, gebruikt voor internationaal luchtvervoer, op of boven het Belgisch grondgebied.
20. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Aanspraak op de vrijstelling moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden (z. nr. 13).
Wanneer de vervoerder of de met vervoerder gelijkgestelde geen afzonderlijke prijs voor een bijkomende dienst aan de reizigers aanrekent, worden de gewone bewijsmiddelen ter zake van het vervoer (z. nr. 13) als genoegzame bewijsmiddelen aangemerkt.
Wanneer daarentegen een afzonderlijke prijs aan de reizigers wordt aangerekend, kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond door vergelijking van de dubbelen van de reisbiljetten of van de passagierslijsten met de boekingen van de ontvangsten betreffende de bijkomende diensten.
Hoofdstuk III.- Het vrijgestelde goederenvervoer.
21. Inleiding. Ingevolge artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek zijn van de belasting vrijgesteld: het vervoer van goederen dat deel heeft in de uitvoer of de doorvoer van goederen of dat betrekking heeft op de verzending tot op de plaats van bestemming hier te lande van goederen herkomstig uit het buitenland.
In artikel 41, § 2, van het wetboek worden verscheidene bijkomende diensten bij vervoer opgesomd, die mede van de belasting zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze worden verricht voor een vrijgesteld vervoer.
In het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, genomen ter uitvoering van artikel 41, § 2, 6 o, en § 4, van het wetboek worden nog andere bijkomende diensten opgesomd, die eveneens van de belasting zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze worden verricht voor een vrijgesteld vervoer. Bovendien wordt in genoemd koninklijk besluit bepaald op welke wijze de aanspraak op de vrijstellingen ten aanzien van vervoer en de bijkomende diensten moet worden aangetoond.
De vrijstellingen gelden voor vervoer, ongeacht de aard van het vervoer, voor zover het goederenvervoer betreft als wordt bedoeld onder nr. 6.
Eerste afdeling. Het vervoer van goederen bij uitvoer.
22. Vervoer dat deel heeft in de uitvoer. Onder vervoer dat deel heeft in de uitvoer van goederen wordt voor de toepassing van artikel 41, § 1, 2 o, van het wetboek verstaan, alle vervoer van goederen, wanneer het vaststaat dat ze van bij de aanvang van het vervoer bestemd zijn om naar het buitenland te worden overgebracht en ze zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens zullen overschrijden.
Aanspraak op vrijstelling kan inzonderheid bestaan ten aanzien van :
1 o het grensoverschrijdend vervoer, d.w.z. het vervoer vanuit een plaats hier te lande naar een plaats gelegen in het buitenland;
2 o het vervoer vanuit een plaats hier te lande naar een andere plaats hier te lande, wanneer het vaststaat dat de goederen van bij de aanvang van het vervoer bestemd zijn om naar het buitenland te worden overgebracht en ze zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens zullen overschrijden;
3 o het vervoer van goederen naar aanleiding van een verkoop fob, wanneer die verkoop van de belasting is vrijgesteld ingevolge artikel 39 van het Wetboek;
4 o het vervoer van goederen naar een entrepot, naar aanleiding van een verkoop die ingevolge artikel 40 van de belasting is vrijgesteld.
Op de vrijstelling kan aanspraak worden gemaakt aan wie ook de vervoerdienst wordt verleend : de eigenaar van de goederen, de verkoper, de koper, de maakloonwerker, een andere vervoerder of tussen-persoon bij vervoer die op het stuk van de BTW met een vervoerder wordt gelijkgesteld (z. nr, 4).
Uitgenomen voor de gevallen onder 3 o en 4 o hierboven vermeld, wordt de aanspraak op de vrijstelling niet afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de goederen verkocht moeten zijn met vrijstelling van de belasting ingevolge artikel 39 of 40 van het Wetboek. Vereist wordt alleen dat het van bij de aanvang van het vervoer vaststaat dat de goederen naar het buitenland zullen worden overgebracht en ze zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens zullen overschrijden.
Het verpakken van goederen met het oog op vervoer wordt echter niet geacht van die aard te zijn dat hierdoor de staat van de goederen wordt gewijzigd.
23. Voorbeelden.
1 o A, handelaar te Brussel, heeft op 1 oktober 1971 goederen verkocht aan B, handelaar gevestigd te Londen. Op 3 oktober geeft A order aan C, vervoerder, de verkochte goederen te vervoeren naar D, verpakker, A geeft vervolgens opdracht aan E, commissionair-expediteur bij het vervoer, het vervoer van de verpakte goederen te verzorgen vanaf de werkplaats van D naar Londen. E laat het vervoer vanaf de werkplaats van D tot Antwerpen verrichten door F, wegvervoerder, en het zeevervoer van Antwerpen naar Londen door de rederij G.
Voor al de genoemde vervoerdiensten kan aanspraak op de vrijstelling worden gemaakt.
2 o A, fabrikant, hier te lande, heeft op 10 augustus 1971 machines verkocht aan B, gevestigd te Parijs. A koopt op 16 augustus 1971 grondstoffen, speciaal met het oog op de vervaardiging van de verkochte machines. Voor die inkoop heeft A aanspraak kunnen maken op de vrijstelling van artikel 43 van het Wetboek.
Op 20 augustus 1971 wordt C, vervoerder, door A belast met het vervoer van de grondstoffen vanuit het magazijn van de verkoper tot bij hem.
Ter zake van het vervoer verricht door C kan geen aanspraak worden gemaakt op de vrijstelling.
3 o A, fabrikant, gevestigd te Nijvel, stuurt aan een leverancier te Keulen ledige vaten, die hem nadien gevuld met goederen worden teruggezonden. Voor het vervoer van de ledige vaten vanuit Nijvel naar Keulen richt A zich tot de N.M.B.S.
Dit vervoer is vrijgesteld van de belasting.
4 o Firma A te Leuven, fabrikant van machines, bezit een filiaal te Rome. Zij geeft order aan B, commissionair-expediteur bij het vervoer, machines te vervoeren vanaf haar werkplaats te Leuven naar Rome. B richt zich tot C, wegvervoerder, voor het vervoer naar Luik en tot de N.M.B.S. voor het vervoer vanuit Luik naar Rome.
Voor al deze vervoerdiensten kan aanspraak op de vrijstelling worden gemaakt.
5 o A, bezitter van een auto, is voornemens met zijn gezin met vakantie te gaan naar het zuiden van Frankrijk. Hij geeft opdracht aan de N.M.B.S. zijn auto te vervoeren vanuit Schaarbeek naar Avignon. Hij bespreekt meteen ook de terugreis, die drie weken later plaatsheeft.
Het vervoer van de auto vanuit Schaarbeek tot de Belgische grens is vrijgesteld van de belasting. Het vervoer vanaf de Belgische grens tot Schaarbeek is eveneens vrijgesteld (z. nr. 29).
6 o A, schipper, wordt belast met het vervoer van ertsen van Antwerpen naar Gent. Het vervoer wordt verricht via de Westerschelde en het kanaal Gent-Terneuzen.
Het vervoer over het traject Antwerpen-Nederlandse grens is onderworpen aan de belasting. De goederen zijn immers niet van bij de aanvang van het vervoer bestemd om naar het buitenland te worden overgebracht. Het vervoer over het traject gelegen tussen de Belgische-Nederlandse grens en Gent is eveneens aan de belasting onderworpen (z. nr. 29). De belasting is tenslotte niet verschuldigd ter zake van het in Nederland afgelegde traject.
24. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Rechtmatige aanspraak op de vrijstelling van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden. Zowel degene die het vervoer heeft verricht als degene aan wie de vervoerdienst is verleend, worden bij die bewijsvoering betrokken.
a. Het grensoverschrijdend vervoer. De vervoerder die zelf vervoer vanuit een plaats hier te lande naar een plaats-in het buitenland verricht, kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van de vervoerdocumenten, zoals de vrachtbrief, cognossement, C.M.R-vervoerdocument.
Degene aan wie de vervoerdienst is verleend, kan, behalve wanneer hij een tussenpersoon bij vervoer is, de rechtmatigheid van de aanspraak op vrijstelling in de regel aantonen aan de hand van de documenten genoemd in de artikelen 3 tot 5 van het koninklijk besluit nr. 18, van 20 juli 1970, alsmede, in voorkomend geval, aan de hand van het vervoerdocument.
De tussenpersonen bij vervoer die op het stuk van de BTW met een vervoerder worden gelijkgesteld kunnen de aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van de documenten die hun zijn uitgereikt door de vervoerders die met de werkelijke uitvoering van het vervoer zijn belast.
b. Het andere vervoer. De vervoerder of de met een vervoerder gelijkgestelde moet, om aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling, in het bezit zijn van een schriftelijk order, waarin de opdrachtgever uitdrukkelijk verzoekt het opgedragen vervoer met vrijstelling van de belasting te factureren en waarin de te vervoeren goederen bondig worden omschreven.
Degene aan wie de vervoerdienst met vrijstelling van belasting uiteindelijk is verleend, moet aantonen:
1 o dat het vervoer van bij de aanvang betrekking had op goederen waarvan het vaststaat dat ze naar het buitenland zouden worden overgebracht; dit bewijs kan inzonderheid worden geleverd aan de hand van het verkoopcontract, de bestelbon, een kopie van de verkoopfactuur, de documenten met betrekking tot het grensoverschrijdend vervoer;
2 o dat de vervoerde goederen van bij de aanvang van het vervoer zich in dezelfde staat bevonden als op het tijdstip waarop ze de grens overschreden hebben, hierbij buiten beschouwing gelaten het verpakken van de goederen met het oog op het vervoer; dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van de factuur uitgereikt door de vervoerder samen met de onder 3 o bedoelde documenten;
3 o dat de vervoerde goederen werkelijk zijn uitgevoerd; dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van de documenten waarmee de aanspraak op de vrijstelling ten aanzien van het grensoverschrijdend vervoer wordt aangetoond.
Wanneer de vervoerdienst wordt verleend aan iemand die zelf vervoerder is of aan iemand die met een vervoerder wordt gelijkgesteld, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van de documenten die betrekking hebben op het grensoverschrijdend vervoer en, bij ontstentenis van die documenten, door middel van een schriftelijk order dat uitgaat van degene aan wie de vervoerdienst is verleend of geacht wordt verleend te zijn.
Afdeling 2. Het vervoer van goederen in doorvoer.
25. Vervoer dat deel heeft in de doorvoer. Onder vervoer dat deel heeft in de doorvoer van goederen wordt voor de toepassing van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek verstaan, alle vervoer hier te lande van goederen die op het stuk van de BTW hier te lande onder een stelsel van doorvoer zijn.
Aanspraak op de vrijstelling van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek kan inzonderheid bestaan ten aanzien van :
1 o het vervoer zonder overlading vanuit een plaats in het buitenland door Belgisch grondgebied naar een andere plaats in het buitenland;
2 o het vervoer van goederen vanuit een plaats in het buitenland naar een plaats hier te lande, waar de goederen in een ander vervoermiddel worden overgeladen, op voorwaarde dat de goederen hier te lande onder een stelsel van doorvoer zijn;
3 o het vervoer van goederen vanuit een plaats hier te lande naar een andere plaats hier te lande of naar een plaats in het buitenland, op voorwaarde dat de vervoerde goederen hier te lande onder een stelsel van doorvoer zijn;
4 o het vervoer vanuit een plaats in het buitenland naar een entrepot;
5 o het vervoer verricht tussen twee entrepots;
6 o het vervoer vanuit het entrepot naar een plaats gelegen in het buitenland.
26. Voorbeelden.
1 o A, handelaar gevestigd in Zwitserland, heeft in New York goederen gekocht cif Antwerpen. Hij belast B, commissionair-expediteur te Antwerpen, met het vervoer van de goederen tot Genève. C, vervoerder, wordt door B belast met het wegvervoer. De goederen worden te Antwerpen voor doorvoer aangegeven (z. art. 13 van het koninklijk besluit nr. 7).
De genoemde vervoerdiensten zijn van de belasting vrijgesteld.
2 o A, handelaar gevestigd te Brussel, heeft goederen gekocht in Hongarije. Hij heeft ze meteen verkocht aan B, handelaar te Londen, onder beding cif Londen. Het vervoer wordt door de Hongaarse verkoper verzorgt tot in het grensstation van Eynatten.
A geeft aan C, commissionair-expediteur bij het vervoer, order de goederen in het grensstation in ontvangst te nemen en het vervoer ervan te verzorgen tot Londen. C laat het vervoer van Eynatten tot Antwerpen verrichten door de wegvervoerder D en het zeevervoer door de rederij E. De goederen worden te Eynatten voor doorvoer aangegeven.
Voor al deze vervoerdiensten kan aanspraak op de vrijstelling worden gemaakt.
3 o A, handelaar te Brussel, heeft in Frankrijk goederen gekocht onder het beding franco grens. Hij geeft opdracht aan B, commissionair-expediteur bij het vervoer, de goederen te vervoeren vanaf de grens tot in het openbaar entrepot te Brussel. Op het bij de grens gelegen douanekantoor worden de goederen aangegeven voor het entrepot. B laat het vervoer van de goederen vanaf de grens naar het entrepot verrichten door C.
Deze vervoerdiensten zijn van de belasting vrijgesteld.
27. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Ten aanzien van het grensoverschrijdend vervoer, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van de vervoerdocumenten, zoals de vrachtbrief, cognossement, C.M.R.-vervoerdocument.
Ten aanzien van het vervoer dat in aansluiting op het grensoverschrijdend vervoer wordt verricht, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van het ontvangbewijs, uitgereikt door het Bestuur der douane bij de inreiking van het doorvoerdocument.
Tenslotte kan degene voor wiens rekening het vervoer in doorvoer uiteindelijk is verricht de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van stukken van zijn administratie, zoals de bestelbon, de vervoerdocumenten, de kopie van de verkoopfactuur, de betalingsstukken.
Afdeling 3. Het vervoer van goederen bij invoer.
28. Inleiding. Onder vervoer dat betrekking heeft op de verzending tot op de plaats van bestemming hier te lande van goederen herkomstig uit het buitenland, als wordt bepaald in artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek, wordt verstaan vervoer van goederen herkomstig uit het buitenland, verricht vanaf het tijdstip waarop de goederen de grens overschrijden tot op het tijdstip waarop ze worden afgeleverd op de plaats van bestemming hier te lande.
Inzonderheid bedoeld worden :
1 o het grensoverschrijdend vervoer, d.w.z. het vervoer van goederen vanuit een plaats in het buitenland tot de plaats van bestemming van de goederen hier te lande of tot een plaats die gelegen is vóór die plaats van bestemming.
2 o het aansluitend vervoer, d.w.z. het vervoer van goederen vanuit een plaats hier te lande tot de plaats van bestemming van de goederen hier te lande of tot een plaats die vóór die plaats van bestemming gelegen is;
3 o het vervoer van goederen vanuit een entrepot tot de plaats van bestemming hier te lande.
29. Goederen herkomstig uit het buitenland. Onder goederen herkomstig uit het buitenland wordt verstaan, ingevoerde goederen die, al of niet met betaling van de BTW, voor het verbruik worden aangegeven. Daarbij komen dan nog de goederen die worden ingevoerd onder een stelsel van tijdelijke vrijstelling. Als goederen herkomstig uit het buitenland worden echter niet aangemerkt, de goederen die in het buitenland hebben verbleven voor de noodwendigheden van het vervoer (z. nr. 23, 6 o).
Aanspraak op de vrijstelling kan overigens worden gemaakt aan wie ook een vervoerdienst wordt verleend : de eigenaar, de verkoper, de koper, de maakloonwerker, een andere vervoerder of een tussenpersoon bij vervoer die met een vervoerder wordt gelijkgesteld. Een belastingplichtige die de opdracht heeft het vervoer te verzorgen van goederen herkomstig uit het buitenland vanaf een plaats in het buitenland tot de plaats van bestemming hier te lande, kan bij voorbeeld, wanneer hij de ingevoerde goederen laat vervoeren vanuit een plaats hier te land tot de plaats van bestemming, ten aanzien van die vervoerdienst aanspraak maken op de vrijstelling.
Vervoer verricht na de plaats van bestemming hier te lande is daarentegen niet vrijgesteld, zelfs wanneer het betrekking heeft op de verzending van ingevoerde goederen.
Voorbeeld. Een met vervoerder gelijkgestelde die opdracht heeft het vervoer van goederen herkomstig uit het buitenland tot bij de koper te verzorgen en die na uitvoering van zijn opdracht belast wordt met het vervoer van de goederen naar een andere bestemming, kan slechts aanspraak maken op de vrijstelling terzake van het vervoer verricht tot bij de koper.
30. De plaats van bestemming hier te lande.
Voor de toepassing van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek wordt als plaats van bestemming aangemerkt, de plaats hier te lande waar goederen herkomstig uit het buitenland worden afgeleverd, ter uitvoering van een vervoercontract (z. nr. 2, tweede lid) dat gesloten is vóór het tijdstip waarop de goederen voor het verbruik worden aangegeven en waarvan de uitvoering, hetzij vóór de aangifte ten verbruik een aanvang heeft genomen, hetzij een aanvang neemt onmiddellijk na die aangifte en op de plaats waar de goederen zich op dat tijdstip bevinden.
Het vervoer vanuit de plaats waar de goederen zich op het tijdstip van de aangifte ten verbruik bevinden, moet zonder onderbreking worden verricht.
Met oponthoud en onderbreking, uit oorzaak van de noodwendigheden van het vervoer, wordt echter geen rekening gehouden.
Wanneer er geen vervoercontract (z. nr. 2, tweede lid) bestaat op het tijdstip waarop de goederen voor het verbruik worden aangegeven, dient als plaats van bestemming te worden aangemerkt de plaats waar de goederen zich op dat tijdstip bevinden.
Ten aanzien van de goederen die met tijdelijke vrijstelling worden ingevoerd, wordt als plaats van bestemming aangemerkt, de verst afgelegen plaats waarheen de goederen, ingevolge de vergunning tot tijdelijke vrijstelling, mogen worden vervoerd.
De onder een stelsel van doorvoer, entrepot of tijdelijke vrijstelling ingevoerde goederen die voor het verbruik worden aangegeven, worden geacht het Rijk te zijn binnengekomen op het tijdstip waarop ze die nieuwe bestemming krijgen (z. art. 13, § 2, 14, § 3, en 17 van het koninklijk besluit nr. 7, van 12 maart 1970). Op dat tijdstip dient de plaats van bestemming te worden bepaald met inachtneming van bovenstaande regels. Ten aanzien echter van de goederen die met tijdelijke vrijstelling werden ingevoerd, is de plaats van bestemming de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de aangifte ten verbruik.
31. Voorbeelden.
1 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, heeft in Noorwegen goederen gekocht af fabriek. A belast B, commissionair-expediteur bij het vervoer, met het vervoer vanuit Noorwegen tot in zijn magazijn te Vilvoorde. Dit contract wordt gesloten op 1 februari 1971. B geeft op 2 februari 1971 opdracht aan C, scheepsagent, voor het zeevervoer en op 15 februari 1971 aan D, wegvervoerder, voor het vervoer vanuit Antwerpen (kaai) tot in Vilvoorde. Het schip legt in Antwerpen aan op 28 februari 1971. De goederen worden in Antwerpen voor het verbruik aangegeven op 15 maart 1971. Dezelfde dag worden de goederen vervoerd van Antwerpen naar Vilvoorde.
Plaats van bestemming: Vilvoorde
2 o Idem als onder nr. 1, maar het wegvervoer neemt een aanvang op 18 maart 1971, uit oorzaak van de noodwendigheden van het vervoer.
Plaats van bestemming: Vilvoorde.
3 o Idem als onder nr. 1, maar B kan het wegvervoer maar laten uitvoeren zodra A hem hiertoe order heeft gegeven. Order wordt gegeven op 10 april 1971 .
Plaats van bestemming: Antwerpen.
4 o Idem als onder nr. 1, maar B geeft slechts op 15 maart 1971, nadat de goederen voor het verbruik werden aangegeven, opdracht aan D de goederen naar Vilvoorde te vervoeren,
Plaats van bestemming: Vilvoorde.
5 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, koopt in Chicago toestellen onder het beding cif Antwerpen. Het schip legt in Antwerpen aan op 1 juli 1971. A geeft order aan B, veembedrijf (in België vaak "natie" genoemd) de goederen naar de opslagplaats van B over te brengen, waar de goederen onder douanetoezicht zullen verblijven tot op het tijdstip van de aangifte ten verbruik. De aangifte ten verbruik wordt gedaan op 13 augustus 1971. Vóór dat tijdstip heeft A de goederen reeds wederverkocht aan C, gevestigd te Waterloo onder het beding franco domicilie. Vóór 13 augustus 1971 heeft A order gegeven aan vervoerder D de goederen te vervoeren tot bij C, te Waterloo, zodra de goederen ten verbruik aangegeven zijn.
Plaats van bestemming : Waterloo.
6 o Idem als onder nr. 5, maar het vervoerorder dateert slechts van 20 augustus 1971.
Plaats van bestemming: Antwerpen.
7 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, koopt in Amsterdam goederen onder het beding franco grens (douanekantoor te Wuustwezel). De goederen komen in Wuustwezel aan op 3 maart 1971. Dezelfde dag worden de goederen voor het verbruik aangegeven (mondelinge aangifte). Op het parkeerterrein dat naast het kantoor is gelegen worden de goederen onmiddellijk overgeladen op een vrachtwagen van B, grensexpediteur-vervoerder, die van A opdracht heeft gekregen de goederen onmiddellijk te vervoeren naar Brussel.
Plaats van bestemming: Brussel.
8 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, koopt goederen in Frankrijk af fabriek. Op verzoek van A laat de verkoper de goederen per spoor vervoeren tot Brussel. Wanneer de goederen in Brussel zijn toegekomen, geeft A opdracht aan de N.M.B.S. de goederen door haar besteldienst over te brengen naar het magazijn van A, te Anderlecht. Deze opdracht werd aan de N.M.B.S. gegeven vóór dat de goederen voor het verbruik zijn aangegeven.
Plaats van bestemming: Anderlecht.
9 o Idem als onder nr. 8, maar de opdracht de goederen per vrachtwagen te vervoeren naar Anderlecht werd aan de N.M.B.S. gegeven nadat de goederen voor het verbruik zijn aangegeven.
Plaats van bestemming: Brussel.
10 o Idem als onder nr. 8, maar A haalt de goederen met eigen vrachtwagen in het station af.
Plaats van bestemming: Brussel.
11 o A, handelaar, gevestigd in Londen, voert op 1 juli 1971 hier te lande goederen in met het entrepot te Brussel als bestemming. Op 1 oktober 1971 verkoopt A de goederen aan B, gevestigd te Leuven, onder het beding franco domicilie. A belast de N.M.B.S met het vervoer per spoor vanuit het entrepot te Brussel naar Leuven. Deze overeenkomst wordt gesloten op 3 oktober 1971. De aangifte ten verbruik op naam van B wordt gedaan op 5 oktober 1971. Het vervoer neemt onmiddellijk op dat tijdstip een aanvang.
Plaats van bestemming: Leuven.
12 o In het kader van een tentoonstelling die achtereenvolgens gehouden zal worden te Brussel, Gent en Luik, wordt een kunstverzameling ingevoerd uit Italië. De goederen worden ingevoerd met tijdelijke vrijstelling. De Italiaanse inzender doet persoonlijk een beroep op een vervoerder voor het vervoer tussen de genoemde steden.
Plaats van bestemming: Luik.
13 o A, grensexpediteur, gevestigd te Verviers, wordt belast met de inontvangstneming van goederen die door B, handelaar gevestigd te Luik, uit het buitenland worden betrokken. A moet daarenboven zorgen voor het vervoer per spoor vanaf de Italiaanse grens tot Verviers en voor het wegvervoer vanuit het station van Verviers naar het magazijn van B. A wordt bovendien nog belast met het doorzenden van de goederen naar een klant van B, meer bepaald naar diens magazijn te Leuven. A ontvangt die order op 1 oktober 1971. De goederen komen in Verviers aan op 20 oktober 1971, waar ze ten verbruik worden aangegeven op 25 oktober 1971. Dezelfde dag vervoert A de goederen naar B. Na de goederen nagezien te hebben, komt A ze op 26 oktober 1971 afhalen om ze te vervoeren naar Leuven, bij C.
Plaats van bestemming: Luik.
14 o Idem als onder nr. 13, behalve dat de goederen naar het magazijn van A worden overgebracht en niet naar het magazijn van B, te Luik. Wegens slechte weersomstandigheden konden de goederen namelijk niet onmiddellijk na de aangifte ten verbruik naar Luik worden vervoerd.
Plaats van bestemming: Luik.
15 o Idem als onder nr. 13" maar A moet de goederen rechtstreeks vervoeren naar Leuven, ter bestemming van de klant van B.
Plaats van bestemming: Leuven.
32. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Rechtmatige aanspraak op de vrijstelling van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden, en dat zowel door degene die de vervoerdienst heeft verleend als door de afnemer.
A. Het grensoverschrijdend vervoer. De vervoerder die zelf de goederen heeft vervoerd vanuit een plaats in het buitenland naar een plaats hier te lande kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling genoegzaam aantonen aan de hand van het vervoerdocument (vrachtbrief, cognossement, C.M.R. vervoerdocument, enz.).
De anderen die bij het vervoer betrokken zijn kunnen de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van door de vervoerder uitgereikte documenten, zoals de factuur betreffende het vervoer en het vervoerdocument.
B. Het aansluitend vervoer. Een onderscheid dient te worden gemaakt naargelang van de hoedanigheid van degene die moet bewijzen.
a. Bewijs te leveren door de vervoerder en door de met vervoerder gelijkgestelde. De eigenlijke vervoerder of de tussenpersoon bij vervoer, die het vervoer van de goederen verzorgen vanuit de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijd- stip van de aangifte ten verbruik, kan het bewijs genoegzaam leveren aan de hand van het vervoercontract, de vrachtbrief, het cognossement of schriftelijke vervoerorder, voor zover uit die bescheiden duidelijk blijkt dat de goederen in ontvangst moeten worden genomen, hetzij bij een douanekantoor of daarmee gelijkstaand kantoor, waar goederen voor het verbruik worden aangegeven, hetzij bij een kantoor gelegen in het binnenland waar eveneens een aangifte ten verbruik kan worden gedaan.
In hoofde van de vervoerder die het vervoer verricht in onderaanneming en in aansluiting op het vervoer dat een aanvang heeft genomen vanuit de plaats waar de goederen zich bevonden op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, kan de aanspraak op de vrijstelling genoegzaam worden aangetoond aan de hand van bovengenoemde stukken en bescheiden die met betrekking tot het terzake bedoel- de vervoer worden opgemaakt, voor zover uit die stukken en bescheiden duidelijk blijkt dat de opdrachtgever een vervoerder of een daarmee gelijkgestelde is.
b. Bewijs te leveren door anderen dan een vervoerder of daarmee gelijkgestelde tussenpersoon.
1 o De afnemer is de geadresseerde van de goederen m.b.t. de heffing van de bij invoer verschuldigde belasting. De rechtmatige aanspraak op de vrijstelling kan worden aangetoond door middel van onderlinge vergelijking van de inkoopfactuur, de documenten betreffende de invoer, zoals o.a. het document 45A, en de documenten betreffende het vervoer.
2 o De afnemer is niet de bovenbedoelde geadresseerde. Dit zal practisch maar voorkomen in één geval, met name bij verkoop franco bestemming.
De afnemer zal de rechtmatigheid van de aanspraak op de vrijstelling kunnen aantonen door vergelijking van de vervoerdocumenten met de kopie van de verkoopfactuur.
Afdeling 4. De bijkomende diensten bij vervoer.
33. Inleiding. De bijkomende diensten bij vervoer die opgesomd zijn in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, hebben zowel betrekking op personenvervoer als op goederenvervoer. De bijkomende diensten die door een vervoerder verleend worden aan reizigers, worden samen met het personenvervoer behandeld onder hoofdstuk II. Al de overige bijkomende diensten worden onder deze afdeling toegelicht.
34. Voorwaarden tot vrijstelling. Om vrijgesteld te kunnen zijn, moeten de bijkomende diensten aan twee vereisten voldoen.
1 o Ze moeten vooreerst ondergebracht kunnen worden onder de diensten die opgesomd zijn in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970 (z. nrs. 35 tot 40). Alleen de aard van de verleende diensten moet in aanmerking worden genomen. De hoedanigheid of het beroep van de dienstverrichter doen dus niets ter zake.
2 o Vervolgens is vereist dat de diensten worden verricht voor vervoer dat van de belasting is vrijgesteld ingevolge artikel 41, § 1, van het Wetboek. Onder diensten verricht voor vrijgesteld vervoer, wordt niet alleen verstaan de diensten die verleend worden ten behoeve van vervoer dat voor rekening van een ander wordt verricht, doch ook de diensten die worden verricht ten behoeve van vervoer dat voor eigen rekening wordt gedaan, voor zover de kosten van dit eigen vervoer in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de bij invoer verschuldigde belasting (z. art. 34 van het wetboek).
In dit verband wordt opgemerkt dat, voor de berekening van de bij invoer verschuldigde belasting, de kosten voor eigen vervoer vanuit de plaats waar de goederen zich op het tijdstip van de aangifte ten verbruik bevinden, slechts aan de prijs moeten worden toegevoegd, wanneer de geadresseerde de goederen met eigen vervoermiddelen uit het buitenland haalt.
De plaats van bestemming is in dit geval de plaats waarheen de goederen door de geadresseerde worden overgebracht onmiddellijk nadat ze voor het verbruik werden aangegeven.
Die vrijstelling geldt eveneens, wanneer de exporteur van de goederen deze met eigen vervoermiddelen vervoert, voor zover de diensten worden verricht op het tijdstip waarop het vaststaat dat de goederen bestemd zijn om naar het buiten- land te worden overgebracht en de goederen zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens overschrijden (z. nr.22).
Verder dient te worden opgemerkt dat de vrijstelling niet beperkt wordt tot die bijkomende diensten waarmee vervoer noodzakelijk gepaard gaat.
Vereist wordt maar alleen dat aan de twee genoemde voorwaarden wordt voldaan.
35. Indeling van de bijkomende diensten.
De bijkomende diensten bij vervoer kunnen worden ingedeeld in vijf reeksen.
1 o de diensten van intellectuele aard die gewoonlijk worden verricht door vervoerders of door tussenpersonen bij vervoer die op het stuk van de BTW met een vervoerder worden gelijkgesteld, alsmede de diensten door scheepsagenten en luchtvaartagenten als agent verleend aan rederijen en luchtvaartmaatschappijen,
2 o de diensten verricht ten behoeve van de exploitatie van zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen;
3 o de diensten ten behoeve van goederen verricht naar aanleiding van vervoer;
4 o de verhuur van middelen tot vervoer, tot verpakking en tot beveiliging van goederen;
5 o de diensten ten behoeve van passagiers en bemanningen.
36. Eerste reeks. Tot deze reeks behoren de diensten van intellectuele aard die gewoonlijk door vervoerders of tussenpersonen bij vervoer worden verricht met betrekking tot het tot stand komen of de uitvoering van handelingen genoemd in artikel 41, §§ 1 tot 2, van het Wetboek, zoals
1 o het opstellen en het verzenden van vrachtbrieven, cognossementen of andere vervoerdocumenten;
2 o het vervullen van consulaire en administratieve formaliteiten;
3 o het overbrengen van berichten door middel van telecommunicatie;
4 o het voorschieten van geld en het stellen van borgtocht, wanneer die handelingen verricht worden om een verzending tot een goed einde te brengen, met uitsluiting van handelingen met betrekking tot betaling en invordering van in- en verkoopprijzen van goederen.
Tot deze afdeling behoren ook de diensten verricht door scheepsagenten en luchtvaartagenten.
De vrijstelling heeft inzonderheid betrekking op de algemene representatiekosten, agentuurbezoldiging genoemd (in het Engels "agency fee"), en de commissies op de vrachten.
Scheepsagenten en luchtvaartagenten hebben vaak een dubbele werkzaamheid. Enerzijds handelen zij als lasthebber, in naam en voor rekening van hun opdrachtgever, bij het tot stand komen van vervoerdiensten en bijkomende diensten bij vervoer en, anderzijds, verrichten zij vaak handelingen op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Wetboek (z. nr. 4). In het eerste geval handelen zij als agent. In het tweede geval dienen zij als vervoerders te worden aangemerkt, zodat de regeling die geldt voor het vervoer op deze werkzaamheid van toepassing is.
37. Tweede reeks. Tot deze reeks behoren al de diensten die in nauw verband staan met de exploitatie, als vervoermiddel, van zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen, zoals:
1 o De diensten ten behoeve van de aan- en afvaart en het verblijf van zeeschepen en binnenschepen in de havens, zoals het loodsen, met inbegrip van de prestaties van roergangers en het vervoer van loodsen tussen het loodskantoor en het schip, het praaien, het slepen en het duwen, het jagen en het verhalen, het meren en al de prestaties die daarmee verband houden, het bewaken en het beveiligen van schepen en boten tegen brandgevaar.
2 o De diensten ten behoeve van het landen, opstijgen en verblijf van luchtvaartuigen op de luchthavens, zoals het verlenen van hulp bij de maneuvers van vliegtuigen op de grond, het aanbrengen en wegnemen, van stelwiggen en van veiligheidsinrichtingen voor onderstellen en landingskleppen, het slepen van vliegtuigen, het op gang brengen van motoren, het bewaken en het beveiligen van vliegtuigen tegen brandgevaar, het aanbrengen en het wegnemen van toegangstrappen.
3 o Het gebruik van de instellingen van havens, luchthavens en binnenwateren. Onder meer worden bedoeld: het gebruik van kranen, kaaimuren, steigers, meerpalen, bolders, dukdalven; de diensten verricht door sluiswachters en brugwachters; het gebruik van landingsbanen, startbanen; de verbindingen, door telecommunicatie, met zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen; het gebruik van radarinstallaties.
38. Derde reeks. Tot deze reeks behoren al de diensten die met betrekking tot vervoerde goederen worden verricht, vóór de aanvang of na afloop van het vervoer, zoals
1 o het laden in schepen, boten, luchtvaartuigen, spoorwagens, vrachtwagens en andere vervoermiddelen;
2 o het lossen uit vervoermiddelen;
3 o het overslaan van goederen uit een vervoermiddel in een ander vervoermiddel;
4 o het overpompen van vloeibare produkten, met of zonder verwarming, bij laden of lossen;
5 o het stuwen (of stouwen), ontstuwen, verstuwen, trimmen (een schip in evenwicht brengen door verplaatsing van de lading);
6 o het wegen, meten, peilen; de controle en de ambtshalve in ontvangstneming van de goederen; het tellen van vaten, zakken en balen; de hulpverlening bij deze handelingen en de controle erop; het in ontvangstnemen van goederen, het nemen en het analyseren van monsters; het opmaken van gewicht- of meetnota's, luiklijsten en tallylijsten; het opmaken van rapporten en getuigschriften in verband met het meten, wegen en andere handelingen die verband houden met de in ontvangstneming van de goederen;
7 o het beveiligen van goederen tegen slecht weer, diefstal, brandgevaar en ander gevaar voor verlies of vernieling;
8 o het verpakken, overpakken en het uitpakken van goederen, voor zover deze handelingen verricht worden ten behoeve van het vervoer van de goederen, zoals: het verpakken van goederen in kisten, kratten of vaten, het palletteren van goederen, het opzakken, het opensnijden van zakken, het samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen, het inladen in containers, het uitladen uit containers, het schoren en het ontschoren van goederen; de controle op voorgaande handelingen;
9 o het klasseren en het sorteren van goederen met het oog op het vervoer of het opbergen; het stofvrij maken en het ontsmetten van goederen;
10 o het verplaatsen van goederen met bijzondere toestellen op kaaien en in opslagplaatsen;
11 o het merken van vaten, zakken, enz.; het etiketteren, het verzegelen van goederen, containers en vervoermiddelen;
12 o het reinigen van vervoermiddelen, containers, tanks, vaten en palletten;
13 o het opbergen en het bewaren van goederen en al de diensten die met deze handelingen verband houden, zoals het overpompen in silo's of tanks, de levering van warmte of koude, het behandelen van goederen in opslagplaatsen, silo's en tanks; het reinigen er ontsmetten van opslagplaatsen en tanks; de ligbevrachting.
39. Vierde reeks. Tot deze reeks behoren de verhuren van middelen tot vervoer, verpakking en beveiliging van goederen. Alleen de werkelijke verhuren worden hier bedoeld. Als verhuur wordt niet aangemerkt, het ter beschikking stellen van een vervoermiddel samen met het bedienend personeel.
Deze dienst is in dat geval een vervoerdienst (z. nr. 2).
Onder middelen tot vervoer moet worden verstaan, alle toestellen waarmee goederen kunnen worden verplaatst.
Als middelen tot verpakking worden onder meer aangemerkt : de vaten, containers, kisten en laadborden (palletten).
Als middelen tot beveiliging van goederen worden onder meer aangemerkt : zeilen, brandblustoestellen.
40. Vijfde reeks. Tot deze reeks behoren de diensten ten behoeve van passagiers en bemanning verleend voor rekening van rederijen en luchtvaartmaatschappijen. Inzonderheid bedoeld worden
1 o het vervoer van passagiers en van bemanning vanuit de haven of luchthaven naar de stad, of omgekeerd;
2 o het vervoer, ander dan onder 1 o, voor zover het vrijgesteld is in de relatie van vervoerder tot reiziger (z. nr. 18);
3 o logies, eetmalen en dranken aan bemanning verschaft in afwachting van de inscheping;
4 o logies, eetmalen en dranken verschaft aan passagiers, voor zover die diensten vrijgesteld zijn in de relatie van vervoerder tot reiziger (z. nr. 18);
5 o het wassen en het reinigen van scheepslinnen.
De vrijstelling wordt echter afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de kosten aangerekend moeten worden aan een rederij of luchtvaartmaatschappij.
41. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Degene die met betrekking tot een ontvangen of verleende bijkomende dienst bij vervoer aanspraak wenst te maken op de vrijstelling, moet de rechtmatigheid van die aanspraak aantonen aan de hand van stukken en bescheiden.
In veel gevallen zal degene die alleen een bijkomende dienst bij vervoer verricht, zonder met het vervoer belast te zijn, in de onmogelijkheid verkeren om door stukken van zijn administratie het schriftelijk bewijs van de vrijstelling te leveren.
Voor die gevallen neemt de administratie aan dat een schriftelijk order van de opdrachtgever als genoegzaam bewijsmiddel kan gelden. In dit order moet uitdrukkelijk worden vermeld dat de opgedragen dienst met vrijstelling van de belasting moet worden gefactureerd bij toepassing van artikel 41 van het Wetboek.
Dit schriftelijk order mag echter achterwege blijven, wanneer de dienst, wegens de aard ervan, onbetwistbaar verband houdt met een vrijgesteld vervoer. Dit is inzonderheid het geval voor de navolgende diensten:
1 o diensten verricht ten behoeve van zeeschepen, zoals het meren, slepen, enz. (z. nr. 37);
2 o diensten verricht ten behoeve van luchtvaartuigen, die kennelijk alleen in het internationaal verkeer worden gebruikt (z. nr. 37);
3 o diensten verricht aan boord van zeeschepen of luchtvaartuigen die kennelijk alleen in het internationaal verkeer worden gebruikt;
4 o het laden en lossen en andere daarmee verband houdende handelingen, met betrekking tot zeeschepen en luchtvaartuigen die kennelijk alleen in het internationaal verkeer worden gebruikt;
5 o de diensten van intellectuele aard, als bedoeld onder nr. 36.
In de gevallen vermeld onder 1 o tot 4 o moet op de factuur en op de kopiefactuur echter de naam van het schip of het registratienummer van het vliegtuig worden vermeld.
Degene die de dienst ontvangt, kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van stukken en bescheiden uit zijn administratie.
Hoofdstuk IV.- De diensten van makelaars en lasthebbers.
42. Inleiding. In dit hoofdstuk worden alleen de diensten toegelicht verricht door tussenpersonen bij vervoer die, op het stuk van de BTW, als makelaar of lasthebber worden aangemerkt. Ten aanzien van de tussenpersonen die ingevolge het BTW-Wetboek met een vervoerder of met een ondernemer van bijkomende diensten bij vervoer worden gelijkgesteld (z. nr. 4), geldt de regeling welke op die diensten toepasselijk is.
De omstandigheid dat op gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht bepaalde tussenpersonen als werkelijke lasthebber worden aangemerkt, is dus op zich zelf niet voldoende. Vereist wordt bovendien dat makelaars of lasthebbers niet handelen op de wijze, als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het wetboek (z. nr. 4).
43. Makelaars en lasthebbers. Makelaar is ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die tegen vergoeding twee of meer personen tot elkander brengt met het oog op het sluiten van een contract. De omstandigheid dat een makelaar borg staat of optreedt bij de betaling van de prijs, ontneemt hem niet de hoedanigheid van makelaar, voor zover hij niet handelt op de wijze, als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het Wetboek (z. nr. 4).
Lasthebber is ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een overeenkomst sluit in naam en voor rekening van een ander, lastgever genoemd, en overigens niet handelt op de wijze, als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het Wetboek (z. nr. 4).
Iemand kan tegelijk als lasthebber en als makelaar handelen.
Makelaars en lasthebbers zijn dienstverrichters. De dienst welke zij aan hun opdrachtgevers verlenen is bemiddeling of verlening van tussenkomst.
44. Plaats van gebruik van door makelaars of lasthebbers verleende diensten. Ten aanzien van door makelaars of lasthebbers verleende diensten, werd als regel aangenomen dat die diensten geacht worden te zijn gebruikt op de plaats waar de handelingen worden gebruikt, waarvoor zij bij de totstandkoming tussenkomst hebben verleend (z. art. 1, 9 o, van het koninklijk besluit nr. 5, van 6 februari 1970). Het verlenen van tussenkomst door een makelaar bij het tot stand komen van een vervoerdienst die hier te lande wordt verricht, is een dienst die geacht wordt hier te lande te zijn gebruikt. Daarentegen is het verlenen van tussenkomst door een makelaar bij het tot stand komen van een vervoerdienst die in het buitenland plaatsheeft, een dienst die geacht wordt in het buitenland te zijn verricht.
Wanneer een makelaar bemiddeling verleent bij een vervoerdienst die slechts voor een gedeelte hier te lande wordt verricht, wordt de door die makelaar verleende dienst geacht hier te lande te zijn gebruikt naar evenredigheid van het gedeelte van het traject dat hier te lande wordt afgelegd.
45. Vrijgestelde diensten. Vrijgesteld zijn de diensten verricht door makelaars en lasthebbers die tussenkomst verlenen bij het tot stand komen van vervoerdiensten en bijkomende diensten bij vervoer die ingevolge artikel 41, 3§ 1 en 2, van het Wetboek en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, van de belasting zijn vrijgesteld.
46. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Degene die met betrekking tot een verleende of ontvangen dienst aanspraak wenst te maken op de vrijstelling van artikel 41, § 3, 1 o, van het Wetboek, moet de rechtmatigheid van die aanspraak aantonen aan de hand van stukken en bescheiden.
In de regel moet de makelaar of lasthebber in het bezit zijn van een schriftelijk order, hem door de opdrachtgever uitgereikt, waarin uitdrukkelijk vermeld moet staan dat de dienst waarvoor hij tussenkomst verleent, ingevolge artikel 41, § 1, of § 2, van het Wetboek, van de belasting is vrijgesteld.
Dit order mag echter achterwege blijven, in de navolgende gevallen:
1 o ten aanzien van verkopen van passagebiljetten voor zeevervoer van personen en voor internationaal luchtvervoer van personen, mag de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van het dubbel van het reisbiljet of van de stok van het boekje waaruit reisbiljetten worden gescheurd, voor zover de vermeldingen op het dubbel of de stok geen twijfel omtrent de rechtmatige aanspraak laten bestaan;
2 o wanneer, op het stuk van goederenvervoer, de makelaar of de lasthebber vervoerdocumenten ondertekenen in naam en voor rekening van de vervoerder of van de inlader, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van die vervoerdocumenten;
3 o wanneer de makelaar of de lasthebber, in plaats van een factuur aan de opdrachtgever uit te reiken, van deze een commissienota ontvangen, waarop uitdrukkelijk vermeld staat dat de provisie (commissie) van de belasting is vrijgesteld ingevolge artikel 41, § 3, 1 o, van het Wetboek. Deze commissienota moet in duplo worden opgemaakt. Een exemplaar wordt door de makelaar of lasthebber bewaard, na ingeschreven te zijn in het boek voor uitgaande facturen. Het andere exemplaar wordt teruggezonden naar de opdrachtgever, voorzien van de vermelding: " Ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen onder nr.... ".
Hoofdstuk V.- Het vervullen van douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer of doorvoer.
47. Inleiding. Ingevolge artikel 41, § 3, 2 o, van het Wetboek, wordt het vervullen van douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer of doorvoer van de belasting vrijgesteld.
48. Bepaling. Bij grensoverschrijding van goederen moeten bepaalde formaliteiten worden vervuld. Sommige ervan worden opgelegd met het oog op betaling van invoerrechten of andere belastingen.
Andere hebben helemaal geen betrekking op belastingsformaliteiten, maar moeten ook worden verricht.
Onder douaneformaliteiten, als bedoeld in artikel 41, § 3, 2 o, van het Wetboek, wordt verstaan, welke formaliteiten ook die verband houden met grensoverschrijding, zelfs wanneer het formaliteiten betreft die helemaal geen betrekking hebben op belastingen, van welke aard ook.
Opgemerkt dient te worden dat aanspraak op de vrijstelling kan worden gemaakt, ongeacht de richting van het grensoverschrijdend verkeer en welke ook de hoedanigheid of het beroep is van de- gene die douaneformaliteiten vervult.
49. Grensexpediteur. Het beroep van grensexpediteur wordt geregeld in het koninklijk besluit van 22 augustus 1934. Ingevolge dit koninklijk besluit wordt onder grensexpediteur verstaan, ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die beroepshalve op zijn naam maar voor rekening van derden, douaneformaliteiten vervult bij invoer, uitvoer of doorvoer. De vrijstelling van artikel 41, § 3, 2 o, van het Wetboek heeft betrekking op de prestaties die door grensexpediteurs in de normale uitoefening van die beroepswerkzaamheid worden verricht.
Doch wanneer een grensexpediteur aan zijn klanten andere diensten verleent, zoals vervoer en bewaring van goederen, dan zijn de eigen regels welke voor die dienster gelden toepasselijk.
Namens de Minister:
De Directeur-generaal,
C. SCAILTEUR
Aanschrijving nr. 83 dd. 15.12.1970
Vervoer en bijkomende diensten bij vervoer
Artikel 41 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat :
"§ 1.- Van de belasting zijn vrijgesteld :
1 o het zeevervoer van personen; het internationaal luchtvervoer van personen;
2 o het vervoer van goederen wanneer is aangetoond dat het deel heeft in de uitvoer of de doorvoer van goederen of wanneer het betrekking heeft op de verzending tot op de plaats van bestemming hier te lande van goederen herkomstig uit het buitenland,
"§ 2.- Wanneer ze worden verricht voor in § 1 genoemd vervoer zijn de nagenoemde diensten eveneens van de belasting vrijgesteld :
1 o het slepen, loodsen en meren van zee- of binnenschepen;
2 o het gebruik van de instellingen van havens, luchthavens en binnenwateren;
3 o het laden, lossen, overslaan, behandelen, stouwen, verstouwen, wegen, meten, peilen, nazien en in ontvangstnemen van goederen;
4 o het opbergen en het bewaren van goederen;
5 o de verhuur van middelen tot vervoer, verpakking en beveiliging van goederen;
6 o de bijkomende diensten waarvan de Koning de lijst geeft.
"§ 3.- Vrijgesteld zijn ook :
1 o de diensten door makelaars en lasthebbers bij handelingen bedoeld in de §§ 1 en 2 van dit artikel;
2 o het verrichten van de douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer of doorvoer.
"§ 4.- De Koning bepaalt de voor het verkrijgen van de vrijstelling na te komen formaliteiten en te leveren bewijzen, alsmede de verplichtingen en de aansprakelijkheid tegenover de Staat van de bij de vrijgestelde handeling tussenkomende personen."
Het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, genomen ter uitvoering van artikel 41, § 2, 6 o, en § 4, van het Wetboek bepaalt :
"Artikel 1. In artikel 41, § 2, 6 o, van het Wetboek worden bedoeld :
1 o de diensten die betrekking hebben op de handelingen aangewezen in artikel 41, §§ 1 tot 3, van het Wetboek, en die, in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid, gewoonlijk worden verleend door de belastingplichtigen die deze handelingen verrichten;
2 o de diensten door scheepsagenten en luchtvaartagenten als agent verleend aan rederijen en luchtvaartmaatschappijen;
3 o de diensten ten behoeve van de aan- en afvaart en het verblijf van zeeschepen of binnenschepen in de havens, alsmede de diensten ten behoeve van het landen, opstijgen en verblijf van luchtvaartuigen op de luchthavens;
4 o de diensten ten behoeve van passagiers en bemanning verleend voor rekening van rederijen en luchtvaartmaatschappijen."
"Art. 2. Aanspraak op de vrijstellingen van artikel 41, §§ 1, 2 en 3, van het wetboek, moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden echter, ten aanzien van de door of namens hem aan te wijzen diensten, de aard en de vorm bepaald van de voor te leggen stukken en bescheiden."
Eerste hoofdstuk.- Inleiding
1. Vrijgestelde diensten.
Ingevolge artikel 41 van het BTW-wetboek bestaat er aanspraak op vrijstelling ten aanzien van navolgende diens-ten :
1 o het zeevervoer van personen, het internationaal luchtvervoer van personen en de bijkomende diensten verricht voor dit vervoer;
2 o het goederenvervoer bij doorvoer, uitvoer en bij- invoer tot op de plaats van bestemming hier te lande; de bijkomende diensten verricht voor dit vervoer;
3 o de diensten door makelaars en lasthebbers bij, ingevolge artikel 41, §§ 1 en 2, van het BTW-wetboek, vrijgesteld vervoer en vrijgestelde bijkomende diensten;
4 o de diensten verricht door grensexpediteurs.
2. Bepaling van vervoer.
Vervoer is een dienst die bedoeld wordt in artikel 18, § 1, 1 o, van het BTW-wetboek, die bestaat in het overbrengen van goederen of van personen vanuit een bepaalde plaats naar een andere bepaalde plaats, welke ook de vervoermiddelen zijn die daarbij worden gebruikt. Deze dienst gaat vaak gepaard met bijkomende diensten zoals het laden, het lossen en het bewaren van goederen.
Voor de toepassing van het BTW-wetboek wordt onder een vervoercontract verstaan, niet alleen de overeenkomst die gesloten wordt met iemand die zelf het vervoer verricht, doch ook de overeenkomst gesloten met iemand die het vervoer geheel of gedeeltelijk doet verrichten door een of meer andere personen (z. nr. 4).
Vervoerdiensten als bedoeld in artikel 41 van het BTW-wetboek zijn onder meer
a) de diensten die worden verricht ingevolge een contract van verhuizing; het verpakken, uitpakken, demonteren, monteren van meubelen, enz. zijn daaronder begrepen, wanneer die bijkomende prestaties door de vervoerder worden verricht;
b) het laden en lossen, wanneer die prestaties worden verricht door degene die met het vervoer is belast;
c) het ter beschikking stellen van een vervoermiddel samen met één of meer personeelsleden die met de bediening ervan zijn belast, zoals bij voorbeeld: het ter beschikking stellen van een boot of een schip met kapitein en bemanning (tijdbevrachting of reisbevrachting genoemd, in het Engels respectievelijk "time charter party" en "voyage charter party" het ter beschikking stellen van een auto met bestuurder;
d) het ter beschikking stellen van personeel dat met de bediening van een vervoermiddel is belast;
e) het slepen van vervoermiddelen, wanneer het voorttrekken en de besturing door dezelfde persoon wordt verzorgd;
f) diensten m.b.t. het overbrengen van gas, vloeistoffen of andere produkten door middel van pijpleidingen;
g) diensten m.b.t. het overbrengen van drijfkracht of warmte.
Als vervoerdiensten worden daarentegen niet aangemerkt :
1 o het weghalen van aarde of andere stoffen, waarvan de eigendom wordt overgedragen;
2 o de diensten m.b.t. het strooien van zand, grint of andere materialen;
3 o de diensten m.b.t. het ruimen van sneeuw samen met het strooien van kiezel;
4 o het ter beschikking stellen van een vervoermiddel zonder bedienend personeel, zoals bij voorbeeld het ter beschikking stellen van een schip zonder kapitein en bemanning;
5 o de dienst verricht ter uitvoering van een contract van ligbevrachting;
6 o de uitvoering van de verbintenis door een leverancier van een goed of door een dienstverrichter tegenover een afnemer aangegaan om het verkochte of bewerkte goed te vervoeren;
7 o de diensten verricht door radiodistributiebedrijven, televisiedistributiebedrijven en telecommunicatiebedrijven, zoals bijvoorbeeld de diensten verricht door de Regie van Telegrafie en Telefonie;
8 o de diensten die alleen bestaan in het leveren van trekkracht ten behoeve van de voortbeweging van een vervoermiddel dat eigen besturing behoudt.
3. De partijen bij een vervoercontract.
Bij een vervoercontract zijn altijd twee personen betrokken : degene die zich verbindt personen of goederen naar een bepaalde plaats over te brengen en degene tegenover wie deze verbintenis wordt aangegaan. Inzake vervoer te land wordt eerstgenoemde vervoerder genoemd en laatstgenoemde afzender of reiziger, naargelang het om vervoer van goederen of van personen gaat.
Een derde persoon is vaak onmiddellijk betrokken bij de uitvoering van vervoer, met name de geadresseerde of geconsigneerde. Deze derde persoon is degene aan wie de zending, bij goederenvervoer, in opdracht van de afzender, is gericht. Door de rechtsleer en de rechtspraak wordt algemeen aangenomen dat de geadresseerde, wanneer hij de zending heeft aanvaard, het recht bezit de vervoerder aan te spreken om de uitvoering van het vervoercontract te bekomen, zodat hij tegen de vervoerder eisen kan instellen met betrekking tot verlies, averij of vertraging. Wanneer de geadresseerde de zending heeft aanvaard, kan de vervoerder, van zijn kant, zich tot de geadresseerde richten om betaling van de prijs te bekomen. Aangenomen wordt dan ook dat op het stuk van de BTW als medecontractant van de vervoerder aangemerkt dient te worden, hetzij de afzender, hetzij de geadresseerde, naargelang op het document waarbij de vervoerder de BTW aanrekent de naam van de afzender of de naam van de geadresseerde vermeld staat,
4. De tussenpersonen.
Voor de toepassing van artikel 41 van het BTW-wetboek, wordt als vervoerder aangemerkt, niet alleen hij die tegen vergoeding zelf het vervoer verricht, doch ook hij die alleen de verbintenis aangaat vervoer van goederen of van personen te verrichten of te doen verrichten, zoals bij voorbeeld een vervoercommissionair of een commissionair-expediteur bij het vervoer,
Ingevolge artikel 20 van het BTW-wetboek wordt een tussenpersoon die bemiddeling verleent bij het tot stand komen van een dienstverrichting op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek, immers geacht de dienst zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verleend.
Op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek handelen:
1 o de tussenpersoon bij vervoer die een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk van de vervoerder ontvangt, wanneer hij handelt voor rekening van een reiziger of van een afzender;
2 o de tussenpersoon bij vervoer die een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk aan een reiziger, afzender of geadresseerde uitreikt, wanneer hij handelt voor rekening van, de vervoerder.
De vervoercommissionair of de commissionair-expediteur bij het vervoer die zich tegenover zijn klant verbonden heeft te zorgen voor vervoer en die een op zijn naam gestelde factuur van de vervoerder ontvangt, wordt geacht zelf een vervoerdienst te hebben ontvangen en tevens zelf een vervoerdienst aan zijn klant te hebben verleend.
Op het stuk van de BTW wordt de tussenpersoon die handelt op de wijze als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek, geacht als partij betrokken te zijn bij het vervoercontract en dat zowel in de relatie tot de vervoerder als in de relatie tot de reiziger of de afzender. Deze regels gelden overigens ongeacht de vervoermiddelen die voor het vervoer worden gebruikt. Deze regeling geldt mede voor de tussenpersonen ten aanzien van bijkomende diensten bij vervoer,
5. Plaats van gebruik van diensten. Ten aanzien van vervoerdiensten en van bijkomende diensten bij vervoer wordt de plaats in aanmerking genomen waar de dienst plaatsheeft. Als diensten die hier te lande worden gebruikt worden dan ook aangemerkt, al de vervoerdiensten en al de bijkomende diensten bij vervoer die hier te lande worden verricht. De plaats waar het vervoer een aanvang neemt of eindigt en de plaats waar de vervoerder, de afzender of de geadresseerde gevestigd zijn, doen niets ter zake.
Wanneer het vervoer plaatsheeft op Belgisch en op buitenlands grondgebied, wordt de vervoerdienst geacht hier te lande te zijn gebruikt voor het hier te lande verrichte deel van het vervoer.
Aangezien de tussenpersoon die bemiddeling verleent bij vervoer of bij een bijkomende dienst bij vervoer op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek, geacht wordt zelf een vervoerdienst of een bijkomende dienst bij vervoer aan de klant te hebben verleend, geldt de regeling ten aanzien van vervoer en van bijkomende diensten bij vervoer dan ook mede voor de dienst die door de tussenpersoon wordt bewezen.
Wanneer daarentegen de tussenpersoon handelt als makelaar of als lasthebber, wordt de door hem verrichte dienst geacht hier te lande te zijn gebruikt, in zover de handeling waarvoor hij bij de totstandkoming tussenkomst heeft verleend hier te lande wordt gebruikt (z. nr. 44).
6. Vervoer van personen en vervoer van goederen.
Onder personen wordt elk menselijk wezen verstaan. Alle vervoer van menselijke wezens is dus personenvervoer.
Vervoer van lijken, met inbegrip van kist en andere kransen, versiersels, enz.), is personenvervoer.
Onder goederen wordt niet alleen verstaan, de lichamelijk roerende goederen, doch ook goederen zoals effecten van vennootschappen, overheidseffecten, bankbriefjes, enz, wanneer het contract betrekking heeft op de verplaatsing van die voorwerpen.
Wanneer een vervoerder zich belast met vervoer van personen en van goederen, is die vervoerdienst tweeërlei : personenvervoer en goederenvervoer, die ieder een eigen regeling hebben. Het vervoer van de voorwerpen waarvan reizigers vergezeld gaan volgt echter de regeling die geldt voor personenvervoer, voor zover die voorwerpen niet geregistreerd worden. Wanneer daarentegen goederen door iemand worden begeleid om ze te bewaken of erover toezicht uit te oefenen, geldt het een vervoer van goederen voor het geheel.
Wanneer de vervoerder voor het vervoer van dieren dezelfde vervoerbewijzen uitreikt als die welke hij uitreikt voor het vervoer van personen, geldt voor dat vervoer dezelfde regeling als voor het vervoer van personen.
7. Zeevervoer.
De overeenkomst van zeevervoer wordt scheepsbevrachting genoemd.
Bij dit contract zijn twee partijen betrokken, hij die de vrachtkosten ontvangt, vervrachter genoemd, en hij die de vracht betaald, scheepsbevrachter of cargadoor genoemd. De vervrachter kan de eigenaar van het schip of reder (scheepsexploitant) zijn. Vaak gebeurt het dat iemand de dubbele hoedanigheid van vervrachter en van scheepsbevrachter bezit. Dit is inzonderheid het geval voor degene die met een scheepsexploitant een contract van scheepsbevrachting heeft gesloten en zich daarna tegenover iemand verbindt goederen te vervoeren. Een contract van scheepsbevrachting kan ook worden gesloten door de kapitein van een schip, doch in dat geval wordt aangenomen dat hij handelt als lasthebber van de vervrachter.
Degene die recht heeft op de aflevering van de lading, op de plaats van bestemming, wordt ontvanger of vaker nog geadresseerde genoemd.
Wanneer een scheepsbevrachter zich belast met het inladen van de goederen in een zeeschip, wordt hij ook inlader genoemd.
Vaak verlenen verschillende tussenpersonen bemiddeling bij het tot stand komen of de uitvoering van een contract van scheepsbevrachting.
Vooreerst is er de scheepsagent, die eigenlijk de vaste vertegenwoordiger van een rederij in een bepaalde haven is. Aangenomen wordt dat de scheepsagent, als vaste vertegenwoordiger, lasthebber is, die namens en voor rekening van een rederij handelt. Dit geldt inzonderheid voor de scheepsagenten wier naam wordt gevolgd door de vermelding "as agent". Soms wordt de benaming scheepsagent echter gegeven aan commissionairs-expediteurs bij het vervoer die geregeld relaties onderhouden met scheepvaartmaatschappijen, ofschoon zij handelen als commissionair.
De scheepsmakelaar, volgens de eigenlijke betekenis van die term, is degene die de vervrachter en de scheepsbevrachter tot elkaar brengt met het oog op het sluiten van een overeenkomst van bevrachting.
Scheepsmakelaars behartigen, in feite, op vaste wijze de belangen van één of meer bepaalde rederijen. Zij zoeken lading voor die rederijen en behartigen de belangen van de rederij tijdens het verblijf van het schip in de haven. Scheepsmakelaars handelen vaak ook als commissionair-expediteur bij het vervoer.
De geconsigneerde van het schip is, volgens de eigenlijke betekenis van die term, de lasthebber die de opdracht heeft de volledige lading in ontvangst te nemen en de verscheidene partijen goederen aan de respectieve houders van cognossementen af te leveren, tegen betaling van de vrachtprijs. Meestal is de geconsigneerde lasthebber van de scheepsbevrachter die een volledig schip bevracht heeft of van de tijdbevrachter (z. hierna de bepaling van tijdbevrachter.).
De kapitein wordt aangesteld door de reder of door de eigenaar van het schip en handelt als wettelijke lasthebber; het contract waarbij de kapitein is verbonden is een contract sui generis.
Er bestaan verschillende soorten van bevrachtingen :
- de bevrachting voor een gedeelte van een schip, wanneer de verbintenis van de vervrachter op een gedeelte van een schip slaat;
- de bevrachting voor het geheel, wanneer de verbintenis van de vervrachter op het hele schip slaat;
- de bevrachting bij aanleg op stukgoederen, wanneer de verbintenis van de vervrachter betrekking heeft op het vervoer van bepaalde goederen.
- de tijdbevrachting, wanneer de verbintenis van de vervrachter voor een bepaalde duur wordt aangegaan;
- de onderbevrachting, wanneer een bevrachter op zijn beurt een overeenkomst van bevrachting sluit.
Het geschrift dat als bewijs van de overeenkomst van scheepsbevrachting wordt opgemaakt, wordt chertepartij genoemd. Het cognossement is de akte die dient om het feit van het aan boord brengen van de goederen en de verbintenis om die goederen naar de aangewezen haven te vervoeren, vast te leggen. Bovendien vormt die akte de titel bij de aflevering van de goederen. Bepaalde vermeldingen moeten noodzakelijk op het cognossement voorkomen, zoals onder meer de naam en de woonplaats van de inlader en de naam en de woonplaats van de geadresseerde.
8. Het vervoer per binnenschip.
Het contract van vervoer per binnenschip wordt rivierbevrachting genoemd.
Bij dit contract zijn twee partijen betrokken, degene die het vervoer verricht, gewoonlijk schipper genoemd, en degene voor wiens rekening het vervoer wordt verricht, gewoonlijk afzender of inlader genoemd.
Bij de totstandkoming van die overeenkomst treedt vaak nog een derde persoon op, met name de bevrachter. De bevrachter is een makelaar die in opdracht van degene die goederen te vervoeren heeft een schipper aanspreekt om dit vervoer te verrichten De bevrachter handelt tegenover de schipper als een lasthebber, die tot opdracht heeft een contract van rivierbevrachting te sluiten in last en voor rekening van zijn opdrachtgever. Opgemerkt dient te worden dat de bevrachter recht heeft op een bevrachtingsprovisie (commissie) van de schipper, ofschoon de bevrachter handelt voor degene die goederen te vervoeren heeft.
De bevrachter handelt soms ook als commissionair-expediteur bij het vervoer. Dit is het geval wanneer hij aan de schipper niet de naam van zijn opdrachtgever kenbaar maakt of wanneer hij het schip bevracht "voor rekening van de rechthebbende" of "voor rekening van wie dit aangaat".
Er bestaan verschillende soorten van bevrachtingscontracten:
- bevrachting voor het geheel;
- bevrachting voor een gedeelte van een binnenschip;
- reisbevrachting;
- tijdbevrachting.
Het document dat als bewijs geldt voor de inlading van de goederen in het binnenschip wordt cognossement genoemd. Deze akte houdt de erkenning door de schipper in dat hij de goederen, ter uitvoering van een vooraf opgemaakt contract, aan boord van zijn boot heeft ontvangen. In het cognossement moet onder meer worden vermeld : plaats van vertrek en bestemming, naam en adres van de inlader, naam en adres van de geadresseerde.
9. Het luchtvervoer.
Partijen bij luchtvervoer zijn normaal de luchtvervoerder en de reiziger of afzender, naargelang het personenvervoer of goederenvervoer betreft. Degene aan wie de goederen worden afgeleverd wordt geadresseerde genoemd.
Het vervoerbewijs ter zake van luchtvervoer heet passagebiljet voor reizigersvervoer, bagagebiljet of bagagereçu voor het vervoer van bagage en luchtvrachtbrief voor het vervoer van goederen.
10. Het vervoer te land.
Het contract omtrent het vervoer te land heeft geen bijzondere benaming.
De partijen bij het contract zijn gewoonlijk de vervoerder, die ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, is die zich met vervoer belast en het zelf verricht en de reiziger, wanneer het personenvervoer betreft, of de afzender, wanneer het om goederenvervoer gaat.
Degene aan wie de goederen worden verzonden wordt, op het stuk van goederenvervoer, de geadresseerde of geconsigneerde genoemd.
Op het stuk van personenvervoer geldt normaal het biljet of ticket als bewijs van de overeenkomst. Bij goederenvervoer wordt dit bewijsstuk vrachtbrief genoemd. In de vrachtbrief worden onder meer vermeld : plaats en datum van afzending, naam en adres van de afzender en van de geadresseerde.
Het statuut van de tussenpersonen op het gebied van het goederenvervoer is geregeld bij de wet van 26 juni 1967.
Ingevolge artikel 1, 1 o, van die wet, wordt onder vervoercommissionair verstaan : "elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden doet uitvoeren".
Ingevolge artikel 1, 2 o, wordt onder vervoermakelaar verstaan: "elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, twee of meer personen met elkaar in contact brengt met het oog op het wederzijds sluiten van een vervoerovereenkomst, en die, ingeval hij bij het sluiten van die overeenkomst optreedt, dit slechts doet in hoedanigheid van vertegenwoordiger van zijn lasthebbers".
Ingevolge hetzelfde artikel 1, 3 o, wordt onder commissionair-expediteur bij het vervoer verstaan : "elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat goederen te doen vervoeren in eigen naam maar voor rekening van zijn committent, en een of meer met dat vervoer samenhangende verrichtingen, zoals het in ontvangst nemen, het bezorgen aan derdenvervoerders, het opslaan, de verzekering en het in- of uitklaren, uit te voeren of te doen uitvoeren".
Hoofdstuk II - Regeling op het stuk van personenvervoer en bijkomende diensten bij dat vervoer.
11. Inleiding.
Ingevolge artikel 41, § 1, 1 o, van het BTW-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld: het zeevervoer van personen en het internationaal luchtvervoer van personen. Vrijgesteld van de belasting zijn eveneens de bijkomende diensten bij dat vervoer, opgesomd in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, wanneer die diensten worden verricht voor vervoer dat ingevolge artikel 41, § 1, 1 o, van het wetboek van de belasting is vrijgesteld.
Het overige internationaal personenvervoer is aan de belasting onderworpen tegen het tarief van 6 pct., in de mate waarin het vervoer hier te lande wordt verricht.
Eerste afdeling. Het zeevervoer van personen.
12. Bepaling.
Onder zeevervoer van personen wordt verstaan, het personenvervoer dat verricht wordt door middel van een zeeschip.
Onder nr. 6 wordt bepaald wat onder personen moet worden verstaan.
Ingevolge artikel 1 van boek II van het Wetboek van Koophandel wordt onder een zeeschip verstaan, een vaartuig van ten minste 25 ton, gewoonlijk gebruikt of bestemd tot het vervoer van personen of zaken, tot vissen, slepen, of tot elke andere winstgevende verrichting van scheepvaart op de zeewateren.
Een zeeschip moet aan die twee vereisten voldoen. Een vaartuig van meer dan 25 ton dat bij voorbeeld alleen wordt gebruikt om personenvervoer te verrichten tussen Antwerpen en Vlissingen, wordt niet als een zeeschip aangemerkt. Dit vaartuig vaart, in het gestelde voorbeeld, immers gewoonlijk niet in volle zee.
De belasting is dan ook verschuldigd ten aanzien van het gedeelte van het traject dat hier te lande wordt afgelegd.
Wanneer daarentegen een vaartuig van ten minste 25 ton dat gewoonlijk gebruikt wordt of bestemd is om te varen in volle zee, slechts af en toe uitsluitend binnenlands personenvervoer verricht, is dit vervoer van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 41, § 1, 1 o, van het wetboek.
13. Bewijs van rechtmatige aanspraak.
Ingevolge artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, moet de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden.
De passagierslijsten samen met de dubbelen van de reisbiljetten worden in de regel als genoegzame bewijsmiddelen aangemerkt.
Afdeling 2. Het internationaal luchtvervoer van personen.
14. Bepaling.
Onder luchtvervoer wordt verstaan het vervoer verricht door middel van luchtvaartuigen.
Het woord luchtvaartuig is de soortnaam voor al de toestellen waarmee men zich door de lucht kan bewegen.
Onder internationaal luchtvervoer wordt verstaan, het vervoer vanuit een plaats in het buitenland naar een plaats hier te land, of omgekeerd, alsmede het vervoer vanuit een plaats in het buitenland over Belgisch grondgebied naar een andere plaats in het buitenland.
Voor de toepassing van artikel 41, § 1, 1 o, van het Wetboek wordt daarentegen niet als internationaal vervoer aangemerkt, de vlucht vanuit een luchthaven hier te lande over buitenlands grondgebied naar een andere luchthaven hier te lande.
Onder nr. 6 wordt bepaald wat onder personen moet worden verstaan.
15. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Aanspraak op de vrijstelling moet worden aangetoond op dezelfde wijze als voor het zeevervoer van personen (z. nr. 13).
Afdeling 3. De bijkomende diensten bij personenvervoer.
16. Inleiding. Op het stuk van personenvervoer beperkt een vervoerder zich maar zelden tot het eigenlijk vervoeren. Aan de reizigers worden vaak nog andere diensten verleend die nauw met het vervoer verbonden zijn, welke worden verricht vóór, tijdens of na afloop van het vervoer. Meestal worden die diensten door de vervoerder verricht, maar ze kunnen ook door een andere dienstverrichter worden verleend.
Naast die bijkomende diensten, welke aan de reizigers worden bewezen, bestaan er ook diensten die aan de vervoerder worden verleend ten behoeve van personenvervoer.
De bijkomende diensten bij personenvervoer bestaan uit die twee soorten van diensten. In deze afdeling echter worden alleen de diensten behandeld die verleend worden aan de reizigers. De regeling die geldt voor de andere bijkomende diensten bij personenvervoer, wordt toegelicht onder hoofdstuk III, afdeling 4 . Deze regeling geldt immers in de meeste gevallen zowel voor goederenvervoer als voor personenvervoer.
17. Voorwaarden van de vrijstelling.
Rechtmatige aanspraak op de vrijstelling ten aanzien van de diensten bedoeld in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, kan maar bestaan, voor zover die diensten aan een dubbele vereiste voldoen:
1 o de dienst moet ondergebracht kunnen worden onder de diensten die opgesomd zijn in artikel 41, § 2, van het Wetboek of in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6;
2 o de dienst moet worden verricht voor personenvervoer dat vrijgesteld is ingevolge artikel 41, § 1, 1 o, van het Wetboek.
De aanspraak op de vrijstelling wordt dus afhankelijk gesteld, enerzijds, van de aard van de dienst en, anderzijds, van het feit dat de dienst deel uitmaakt van een vrijgesteld vervoer.
18. Diensten verricht vóór of na afloop van het vervoer. De navolgende diensten worden aangemerkt als de diensten die gewoonlijk door zeevervoerders of luchtvervoerders, vóór de aanvang of na afloop van het vervoer, aan de reizigers worden verleend :
1 o de ontvangst van de reizigers;
2 o het vervoer van de reizigers vanuit het ontvangstcentrum naar de luchthaven of de haven, of omgekeerd;
3 o het vervoer van de bagage van de reizigers vanuit het ontvangstcentrum naar de luchthaven of de haven, of omgekeerd;
4 o het verlenen van tussenkomst bij de overheid voor het vervullen van diverse formaliteiten, waarmee reizen gepaard kunnen gaan;
5 o het bespreken van hotelkamers, met uitsluiting van het verschaffen van logies.
Op de vrijstelling kan maar rechtmatig aanspraak worden gemaakt op voorwaarde dat genoemde bijkomende diensten worden verleend door de vervoerder of door iemand die handelt in last en voor rekening van de vervoerder. Onder vervoerder wordt hier verstaan, hij die zelf het vervoer verricht, de tussenpersoon die met een vervoerder wordt gelijkgesteld (z. nr. 4) alsmede de makelaar die tussenkomst heeft verleend bij het tot stand komen van de vervoerdienst. Maar geen onderscheid hoeft te worden gemaakt naargelang bovengenoemden aan de reizigers al of niet een afzonderlijke prijs voor die bijkomende diensten aanrekenen.
Wanneer een reiziger m.b.t. bovengenoemde diensten rechtstreeks handelt met een andere dienstverrichter, kan hij geen aanspraak maken op de vrijstelling.
De andere diensten die door de vervoerder, de met een vervoerder gelijkgestelde of een makelaar bij de vervoerdienst aan reizigers worden verleend, zoals het vervoer naar het ontvangstcentrum vanuit een andere plaats dan de luchthaven of haven of het verblijf in een hotel hier te lande, zijn niet van de belasting vrijgesteld, ongeacht of de prijs van die diensten al dan niet in de prijs van het vervoer is begrepen.
Wanneer echter de vervoerder, uit oorzaak van onvoorziene omstandigheden (ongeval, defect, ongunstige weersomstandigheden), ertoe gehouden is hier te lande aan de reizigers een vervoerdienst te verlenen, logies te verschaffen in een hotel of voor maaltijden te zorgen, of andere diensten te verlenen die normaal niet vrijgesteld zijn, wordt aangenomen dat voor die diensten aanspraak kan worden gemaakt op de vrijstelling, voor zover de vervoerder ten aanzien van die diensten geen bijkomende prijs vraagt.
19. Diensten verricht tijdens het vervoer.
Als regel wordt aangenomen dat diensten die verleend worden aan boord van een zeeschip of een luchtvaartuig, gebruikt voor internationaal luchtvervoer, van de belasting zijn vrijgesteld, zonder dat nagegaan hoeft te worden door wie de diensten worden verleend of op welke wijze die diensten worden aangerekend.
Vrijgesteld worden inzonderheid het verschaffen van logies, maaltijden en dranken aan de reizigers aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen, gebruikt voor internationaal luchtvervoer, op of boven het Belgisch grondgebied.
20. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Aanspraak op de vrijstelling moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden (z. nr. 13).
Wanneer de vervoerder of de met vervoerder gelijkgestelde geen afzonderlijke prijs voor een bijkomende dienst aan de reizigers aanrekent, worden de gewone bewijsmiddelen ter zake van het vervoer (z. nr. 13) als genoegzame bewijsmiddelen aangemerkt.
Wanneer daarentegen een afzonderlijke prijs aan de reizigers wordt aangerekend, kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond door vergelijking van de dubbelen van de reisbiljetten of van de passagierslijsten met de boekingen van de ontvangsten betreffende de bijkomende diensten.
Hoofdstuk III.- Het vrijgestelde goederenvervoer.
21. Inleiding. Ingevolge artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek zijn van de belasting vrijgesteld: het vervoer van goederen dat deel heeft in de uitvoer of de doorvoer van goederen of dat betrekking heeft op de verzending tot op de plaats van bestemming hier te lande van goederen herkomstig uit het buitenland.
In artikel 41, § 2, van het wetboek worden verscheidene bijkomende diensten bij vervoer opgesomd, die mede van de belasting zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze worden verricht voor een vrijgesteld vervoer.
In het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, genomen ter uitvoering van artikel 41, § 2, 6 o, en § 4, van het wetboek worden nog andere bijkomende diensten opgesomd, die eveneens van de belasting zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze worden verricht voor een vrijgesteld vervoer. Bovendien wordt in genoemd koninklijk besluit bepaald op welke wijze de aanspraak op de vrijstellingen ten aanzien van vervoer en de bijkomende diensten moet worden aangetoond.
De vrijstellingen gelden voor vervoer, ongeacht de aard van het vervoer, voor zover het goederenvervoer betreft als wordt bedoeld onder nr. 6.
Eerste afdeling. Het vervoer van goederen bij uitvoer.
22. Vervoer dat deel heeft in de uitvoer. Onder vervoer dat deel heeft in de uitvoer van goederen wordt voor de toepassing van artikel 41, § 1, 2 o, van het wetboek verstaan, alle vervoer van goederen, wanneer het vaststaat dat ze van bij de aanvang van het vervoer bestemd zijn om naar het buitenland te worden overgebracht en ze zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens zullen overschrijden.
Aanspraak op vrijstelling kan inzonderheid bestaan ten aanzien van :
1 o het grensoverschrijdend vervoer, d.w.z. het vervoer vanuit een plaats hier te lande naar een plaats gelegen in het buitenland;
2 o het vervoer vanuit een plaats hier te lande naar een andere plaats hier te lande, wanneer het vaststaat dat de goederen van bij de aanvang van het vervoer bestemd zijn om naar het buitenland te worden overgebracht en ze zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens zullen overschrijden;
3 o het vervoer van goederen naar aanleiding van een verkoop fob, wanneer die verkoop van de belasting is vrijgesteld ingevolge artikel 39 van het Wetboek;
4 o het vervoer van goederen naar een entrepot, naar aanleiding van een verkoop die ingevolge artikel 40 van de belasting is vrijgesteld.
Op de vrijstelling kan aanspraak worden gemaakt aan wie ook de vervoerdienst wordt verleend : de eigenaar van de goederen, de verkoper, de koper, de maakloonwerker, een andere vervoerder of tussen-persoon bij vervoer die op het stuk van de BTW met een vervoerder wordt gelijkgesteld (z. nr, 4).
Uitgenomen voor de gevallen onder 3 o en 4 o hierboven vermeld, wordt de aanspraak op de vrijstelling niet afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de goederen verkocht moeten zijn met vrijstelling van de belasting ingevolge artikel 39 of 40 van het Wetboek. Vereist wordt alleen dat het van bij de aanvang van het vervoer vaststaat dat de goederen naar het buitenland zullen worden overgebracht en ze zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens zullen overschrijden.
Het verpakken van goederen met het oog op vervoer wordt echter niet geacht van die aard te zijn dat hierdoor de staat van de goederen wordt gewijzigd.
23. Voorbeelden.
1 o A, handelaar te Brussel, heeft op 1 oktober 1971 goederen verkocht aan B, handelaar gevestigd te Londen. Op 3 oktober geeft A order aan C, vervoerder, de verkochte goederen te vervoeren naar D, verpakker, A geeft vervolgens opdracht aan E, commissionair-expediteur bij het vervoer, het vervoer van de verpakte goederen te verzorgen vanaf de werkplaats van D naar Londen. E laat het vervoer vanaf de werkplaats van D tot Antwerpen verrichten door F, wegvervoerder, en het zeevervoer van Antwerpen naar Londen door de rederij G.
Voor al de genoemde vervoerdiensten kan aanspraak op de vrijstelling worden gemaakt.
2 o A, fabrikant, hier te lande, heeft op 10 augustus 1971 machines verkocht aan B, gevestigd te Parijs. A koopt op 16 augustus 1971 grondstoffen, speciaal met het oog op de vervaardiging van de verkochte machines. Voor die inkoop heeft A aanspraak kunnen maken op de vrijstelling van artikel 43 van het Wetboek.
Op 20 augustus 1971 wordt C, vervoerder, door A belast met het vervoer van de grondstoffen vanuit het magazijn van de verkoper tot bij hem.
Ter zake van het vervoer verricht door C kan geen aanspraak worden gemaakt op de vrijstelling.
3 o A, fabrikant, gevestigd te Nijvel, stuurt aan een leverancier te Keulen ledige vaten, die hem nadien gevuld met goederen worden teruggezonden. Voor het vervoer van de ledige vaten vanuit Nijvel naar Keulen richt A zich tot de N.M.B.S.
Dit vervoer is vrijgesteld van de belasting.
4 o Firma A te Leuven, fabrikant van machines, bezit een filiaal te Rome. Zij geeft order aan B, commissionair-expediteur bij het vervoer, machines te vervoeren vanaf haar werkplaats te Leuven naar Rome. B richt zich tot C, wegvervoerder, voor het vervoer naar Luik en tot de N.M.B.S. voor het vervoer vanuit Luik naar Rome.
Voor al deze vervoerdiensten kan aanspraak op de vrijstelling worden gemaakt.
5 o A, bezitter van een auto, is voornemens met zijn gezin met vakantie te gaan naar het zuiden van Frankrijk. Hij geeft opdracht aan de N.M.B.S. zijn auto te vervoeren vanuit Schaarbeek naar Avignon. Hij bespreekt meteen ook de terugreis, die drie weken later plaatsheeft.
Het vervoer van de auto vanuit Schaarbeek tot de Belgische grens is vrijgesteld van de belasting. Het vervoer vanaf de Belgische grens tot Schaarbeek is eveneens vrijgesteld (z. nr. 29).
6 o A, schipper, wordt belast met het vervoer van ertsen van Antwerpen naar Gent. Het vervoer wordt verricht via de Westerschelde en het kanaal Gent-Terneuzen.
Het vervoer over het traject Antwerpen-Nederlandse grens is onderworpen aan de belasting. De goederen zijn immers niet van bij de aanvang van het vervoer bestemd om naar het buitenland te worden overgebracht. Het vervoer over het traject gelegen tussen de Belgische-Nederlandse grens en Gent is eveneens aan de belasting onderworpen (z. nr. 29). De belasting is tenslotte niet verschuldigd ter zake van het in Nederland afgelegde traject.
24. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Rechtmatige aanspraak op de vrijstelling van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden. Zowel degene die het vervoer heeft verricht als degene aan wie de vervoerdienst is verleend, worden bij die bewijsvoering betrokken.
a. Het grensoverschrijdend vervoer. De vervoerder die zelf vervoer vanuit een plaats hier te lande naar een plaats-in het buitenland verricht, kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van de vervoerdocumenten, zoals de vrachtbrief, cognossement, C.M.R-vervoerdocument.
Degene aan wie de vervoerdienst is verleend, kan, behalve wanneer hij een tussenpersoon bij vervoer is, de rechtmatigheid van de aanspraak op vrijstelling in de regel aantonen aan de hand van de documenten genoemd in de artikelen 3 tot 5 van het koninklijk besluit nr. 18, van 20 juli 1970, alsmede, in voorkomend geval, aan de hand van het vervoerdocument.
De tussenpersonen bij vervoer die op het stuk van de BTW met een vervoerder worden gelijkgesteld kunnen de aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van de documenten die hun zijn uitgereikt door de vervoerders die met de werkelijke uitvoering van het vervoer zijn belast.
b. Het andere vervoer. De vervoerder of de met een vervoerder gelijkgestelde moet, om aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling, in het bezit zijn van een schriftelijk order, waarin de opdrachtgever uitdrukkelijk verzoekt het opgedragen vervoer met vrijstelling van de belasting te factureren en waarin de te vervoeren goederen bondig worden omschreven.
Degene aan wie de vervoerdienst met vrijstelling van belasting uiteindelijk is verleend, moet aantonen:
1 o dat het vervoer van bij de aanvang betrekking had op goederen waarvan het vaststaat dat ze naar het buitenland zouden worden overgebracht; dit bewijs kan inzonderheid worden geleverd aan de hand van het verkoopcontract, de bestelbon, een kopie van de verkoopfactuur, de documenten met betrekking tot het grensoverschrijdend vervoer;
2 o dat de vervoerde goederen van bij de aanvang van het vervoer zich in dezelfde staat bevonden als op het tijdstip waarop ze de grens overschreden hebben, hierbij buiten beschouwing gelaten het verpakken van de goederen met het oog op het vervoer; dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van de factuur uitgereikt door de vervoerder samen met de onder 3 o bedoelde documenten;
3 o dat de vervoerde goederen werkelijk zijn uitgevoerd; dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van de documenten waarmee de aanspraak op de vrijstelling ten aanzien van het grensoverschrijdend vervoer wordt aangetoond.
Wanneer de vervoerdienst wordt verleend aan iemand die zelf vervoerder is of aan iemand die met een vervoerder wordt gelijkgesteld, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van de documenten die betrekking hebben op het grensoverschrijdend vervoer en, bij ontstentenis van die documenten, door middel van een schriftelijk order dat uitgaat van degene aan wie de vervoerdienst is verleend of geacht wordt verleend te zijn.
Afdeling 2. Het vervoer van goederen in doorvoer.
25. Vervoer dat deel heeft in de doorvoer. Onder vervoer dat deel heeft in de doorvoer van goederen wordt voor de toepassing van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek verstaan, alle vervoer hier te lande van goederen die op het stuk van de BTW hier te lande onder een stelsel van doorvoer zijn.
Aanspraak op de vrijstelling van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek kan inzonderheid bestaan ten aanzien van :
1 o het vervoer zonder overlading vanuit een plaats in het buitenland door Belgisch grondgebied naar een andere plaats in het buitenland;
2 o het vervoer van goederen vanuit een plaats in het buitenland naar een plaats hier te lande, waar de goederen in een ander vervoermiddel worden overgeladen, op voorwaarde dat de goederen hier te lande onder een stelsel van doorvoer zijn;
3 o het vervoer van goederen vanuit een plaats hier te lande naar een andere plaats hier te lande of naar een plaats in het buitenland, op voorwaarde dat de vervoerde goederen hier te lande onder een stelsel van doorvoer zijn;
4 o het vervoer vanuit een plaats in het buitenland naar een entrepot;
5 o het vervoer verricht tussen twee entrepots;
6 o het vervoer vanuit het entrepot naar een plaats gelegen in het buitenland.
26. Voorbeelden.
1 o A, handelaar gevestigd in Zwitserland, heeft in New York goederen gekocht cif Antwerpen. Hij belast B, commissionair-expediteur te Antwerpen, met het vervoer van de goederen tot Genève. C, vervoerder, wordt door B belast met het wegvervoer. De goederen worden te Antwerpen voor doorvoer aangegeven (z. art. 13 van het koninklijk besluit nr. 7).
De genoemde vervoerdiensten zijn van de belasting vrijgesteld.
2 o A, handelaar gevestigd te Brussel, heeft goederen gekocht in Hongarije. Hij heeft ze meteen verkocht aan B, handelaar te Londen, onder beding cif Londen. Het vervoer wordt door de Hongaarse verkoper verzorgt tot in het grensstation van Eynatten.
A geeft aan C, commissionair-expediteur bij het vervoer, order de goederen in het grensstation in ontvangst te nemen en het vervoer ervan te verzorgen tot Londen. C laat het vervoer van Eynatten tot Antwerpen verrichten door de wegvervoerder D en het zeevervoer door de rederij E. De goederen worden te Eynatten voor doorvoer aangegeven.
Voor al deze vervoerdiensten kan aanspraak op de vrijstelling worden gemaakt.
3 o A, handelaar te Brussel, heeft in Frankrijk goederen gekocht onder het beding franco grens. Hij geeft opdracht aan B, commissionair-expediteur bij het vervoer, de goederen te vervoeren vanaf de grens tot in het openbaar entrepot te Brussel. Op het bij de grens gelegen douanekantoor worden de goederen aangegeven voor het entrepot. B laat het vervoer van de goederen vanaf de grens naar het entrepot verrichten door C.
Deze vervoerdiensten zijn van de belasting vrijgesteld.
27. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Ten aanzien van het grensoverschrijdend vervoer, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van de vervoerdocumenten, zoals de vrachtbrief, cognossement, C.M.R.-vervoerdocument.
Ten aanzien van het vervoer dat in aansluiting op het grensoverschrijdend vervoer wordt verricht, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van het ontvangbewijs, uitgereikt door het Bestuur der douane bij de inreiking van het doorvoerdocument.
Tenslotte kan degene voor wiens rekening het vervoer in doorvoer uiteindelijk is verricht de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van stukken van zijn administratie, zoals de bestelbon, de vervoerdocumenten, de kopie van de verkoopfactuur, de betalingsstukken.
Afdeling 3. Het vervoer van goederen bij invoer.
28. Inleiding. Onder vervoer dat betrekking heeft op de verzending tot op de plaats van bestemming hier te lande van goederen herkomstig uit het buitenland, als wordt bepaald in artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek, wordt verstaan vervoer van goederen herkomstig uit het buitenland, verricht vanaf het tijdstip waarop de goederen de grens overschrijden tot op het tijdstip waarop ze worden afgeleverd op de plaats van bestemming hier te lande.
Inzonderheid bedoeld worden :
1 o het grensoverschrijdend vervoer, d.w.z. het vervoer van goederen vanuit een plaats in het buitenland tot de plaats van bestemming van de goederen hier te lande of tot een plaats die gelegen is vóór die plaats van bestemming.
2 o het aansluitend vervoer, d.w.z. het vervoer van goederen vanuit een plaats hier te lande tot de plaats van bestemming van de goederen hier te lande of tot een plaats die vóór die plaats van bestemming gelegen is;
3 o het vervoer van goederen vanuit een entrepot tot de plaats van bestemming hier te lande.
29. Goederen herkomstig uit het buitenland. Onder goederen herkomstig uit het buitenland wordt verstaan, ingevoerde goederen die, al of niet met betaling van de BTW, voor het verbruik worden aangegeven. Daarbij komen dan nog de goederen die worden ingevoerd onder een stelsel van tijdelijke vrijstelling. Als goederen herkomstig uit het buitenland worden echter niet aangemerkt, de goederen die in het buitenland hebben verbleven voor de noodwendigheden van het vervoer (z. nr. 23, 6 o).
Aanspraak op de vrijstelling kan overigens worden gemaakt aan wie ook een vervoerdienst wordt verleend : de eigenaar, de verkoper, de koper, de maakloonwerker, een andere vervoerder of een tussenpersoon bij vervoer die met een vervoerder wordt gelijkgesteld. Een belastingplichtige die de opdracht heeft het vervoer te verzorgen van goederen herkomstig uit het buitenland vanaf een plaats in het buitenland tot de plaats van bestemming hier te lande, kan bij voorbeeld, wanneer hij de ingevoerde goederen laat vervoeren vanuit een plaats hier te land tot de plaats van bestemming, ten aanzien van die vervoerdienst aanspraak maken op de vrijstelling.
Vervoer verricht na de plaats van bestemming hier te lande is daarentegen niet vrijgesteld, zelfs wanneer het betrekking heeft op de verzending van ingevoerde goederen.
Voorbeeld. Een met vervoerder gelijkgestelde die opdracht heeft het vervoer van goederen herkomstig uit het buitenland tot bij de koper te verzorgen en die na uitvoering van zijn opdracht belast wordt met het vervoer van de goederen naar een andere bestemming, kan slechts aanspraak maken op de vrijstelling terzake van het vervoer verricht tot bij de koper.
30. De plaats van bestemming hier te lande.
Voor de toepassing van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek wordt als plaats van bestemming aangemerkt, de plaats hier te lande waar goederen herkomstig uit het buitenland worden afgeleverd, ter uitvoering van een vervoercontract (z. nr. 2, tweede lid) dat gesloten is vóór het tijdstip waarop de goederen voor het verbruik worden aangegeven en waarvan de uitvoering, hetzij vóór de aangifte ten verbruik een aanvang heeft genomen, hetzij een aanvang neemt onmiddellijk na die aangifte en op de plaats waar de goederen zich op dat tijdstip bevinden.
Het vervoer vanuit de plaats waar de goederen zich op het tijdstip van de aangifte ten verbruik bevinden, moet zonder onderbreking worden verricht.
Met oponthoud en onderbreking, uit oorzaak van de noodwendigheden van het vervoer, wordt echter geen rekening gehouden.
Wanneer er geen vervoercontract (z. nr. 2, tweede lid) bestaat op het tijdstip waarop de goederen voor het verbruik worden aangegeven, dient als plaats van bestemming te worden aangemerkt de plaats waar de goederen zich op dat tijdstip bevinden.
Ten aanzien van de goederen die met tijdelijke vrijstelling worden ingevoerd, wordt als plaats van bestemming aangemerkt, de verst afgelegen plaats waarheen de goederen, ingevolge de vergunning tot tijdelijke vrijstelling, mogen worden vervoerd.
De onder een stelsel van doorvoer, entrepot of tijdelijke vrijstelling ingevoerde goederen die voor het verbruik worden aangegeven, worden geacht het Rijk te zijn binnengekomen op het tijdstip waarop ze die nieuwe bestemming krijgen (z. art. 13, § 2, 14, § 3, en 17 van het koninklijk besluit nr. 7, van 12 maart 1970). Op dat tijdstip dient de plaats van bestemming te worden bepaald met inachtneming van bovenstaande regels. Ten aanzien echter van de goederen die met tijdelijke vrijstelling werden ingevoerd, is de plaats van bestemming de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de aangifte ten verbruik.
31. Voorbeelden.
1 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, heeft in Noorwegen goederen gekocht af fabriek. A belast B, commissionair-expediteur bij het vervoer, met het vervoer vanuit Noorwegen tot in zijn magazijn te Vilvoorde. Dit contract wordt gesloten op 1 februari 1971. B geeft op 2 februari 1971 opdracht aan C, scheepsagent, voor het zeevervoer en op 15 februari 1971 aan D, wegvervoerder, voor het vervoer vanuit Antwerpen (kaai) tot in Vilvoorde. Het schip legt in Antwerpen aan op 28 februari 1971. De goederen worden in Antwerpen voor het verbruik aangegeven op 15 maart 1971. Dezelfde dag worden de goederen vervoerd van Antwerpen naar Vilvoorde.
Plaats van bestemming: Vilvoorde
2 o Idem als onder nr. 1, maar het wegvervoer neemt een aanvang op 18 maart 1971, uit oorzaak van de noodwendigheden van het vervoer.
Plaats van bestemming: Vilvoorde.
3 o Idem als onder nr. 1, maar B kan het wegvervoer maar laten uitvoeren zodra A hem hiertoe order heeft gegeven. Order wordt gegeven op 10 april 1971 .
Plaats van bestemming: Antwerpen.
4 o Idem als onder nr. 1, maar B geeft slechts op 15 maart 1971, nadat de goederen voor het verbruik werden aangegeven, opdracht aan D de goederen naar Vilvoorde te vervoeren,
Plaats van bestemming: Vilvoorde.
5 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, koopt in Chicago toestellen onder het beding cif Antwerpen. Het schip legt in Antwerpen aan op 1 juli 1971. A geeft order aan B, veembedrijf (in België vaak "natie" genoemd) de goederen naar de opslagplaats van B over te brengen, waar de goederen onder douanetoezicht zullen verblijven tot op het tijdstip van de aangifte ten verbruik. De aangifte ten verbruik wordt gedaan op 13 augustus 1971. Vóór dat tijdstip heeft A de goederen reeds wederverkocht aan C, gevestigd te Waterloo onder het beding franco domicilie. Vóór 13 augustus 1971 heeft A order gegeven aan vervoerder D de goederen te vervoeren tot bij C, te Waterloo, zodra de goederen ten verbruik aangegeven zijn.
Plaats van bestemming : Waterloo.
6 o Idem als onder nr. 5, maar het vervoerorder dateert slechts van 20 augustus 1971.
Plaats van bestemming: Antwerpen.
7 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, koopt in Amsterdam goederen onder het beding franco grens (douanekantoor te Wuustwezel). De goederen komen in Wuustwezel aan op 3 maart 1971. Dezelfde dag worden de goederen voor het verbruik aangegeven (mondelinge aangifte). Op het parkeerterrein dat naast het kantoor is gelegen worden de goederen onmiddellijk overgeladen op een vrachtwagen van B, grensexpediteur-vervoerder, die van A opdracht heeft gekregen de goederen onmiddellijk te vervoeren naar Brussel.
Plaats van bestemming: Brussel.
8 o A, handelaar, gevestigd te Brussel, koopt goederen in Frankrijk af fabriek. Op verzoek van A laat de verkoper de goederen per spoor vervoeren tot Brussel. Wanneer de goederen in Brussel zijn toegekomen, geeft A opdracht aan de N.M.B.S. de goederen door haar besteldienst over te brengen naar het magazijn van A, te Anderlecht. Deze opdracht werd aan de N.M.B.S. gegeven vóór dat de goederen voor het verbruik zijn aangegeven.
Plaats van bestemming: Anderlecht.
9 o Idem als onder nr. 8, maar de opdracht de goederen per vrachtwagen te vervoeren naar Anderlecht werd aan de N.M.B.S. gegeven nadat de goederen voor het verbruik zijn aangegeven.
Plaats van bestemming: Brussel.
10 o Idem als onder nr. 8, maar A haalt de goederen met eigen vrachtwagen in het station af.
Plaats van bestemming: Brussel.
11 o A, handelaar, gevestigd in Londen, voert op 1 juli 1971 hier te lande goederen in met het entrepot te Brussel als bestemming. Op 1 oktober 1971 verkoopt A de goederen aan B, gevestigd te Leuven, onder het beding franco domicilie. A belast de N.M.B.S met het vervoer per spoor vanuit het entrepot te Brussel naar Leuven. Deze overeenkomst wordt gesloten op 3 oktober 1971. De aangifte ten verbruik op naam van B wordt gedaan op 5 oktober 1971. Het vervoer neemt onmiddellijk op dat tijdstip een aanvang.
Plaats van bestemming: Leuven.
12 o In het kader van een tentoonstelling die achtereenvolgens gehouden zal worden te Brussel, Gent en Luik, wordt een kunstverzameling ingevoerd uit Italië. De goederen worden ingevoerd met tijdelijke vrijstelling. De Italiaanse inzender doet persoonlijk een beroep op een vervoerder voor het vervoer tussen de genoemde steden.
Plaats van bestemming: Luik.
13 o A, grensexpediteur, gevestigd te Verviers, wordt belast met de inontvangstneming van goederen die door B, handelaar gevestigd te Luik, uit het buitenland worden betrokken. A moet daarenboven zorgen voor het vervoer per spoor vanaf de Italiaanse grens tot Verviers en voor het wegvervoer vanuit het station van Verviers naar het magazijn van B. A wordt bovendien nog belast met het doorzenden van de goederen naar een klant van B, meer bepaald naar diens magazijn te Leuven. A ontvangt die order op 1 oktober 1971. De goederen komen in Verviers aan op 20 oktober 1971, waar ze ten verbruik worden aangegeven op 25 oktober 1971. Dezelfde dag vervoert A de goederen naar B. Na de goederen nagezien te hebben, komt A ze op 26 oktober 1971 afhalen om ze te vervoeren naar Leuven, bij C.
Plaats van bestemming: Luik.
14 o Idem als onder nr. 13, behalve dat de goederen naar het magazijn van A worden overgebracht en niet naar het magazijn van B, te Luik. Wegens slechte weersomstandigheden konden de goederen namelijk niet onmiddellijk na de aangifte ten verbruik naar Luik worden vervoerd.
Plaats van bestemming: Luik.
15 o Idem als onder nr. 13" maar A moet de goederen rechtstreeks vervoeren naar Leuven, ter bestemming van de klant van B.
Plaats van bestemming: Leuven.
32. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Rechtmatige aanspraak op de vrijstelling van artikel 41, § 1, 2 o, van het Wetboek moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden, en dat zowel door degene die de vervoerdienst heeft verleend als door de afnemer.
A. Het grensoverschrijdend vervoer. De vervoerder die zelf de goederen heeft vervoerd vanuit een plaats in het buitenland naar een plaats hier te lande kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling genoegzaam aantonen aan de hand van het vervoerdocument (vrachtbrief, cognossement, C.M.R. vervoerdocument, enz.).
De anderen die bij het vervoer betrokken zijn kunnen de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van door de vervoerder uitgereikte documenten, zoals de factuur betreffende het vervoer en het vervoerdocument.
B. Het aansluitend vervoer. Een onderscheid dient te worden gemaakt naargelang van de hoedanigheid van degene die moet bewijzen.
a. Bewijs te leveren door de vervoerder en door de met vervoerder gelijkgestelde. De eigenlijke vervoerder of de tussenpersoon bij vervoer, die het vervoer van de goederen verzorgen vanuit de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijd- stip van de aangifte ten verbruik, kan het bewijs genoegzaam leveren aan de hand van het vervoercontract, de vrachtbrief, het cognossement of schriftelijke vervoerorder, voor zover uit die bescheiden duidelijk blijkt dat de goederen in ontvangst moeten worden genomen, hetzij bij een douanekantoor of daarmee gelijkstaand kantoor, waar goederen voor het verbruik worden aangegeven, hetzij bij een kantoor gelegen in het binnenland waar eveneens een aangifte ten verbruik kan worden gedaan.
In hoofde van de vervoerder die het vervoer verricht in onderaanneming en in aansluiting op het vervoer dat een aanvang heeft genomen vanuit de plaats waar de goederen zich bevonden op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, kan de aanspraak op de vrijstelling genoegzaam worden aangetoond aan de hand van bovengenoemde stukken en bescheiden die met betrekking tot het terzake bedoel- de vervoer worden opgemaakt, voor zover uit die stukken en bescheiden duidelijk blijkt dat de opdrachtgever een vervoerder of een daarmee gelijkgestelde is.
b. Bewijs te leveren door anderen dan een vervoerder of daarmee gelijkgestelde tussenpersoon.
1 o De afnemer is de geadresseerde van de goederen m.b.t. de heffing van de bij invoer verschuldigde belasting. De rechtmatige aanspraak op de vrijstelling kan worden aangetoond door middel van onderlinge vergelijking van de inkoopfactuur, de documenten betreffende de invoer, zoals o.a. het document 45A, en de documenten betreffende het vervoer.
2 o De afnemer is niet de bovenbedoelde geadresseerde. Dit zal practisch maar voorkomen in één geval, met name bij verkoop franco bestemming.
De afnemer zal de rechtmatigheid van de aanspraak op de vrijstelling kunnen aantonen door vergelijking van de vervoerdocumenten met de kopie van de verkoopfactuur.
Afdeling 4. De bijkomende diensten bij vervoer.
33. Inleiding. De bijkomende diensten bij vervoer die opgesomd zijn in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, hebben zowel betrekking op personenvervoer als op goederenvervoer. De bijkomende diensten die door een vervoerder verleend worden aan reizigers, worden samen met het personenvervoer behandeld onder hoofdstuk II. Al de overige bijkomende diensten worden onder deze afdeling toegelicht.
34. Voorwaarden tot vrijstelling. Om vrijgesteld te kunnen zijn, moeten de bijkomende diensten aan twee vereisten voldoen.
1 o Ze moeten vooreerst ondergebracht kunnen worden onder de diensten die opgesomd zijn in artikel 41, § 2, van het Wetboek en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970 (z. nrs. 35 tot 40). Alleen de aard van de verleende diensten moet in aanmerking worden genomen. De hoedanigheid of het beroep van de dienstverrichter doen dus niets ter zake.
2 o Vervolgens is vereist dat de diensten worden verricht voor vervoer dat van de belasting is vrijgesteld ingevolge artikel 41, § 1, van het Wetboek. Onder diensten verricht voor vrijgesteld vervoer, wordt niet alleen verstaan de diensten die verleend worden ten behoeve van vervoer dat voor rekening van een ander wordt verricht, doch ook de diensten die worden verricht ten behoeve van vervoer dat voor eigen rekening wordt gedaan, voor zover de kosten van dit eigen vervoer in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de bij invoer verschuldigde belasting (z. art. 34 van het wetboek).
In dit verband wordt opgemerkt dat, voor de berekening van de bij invoer verschuldigde belasting, de kosten voor eigen vervoer vanuit de plaats waar de goederen zich op het tijdstip van de aangifte ten verbruik bevinden, slechts aan de prijs moeten worden toegevoegd, wanneer de geadresseerde de goederen met eigen vervoermiddelen uit het buitenland haalt.
De plaats van bestemming is in dit geval de plaats waarheen de goederen door de geadresseerde worden overgebracht onmiddellijk nadat ze voor het verbruik werden aangegeven.
Die vrijstelling geldt eveneens, wanneer de exporteur van de goederen deze met eigen vervoermiddelen vervoert, voor zover de diensten worden verricht op het tijdstip waarop het vaststaat dat de goederen bestemd zijn om naar het buiten- land te worden overgebracht en de goederen zich op dat tijdstip in dezelfde staat bevinden als op het tijdstip waarop ze de grens overschrijden (z. nr.22).
Verder dient te worden opgemerkt dat de vrijstelling niet beperkt wordt tot die bijkomende diensten waarmee vervoer noodzakelijk gepaard gaat.
Vereist wordt maar alleen dat aan de twee genoemde voorwaarden wordt voldaan.
35. Indeling van de bijkomende diensten.
De bijkomende diensten bij vervoer kunnen worden ingedeeld in vijf reeksen.
1 o de diensten van intellectuele aard die gewoonlijk worden verricht door vervoerders of door tussenpersonen bij vervoer die op het stuk van de BTW met een vervoerder worden gelijkgesteld, alsmede de diensten door scheepsagenten en luchtvaartagenten als agent verleend aan rederijen en luchtvaartmaatschappijen,
2 o de diensten verricht ten behoeve van de exploitatie van zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen;
3 o de diensten ten behoeve van goederen verricht naar aanleiding van vervoer;
4 o de verhuur van middelen tot vervoer, tot verpakking en tot beveiliging van goederen;
5 o de diensten ten behoeve van passagiers en bemanningen.
36. Eerste reeks. Tot deze reeks behoren de diensten van intellectuele aard die gewoonlijk door vervoerders of tussenpersonen bij vervoer worden verricht met betrekking tot het tot stand komen of de uitvoering van handelingen genoemd in artikel 41, §§ 1 tot 2, van het Wetboek, zoals
1 o het opstellen en het verzenden van vrachtbrieven, cognossementen of andere vervoerdocumenten;
2 o het vervullen van consulaire en administratieve formaliteiten;
3 o het overbrengen van berichten door middel van telecommunicatie;
4 o het voorschieten van geld en het stellen van borgtocht, wanneer die handelingen verricht worden om een verzending tot een goed einde te brengen, met uitsluiting van handelingen met betrekking tot betaling en invordering van in- en verkoopprijzen van goederen.
Tot deze afdeling behoren ook de diensten verricht door scheepsagenten en luchtvaartagenten.
De vrijstelling heeft inzonderheid betrekking op de algemene representatiekosten, agentuurbezoldiging genoemd (in het Engels "agency fee"), en de commissies op de vrachten.
Scheepsagenten en luchtvaartagenten hebben vaak een dubbele werkzaamheid. Enerzijds handelen zij als lasthebber, in naam en voor rekening van hun opdrachtgever, bij het tot stand komen van vervoerdiensten en bijkomende diensten bij vervoer en, anderzijds, verrichten zij vaak handelingen op de wijze als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Wetboek (z. nr. 4). In het eerste geval handelen zij als agent. In het tweede geval dienen zij als vervoerders te worden aangemerkt, zodat de regeling die geldt voor het vervoer op deze werkzaamheid van toepassing is.
37. Tweede reeks. Tot deze reeks behoren al de diensten die in nauw verband staan met de exploitatie, als vervoermiddel, van zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen, zoals:
1 o De diensten ten behoeve van de aan- en afvaart en het verblijf van zeeschepen en binnenschepen in de havens, zoals het loodsen, met inbegrip van de prestaties van roergangers en het vervoer van loodsen tussen het loodskantoor en het schip, het praaien, het slepen en het duwen, het jagen en het verhalen, het meren en al de prestaties die daarmee verband houden, het bewaken en het beveiligen van schepen en boten tegen brandgevaar.
2 o De diensten ten behoeve van het landen, opstijgen en verblijf van luchtvaartuigen op de luchthavens, zoals het verlenen van hulp bij de maneuvers van vliegtuigen op de grond, het aanbrengen en wegnemen, van stelwiggen en van veiligheidsinrichtingen voor onderstellen en landingskleppen, het slepen van vliegtuigen, het op gang brengen van motoren, het bewaken en het beveiligen van vliegtuigen tegen brandgevaar, het aanbrengen en het wegnemen van toegangstrappen.
3 o Het gebruik van de instellingen van havens, luchthavens en binnenwateren. Onder meer worden bedoeld: het gebruik van kranen, kaaimuren, steigers, meerpalen, bolders, dukdalven; de diensten verricht door sluiswachters en brugwachters; het gebruik van landingsbanen, startbanen; de verbindingen, door telecommunicatie, met zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen; het gebruik van radarinstallaties.
38. Derde reeks. Tot deze reeks behoren al de diensten die met betrekking tot vervoerde goederen worden verricht, vóór de aanvang of na afloop van het vervoer, zoals
1 o het laden in schepen, boten, luchtvaartuigen, spoorwagens, vrachtwagens en andere vervoermiddelen;
2 o het lossen uit vervoermiddelen;
3 o het overslaan van goederen uit een vervoermiddel in een ander vervoermiddel;
4 o het overpompen van vloeibare produkten, met of zonder verwarming, bij laden of lossen;
5 o het stuwen (of stouwen), ontstuwen, verstuwen, trimmen (een schip in evenwicht brengen door verplaatsing van de lading);
6 o het wegen, meten, peilen; de controle en de ambtshalve in ontvangstneming van de goederen; het tellen van vaten, zakken en balen; de hulpverlening bij deze handelingen en de controle erop; het in ontvangstnemen van goederen, het nemen en het analyseren van monsters; het opmaken van gewicht- of meetnota's, luiklijsten en tallylijsten; het opmaken van rapporten en getuigschriften in verband met het meten, wegen en andere handelingen die verband houden met de in ontvangstneming van de goederen;
7 o het beveiligen van goederen tegen slecht weer, diefstal, brandgevaar en ander gevaar voor verlies of vernieling;
8 o het verpakken, overpakken en het uitpakken van goederen, voor zover deze handelingen verricht worden ten behoeve van het vervoer van de goederen, zoals: het verpakken van goederen in kisten, kratten of vaten, het palletteren van goederen, het opzakken, het opensnijden van zakken, het samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen, het inladen in containers, het uitladen uit containers, het schoren en het ontschoren van goederen; de controle op voorgaande handelingen;
9 o het klasseren en het sorteren van goederen met het oog op het vervoer of het opbergen; het stofvrij maken en het ontsmetten van goederen;
10 o het verplaatsen van goederen met bijzondere toestellen op kaaien en in opslagplaatsen;
11 o het merken van vaten, zakken, enz.; het etiketteren, het verzegelen van goederen, containers en vervoermiddelen;
12 o het reinigen van vervoermiddelen, containers, tanks, vaten en palletten;
13 o het opbergen en het bewaren van goederen en al de diensten die met deze handelingen verband houden, zoals het overpompen in silo's of tanks, de levering van warmte of koude, het behandelen van goederen in opslagplaatsen, silo's en tanks; het reinigen er ontsmetten van opslagplaatsen en tanks; de ligbevrachting.
39. Vierde reeks. Tot deze reeks behoren de verhuren van middelen tot vervoer, verpakking en beveiliging van goederen. Alleen de werkelijke verhuren worden hier bedoeld. Als verhuur wordt niet aangemerkt, het ter beschikking stellen van een vervoermiddel samen met het bedienend personeel.
Deze dienst is in dat geval een vervoerdienst (z. nr. 2).
Onder middelen tot vervoer moet worden verstaan, alle toestellen waarmee goederen kunnen worden verplaatst.
Als middelen tot verpakking worden onder meer aangemerkt : de vaten, containers, kisten en laadborden (palletten).
Als middelen tot beveiliging van goederen worden onder meer aangemerkt : zeilen, brandblustoestellen.
40. Vijfde reeks. Tot deze reeks behoren de diensten ten behoeve van passagiers en bemanning verleend voor rekening van rederijen en luchtvaartmaatschappijen. Inzonderheid bedoeld worden
1 o het vervoer van passagiers en van bemanning vanuit de haven of luchthaven naar de stad, of omgekeerd;
2 o het vervoer, ander dan onder 1 o, voor zover het vrijgesteld is in de relatie van vervoerder tot reiziger (z. nr. 18);
3 o logies, eetmalen en dranken aan bemanning verschaft in afwachting van de inscheping;
4 o logies, eetmalen en dranken verschaft aan passagiers, voor zover die diensten vrijgesteld zijn in de relatie van vervoerder tot reiziger (z. nr. 18);
5 o het wassen en het reinigen van scheepslinnen.
De vrijstelling wordt echter afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de kosten aangerekend moeten worden aan een rederij of luchtvaartmaatschappij.
41. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Degene die met betrekking tot een ontvangen of verleende bijkomende dienst bij vervoer aanspraak wenst te maken op de vrijstelling, moet de rechtmatigheid van die aanspraak aantonen aan de hand van stukken en bescheiden.
In veel gevallen zal degene die alleen een bijkomende dienst bij vervoer verricht, zonder met het vervoer belast te zijn, in de onmogelijkheid verkeren om door stukken van zijn administratie het schriftelijk bewijs van de vrijstelling te leveren.
Voor die gevallen neemt de administratie aan dat een schriftelijk order van de opdrachtgever als genoegzaam bewijsmiddel kan gelden. In dit order moet uitdrukkelijk worden vermeld dat de opgedragen dienst met vrijstelling van de belasting moet worden gefactureerd bij toepassing van artikel 41 van het Wetboek.
Dit schriftelijk order mag echter achterwege blijven, wanneer de dienst, wegens de aard ervan, onbetwistbaar verband houdt met een vrijgesteld vervoer. Dit is inzonderheid het geval voor de navolgende diensten:
1 o diensten verricht ten behoeve van zeeschepen, zoals het meren, slepen, enz. (z. nr. 37);
2 o diensten verricht ten behoeve van luchtvaartuigen, die kennelijk alleen in het internationaal verkeer worden gebruikt (z. nr. 37);
3 o diensten verricht aan boord van zeeschepen of luchtvaartuigen die kennelijk alleen in het internationaal verkeer worden gebruikt;
4 o het laden en lossen en andere daarmee verband houdende handelingen, met betrekking tot zeeschepen en luchtvaartuigen die kennelijk alleen in het internationaal verkeer worden gebruikt;
5 o de diensten van intellectuele aard, als bedoeld onder nr. 36.
In de gevallen vermeld onder 1 o tot 4 o moet op de factuur en op de kopiefactuur echter de naam van het schip of het registratienummer van het vliegtuig worden vermeld.
Degene die de dienst ontvangt, kan de rechtmatige aanspraak op de vrijstelling aantonen aan de hand van stukken en bescheiden uit zijn administratie.
Hoofdstuk IV.- De diensten van makelaars en lasthebbers.
42. Inleiding. In dit hoofdstuk worden alleen de diensten toegelicht verricht door tussenpersonen bij vervoer die, op het stuk van de BTW, als makelaar of lasthebber worden aangemerkt. Ten aanzien van de tussenpersonen die ingevolge het BTW-Wetboek met een vervoerder of met een ondernemer van bijkomende diensten bij vervoer worden gelijkgesteld (z. nr. 4), geldt de regeling welke op die diensten toepasselijk is.
De omstandigheid dat op gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht bepaalde tussenpersonen als werkelijke lasthebber worden aangemerkt, is dus op zich zelf niet voldoende. Vereist wordt bovendien dat makelaars of lasthebbers niet handelen op de wijze, als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het wetboek (z. nr. 4).
43. Makelaars en lasthebbers. Makelaar is ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die tegen vergoeding twee of meer personen tot elkander brengt met het oog op het sluiten van een contract. De omstandigheid dat een makelaar borg staat of optreedt bij de betaling van de prijs, ontneemt hem niet de hoedanigheid van makelaar, voor zover hij niet handelt op de wijze, als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het Wetboek (z. nr. 4).
Lasthebber is ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een overeenkomst sluit in naam en voor rekening van een ander, lastgever genoemd, en overigens niet handelt op de wijze, als wordt bedoeld in artikel 13, § 2, van het Wetboek (z. nr. 4).
Iemand kan tegelijk als lasthebber en als makelaar handelen.
Makelaars en lasthebbers zijn dienstverrichters. De dienst welke zij aan hun opdrachtgevers verlenen is bemiddeling of verlening van tussenkomst.
44. Plaats van gebruik van door makelaars of lasthebbers verleende diensten. Ten aanzien van door makelaars of lasthebbers verleende diensten, werd als regel aangenomen dat die diensten geacht worden te zijn gebruikt op de plaats waar de handelingen worden gebruikt, waarvoor zij bij de totstandkoming tussenkomst hebben verleend (z. art. 1, 9 o, van het koninklijk besluit nr. 5, van 6 februari 1970). Het verlenen van tussenkomst door een makelaar bij het tot stand komen van een vervoerdienst die hier te lande wordt verricht, is een dienst die geacht wordt hier te lande te zijn gebruikt. Daarentegen is het verlenen van tussenkomst door een makelaar bij het tot stand komen van een vervoerdienst die in het buitenland plaatsheeft, een dienst die geacht wordt in het buitenland te zijn verricht.
Wanneer een makelaar bemiddeling verleent bij een vervoerdienst die slechts voor een gedeelte hier te lande wordt verricht, wordt de door die makelaar verleende dienst geacht hier te lande te zijn gebruikt naar evenredigheid van het gedeelte van het traject dat hier te lande wordt afgelegd.
45. Vrijgestelde diensten. Vrijgesteld zijn de diensten verricht door makelaars en lasthebbers die tussenkomst verlenen bij het tot stand komen van vervoerdiensten en bijkomende diensten bij vervoer die ingevolge artikel 41, 3§ 1 en 2, van het Wetboek en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 6 februari 1970, van de belasting zijn vrijgesteld.
46. Bewijs van rechtmatige aanspraak. Degene die met betrekking tot een verleende of ontvangen dienst aanspraak wenst te maken op de vrijstelling van artikel 41, § 3, 1 o, van het Wetboek, moet de rechtmatigheid van die aanspraak aantonen aan de hand van stukken en bescheiden.
In de regel moet de makelaar of lasthebber in het bezit zijn van een schriftelijk order, hem door de opdrachtgever uitgereikt, waarin uitdrukkelijk vermeld moet staan dat de dienst waarvoor hij tussenkomst verleent, ingevolge artikel 41, § 1, of § 2, van het Wetboek, van de belasting is vrijgesteld.
Dit order mag echter achterwege blijven, in de navolgende gevallen:
1 o ten aanzien van verkopen van passagebiljetten voor zeevervoer van personen en voor internationaal luchtvervoer van personen, mag de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van het dubbel van het reisbiljet of van de stok van het boekje waaruit reisbiljetten worden gescheurd, voor zover de vermeldingen op het dubbel of de stok geen twijfel omtrent de rechtmatige aanspraak laten bestaan;
2 o wanneer, op het stuk van goederenvervoer, de makelaar of de lasthebber vervoerdocumenten ondertekenen in naam en voor rekening van de vervoerder of van de inlader, kan de aanspraak op de vrijstelling worden aangetoond aan de hand van die vervoerdocumenten;
3 o wanneer de makelaar of de lasthebber, in plaats van een factuur aan de opdrachtgever uit te reiken, van deze een commissienota ontvangen, waarop uitdrukkelijk vermeld staat dat de provisie (commissie) van de belasting is vrijgesteld ingevolge artikel 41, § 3, 1 o, van het Wetboek. Deze commissienota moet in duplo worden opgemaakt. Een exemplaar wordt door de makelaar of lasthebber bewaard, na ingeschreven te zijn in het boek voor uitgaande facturen. Het andere exemplaar wordt teruggezonden naar de opdrachtgever, voorzien van de vermelding: " Ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen onder nr.... ".
Hoofdstuk V.- Het vervullen van douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer of doorvoer.
47. Inleiding. Ingevolge artikel 41, § 3, 2 o, van het Wetboek, wordt het vervullen van douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer of doorvoer van de belasting vrijgesteld.
48. Bepaling. Bij grensoverschrijding van goederen moeten bepaalde formaliteiten worden vervuld. Sommige ervan worden opgelegd met het oog op betaling van invoerrechten of andere belastingen.
Andere hebben helemaal geen betrekking op belastingsformaliteiten, maar moeten ook worden verricht.
Onder douaneformaliteiten, als bedoeld in artikel 41, § 3, 2 o, van het Wetboek, wordt verstaan, welke formaliteiten ook die verband houden met grensoverschrijding, zelfs wanneer het formaliteiten betreft die helemaal geen betrekking hebben op belastingen, van welke aard ook.
Opgemerkt dient te worden dat aanspraak op de vrijstelling kan worden gemaakt, ongeacht de richting van het grensoverschrijdend verkeer en welke ook de hoedanigheid of het beroep is van de- gene die douaneformaliteiten vervult.
49. Grensexpediteur. Het beroep van grensexpediteur wordt geregeld in het koninklijk besluit van 22 augustus 1934. Ingevolge dit koninklijk besluit wordt onder grensexpediteur verstaan, ieder, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die beroepshalve op zijn naam maar voor rekening van derden, douaneformaliteiten vervult bij invoer, uitvoer of doorvoer. De vrijstelling van artikel 41, § 3, 2 o, van het Wetboek heeft betrekking op de prestaties die door grensexpediteurs in de normale uitoefening van die beroepswerkzaamheid worden verricht.
Doch wanneer een grensexpediteur aan zijn klanten andere diensten verleent, zoals vervoer en bewaring van goederen, dan zijn de eigen regels welke voor die dienster gelden toepasselijk.
Namens de Minister:
De Directeur-generaal,
C. SCAILTEUR
Bron: FisconetPlus
