Circulaire nr. Ci.RH.243/464.688 dd. 26.04.1995

CIRC 26.04.95/1

Circulaire nr. Ci.RH.243/464.688 dd. 26.04.1995


Bull. nr. 750, pag. 1440

PENSIOEN
Afhouding op pensioen.

SOCIALE BIJDRAGE
Afhouding op pensioen.


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

INLEIDING

1. Overeenkomstig art. 68, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (V 2298 - Bull. 739), gewijzigd door art. 53, W 21.12.1994 houdende sociale en diverse bepalingen (V 2350 - Bull. 746), wordt vanaf 1.1.1995 een afhouding verricht op sommige pensioenen en aanvullende voordelen die vanaf diezelfde datum worden betaald.

Die afhouding, welke volgens de Memorie van toelichting een solidariteitsbijdrage is die tot doel heeft de onderlinge solidariteit tussen de gepensioneerden te versterken (cf. Senaat, zitting 1993-1994 van 9.2.1994, doc. 980-1, blz. 12), varieert naargelang het totaal maandelijks brutobedrag van die pensioenen en voordelen en naargelang het een alleenstaande begunstigde of een begunstigde met gezinslast betreft.

Daar die materie als dusdanig uiteraard niet tot de bevoegdheid van de administratie der directe belastingen behoort, wordt er hier niet verder op ingegaan.

De hiernavolgende onderrichtingen betreffen dan ook uitsluitend de weerslag van die maatregel op het vlak van de fiscaliteit. Voor een goed begrip zijn de wettekst en de tekst van het KB waarnaar in deze circulaire verwezen wordt, als bijlagen toegevoegd.

SOCIALE BIJDRAGEN

2. Overeenkomstig het vierde lid van het hogervermelde art. 68 zijn de beoogde afhoudingen aftrekbare beroepskosten in de zin van art. 52, 7°, WIB 92.

Dit betekent dat die afhoudingen voor de toepassing van de personenbelasting moeten aangemerkt worden als persoonlijke bijdragen die verschuldigd zijn ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen van het toepassingsgebied van de sociale wetgeving uitsluit.

BEDRIJFSVOORHEFFING EN INDIVIDUELE FICHES

3. Krachtens art. 3 van het KB 28.10.1994 tot uitvoering van art. 68, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (V 2352, Bull. 746), wordt de beoogde afhouding op het pensioen verricht door de rechtspersoon die wettelijk belast is met de betaling van het Belgisch pensioen.

Dit houdt in dat die afhouding, mede gelet op het bepaalde in nr. 2 hiervoor, in mindering van het brutobedrag van het desbetreffende pensioen moet gebracht worden :



a)voor de vaststelling van de grondslag die moet dienen voor de berekening van de verschuldigde BV;
b)voor de vaststelling van het op de individuele fiches 281.11 en 281.14 te vermelden belastbare bedrag van dat pensioen.
MEDEDELING AAN HET R.I.Z.I.V.

4. Krachtens art. 2, § 3 van het voormelde KB 28.10.1994, moet de administratie der directe belastingen aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de identiteit mededelen van elke persoon die één of meer pensioenen en/of aanvullende voordelen genoten heeft. Deze mededeling moet eveneens de bedragen van de uitgekeerde pensioenen en aanvullende voordelen bevatten, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van kapitaal betaalde voordelen betreft.

De wijze waarop de uitwisseling van die gegevens zal geschieden, zal bij een afzonderlijke instructie worden medegedeeld.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal;
De Auditeur-generaal,


M. CHERPION


BIJLAGE 1

Gecoördineerde tekst van art. 68, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (gewijzigd door art. 53, W 21.12.1994 houdende sociale en diverse bepalingen).

Art. 68. De wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of elk ander als zodanig geldend voordeel, evenals elk voordeel bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij met toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij met toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst, zijn onderworpen aan een afhouding die varieert naargelang het totaal maandelijks brutobedrag van de hierboven gedefinieerde diverse pensioenen en andere voordelen en naargelang de begunstigde van deze pensioenen of andere voordelen alleenstaand is of gezinslast heeft.

De in het eerste lid bepaalde afhouding, die vanaf 1 januari 1995 zal worden verricht op de pensioenen en andere voordelen die vanaf diezelfde datum betaald worden, wordt berekend volgens de hieronderstaande tabel : ------------------------------------------------------------------------ Alleenstaande begunstigde ------------------------------------------------------------------------ P = Totaal maandelijks brutobedrag van de | pensioenen en andere voordelen | Bedrag van de afhouding begrepen tussen : | ------------------------------------------|----------------------------- van 1 tot 40 000 | 0 van 40 001 tot 40 403 | (P - 40 000) x 50 % van 40 404 tot 50 000 | P x 0,005 van 50 001 tot 50 510 | 250 + (P - 50 000) x 50 % van 50 511 tot 60 000 | P x 0,01 van 60 001 tot 60 618 | 600 + (P - 60 000) x 50 % van 60 619 tot 70 000 | P x 0,015 van 70 001 tot 70 728 | 1 050 + (P - 70 000) x 50 % hoger dan 70 728 | P x 0,02 ------------------------------------------------------------------------ De bedragen in de tabel zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 114,89 en worden aangepast op dezelfde manier als de pensioenen naargelang de indexering van deze laatste uitgevoerd wordt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, of van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Als voor eenzelfde begunstigde sommige van zijn pensioenen worden geïndexeerd volgens de bepalingen van voormelde wet van 2 augustus 1971, terwijl zijn andere pensioenen worden geïndexeerd volgens de bepalingen van voormelde wet van 1 maart 1977, mag de indexering van de bedragen in de tabel er niet toe leiden dat de schijf waarin het totale bedrag van de pensioenen ondergebracht moet worden, gewijzigd wordt.

Artikel 52, 7°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 is van toepassing op de krachtens dit artikel verrichte afhouding.

De Koning bepaalt :



wat verstaan moet worden onder alleenstaande begunstigde en onder begunstigde met gezinslast in de zin van dit artikel;
welke instellingen met de afhouding worden belast en in welke gevallen de afhouding aan het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels wordt gestort;
de wijze waarop de door de instelling te innen afhouding wordt vastgesteld en de berekeningselementen waarmee hierbij rekening moet worden gehouden;
de pensioenen waarop de afhouding daadwerkelijk wordt verricht en de volgorde waarin deze afhouding tot beloop van het geheel of een gedeelte op deze pensioenen moet worden toegepast.
BIJLAGE 2

Koninklijk besluit van 28.10.1994 tot uitvoering van artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen (BS 29.12.1994)

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, inzonderheid artikel 68;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 13 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de overheidsinstellingen die met het beheer van de diverse pensioenstelsels zijn belast tijdig alle nodige schikkingen moeten kunnen treffen om, in onderling overleg, vanaf 1 januari 1995 uitvoering te verlenen aan de door artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen ingestelde maatregel;

Op de voordracht van onze Minister van Pensioenen en van Onze Minister van Sociale Zaken,

Hebben Wij besloten en besluiten wij :



Artikel1. - Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan :
a) onder "pensioen" elk wettelijk, reglementair of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel alsook de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht de oorsprong ervan en ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van kapitaal uitbetaalde voordelen betreft.

Worden eveneens als pensioen aanzien de invaliditeitspensioenen van de administratieve en militaire personeelsleden, van de magistraten en van de agenten van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, betaald ten laste van de Schatkist wegens bewezen diensten in Afrika;

b) onder "aanvullend voordeel" elk voordeel bedoeld als aanvulling van een pensioen zelfs als dit laatste niet is verworven en toegekend hetzij in toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij in toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van kapitaal betaalde voordelen betreft.

Wordt niet als een aanvullend voordeel voorzien het vakantiegeld en het aanvullend vakantiegeld, de eindejaarstoelage, de verwarmingstoelage en de bijzondere bijslag voor zelfstandigen;

c) onder "afhouding" het bedrag en/of het percentage bedoeld bij artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;


d) onder "begunstigde met gezinslast", naar gelang van het geval :


1° de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste geen andere beroepsinkomsten heeft dan deze voortspruitend uit toegelaten arbeid, zoals voorzien in de pensioenregeling voor werknemers, noch in het genot is van een sociaal voordeel krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of van een gelijkaardige vergoeding krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht;

2° de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot van wie het pensioenbedrag hetzij in toepassing van artikel 10, § 4, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hetzij in toepassing van artikel 3, § 8, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemerspensioenen en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn werd verminderd;

3° de gehuwde begunstigde die gescheiden leeft van zijn echtgenoot, de niet gehuwde begunstigde, de uit de echt gescheiden begunstigde of de langstlevende echtgenoot op voorwaarde dat hij uitsluitend samenwoont met één of meer kinderen waarvan tenminste één recht geeft op kinderbijslag;

e) onder "alleenstaande begunstigde" iedere andere dan onder littera d) bedoelde begunstigde;

f) onder "Rijksinstituut" het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;

g) onder "uitbetalingsorganisme" de rechtspersoon die de betaling van het pensioen of van het aanvullend voordeel verzekert;

h) onder "instelling" de rechtspersoon die wettelijk met de betaling van Belgische pensioenen is belast.

Art. 2. § 1. De uitbetalingsorganismen delen ambtshalve de aan de gerechtigde verrichte uitkeringen van pensioenen en/of aanvullende voordelen, waarvan zij in uitvoering van hun opdracht kennis hebben, mede aan het Rijksinstituut. De aangiften tot staving van de verrichte uitkeringen moeten aan het Rijksinstituut worden meegedeeld in de vorm voorgeschreven door de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, binnen de maand volgend op deze waarin het pensioen, en/of aanvullend voordeel werd betaald.

§ 2. Ieder persoon aan wie door buitenlandse instellingen en/of instellingen van internationaal publiek recht pensioenen en/of aanvullende voordelen worden toegekend, is ertoe gehouden de bedragen ervan aan te geven bij het Rijksinstituut binnen de in § 1 bedoelde termijn.

§ 3. De administratie van directe belastingen deelt aan het Rijksinstituut de identiteit van elke persoon mede, die één of meer pensioenen en/of aanvullende voordelen genoten heeft. Deze mededeling bevat eveneens de bedragen van de uitgekeerde pensioenen en aanvullende voordelen, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van kapitaal betaalde voordelen betreft.

§ 4. Het Rijksinstituut stelt op basis van de eraan meegedeelde gegevens het bedrag en/of het afhoudingspercentage vast dat krachtens artikel 68 van voormelde wet van 30 maart 1994 moet worden verricht.

Het Rijksinstituut deelt aan de instellingen de volgende gegevens mee :

  • de bedragen van de verschillende pensioenen van eenzelfde begunstigde evenals het uitbetalingsorganisme ervan;
  • het bedrag en/of het percentage van de in het eerste lid bedoelde afhouding;
  • de datum vanaf welke de afhouding moet worden verricht;
  • of het een begunstigde met gezinslast of een alleenstaande begunstigde betreft;
  • iedere wijziging aan de voormelde gegevens.


Bovendien deelt het Rijksinstituut aan de instelling die, volgens de in artikel 3, § 2, tweede lid bedoelde rangorde, bij voorrang belast is met de toepassing van de afhouding, de volgende gegevens mee :

  • de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsorganismen betaalde pensioenbedragen, bedoeld in § 2;
  • de ten titel van aanvullend voordeel, betaalde bedragen.


Indien het bedrag van het pensioen toegekend door de instelling die bij voorrang belast is met de toepassing van de afhouding met betrekking tot de in het derde lid bedoelde bedragen, niet voldoende is om de gehele afhouding uit te voeren, deelt voormelde instelling het saldo van de nog toe te passen afhouding mee aan de instelling die, volgens dezelfde rangorde, belast is met de uitvoering van de afhouding ten belope van dat saldo.

Voor de pensioenen die onderworpen zijn aan de afhouding ten gunste van het in artikel 3, § 4, bedoelde Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels, deelt het Rijksinstituut de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens eveneens mee aan de Administratie der Pensioenen.

Art. 3. § 1. De instellingen verrichten vanaf de ingangsdatum van het pensioen, doch ten vroegste vanaf 1 januari 1995, op basis van het door het Rijksinstituut meegedeelde percentage de afhouding op de door hen betaalde pensioenen.

§ 2. De in § 1 bedoelde afhouding wordt verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de som van de door buitenlandse of internationale instellingen betaalde pensioenen en van de aanvullende voordelen vermenigvuldigd met de door het Rijksinstituut meegedeelde percentages.

Het aldus vastgestelde bedrag wordt, overeenkomstig de hierna vastgestelde volgorde, door de instelling in mindering gebracht op :

1° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de regeling voor werknemers;

2° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de regeling voor zelfstandigen;


3° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Schatkist;


4° de rustpensioenen ten laste van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden toepasselijk is verklaard;

5° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen of ten laste van het stelsel van de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke besturen;

6° de rustpensioenen ten laste van De Post en de Regie voor maritiem transport;

7° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Nationale Maatschappij der Spoorwegen;

8° de rustpensioenen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;

9° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Dienst voor Overzeese sociale zekerheid;

10° de rust- en overlevingspensioenen, andere dan bedoeld onder 5°, ten laste van de plaatselijke besturen of ten laste van door deze plaatselijke besturen opgerichte instellingen van openbaar nut, met inbegrip van deze die aan hun mandatarissen worden toegekend;

11° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van aan de Gewesten en Gemeenschappen onderworpen instellingen van openbaar nut, andere dan deze bedoeld onder 4°;

12° de hiervoor niet opgenomen rust- en overlevingspensioenen ten laste van de machten en instellingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen.

Indien er samenloop van pensioenen is waarvoor eenzelfde orde van prioriteit is vastgesteld, wordt het bedrag eerste op het grootste pensioen in mindering gebracht, zonder dat een latere verhoging van de pensioenen een wijziging van de vastgestelde volgorde tot gevolg kan hebben.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van de §§ 1 en 2 verricht elke instelling ambtshalve een afhouding waarvan het bedrag en/of percentage ten minste overeenstemt met dit dat op basis van de door hem betaalde pensioenen en aanvullende voordelen had moeten worden verricht.

§ 4. De instellingen storten, met uitzondering van de Rijksdienst voor pensioenen, maandelijks de opbrengst van de afhouding in het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels.

Art. 4. § 1. Voor de vaststelling van het in artikel 2, § 4, bedoelde bedragen en/of percentages worden de pensioenen en aanvullende voordelen die niet maandelijks worden betaald, in maandbedragen omgezet.

§ 2. Indien een pensioen en/of aanvullend voordeel in kapitaal werd betaald, wordt het op de volgende wijze in een fictieve rente omgezet.

De omzetting geschiedt door het bedrag van het kapitaal te delen door de coëfficiënt die, volgens de van kracht zijnde barema's inzake de omzetting in kapitaal van arbeidsongevallenrenten in de openbare dienst, overeenstemt met de leeftijd van de betrokkene op de dag van de betaling van het kapitaal. Indien het kapitaal niet ineens wordt betaald, geschiedt een omzetting voor elke gedeeltelijke betaling. Wanneer het pensioen op het ogenblik van de betaling van het kapitaal nog niet is ingegaan wordt de leeftijd van de betrokkene op het ogenblik van de betaling van het kapitaal voor de omzetting vervangen door de leeftijd op het ogenblik van de ingang van het pensioen.

Het bedrag van de overeenkomstig het tweede lid berekende fictieve rente wordt verbonden aan de spilindex die, op de datum van de betaling van het kapitaal, gebruikt werd voor de indexering van het pensioen en wordt aan de latere schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen gekoppeld overeenkomstig de bepalingen van het derde lid van artikel 68 van voornoemde wet van 30 maart 1994.

Art. 5. § 1. Elk uitbetalingsorganisme dat nalaat aan het Rijksinstituut de in artikel 2, § 1, bedoelde aangifte in de vorm en binnen de termijn die zijn voorgeschreven te verschaffen, is gehouden tot het betalen van een forfaitaire vergoeding van 1.000 frank, vermeerderd met 100 frank per rechthebbende en met 100 frank per gedeelte van 100.000 frank gestort pensioen.

§ 2. De gerechtigde die nalaat de in artikel 2, § 2, bedoelde aangifte te doen is gehouden tot de betaling van een vergoeding die gelijk is aan 10 % van de verschuldigde achterstallige inhouding.

Art. 6. Het Rijksinstituut is belast met de invordering van de in de artikel 5 bedoelde vergoedingen.

De invordering van die vergoedingen kan eveneens geschieden door tussenkomst van het bestuur van Registratie en Domeinen, dat de inning ervan zal verrichten overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

Art. 7. Het Rijksinstituut duidt de ambtenaren aan die belast zijn met de controle op de uitvoering van dit besluit. Het vordert te dien einde de medewerking van de administraties, organismen en diensten die pensioenen en/of aanvullende voordelen toekennen en/of uitbetalen.

Art. 8. De werkingskosten die voor het Rijksinstituut uit hoofde van de toepassing van artikel 68 van de voormelde wet van 30 maart 1994 ontstaan, worden jaarlijks verhaald op het in artikel 3, § 4 bedoelde Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels.


Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1995.


Art. 10. Onze Minister van Pensioenen en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 28 oktober 1994.

ALBERT


Van Koningswege :


De Minister van Pensioenen,

M. COLLA.


De Minister van Sociale Zaken,

Mevr. M. DE GALAN