Circulaire 2021/C/103 betreffende de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam

D.I. .561; Europese Unie; Vietnam; Oorsprong; Preferentiële oorsprong; Oorsprongsregels; REX; Toegelaten exporteur; Vrijhandelsovereenkomst

FOD Financiën, 15.12.2021
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstabel

Circulaire 2021/C/103 betreffende de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam

Inleiding

Deel I: Algemene bepalingen

1. Wettelijke basis

2. Definities

3. Algemene bepalingen – oorsprongsregels

Het begrip ‘producten van oorsprong’

3.1. Producten van oorsprong

3.2. Cumulatie van de oorsprong

3.3. Volledig verkregen producten

3.4. Toereikende be- of verwerking

3.5. Ontoereikende be- of verwerking

3.6. In aanmerking te nemen eenheid

3.7. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

3.8. Stellen of assortimenten

3.9. Neutrale elementen

3.10. Gescheiden boekhouding

Territoriale voorwaarden

3.11. Territorialiteitsbeginsel

3.12. Geen wijziging

3.13. Tentoonstellingen

4. Algemene bepalingen – Bewijs van oorsprong

4.1. Algemene voorwaarden

4.2. Procedure voor de afgifte van een certificaat van oorsprong

4.3. Achteraf afgegeven certificaten van oorsprong

4.4. Afgifte van een duplicaat van het certificaat van oorsprong

4.5. Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring

4.6. Toegelaten exporteur

4.7. Geldigheid van het bewijs van oorsprong

4.8. Overlegging van het bewijs van oorsprong

4.9. Invoer in deelzendingen

4.10. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong

4.11. Bewijsstukken

4.12. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken

4.13. Verschillen en vormfouten

Regelingen voor administratieve samenwerking

4.14. Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

4.15. Controle van bewijzen van oorsprong

4.16. Geschillenbeslechting

4.17. Sancties

4.18. Vertrouwelijkheid

Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur (REX) – REX database

1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

2. Verplichtingen van de autoriteiten

3. Toegangsrechten tot de database

4. Gegevensbescherming

5. Bekendmaking

6. Verplichtingen van exporteurs

Deel III: Bewijzen van oorsprong – praktische bepalingen

1. Herinnering aan de bepalingen inzake de bewijzen van oorsprong

1.1. Bewijzen van oorsprong voor producten van oorsprong uit de EU die naar Vietnam worden uitgevoerd

Voorwaarden voor het opstellen van een attest van oorsprong

Formulering van het attest van oorsprong en moment voor het opstellen ervan

Geldigheidsperiode van het attest van oorsprong

Indiening van het attest van oorsprong

Ondertekening van het attest van oorsprong

1.2. Bewijzen van oorsprong voor producten van oorsprong uit Vietnam die worden uitgevoerd naar de EU

Voorwaarden voor het opstellen

Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Retroactieve afgifte van het certificaat EUR.1

De oorsprongsverklaring

Geldigheid van het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaring

1.3. Handelsdocument dat kan worden gebruikt voor het attest van oorsprong (EU) of de oorsprongsverklaring (Vietnam)

1.4. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken

1.5. Vervanging van bewijzen van oorsprong in de EU

1.6. Bepalingen betreffende cumulatie

2. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na de invoer

3. De codes van de douaneaangifte

Deel IV: Vergelijking tussen het SAP en de Vrijhandelsovereenkomst

1. Systeem van Algemene Tariefpreferenties (SAP)

2. Tariefverschillen

3. Bewijs van oorsprong SAP

Deel V: Controle

1. Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

2. Controle van de bewijzen van oorsprong

3. Verschillen en vormfouten

Deel VI: Andere bepalingen

1. Opmerkingen bij productspecifieke regels voor Hoofdstukken 19 en 62

2. De no-drawbackbepaling

3. Ceuta en Melilla

4. Bewijs van oorsprong wanneer de zendingen zijn gesplitst in een land van doorvoer

5. Aanvullende informatie en contactpunten

5.1. Aanvullende informatiebronnen

5.2. Contact

BIJLAGEN

Bijlage I – Hoofdstuk 4: Douane en handelsbevordering

Bijlage II – Model van het certificaat van oorsprong

Bijlage III - Inleidende aantekeningen bij de lijst van vereiste be- of verwerking

Bijlage IV – Toelichtingen bij het Protocol

Inleiding

§1. Op 12 juni 2020 werd het Besluit (EU) 2020/753 van de Raad van 30 maart 2020 betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst (hierna: ‘de Overeenkomst’) tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam (hierna: de Partijen) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L186. Ze is op 1 augustus 2020 officieel in werking getreden.

Deze Overeenkomst heeft als gevolg een bijna volledige afschaffing van de douanerechten tussen de twee Partijen. Sinds de inwerkingtreding heeft de Overeenkomst de afschaffing of verlaging van de douanerechten op bijna 65 % van de goederen die uit de EU naar Vietnam worden uitgevoerd, mogelijk gemaakt. De resterende rechten zullen geleidelijk worden afgeschaft over een periode van tien jaar.

Bovendien heeft de Overeenkomst ook tot doel een aantal niet-tarifaire belemmeringen weg te nemen en de Vietnamese dienstenmarkten en overheidsopdrachten open te stellen voor ondernemingen uit de EU.

De verlaging of afschaffing van de rechten is onderworpen aan een reeks voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Al deze voorwaarden zijn vermeld in Protocol 1 betreffende de definitie van het begrip ‘producten van oorsprong’ en methoden van administratieve samenwerking (hierna: het ‘Protocol’). Dit Protocol is beschikbaar vanaf pagina 1319 van de Overeenkomst.

Het betreffende Protocol komt tegemoet aan de behoeften van ‘Hoofdstuk 4: douane en handelsbevordering’ van de Overeenkomst.

De artikelen van hoofdstuk 4 zijn opgenomen in bijlage I bij deze circulaire.

Het Protocol betreffende de definitie van het begrip ‘producten van oorsprong’ en methoden van administratieve samenwerking bestaat uit de regels die zullen bepalen of goederen die worden ingevoerd uit Vietnam of uit de EU, wel degelijk van oorsprong zijn. De oorsprong van het product in de zin van de Overeenkomst is immers essentieel opdat alle invoerders uit de EU en uit Vietnam de preferentiële tariefbehandeling zouden kunnen genieten.

Het Protocol bestaat uit de volgende delen:

Deel A: Algemene bepalingen (gebruikelijke definities);

Deel B: Definitie van het begrip ‘producten van oorsprong’;

Deel C: Territoriale voorwaarden;

Deel D: Bewijs van oorsprong;

Deel E: Regelingen voor administratieve samenwerking;

Deel F: Ceuta en Melilla;

Deel G: Slotbepalingen.

Naast deze delen bevat het Protocol een aantal bijlagen, waaronder de productspecifieke oorsprongsregels en de tekst van de oorsprongsverklaring. Deze circulaire is vooral bedoeld om de artikelen in de bovenstaande delen te verduidelijken.

De circulaire is onderverdeeld in volgende delen:

Deel I: Algemene bepalingen

Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur – REX database

Deel III: De oorsprongsbewijzen - praktische bepalingen

Deel IV: vergelijking tussen SAP en de vrijhandelsovereenkomst

Deel V: De controle

Deel VI: Andere bepalingen

Bijlagen I-IV

Deel I heeft betrekking op de algemene bepalingen zoals die worden vermeld in het Protocol. Deze bepalingen worden nader toegelicht in de delen II, III, IV, V en VI van deze Circulaire.

Deel I: Algemene bepalingen

1. Wettelijke basis

§2. Op 1 augustus 2020 trad de Overeenkomst tussen de EU en Vietnam in werking (zie het Besluit (EU) 2020/753 van de Raad van 30 maart 2020 betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L186 op 12 juni 2020).
Voor de Europese rechtsbronnen verwijst het Protocol naar een aantal artikelen uit het Douanewetboek van de Unie (DWU) en naar de Gedelegeerde Verordening (DWU DA) en Uitvoeringsverordening (DWU IA), en waarvan de precieze referenties als volgt zijn:

De Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU);

De Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het Douanewetboek van de Unie (DWU DA);

De Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU IA).

Voor deze circulaire zijn de volgende wettelijke bepalingen relevant:

Hoofdstuk 4 van de Overeenkomst: ‘Douane en handelsbevordering’

Protocol 1 betreffende de definitie van het begrip ‘producten van oorsprong’ en methoden van administratieve samenwerking, met inbegrip van de bijlagen

Artikel 14, lid 1 van de DWU: ‘Verstrekking van inlichtingen door de douaneautoriteiten’

Artikel 26 van de DWU: ‘Geldigheid van beschikkingen in de gehele Unie’

Artikel 33 van de DWU: ‘Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen’

Artikel 34 van de DWU: ‘Beheer van beschikkingen aangaande bindende inlichtingen’

Artikel 56, § 3, van de DWU: ‘Gemeenschappelijk douanetarief en -toezicht’

Artikel 64 van de DWU: ‘Preferentiële oorsprong van goederen’

Artikel 117 van de DWU: ‘Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht’

Artikel 170 van de DWU: ‘Indienen van een douaneaangifte’

Artikel 16 van de DWU IA: ‘Aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting’

Artikel 18 van de DWU IA: ‘Mededeling van BOI-beschikkingen’

Artikel 68 van de DWU IA: ‘Registratie van exporteurs buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie’

Artikel 69 van de DWU IA: ‘Vervanging van bewijzen van preferentiële oorsprong die buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie zijn afgegeven of opgesteld’

Artikel 101 van de DWU IA: ‘Vervanging van attesten van oorsprong’

Artikel 5 van verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties

2. Definities

§3. Voor de toepassing van het Protocol bevat artikel 1 ervan de volgende definities:

Hoofdstuk, post en onderverdeling: het hoofdstuk, de post (viercijfercode) en de postonderverdeling (zescijfercode) die in de GS-nomenclatuur worden gebruikt.

Ingedeeld: de indeling van een product of materiaal onder een bepaald hoofdstuk, onder een bepaalde post of postonderverdeling van het geharmoniseerd systeem.

Zending: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur.

Exporteur: een in de uitvoerende partij gevestigde persoon die goederen naar de andere partij uitvoert en die de oorsprong van de uitgevoerde goederen kan aantonen, ongeacht het feit of hij de fabrikant is en of hij de uitvoerformaliteiten verricht.

Vervaardiging: elke soort be- of verwerking, vervaardiging, productie of assemblage van goederen.

Goederen: zowel materialen als producten.

Niet van oorsprong zijnde goederen of niet van oorsprong zijnde materialen: goederen of materialen die overeenkomstig dit protocol niet als van oorsprong zijnde worden beschouwd.

Van oorsprong zijnde goederen of van oorsprong zijnde materialen: goederen of materialen die overeenkomstig dit protocol als van oorsprong zijnde worden beschouwd.

Materiaal: onder andere alle ingrediënten, grondstoffen, componenten of delen die bij de vervaardiging van een product worden gebruikt.

Fungibele materialen: materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysische kenmerken, waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn verwerkt.

Prijs af fabriek: de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen en alle andere aan de vervaardiging verbonden kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;

Wanneer de betaalde prijs niet alle kosten dekt die verbonden zijn aan de vervaardiging van het product in de Unie of in Vietnam, is ‘de prijs af fabriek’ de som van al die kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;

Wanneer de laatste be- of verwerking aan een fabrikant is uitbesteed, kan de in de eerste alinea gebruikte term ‘fabrikant’ verwijzen naar het bedrijf dat de be- of verwerking heeft uitbesteed.

Product: het vervaardigde product, ook indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt.

Grondgebied: met inbegrip van de territoriale wateren.

Waarde van de materialen: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Unie of in Vietnam is betaald.

Douanewaarde: de waarde zoals bepaald volgens de Overeenkomst inzake de douanewaarde.

3. Algemene bepalingen – oorsprongsregels

Het begrip ‘producten van oorsprong’

3.1. Producten van oorsprong

§4. De algemene regel in verband met het begrip ‘producten van oorsprong’ is terug te vinden in artikel 2 van het Protocol, waarin de voorwaarden worden opgesomd om te bepalen of een product van oorsprong is uit de ene of de andere Partij.

Voor de toepassing van het Protocol worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit een Partij:

a) volledig in een Partij verkregen producten (zie §§7 en 8 van deze circulaire);

b) in een Partij verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, mits die materialen in de betrokken partij een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is (zie § 9 van deze circulaire).

3.2. Cumulatie van de oorsprong

§5. Het begrip van cumulatie van de oorsprong is opgenomen in artikel 3 van het Protocol. Zo houden de oorsprongsregels rekening met de producten waarvan de productie zowel in Vietnam als in een lidstaat van de Unie is uitgevoerd.

Om te bepalen of een product van oorsprong is, houdt het cumulatieprincipe ook rekening met het gebruik van materialen afkomstig uit een land waarmee de EU en Vietnam een vrijhandelsovereenkomst hebben gesloten.

Hierover bepaalt artikel 3 van het Protocol het volgende:

1. Onverminderd artikel 2 (Algemene voorwaarden) worden producten als van oorsprong uit de uitvoerende partij beschouwd als zij daar zijn verkregen uit materialen van oorsprong uit de andere partij, op voorwaarde dat deze materialen in de uitvoerende partij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking) zijn genoemd.

2. In bijlage III bij dit protocol (in artikel 3, lid 2, bedoelde materialen) vermelde materialen van oorsprong uit een ASEAN-land dat overeenkomstig artikel XXIV van GATT 1994 met de Unie een preferentiële handelsovereenkomst toepast, worden beschouwd als van oorsprong uit Vietnam wanneer zij verder verwerkt of geïntegreerd zijn in een van de in bijlage IV bij dit protocol (in artikel 3, lid 2, bedoelde producten) genoemde producten.

3. Voor de toepassing van lid 2 wordt de oorsprong van de materialen bepaald volgens de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van de preferentiële handelsovereenkomsten van de Unie met die ASEAN-landen.

4. Voor de toepassing van lid 2 wordt de oorsprongsstatus van uit een ASEAN-land naar Vietnam uitgevoerde materialen die worden gebruikt voor verdere be- of verwerking, vastgesteld aan de hand van een bewijs van oorsprong alsof deze materialen rechtstreeks naar de Europese Unie zouden zijn uitgevoerd.

5. De cumulatie waarin de leden 2 tot en met 4 voorzien, kan worden toegepast indien:

a) de ASEAN-landen die zijn betrokken bij de verwerving van de oorsprongsstatus hebben toegezegd:

i) dit protocol na te leven en te doen naleven; en

ii) dat hun diensten de nodige medewerking verlenen om de correcte toepassing van dit protocol te waarborgen, zowel met de Unie als tussen hen onderling;

b) van de onder a) bedoelde toezeggingen kennis is gegeven aan de Unie; en

c) het douanetarief dat de Unie toepast op de in bijlage IV bij dit protocol vermelde producten die in Vietnam zijn verkregen middels dergelijke cumulatie is groter dan of gelijk aan het douanetarief dat de Unie toepast op hetzelfde product dat van oorsprong is uit het bij de cumulatie betrokken ASEAN-land.

6. Bewijzen van oorsprong ingevolge lid 2 bevatten de volgende vermelding: “Application of Article 3(2) of Protocol 1 of the Viet Nam - EU FTA” (“Toepassing van artikel 3, lid 2, van Protocol 1 bij de Vrijhandelsovereenkomst Vietnam-EU”).

7. Weefsels van oorsprong uit de Republiek Korea worden beschouwd als van oorsprong uit Vietnam wanneer zij verder verwerkt of geïntegreerd zijn in een van de in bijlage V bij dit protocol genoemde producten die in Vietnam zijn verkregen, op voorwaarde dat deze materialen in Vietnam be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking) zijn genoemd.

8. Voor de toepassing van lid 7 wordt de oorsprong van de weefsels bepaald volgens de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, met uitzondering van de regels bedoeld in bijlage II, onder a), bij het Protocol betreffende de definitie van ’producten van oorsprong’ en methoden van administratieve samenwerking van die preferentiële handelsovereenkomst.

9. Voor de toepassing van lid 7 wordt de oorsprongsstatus van uit de Republiek Korea naar Vietnam uitgevoerde weefsels die worden gebruikt voor verdere be- of verwerking, vastgesteld aan de hand van een bewijs van oorsprong waarmee deze weefsels rechtstreeks van de Republiek Korea naar de Unie zouden kunnen worden uitgevoerd.

10. De cumulatie waarin de leden 7 tot en met 9 voorzien, kan worden toegepast indien:

a) de Republiek Korea overeenkomstig artikel XXIV van GATT 1994 met de Unie een preferentiële handelsovereenkomst toepast;

b) de Republiek Korea en Vietnam zich ertoe hebben verbonden en de Unie gezamenlijk in kennis hebben gesteld van de verbintenis om:

i) de in dit artikel bedoelde cumulatie na te leven of te doen naleven; en

ii) de nodige administratieve medewerking te verlenen om de correcte toepassing van dit protocol te waarborgen, zowel met de Unie als tussen hen onderling.

11. Door Vietnam ingevolge lid 7 afgeleverde bewijzen van oorsprong bevatten de volgende vermelding: “Application of Article 3(7) of Protocol 1 of the Viet Nam - EU FTA” (“Toepassing van artikel 3, lid 7, van Protocol 1 bij de Vrijhandelsovereenkomst Vietnam-EU”).

12. Op vraag van een partij kan het overeenkomstig artikel 17.2 (Gespecialiseerde comités) van deze overeenkomst opgerichte Douanecomité beslissen dat weefsels van oorsprong uit een land waarmee zowel de Unie als Vietnam uitvoering geeft aan een preferentiële handelsovereenkomst overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994 worden beschouwd als van oorsprong uit een partij wanneer zij verder zijn verwerkt of zijn opgenomen in een van de producten die zijn vermeld in bijlage V bij dit protocol en zijn verkregen in die partij, op voorwaarde dat deze materialen in die partij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking) zijn genoemd.

13. Bij het nemen van de beslissing inzake het verzoek om cumulatie en de modaliteiten ervan zoals bedoeld in lid 12 houdt het Douanecomité rekening met de belangen van de andere partij en de doelstellingen van deze overeenkomst.

§6. De verschillende mogelijkheden tot cumulatie en de praktische informatie hierover worden verder verklaard in §63 van deze circulaire.

3.3. Volledig verkregen producten

§7. Om als volledig verkregen te worden beschouwd, moet een product aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Overeenkomstig artikel 4 van het Protocol worden aldus beschouwd als geheel en al in een Partij verkregen producten:

a) aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;

b) aldaar gekweekte en geoogste of verzamelde producten van het plantenrijk;

c) aldaar geboren en opgefokte levende dieren;

d) producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;

e) producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren;

f) producten van de aldaar bedreven jacht of visserij;

g) producten van de aquacultuur wanneer de vis, schelp- en weekdieren aldaar zijn geboren of uit eieren, visbroed, pootvis en larven zijn gekweekt;

h) producten van de zeevisserij en andere door zijn schepen buiten enig territoriaal water gewonnen producten;

i) producten die, uitsluitend uit de onder h) bedoelde producten, aan boord van zijn fabrieksschepen zijn vervaardigd;

j) aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

k) afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;

l) producten gewonnen uit de buiten een territoriale zee gelegen zeebodem of de ondergrond ervan, mits het begunstigde land exclusieve rechten heeft op de exploitatie van deze zeebodem of de ondergrond ervan;

m) goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met l) bedoelde producten zijn vervaardigd.

§8. De termen ‘zijn schepen’ en ‘zijn fabrieksschepen’ in §7, onder h) en i), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen die:

’a) geregistreerd zijn in een lidstaat van de Unie of in Vietnam;

b) onder de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van Vietnam varen; en

c) aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

i) ten minste voor 50 % eigendom zijn van natuurlijke personen van een partij; of

ii) eigendom zijn van rechtspersonen die:

A) hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteit in de Unie of Vietnam hebben; en

B) voor ten minste 50 % toebehoren aan een lidstaat van de Unie of aan Vietnam, aan overheidsinstanties of aan onderdanen van een partij.

3.4. Toereikende be- of verwerking

§9. In bijlage II bij het Protocol wordt vermeld aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat niet volledig verkregen producten zouden worden geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan.

De voorwaarden die in bijlage II zijn vermeld geven voor alle onder het Protocol vallende producten aan welke be- of verwerkingen bij de vervaardiging gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten hebben ondergaan, en gelden slechts voor die materialen. Deze voorwaarden zijn ook gekend als lijstregels of productspecifieke regels.

Deze bijlage heeft de vorm van en tabel met drie kolommen. De eerste kolom bevat de posten van het GS, de tweede de beschrijving van de goederen en de derde de vereiste be- of verwerkingen.

Er zijn vier verschillende soorten productspecifieke regels, al naargelang van het product:

a) be- of verwerking waarbij een maximumgehalte van niet van oorsprong zijnde materialen niet mag worden over­schreden ( = percentageregel op waarde of gewicht);
b) be- of verwerking waardoor een product ontstaat dat onder een andere post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van het geharmoniseerde systeem valt dan de post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van de gebruikte materialen. In het geval dat is vermeld in Aantekening 3.3, alinea 2, kan de post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van het geharmoniseerde systeem van de vervaardigde producten hetzelfde zijn als de post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van het geharmoniseerde systeem, respectievelijk, van de gebruikte materialen (= tariefsprong) ;

c) een specifieke be- of verwerking ( = procesregel); of

d) een be- of verwerking van geheel en al verkregen materialen.

Niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden opgenomen in bijlage II niet mogen worden gebruikt bij de vervaardiging van een bepaald product, mogen toch worden gebruikt, mits de totale waarde of het totale nettogewicht voor het product niet hoger is dan:

a) 10 % van het gewicht van het product of de prijs af fabriek voor producten van de hoofdstukken 2 en 4 tot en met 24 van het GS, andere dan de verwerkte visserijproducten van hoofdstuk 16 van het GS; of

b) 10 % van de prijs af fabriek van het product voor andere producten, behalve de producten van de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het GS, waarvoor de afwijkingen van toepassing zijn die zijn vermeld in bijlage I bij dit protocol, aantekeningen 6 en 7.

De tolerantieregels laten toe om af te wijken van de voorwaarden voor toereikende productie vermeld in artikel 5 van het Protocol. Volgens de tolerantieregels is het bijvoorbeeld mogelijk om een miniem percentage niet van oorsprong zijnde materialen te gebruiken zonder dat dit een invloed heeft op de oorsprong van het eindproduct.

De bovengenoemde percentages mogen echter niet worden gebruikt om het maximale gehalte aan niet van oorsprong zijnde materialen, zoals gespecificeerd in de lijst van bijlage II van het Protocol, te overschrijden.

3.5. Ontoereikende be- of verwerking

§10. In artikel 6 van het Protocol worden de behandelingen opgesomd die worden beschouwd als ontoereikende be- of verwerkingen om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van titel 3.4. van deze circulaire wordt voldaan. De bedoelde behandelingen zijn de volgende:

a) conserverende behandelingen die ervoor moeten zorgen dat de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat blijven;

b) het splitsen en samenvoegen van colli;

c) het wassen, het schoonmaken, het stofvrij maken of het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

d) het strijken of persen van textiel en artikelen van textiel;

e) het eenvoudig schilderen of polijsten;

f) het ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; het polijsten of glanzen van granen en rijst;

g) het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;

h) het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;

i) het aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

j) het zeven, sorteren, classificeren of assorteren, daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen;

k) het eenvoudig verpakken in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;

l) het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m) het mengen van producten, ook van verschillende soorten; het mengen van suiker met enige andere stof;

n) het eenvoudig toevoegen van water, verdunnen, drogen of denatureren van producten;

o) het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;

p) twee of meer van de onder a) tot en met o) genoemde handelingen tezamen; of

q) het slachten van dieren.

Voor de toepassing van §10 worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, apparaten of gereedschappen nodig zijn.

Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan, ontoereikend zijn in de zin van §10, worden alle be- of verwerkingen die dit product in de Unie of in Vietnam heeft ondergaan, tezamen genomen.

3.6. In aanmerking te nemen eenheid

§11. De voor de toepassing van dit Protocol in aanmerking te nemen eenheid voor een product is de tarifaire indelingscode ervan die in de nomenclatuur van het GS als de basiseenheid wordt beschouwd.

Wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde postonderverdeling van het GS zijn ingedeeld, moet elk product afzonderlijk worden beschouwd.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het GS de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, tellen de verpakking en het product als één geheel voor het vaststellen van de oorsprong.

De algemene regel 5 van het GS luidt als volgt:

a) Etuis, foedralen en koffers voor camera's, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde tariefpost als die artikelen indien ze van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen, die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen.

b) Behoudens het bepaalde onder 5 a) worden gevulde verpakkingsmiddelen ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.

3.7. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

§12. Artikel 8 van het Protocol luidt als volgt:

Toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructiematerialen of andere informatiematerialen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

3.8. Stellen of assortimenten

§13. Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 van het Geharmoniseerd Systeem (= GS) worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Aan de hand van regel 3 van het GS kunnen artikelen die vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, als volgt worden ingedeeld in één tariefrubriek:

Regel 3 a): De post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven de posten met een meer algemene strekking.

Regel 3 b): De goederen worden ingedeeld op basis van hun wezenlijke karakter.

Worden beoogd: mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende materialen en goederen die in assortimenten worden gepresenteerd.

Regel 3 c): In de gevallen waarin de indeling aan de hand van de regels 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, worden de goederen ingedeeld in de post die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

3.9. Neutrale elementen

§14. Om de oorsprong van een product te bepalen, hoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van bepaalde elementen die bij de vervaardiging van dat product mogelijk zijn gebruikt. Het betreft de ’neutrale elementen’. Die elementen zijn opgenomen in artikel 10 van het Protocol:

a) energie en brandstof;

b) productie-installaties en -uitrusting, met inbegrip van goederen die voor het onderhoud daarvan worden gebruikt;

c) machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen; vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen; smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren; handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden; katalysatoren en oplosmiddelen; apparatuur, benodigdheden en materieel dat wordt gebruikt voor het testen of inspecteren van het product; en

d) goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.

3.10. Gescheiden boekhouding

§15. Het Protocol voorziet in de toepassing van de methode van de gescheiden boekhouding.

Indien zowel van oorsprong als niet van oorsprong zijnde fungibele materialen worden gebruikt bij de be- of verwerking van een product, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat die materialen met behulp van een gescheiden boekhouding worden beheerd, zonder dat die materialen apart worden opgeslagen.

Om die mogelijkheid te genieten, moeten de marktdeelnemers dit schriftelijk aanvragen bij de bevoegde autoriteiten. Deze autoriteiten kunnen het verlenen van de vergunning afhankelijk stellen van de door hen passend geachte voorwaarden.

Bovendien wordt de vergunning slechts verleend indien kan worden verzekerd dat de hoeveelheid verkregen producten die als van oorsprong uit de Unie of uit Vietnam kan worden beschouwd dezelfde is als de hoeveelheid die zou zijn verkregen bij een fysieke scheiding van de voorraden.

Afhankelijk van waar het product is vervaardigd, wordt de methode van de gescheiden boekhouding en de toepassing daarvan geregistreerd op basis van de algemene boekhoudbeginselen die in de Unie of Vietnam van toepassing zijn.

Fabrikanten die de methode van gescheiden boekhouding hanteren, kunnen oorsprongsverklaringen afgeven of aanvragen voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong uit de Partij van uitvoer kunnen worden beschouwd. De vergunninghouder geeft op verzoek van de douaneautoriteiten of de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer een verklaring af over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

§16. Binnen de EU kunnen de exporteurs of producenten de methode van gescheiden boekhouding niet toepassen zonder de toestemming van de bevoegde douaneautoriteiten. In België moet voor de toepassing van deze methode toestemming worden verkregen van de Centrale Component van de Administratie Operations - Operationele Expertise - Douane 1: da.ops.douane1@minfin.fed.be

Territoriale voorwaarden

3.11. Territorialiteitsbeginsel

§17. De voorwaarden met betrekking tot de verkrijging van de oorsprongsstatus moeten zonder onderbreking in de EU of in Vietnam worden vervuld.

Daardoor moeten de goederen van oorsprong van een Partij die zijn uitgevoerd en terugkeren uit een derde land, worden aangemerkt als niet van oorsprong, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat de terugkerende producten:

a) hetzelfde zijn als het uitgevoerde product; en

b) terwijl zij in het derde land waren of toen zij werden uitgevoerd geen andere ingreep hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.

3.12. Geen wijziging

§18. De regel van niet-wijziging die is vastgelegd in het Protocol, is soepeler dan de zogenaamde regel van het ’rechtstreeks vervoer’ die men vaak terugvindt in oudere oorsprongsprotocollen.

De producten die in de EU/Vietnam worden ingevoerd, moeten dezelfde zijn als die welke uit Vietnam/de EU zijn uitgevoerd. Ze mogen niet worden gewijzigd en mogen evenmin andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk waren voor hun bewaring in goede staat of voor de toevoeging of aanbrenging van merken, etiketten, zegels of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke nationale vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan.

De producten kunnen worden opgeslagen op voorwaarde dat ze in het land of de landen van doorvoer onder douanetoezicht blijven.

De zendingen kunnen worden gesplitst onder de verantwoordelijkheid van de exporteur op voorwaarde dat ze in het land of de landen van doorvoer onder douanetoezicht blijven.

Voor overlading of tijdelijke opslag in een derde land moet worden aangetoond dat de zending of, in het geval van gesplitste zendingen, dat de delen van de zending die de Partij van uitvoer hebben verlaten, dezelfde zijn als die welke aankomen in het land van invoer.

In geval van twijfel kunnen de douaneautoriteiten van de Partij van invoer documenten eisen waaruit blijkt dat de producten van oorsprong geen ongeoorloofde behandeling hebben ondergaan. Het vereiste bewijs kan met alle middelen worden geleverd, onder meer aan de hand van:

a) contractuele vervoersdocumenten zoals cognossementen;

b) feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli;

c) ander bewijsmateriaal betreffende de goederen zelf;

d) een non-manipulatiecertificaat dat wordt afgeleverd door de douaneautoriteiten van het land of de landen van doorvoer of splitsing, of andere documenten waaruit blijkt dat de goederen onder douanetoezicht in het land of de landen van doorvoer of splitsing zijn gebleven.

Vietnam heeft bevestigd dat de invoerder mag beslissen welk document hij zal voorleggen om te bewijzen dat de regel van niet-manipulatie is nageleefd. De Vietnamese douaneautoriteiten zullen niet specifiek om een welbepaald type document vragen en zullen niet systematisch een attest van niet-manipulatie opvragen.

3.13. Tentoonstellingen

§19. Op producten van oorsprong die voor een tentoonstelling naar een ander land dan een van de Partijen zijn verzonden en die na de tentoonstelling voor invoer in een Partij zijn verkocht, zijn bij die invoer de bepalingen van dit Protocol van toepassing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:

a) ‘een exporteur deze producten vanuit een partij naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;

b) de exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een geadresseerde in een van de partijen;

c) de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat zijn verzonden als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan; en

d) de producten vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.

Een bewijs van oorsprong moet worden afgegeven of opgesteld en op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van de Partij van invoer ingediend. De titel en het adres van de tentoonstelling moeten vermeld zijn. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd met betrekking tot de omstandigheden waaronder de producten werden tentoongesteld.

Deze bepalingen zijn van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, op voorwaarde dat de producten onder douanetoezicht blijven.

4. Algemene bepalingen – Bewijs van oorsprong

4.1. Algemene voorwaarden

§20. De oorsprongsbewijzen voor producten van oorsprong uit de EU die worden ingevoerd in Vietnam zijn de volgende:

a) een bewijs van oorsprong dat is opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van het Protocol;

b) een verklaring van oorsprong die is opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van het Protocol door:

i) een toegelaten exporteur voor alle zendingen ongeacht hun waarde;

ii) een exporteur voor zendingen waarvan de totale waarde niet groter is dan 6.000 euro;

c) een attest van oorsprong dat is opgesteld door exporteurs die geregistreerd zijn in een elektronische databank in overeenstemming met de desbetreffende wetgeving van de Unie nadat de Unie Vietnam ervan in kennis heeft gesteld dat deze wetgeving van toepassing is op zijn exporteurs. In deze kennisgeving kan vermeld zijn dat de punten a) en b) niet meer van toepassing zijn op de Unie.

§21. De oorsprongsbewijzen voor producten van oorsprong uit Vietnam die worden geïmporteerd in de EU zijn als volgt:

a) een bewijs van oorsprong dat is opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van het Protocol;

b) een verklaring van oorsprong die is opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van het Protocol door een exporteur voor zendingen waarvan de totale waarde moet worden vastgesteld overeenkomstig de nationale wetgeving van Vietnam en niet groter is dan 6.000 euro;

c) een verklaring van oorsprong die is opgesteld door een exporteur die is toegelaten of geregistreerd in een elektronische database in overeenstemming met de desbetreffende wetgeving van Vietnam nadat Vietnam de Unie ervan in kennis heeft gesteld dat deze wetgeving van toepassing is op haar exporteurs. In deze kennisgeving kan vermeld zijn dat punten a) en b) niet meer van toepassing zijn op Vietnam.

In geval van vrijstelling van het bewijs van oorsprong komen producten van oorsprong in aanmerking voor de voordelen van het Protocol, zonder dat de bovenstaande documenten hoeven te worden voorgelegd.

Opgelet! Op 8 april 2020 heeft de EU Vietnam laten weten dat enkel het oorsprongsbewijs vermeld in punt c) van § 20 (het attest van oorsprong) van deze Circulaire van toepassing zal zijn vanaf de datum van haar inwerkingtreding voor goederen van oorsprong uit de EU die in Vietnam worden ingevoerd (artikel 15, 1.c) van het Protocol).

4.2. Procedure voor de afgifte van een certificaat van oorsprong

§22. Een certificaat van oorsprong wordt door de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde. In de praktijk worden deze certificaten van oorsprong, in de vorm van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, enkel gebruikt door exporteurs uit Vietnam. Het model van het certificaat van oorsprong is opgenomen als bijlage II bij deze Circulaire.

De exporteur die de afgifte van een certificaat van oorsprong aanvraagt, moet op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

Een certificaat van oorsprong wordt door de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer afgegeven indien de betrokken goederen kunnen worden aangemerkt als producten van oorsprong uit de EU of Vietnam en aan de andere voorwaarden van dit protocol wordt voldaan.

Het certificaat van oorsprong wordt zo spoedig mogelijk maar niet later dan drie werkdagen na de datum van uitvoer (de aangegeven datum van verzending) afgegeven.

4.3. Achteraf afgegeven certificaten van oorsprong

§23. In specifieke situaties kan het certificaat van oorsprong worden afgegeven na de uitvoer van de producten. De specifieke situaties waarop artikel 17 van het Protocol betrekking heeft, zijn de volgende situaties waarin:

a) dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;

b) aan de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat van oorsprong is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard; of

c) de eindbestemming van de producten niet bekend was op het tijdstip van uitvoer en pas werd bepaald tijdens het vervoer, de opslag of na splitsing van zendingen, overeenkomstig artikel 13 (Geen wijziging).

Om de afgifte achteraf van een certificaat van oorsprong aan te vragen, moet de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer vermelden van de producten waarop het certificaat van oorsprong betrekking heeft, alsook de redenen van zijn verzoek.

De bevoegde autoriteiten kunnen slechts tot afgifte achteraf van een certificaat van oorsprong overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

Op achteraf afgegeven certificaten van oorsprong moeten de volgende Engelse woorden worden aangebracht: "ISSUED RETROSPECTIVELY”.

4.4. Afgifte van een duplicaat van het certificaat van oorsprong

§ 24. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat van oorsprong kan de exporteur een duplicaat aanvragen. De aanvraag wordt ingediend bij de bevoegde autoriteiten die het certificaat hebben afgegeven en die een duplicaat opstellen aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

Op het duplicaat wordt in het Engels de vermelding ‘DUPLICATE’ aangebracht in vak 7 van het certificaat.

4.5. Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring

§ 25. Een oorsprongsverklaring kan worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong uit één van de Partijen zijn en aan de andere voorwaarden van dit Protocol voldoen. In de praktijk kunnen enkel Vietnamese exporteurs een oorsprongsverklaring opstellen voor zendingen die de waarde van 6.000 euro niet overschrijden.

De exporteur die een oorsprongsverklaring opstelt, moet op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat de andere voorwaarden is voldaan.

Opgelet! De voorwaarden voor het opstellen van de oorsprongsverklaring waarnaar in artikel 19, leden 1 tot en met 5 (voorwaarden voor opstellen van een oorsprongsverklaring) van het Protocol wordt verwezen, zijn van toepassing op attesten van oorsprong die zijn opgesteld door een in het REX-systeem geregistreerde exporteur.

Opmerking: zie §§46 tot 51 van deze Circulaire voor de praktische bepalingen met betrekking tot het attest van oorsprong.

4.6. Toegelaten exporteur

§26. Artikel 20 van het Protocol heeft betrekking op de toegelaten exporteur.

De bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer kunnen exporteurs, hierna “toegelaten exporteurs” genoemd, die producten waarop deze overeenkomst van toepassing is (*)uitvoeren vergunning verlenen om oorsprongsverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op het karakter van het product van oorsprong en de naleving van alle andere voorwaarden van dit protocol.

Opmerking: zie §§ 39 tot 45 van deze Circulaire voor de praktische bepalingen met betrekking tot de geregistreerde exporteur.

4.7. Geldigheid van het bewijs van oorsprong

§ 27. Het bewijs van oorsprong is twaalf maanden geldig vanaf de datum van afgifte in de Partij van uitvoer en moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van de Partij van invoer.

Bewijzen van oorsprong die na de termijn van twaalf maanden worden ingediend, kunnen alleen worden aanvaard indien de vertraging te wijten is aan een geval van overmacht of om andere geldige redenen buiten de controle van de importeur.

In de andere gevallen van laattijdige indiening kunnen de douaneautoriteiten van de Partij van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden op voorwaarde dat de producten binnen de geldigheidsperiode van twaalf maanden zijn ingevoerd.

4.8. Overlegging van het bewijs van oorsprong

§28. Om aanspraak op preferentiële tariefbehandeling te kunnen maken, worden de bewijzen van oorsprong bij de douaneautoriteiten van de Partij van invoer ingediend overeenkomstig de in die Partij geldende procedures. Die autoriteiten kunnen een vertaling van het bewijs van oorsprong aanvragen indien dit niet in het Engels is opgesteld.

4.9. Invoer in deelzendingen

§29. Artikel 23 van het Protocol bepaalt dat voor de invoer van deelzendingen van specifieke gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, onder a), die vallen onder afdeling XVI of XVII dan wel post 7308 of 9406 van het GS, de Partij slechts één enkele oorsprongsverklaring voor al deze zendingen moet indienen.

De algemene regel 2, onder a), luidt als volgt:

De vermelding van een goed in een tariefpost heeft eveneens betrekking op dat goed in niet complete of in niet afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat.’

4.10. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong

§30. Volgens artikel 24 van het Protocol worden producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers als producten van oorsprong toegelaten indien de invoer van incidentele aard is en het niet om invoer van handelsgoederen gaat. Er moet geen bewijs van oorsprong worden voorgelegd, voor zover bij de aangifte van deze producten is verklaard dat zij aan de voorwaarden van dit Protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22, CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin worden niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.

De totale waarde van de producten mag niet hoger zijn dan:

Europese Unie:

500 euro voor producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden

1.200 euro bedraagt voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Vietnam:

De totale waarde van de producten mag niet hoger zijn dan 200 US dollar, zowel voor kleine colli als voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

4.11. Bewijsstukken

§31. De documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten waarvoor een attest van oorsprong, een oorsprongsverklaring of een certificaat van oorsprong is verstrekt, als producten van oorsprong uit de Unie of uit Vietnam kunnen worden beschouwd, kunnen onder meer de volgende zijn:

a) een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;

b) in een partij afgegeven of opgestelde en in overeenstemming met het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;

c) in een partij afgegeven of opgestelde en volgens het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van materialen in een partij blijkt;

d) in een partij in overeenstemming met dit protocol afgegeven of opgestelde bewijzen van oorsprong waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt.

4.12. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken

§32. De exporteur die een attest van oorsprong of een oorsprongsverklaring heeft opgesteld of de afgifte van een certificaat van oorsprong aanvraagt, moet er een kopie van bewaren gedurende een periode van drie jaar. De exporteur moet ook alle bewijsstukken gedurende diezelfde periode bewaren.

De bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer die een certificaat van oorsprong afgeven, moeten het aanvraagformulier gedurende een periode van drie jaar bewaren.
De bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer moeten de bij hen ingediende bewijzen van oorsprong gedurende een periode van drie jaar bewaren.

De gegevens of documenten mogen in om het even welke vorm worden bewaard, dus ook digitaal, op voorwaarde dat deze gegevens of documenten kunnen worden opgevraagd en afgedrukt.

4.13. Verschillen en vormfouten

§33. Artikel 27 van het Protocol bepaalt dat geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en de gegevens op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig maken indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte goederen overeenstemt.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op een bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Voor meerdere goederen die zijn aangegeven middels hetzelfde bewijs van oorsprong brengt een probleem dat wordt vastgesteld bij een van de vermelde goederen, geen gevolgen met zich mee ten aanzien van de toekenning van preferentiële tariefbehandeling en de douaneafhandeling van de overige goederen.

Regelingen voor administratieve samenwerking

4.14. Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

§34. De autoriteiten van de Partijen doen elkaar, via de Europese Commissie, de afdrukken toekomen van de stempels die door hun bevoegde autoriteiten worden gebruikt bij de afgifte van certificaten van oorsprong.

Met het oog op de correcte toepassing van dit Protocol verlenen de Partijen elkaar via hun bevoegde autoriteiten bijstand bij de controle van de echtheid van de certificaten van oorsprong of de oorsprongsverklaringen en de juistheid van de in deze documenten verstrekte inlichtingen.

4.15. Controle van bewijzen van oorsprong

§35. Artikel 30 van het Protocol bepaalt de procedure die een douaneautoriteit moet volgen om te bepalen of een product aan de oorsprongsregel voldoet en om te controleren of de documenten authentiek zijn en het recht op een preferentiële tariefbehandeling correct is.

De controle achteraf gebeurt door steekproeven of telkens wanneer de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer gegronde twijfels hebben.

Zo kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer schriftelijk verzoeken om een controle uit te voeren om te bevestigen dat het product wel degelijk van oorsprong is. Hiertoe verstrekt de Partij van invoer alle informatie en documenten die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer is gerechtigd alle bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

In het geval waarin de douaneautoriteiten van de Partij van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet aan de betrokken producten toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, staan zij de importeur de vrijgave van de producten toe onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen. De opschorting moet evenwel zo snel mogelijk worden opgeheven, zodra de douaneautoriteiten van de Partij van invoer zeker zijn van de oorsprongsstatus of de naleving van de andere voorwaarden.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de autoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong kunnen worden beschouwd en of aan de eisen van het Protocol is voldaan.

Wanneer bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het controleverzoek geen resultaten zijn ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid of de werkelijke oorsprong vast te stellen, kunnen de verzoekende bevoegde autoriteiten de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

4.16. Geschillenbeslechting

§36. Artikel 31 van het Protocol bepaalt dat indien geschillen tussen de partijen betreffende het onderzoek van bewijsmateriaal (zie § 35 hierboven) niet kunnen worden geregeld tussen de bevoegde autoriteiten die om het onderzoek hebben verzocht enerzijds en de bevoegde autoriteiten die het onderzoek hebben verricht anderzijds, deze geschillen moeten worden voorgelegd aan het bij artikel 36 van het Protocol ingestelde Douanecomité.

Geschillen tussen de importeur en de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer worden beslecht in overeenstemming met de wetgeving van die Partij.

4.17. Sancties

§37. Volgens artikel 32 van het Protocol kan elke Partij sancties opleggen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel producten onder de preferentiële tariefbehandeling te doen vallen.

4.18. Vertrouwelijkheid

§38. Elke Partij moet, in overeenstemming met haar eigen wetgeving, de vertrouwelijkheid van de bij deze controle verzamelde informatie en gegevens handhaven en die informatie en gegevens beschermen tegen elke openbaarmaking die afbreuk zou kunnen doen aan de concurrentiepositie van de persoon die ze heeft verstrekt.

Alle informatie en gegevens die tussen de voor de administratie en de handhaving van oorsprongsbepaling bevoegde autoriteiten van de Partijen worden uitgewisseld, worden als vertrouwelijk behandeld.

Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur (REX) – REX database

1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

§39. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de EU en Vietnam moeten EU-exporteurs die voor Vietnam verminderde of geen douanerechten willen betalen, een attest van oorsprong kunnen voorleggen.

Vietnamese exporteurs daarentegen kunnen in kader van deze Overeenkomst geen attesten van oorsprong opstellen. Ze moeten gebruik maken van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of oorsprongsverklaringen. Vietnam maakt echter ook nog steeds deel uit van het Stelsel van Algemene Tariefpreferenties (SAP), waarbij wel gebruik wordt gemaakt van attesten van oorsprong als enig oorsprongsbewijs. Met de inwerkingtreding van onderhavige Overeenkomst is een overgangsperiode begonnen die zal lopen tot en met 31 december 2022. Tot die datum kunnen Vietnamese exporteurs nog attesten van oorsprong (met een REX-identificatienummer) opstellen, zij het enkel in kader van SAP.

Dit attest van oorsprong is het bewijs van de preferentiële oorsprong van een product en wordt door de exporteur op een factuur of ander handelsdocument aangebracht. Het attest van oorsprong is immers geen document, maar een tekst waarin de exporteur de oorsprong van een product vermeldt. De exporteurs zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de preferentiële oorsprong die ze in de oorsprongsverklaring aangeven.

Voor alle zendingen met een hogere waarde dan 6.000 euro moet de exporteur een REX-identificatienummer (REX = Registered Exporter System) hebben en dit in het attest van oorsprong vermelden.

De marktdeelnemers van de EU die reeds zijn geregistreerd in de REX-database van de Europese Commissie om andere preferentiële regimes te genieten, kunnen het aan hen toegekende REX-nummer blijven gebruiken. Er hoeft dus geen uitbreiding voor het gebruik van dit nummer te worden aangevraagd.

Sinds 25 januari 2021 vervangt een nieuwe uitsluitend digitale procedure de papieren registratieprocedure (aanvraag in pdf-formaat verstuurd per e-mail). De marktdeelnemers aan wie nog geen REX-nummer is toegekend, kunnen het voortaan aanvragen via het portaal van de douane van de EU van het DG TAXUD. Via dit portaal kunnen de ondernemingen zich inschrijven en hun inschrijving raadplegen.

Meer informatie over de registratieprocedure is beschikbaar via de volgende link:

https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen/ondernemingen/facilitatie/rex-de-zelfcertificatie

§40. Het REX-nummer bestaat uit de ISO-code van het land (twee letters), gevolgd door ‘REX’, gevolgd door een reeks van maximaal 30 alfanumerieke tekens.

In België ziet het identificatienummer er als volgt uit: BEREX1234567890123.

De registratie is geldig vanaf de datum waarop onze bevoegde dienst de volledige registratieaanvraag ontvangt.

Hierbij wordt opgemerkt dat wanneer de exporteur, met het oog op het vervullen van de uitvoerformaliteiten, wordt vertegenwoordigd door een exporteur die zelf al is geregistreerd, deze vertegenwoordiger zijn eigen REX-nummer niet mag gebruiken.

Wanneer het bedrag van de geëxporteerde goederen minder dan 6.000 euro bedraagt, dan wordt de exporteur vrijgesteld van de registratieplicht. Meer informatie over de voorwaarden voor het opstellen van het attest van oorsprong is te vinden in §47 van deze Circulaire.

De registratie in de REX-database van een exporteur die in de EU is gevestigd, is geldig voor het volledige douanegebied van de Unie zoals bepaald in artikel 26 van de DWU. Het REX-nummer mag worden gebruikt voor de export van producten in de verschillende lidstaten en niet alleen in de lidstaat waar het nummer werd uitgereikt.

Zoals eerder vermeld, hoeft een EU-exporteur zich slechts één keer te laten registreren in de REX-database. Vervolgens kan hij zijn REX-nummer gebruiken voor alle preferentiële overeenkomsten op grond waarvan de REX-registratie verplicht is. Indien de exporteur dus al is geregistreerd, onder meer in het kader van het Stelsel van Algemene Tariefpreferenties (SAP), hoeft hij zich niet meer opnieuw te registreren in het kader van deze nieuwe Overeenkomst.

2. Verplichtingen van de autoriteiten

§41. De verplichtingen die de autoriteiten moeten naleven, zijn beschreven in artikel 80 van de DWU IA. De Commissie heeft het systeem voor de registratie van exporteurs die bevoegd zijn om een verklaring inzake de oorsprong van goederen af te geven (het REX-systeem), opgezet en op 1 januari 2017 beschikbaar gesteld.

In België is de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van de centrale component van de Administratie Operations bevoegd voor de controle van de aanvraagformulieren die onmiddellijk een nummer van geregistreerd exporteur toekent aan de exporteur of, in voorkomend geval, aan de wederverzender van de goederen. Dat nummer van geregistreerd exporteur wordt vervolgens in het systeem gecodeerd, samen met de registratiegegevens die op het aanvraagformulier zijn ingevuld. Bij de invoering van deze gegevens geeft de dienst de begindatum van geldigheid van de REX-registratie in.

Het registratienummer en de begindatum van de geldigheid worden daarna meegedeeld aan de exporteur of wederverzender van de goederen.

Indien de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van mening is dat de gegevens in de aanvraag onvolledig zijn, moet hij de exporteur daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.

Deze dienst is ook verantwoordelijk voor het bijwerken van de gegevens die in het REX-systeem zijn geregistreerd.

3. Toegangsrechten tot de database

§42. Aangezien het systeem is opgezet door de Commissie, moet die ervoor zorgen dat toegang tot het REX-systeem wordt geboden in overeenstemming met artikel 82 van de DWU IA. De Commissie heeft toegang tot alle gegevens.

De douaneautoriteiten van de lidstaten hebben toegang om de gegevens te raadplegen die door henzelf, door de douaneautoriteiten van andere lidstaten, en door de bevoegde autoriteiten van andere landen die het REX-systeem toepassen, werden geregistreerd.

De bevoegde autoriteiten van een begunstigd SAP-land kunnen de gegevens van de door henzelf geregistreerde exporteurs raadplegen.

Die toegang tot de gegevens dient voor de verificatie van douaneaangiften op grond van artikel 188 van de DWU of voor de controles a posteriori op grond van artikel 48 van de DWU.

4. Gegevensbescherming

§43. De geregistreerde exporteurs krijgen informatie over:

de rechtsgrond van de verwerkingen waarvoor de gegevens bestemd zijn;

de bewaringstermijn van de gegevens.

Deze informatie wordt meegedeeld via een advies dat wordt bijgevoegd bij het ‘verzoek tot registratie als geregistreerd exporteur’.

Elke bevoegde autoriteit van een begunstigd SAP-land en elke douaneautoriteit in een lidstaat die gegevens in het REX-systeem invoert, wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking van die gegevens. Onze administratie wordt met andere woorden beschouwd als verantwoordelijke. Om te garanderen dat de geregistreerde exporteur zijn rechten kan laten gelden, wordt de Commissie echter beschouwd als gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van alle gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteur op het vlak van de verwerking van de gegevens die zijn opgeslagen in het REX-systeem en die worden verwerkt in het kader van de nationale systemen, worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetgeving ter omzetting van[1] de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteur met betrekking tot de verwerking van zijn registratiegegevens door de Commissie worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.

Elk verzoek van een geregistreerd exporteur om het recht op toegang, rectificatie, uitwissen of afschermen van gegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 uit te oefenen, wordt ingediend bij en onderzocht door de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.

Wanneer een geregistreerd exporteur een dergelijk verzoek bij de Commissie indient zonder een poging te hebben gedaan zijn rechten bij de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens te doen gelden, stuurt de Commissie dat verzoek door naar de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens van de geregistreerde exporteur.

Wanneer de geregistreerde exporteur er niet in slaagt zijn rechten te doen gelden bij de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens, kan hij zijn verzoek indienen bij de Commissie, die dan als verantwoordelijke voor de verwerking optreedt. De Commissie is immers gemachtigd om de gegevens te rectificeren, te wissen of te blokkeren.

De nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen de grenzen van hun eigen bevoegdheden, samen en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op de registratiegegevens.

Zo kunnen zij:

relevante informatie uitwisselen;

elkaar bijstaan in de uitvoering van controles en inspecties;

problemen behandelen bij de uitlegging of toepassing van de Uitvoeringsverordening;

zich buigen over problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van betrokkenen;

geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen opstellen; en

indien nodig het bewustzijn over gegevensbeschermingsrechten bevorderen.

5. Bekendmaking

§44. Met instemming van de exporteur zal de Commissie de volgende informatie voor het publiek beschikbaar stellen:

a) de naam van de geregistreerde exporteur;

b) het adres van de plaats waar de geregistreerde exporteur is gevestigd;

c) de contactgegevens zoals vermeld in vak 2 van het formulier;

d) een indicatieve beschrijving van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van posten of hoofdstukken van het GS, zoals vermeld in vak 4 van het formulier;

e) het EORI- of TIN-nummer (identificatienummer handelaar) van de geregistreerde exporteur.

De exporteur kan tijdens de online registratie zijn toestemming geven om zijn gegevens te publiceren. De weigering om deze toestemming te verlenen vormt geen geldige reden om de registratie van de exporteur te weigeren.

§45. De volgende gegevens zijn altijd toegankelijk voor het publiek, zonder voorafgaande toestemming van de exporteur:

a) het nummer van geregistreerd exporteur;

b) de begindatum van de geldigheid van de registratie;

c) indien van toepassing, de datum van intrekking van de registratie;

d) een vermelding of de registratie ook van toepassing is op uitvoer naar Noorwegen, Turkije of Zwitserland;

e) de datum van de laatste synchronisatie tussen het REX-systeem en de openbare website.

6. Verplichtingen van exporteurs

§ 46. Artikel 91 van de DWU IA somt op aan welke verplichtingen exporteurs en geregistreerde exporteurs moeten voldoen. Zo moeten ze:

een passende boekhouding voeren met betrekking tot de productie en levering van goederen die voor preferentiële behandeling in aanmerking komen;

alle bewijsstukken bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

alle douanedocumenten bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

de administratie in verband met de attesten van oorsprong die zij hebben opgesteld bewaren, alsook de rekeningen in verband met de van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen, vervaardiging en voorraden. Die administratie moet worden bewaard gedurende een periode van drie jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de attesten van oorsprong werden opgesteld, of langer indien het nationale recht dit vereist.

Die administratie mag in elektronisch formaat worden bewaard, zolang het aan de hand daarvan mogelijk is de materialen die bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten zijn gebruikt, te traceren en hun oorsprong te bevestigen.

Hogervermelde verplichtingen zijn ook van toepassing op de door leveranciers aan exporteurs afgegeven leveranciersverklaringen met betrekking tot de oorsprong van de goederen die zij hebben geleverd.

De al dan niet geregistreerde wederverzenders van goederen die vervangende attesten van oorsprong opstellen, behouden ook de oorspronkelijke attesten gedurende een periode van drie jaar vanaf het eind van het kalenderjaar waarin het vervangende attest van oorsprong is opgesteld, of langer als het nationale recht dit vereist.

Deel III: Bewijzen van oorsprong – praktische bepalingen

1. Herinnering aan de bepalingen inzake de bewijzen van oorsprong

1.1. Bewijzen van oorsprong voor producten van oorsprong uit de EU die naar Vietnam worden uitgevoerd
Voorwaarden voor het opstellen van een attest van oorsprong

§47. In het kader van het Protocol dat met Vietnam is gesloten, is de preferentiële tariefbehandeling gebaseerd op een ‘attest van oorsprong’.

Op 8 april 2020 heeft de EU Vietnam in kennis gesteld dat artikel 15, eerste lid, punt c), van het Protocol van toepassing zal zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst, en dat de punten a) en b) van datzelfde lid niet van toepassing zullen zijn.

Bijgevolg zullen de producten van oorsprong uit de EU bij hun invoer in Vietnam in aanmerking komen voor de preferentiële tariefbehandeling bij indiening van een attest van oorsprong dat is opgesteld door een geregistreerd exporteur (REX). Dit betekent dat het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaringen niet zullen worden afgegeven of opgesteld in de EU ten behoeve van de preferentiële tariefbehandeling in Vietnam.

Het attest van oorsprong kan worden verstrekt op een factuur, een pakbon of ander handelsdocument waarop het product van oorsprong in voldoende detail staat beschreven om de identificatie ervan mogelijk te maken. Volgende voorwaarden dienen te worden voldaan:

voor zendingen waarvan de waarde meer dan 6.000 euro bedraagt moeten de exporteurs geregistreerd zijn als geregistreerd exporteur, overeenkomstig de bepalingen van artikel 68 DWU IA. Vanaf het moment dat zij geregistreerd zijn in het REX systeem van de EU mogen ze attesten van oorsprong opstellen bij uitvoer van goederen van de EU naar Vietnam;

voor zendingen waarvan de waarde niet meer dan 6.000 euro bedraagt, mag de exporteur van de EU attesten van oorsprong opstellen zonder dat hij over een REX-nummer moet beschikken.

Formulering van het attest van oorsprong en moment voor het opstellen ervan

§48. De verschillende taalversies van de tekst van het attest van oorsprong die op de factuur of een ander handelsdocument moet worden aangebracht en de toelichtingen zijn opgenomen in bijlage VI bij het Protocol. De tekst en de bepalingen van het attest van oorsprong zijn mutatis mutandis dezelfde als die van de oorsprongsverklaring.

Opgelet! Deze tekst verwijst naar een ‘(douanevergunning nr. ...)’ en de toelichting (1) verwijst naar het nummer van de vergunning van de toegelaten exporteur. Voor exporteurs uit de EU die willen exporteren naar Vietnam, moet het REX-nummer en niet met het nummer van de vergunning van de toegelaten exporteur worden gebruikt.

In het Nederlands luidt de tekst als volgt:

De exporteur van de goederen waarop dit document van toepassing is (douanevergunning nr. … (1)), verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze goederen van preferentiële … oorsprong zijn (2).

............................................................................................................................................................ (3)

(Plaats en datum)

............................................................................................................................................................ (4)

(Handtekening van de exporteur, gevolgd door de naam van de ondertekenaar in blokletters)

Toelichtingen voor de marktdeelnemers van de EU:

(1) Indien de oorsprongsverklaring wordt opgesteld door een toegelaten exporteur, moet het nummer van de vergunning van die exporteur hier worden vermeld. Indien de oorsprongsverklaring niet door een toegelaten exporteur wordt opgesteld, worden de woorden tussen haakjes weggelaten of wordt niets ingevuld.

(2) Aanduiding van de oorsprong van de producten. Indien de oorsprongsverklaring geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, moet de exporteur dit door middel van de letters ‘CM’ duidelijk aangeven op het document waarop de verklaring wordt opgesteld.

(3) Deze vermeldingen kunnen achterwege blijven indien de gegevens op het document zelf zijn aangegeven.

(4) Indien de exporteur niet hoeft te ondertekenen, hoeft evenmin diens naam te worden vermeld.

Voor goederen van oorsprong uit de EU is de te vermelden oorsprong in punt (2) ‘EU’.

De tekst van het attest van oorsprong kan op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument worden getypt, gestempeld of gedrukt. Indien het oorsprongsattest met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in hoofdletters worden gedaan.

Het attest van oorsprong mag ook op een afzonderlijk document worden afgedrukt op voorwaarde dat dit document de benaming van de betrokken onderneming bevat en dat de factuur of het andere handelsdocument een duidelijke verwijzing naar dit afzonderlijke document bevat, zodat het kan worden beschouwd als een onderdeel van de factuur of van het andere handelsdocument.

§49. Het attest van oorsprong wordt opgesteld op het ogenblik dat de goederen waarop deze betrekking heeft, worden uitgevoerd. Zie §51 van deze Circulaire voor meer informatie.

Geldigheidsperiode van het attest van oorsprong

§50. Het attest van oorsprong is 12 maanden geldig vanaf de datum waarop het door de exporteur is opgesteld.

Indiening van het attest van oorsprong

§51. Artikel 22 van het Protocol bepaalt dat, om aanspraak te kunnen maken op de preferentiële tariefbehandeling, het oorsprongsbewijs aan de douaneautoriteiten moet worden overgelegd overeenkomstig de interne wetgeving. Vietnam staat conform haar interne wetgeving geen aanvragen voor een preferentiële tariefbehandeling na de invoer toe. Bovendien heeft de importeur maar 30 dagen de tijd om het attest van oorsprong in te dienen bij de douaneautoriteiten.

Het is dus erg belangrijk dat de attesten van oorsprong op tijd en op correcte wijze worden opgesteld, opdat de Vietnamese klanten geen nadelige gevolgen zouden ondervinden.

Indien de Vietnamese importeur het attest dus niet binnen deze termijn heeft ingediend, kan hij geen aanspraak meer maken op de terugbetaling van de te veel betaalde douanerechten.

Ondertekening van het attest van oorsprong

§52. In overeenstemming met artikel 19, § 4, van het Protocol geldt het volgende:

Attesten van oorsprong die zijn opgesteld door de in het REX-systeem geregistreerde exporteurs moeten niet worden ondertekend;

Attesten van oorsprong die zijn opgesteld door een niet-geregistreerde exporteur (m.a.w. voor zendingen voor een waarde van minder dan 6.000 euro) moeten eigenhandig worden ondertekend door de exporteur. Bijgevolg moet het originele document waarop een attest van oorsprong is aangebracht, worden verstrekt aan de importeur in Vietnam.

1.2. Bewijzen van oorsprong voor producten van oorsprong uit Vietnam die worden uitgevoerd naar de EU
Voorwaarden voor het opstellen

§53. In tegenstelling tot de EU heeft Vietnam aan de EU (nog) geen bevestiging geleverd van de toepasbaarheid van artikel 15, tweede lid, c) van het Protocol, dat de opstelling van oorsprongsverklaringen door een toegelaten of geregistreerde exporteur mogelijk zou maken. Bijgevolg zal Vietnam in kader van de Overeenkomst de volgende bewijzen van oorsprong gebruiken:

het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 (artikel 15, § 2, a), van het Protocol);

de oorsprongsverklaring die is opgesteld door een exporteur voor de zendingen waarvan de totale waarde niet hoger is dan 6.000 euro (artikel 15, §2, b), van het Protocol).

Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

§54. De bepalingen inzake de certificaten zijn beschikbaar in de artikelen 16 en 17 van het Protocol en het model van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is opgenomen in bijlage VII bij het Protocol.

Het certificaat EUR.1 is toegestaan voor alle zendingen afkomstig uit Vietnam naar de EU, ongeacht de waarde van de zending.

Overeenkomstig het Protocol is het "Ministry of Industry and Trade" (MoIT) van Vietnam de instantie die bevoegd is voor de afgifte van certificaten EUR.1.

Het certificaat EUR.1moet elektronisch worden aangevraagd door de Vietnamese exporteur, die hierbij alle bewijsstukken moet voorleggen. Het certificaat wordt vervolgens gedrukt, gestempeld en met de hand ondertekend en op papier aan de exporteur bezorgd. De exporteur ondertekent het certificaat ook met de hand, er is geen elektronische handtekening.

Het certificaat EUR.1 wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie werkdagen na de datum van uitvoer (de aangegeven datum van verzending) afgegeven.

Retroactieve afgifte van het certificaat EUR.1

§ 55. Overeenkomstig artikel 17 van het Protocol kan een Vietnamese exporteur bij wijze van uitzondering in de volgende gevallen retroactief een certificaat EUR.1 aanvragen:

a) indien de aanvraag door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;

b) indien aan de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat van oorsprong is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard; of
c) indiende eindbestemming van de producten niet bekend was op het tijdstip van uitvoer en pas werd bepaald tijdens het vervoer, de opslag of na splitsing van zendingen, overeenkomstig artikel 13 (Geen wijziging).

De Vietnamese exporteur moet in zijn aanvraag plaats en datum van uitvoer vermelden voor de producten waarop het certificaat EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

De bevoegde autoriteiten kunnen slechts tot afgifte achteraf van een certificaat EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

Indien een EUR.1-certificaat retroactief wordt afgegeven conform bovenvermelde voorwaarden, dan moet het certificaat worden afgegeven en ingediend binnen een termijn van twee jaar na invoer in de EU. Op deze manier wordt rekening gehouden met enerzijds de minimumbewaartermijn van documenten in Vietnam en anderzijds met de termijnen voor verificatie en de termijn voor het opstarten van wederzijdse bijstand in de EU.

Op achteraf afgegeven certificaten EUR.1 moeten in vak 7 de volgende Engelse woorden worden aangebracht: "ISSUED RETROSPECTIVELY".

§ 56. In de gevallen waarin een certificaat FORM A reeds werd afgegeven door de "Vietnamese Chamber of Commerce and Industry" (VCCI) op het ogenblik van de export van de Vietnamese goederen in kader van SAP, terwijl de goederen nog niet in het vrije verkeer zijn gebracht in de EU, kunnen de importeurs in de EU er de voorkeur aan geven om de goederen in te voeren in het kader van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam in plaats van in het kader van het SAP. In dat geval moet de exporteur in Vietnam aan het MoIT vragen om een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 met terugwerkende kracht af te geven zodat de importeur in de EU van de tariefpreferenties van de Overeenkomst gebruik wil maken.

De Vietnamese exporteur kan een certificaat EUR.1 met terugwerkende kracht vragen, zelfs indien de importeur uit de EU reeds (gedeeltelijk) gebruik heeft gemaakt van het certificaat FORM A om alle of een deel van de betrokken goederen in het vrije verkeer te brengen. De importeur uit de EU kan dan verzoeken om de terugbetaling van alle (te veel) betaalde invoerrechten op basis van artikel 117 DWU, op voorwaarde dat hij kan bewijzen dat de desbetreffende goederen in aanmerking komen voor de preferentiële tarifaire behandeling waarin is voorzien in de Overeenkomst.

Opgelet! Sinds 1 januari 2021 zijn de certificaten FORM A niet langer toelaatbaar. Alle certificaten FORM A die zijn uitgereikt vóór die datum, blijven geldig indien ze tijdens hun geldigheidsduur werden ingediend bij de douane.

De oorsprongsverklaring

§57. De tekst en de bepalingen van de oorsprongsverklaring zijn mutatis mutandis dezelfde als die van het attest van oorsprong. Zie hiervoor §48 van deze Circulaire.

De oorsprongsverklaringen worden opgesteld door de Vietnamese exporteurs in overeenstemming met artikel 15, §2, b) van het Protocol, dit wil zeggen door elke exporteur voor een zending waarvan de waarde niet hoger is dan 6.000 euro.

In overeenstemming met artikel 19, lid 4, van het Protocol moeten de door de exporteurs in Vietnam opgestelde oorsprongsverklaringen eigenhandig ondertekenen. Bijgevolg moet het origineel van het document aan de importeur in de EU worden bezorgd en desgevraagd aan de douaneautoriteiten van de EU worden voorgelegd.

Een oorsprongsverklaring kan worden opgesteld bij uitvoer of erna mits zij uiterlijk twee jaar nadat de goederen het grondgebied zijn binnengekomen, in de EU wordt aangeboden.

Geldigheid van het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaring

§58. Het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaring zijn 12 maanden geldig vanaf respectievelijk de datum waarop de EUR.1 werd afgegeven en de datum waarop de oorsprongsverklaring door de exporteur werd opgesteld.

1.3. Handelsdocument dat kan worden gebruikt voor het attest van oorsprong (EU) of de oorsprongsverklaring (Vietnam)

§59. Artikel 19, §3, van het Protocol bepaalt het volgende:

“De oorsprongsverklaring, waarvan de tekst in bijlage VI bij dit protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument waarop de betrokken producten in voldoende detail staan be­schreven om hun identificatie mogelijk te maken, getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van de partij van uitvoer. Indien de verklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in hoofdletters geschieden.”

In de toelichting 7 van Bijlage VIII bij het Protocol wordt het begrip ‘ander handelsdocument’ toegelicht:

7. Voor de toepassing van artikel 19 (Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring), lid 3, kan “een ander handelsdocument” bijvoorbeeld een begeleidende pakbon, een pro-formafactuur of een paklijst zijn. Een vervoersdocument, zoals een cognossement of een luchtvrachtbrief, wordt niet als ”en ander handelsdocument” beschouwd. Een oorsprongsverklaring op een afzonderlijk formulier is niet toegestaan. De oorsprongsverklaring kan op een afzonderlijk blad van een handelsdocument worden ingediend als het blad een duidelijk onderdeel van dit document vormt.‘

In de toelichting 7 van bijlage VIII bij het Protocol wordt verder bepaald dat een attest van oorsprong of een oorsprongsverklaring op een afzonderlijk blad van het handelsdocument mag worden ingediend, op voorwaarde dat het blad een duidelijk onderdeel van het handelsdocument vormt. In dat geval moet dit blad deel uitmaken van het initiële handelsdocument, ofwel door op het afzonderlijke blad naar het handelsdocument te verwijzen, ofwel doordat het handelsdocument omgekeerd een verwijzing bevat naar het afzonderlijke blad.

§60. In toelichting 1 van diezelfde bijlage wordt het volgende bepaald:

‘De exporteur is niet noodzakelijk de persoon (de verkoper) die de verkoopfactuur voor de zending afgeeft. De verkoper kan gevestigd zijn op het grondgebied van een land dat geen Partij is bij de Overeenkomst (facturering door een derde partij).’

Dit betekent echter geenszins dat het attest van oorsprong of de oorsprongsverklaring mag worden geplaatst op een factuur of ander handelsdocument van de handelaar uit de derde partij. Dit biedt immers geen rechtszekerheid over wie het attest of de verklaring op het gebruikte document heeft geplaatst.

De Belgische douaneautoriteiten stellen dus dat een oorsprongsverklaring of een attest van oorsprong altijd moet worden opgesteld door de exporteur op een document dat hij zelf heeft opgesteld. Indien de verkoop wordt uitgevoerd door een verkoper uit een derde land, moet de oorsprongsverklaring bijgevolg worden opgesteld op een pakbon of een ander handelsdocument dat door de Vietnamese exporteur is afgegeven.

1.4. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken

§ 61. De bewijsstukken aan de hand waarvan wordt aangetoond dat de producten waarvoor een attest van oorsprong, een oorsprongsverklaring of een certificaat van oorsprong is verstrekt, als producten van oorsprong uit de Unie of uit Vietnam kunnen worden beschouwd, kunnen onder meer de volgende zijn:

a) een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;

b) in een partij afgegeven of opgestelde en in overeenstemming met het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;
c) in een partij afgegeven of opgestelde en volgens het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van materialen in een partij blijkt;

d) in een partij in overeenstemming met dit protocol afgegeven of opgestelde bewijzen van oorsprong waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt.

§62. Artikel 26 van het Protocol bepaalt dat de exporteur die een attest van oorsprong of een oorsprongsverklaring heeft opgesteld of de afgifte van een certificaat van oorsprong heeft gevraagd, daarvan een kopie moet bewaren, evenals een kopie van alle documenten die de oorsprongsstatus bewijzen, en dit gedurende een periode van drie jaar vanaf het opstellen ervan.

De bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer die een certificaat van oorsprong hebben afgegeven, bewaren het aanvraagformulier gedurende een periode van drie jaar. Tijdens diezelfde periode bewaren de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer alle bewijzen van oorsprong die bij hen zijn ingediend.

In overeenstemming met hun eigen wet- en regelgeving kunnen de Partijen de exporteurs op hun grondgebied toestaan om de bewijzen van oorsprong en alle ermee verband houdende documenten en inlichtingen te bewaren in digitale vorm, mits ze kunnen worden opgevraagd en afgedrukt.

1.5. Vervanging van bewijzen van oorsprong in de EU

§63. Artikel 69 van de DWU IA bepaalt de regel voor de vervanging van bewijzen van oorsprong in het geval van wederverzending in de EU van goederen die zijn ingevoerd in het kader van de Overeenkomst. In tegenstelling tot het SAP-stelsel (artikel 101 van de DWU IA) is de vervanging van bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld in het kader van de Overeenkomst niet mogelijk wanneer de goederen worden wederverzonden uit/naar Noorwegen/Zwitserland.
Indien goederen van oorsprong uit Vietnam die in het kader van de Overeenkomst worden uitgevoerd, via Noorwegen of Zwitserland worden vervoerd, is wederverzending naar de EU nog steeds mogelijk, maar in dit geval worden deze landen beschouwd als doorvoerlanden en moet de bepaling van het Protocol inzake de niet-wijziging worden nageleefd. De wederverzender in Noorwegen of in Zwitserland mag het door de Vietnamese exporteur afgegeven of opgestelde bewijs van oorsprong niet vervangen.

Indien goederen van oorsprong uit Vietnam die in het kader van de Overeenkomst worden uitgevoerd, via de EU worden vervoerd en opnieuw naar Noorwegen of Zwitserland worden verzonden, kan de wederverzender in de EU het door de Vietnamese exporteur afgegeven of opgestelde bewijs van oorsprong niet vervangen.

Gedurende de periode waarin het SAP-stelsel in Vietnam van toepassing blijft, zal de vervanging van de bewijzen van oorsprong in de EU, Noorwegen of Zwitserland voor goederen van oorsprong uit Vietnam nog steeds mogelijk zijn, maar alleen voor goederen die uit Vietnam worden geëxporteerd in het kader van het SAP-stelsel, en niet in het kader van de Overeenkomst.

1.6. Bepalingen betreffende cumulatie

§ 64. De Overeenkomst voorziet in volgende twee vormen van cumulatie:

Bilaterale cumulatie tussen de twee Partijen:

Producten die materialen van oorsprong uit de andere Partij bevatten, worden beschouwd als van oorsprong uit de uitvoerende Partij op voorwaarde dat deze materialen in de uitvoerende Partij behandelingen ondergaan die meer inhouden dan de ontoereikende be- of verwerkingen.

Een exporteur die materialen van oorsprong uit de andere Partij gebruikt in het kader van de bilaterale cumulatie moet in het bezit zijn van een bewijs van oorsprong van deze materialen.

Diagonale cumulatie:

Diagonale cumulatie is van toepassing op:

a) bepaalde vissoorten van oorsprong uit de lidstaten van de ASEAN-landen (Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten) die een VHO hebben gesloten met de EU (artikel 3, §§ 2 t.e.m. 6, en bijlagen III en IV bij het Protocol);

b) weefsels van oorsprong uit Zuid-Korea (artikel 3, §§ 7 t.e.m. 11, en bijlage V bij het Protocol);

c) textiel van oorsprong uit een land waarmee de EU en Vietnam een VHO hebben gesloten (artikel 3, §§ 12 en 13, van het Protocol).

De in punten a) en c) beoogde cumulatiemogelijkheden zijn nog niet van toepassing.

Op 23 december 2020 hebben Vietnam en Zuid-Korea de EU er in kennis van gesteld dat aan de twee voorwaarden van artikel 3, § 10, b), is voldaan. Bijgevolg kunnen vanaf die datum weefsels van oorsprong uit Zuid-Korea in Vietnam worden gecumuleerd, zoals bepaald in het voornoemde artikel. De desbetreffende weefsels zijn die welke zijn vermeld in de hoofdstukken 61 en 62 van het Geharmoniseerd Systeem (GS) zoals opgesomd in bijlage V bij het Protocol:

Zuid-Koreaanse exporteurs moeten de oorsprong van hun textielproducten kunnen aantonen door middel van een oorsprongsverklaring en moeten in het bezit zijn van een vergunning voor ‘toegelaten exporteur’ overeenkomstig de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zuid-Korea.

Algemene informatie (in het Engels) over de cumulatie is eveneens beschikbaar op de website van de EU op het volgende adres:

https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/calculation-customs-duties/rules-origin/general-aspects-preferential-origin/common-provisions_en.

De regelgevende bepalingen van het Protocol aangaande cumulatie zijn beschikbaar in § 5 van deze circulaire.

2. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na de invoer

§65. Artikel 22 van het Protocol betreffende de overlegging van het bewijs van oorsprong bepaalt dat om aanspraak op preferentiële tariefbehandeling te kunnen maken, de bewijzen van oorsprong bij de douaneautoriteiten van de Partij van invoer worden ingediend overeenkomstig de in die Partij geldende procedures.

De toekenning van een preferentiële tariefbehandeling met terugwerkende kracht is niet uitdrukkelijk geregeld in het protocol en de EU. Daarom zijn de nationale wetten van de EU en Vietnam in dit verband van toepassing.

Er moet evenwel op worden gewezen dat artikel 17 van het Protocol voorziet in de afgifte met terugwerkende kracht van EUR.1-certificaten en de afgifte met terugwerkende kracht van verklaringen van oorsprong.

In de EU

In de EU is het overeenkomstig Titel III, hoofdstuk 3 DWU mogelijk om na de invoer een preferentiële tariefbehandeling aan te vragen door een geldig bewijs van oorsprong voor te leggen dat kan worden opgesteld of afgegeven na de uitvoer uit Vietnam.

Een Vietnamese exporteur kan na de uitvoer nog een oorsprongsverklaring opstellen mits zij uiterlijk twee jaar nadat de goederen het grondgebied zijn binnengekomen, in de EU wordt aangeboden.

Indien een EUR.1-certificaat retroactief wordt afgegeven conform de bepalingen in het Protocol (zie §55), dan moet het certificaat worden afgegeven en ingediend binnen een termijn van twee jaar na invoer in de EU. Op deze manier wordt rekening gehouden met enerzijds de minimumbewaartermijn van documenten in Vietnam en anderzijds met de termijnen voor verificatie en de termijn voor het opstarten van wederzijdse bijstand in de EU.

In Vietnam

Zoals vermeld in §51 van de Circulaire staat Vietnam geen aanvragen voor een preferentiële tariefbehandeling na de invoer toe.

3. De codes van de douaneaangifte

§66. Wanneer men bij invoer gebruik wenst te maken van de tariefbehandeling in kader van het Protocol dient men op de invoeraangifte volgende codes in te vullen:

  • Vak 34: VN;
  • Vak 36: preferentiecode 300 voor de Overeenkomst (in tegenstelling tot preferentiecode 200 voor SAP-regeling).

Het bewijs van oorsprong moet worden vermeld in vak 44 aan de hand van een van de volgende codes:

N954: certificaat van oorsprong EUR.1; of

U162: oorsprongsverklaring waarbij de totale waarde van de goederen van oorsprong gelijk is aan of lager is dan 6.000 euro.

Er is niet voorzien in een specifieke code voor vak 44 van de uitvoeraangifte. Code N864 met betrekking tot zendingen van meer dan 6.000 euro en code U162 voor de zendingen gelijk aan of lager dan 6.000 euro kunnen wel worden vermeld op de uitvoeraangifte. Dit is echter niet verplicht.

Deel IV: Vergelijking tussen het SAP en de Vrijhandelsovereenkomst

1. Systeem van Algemene Tariefpreferenties (SAP)

§ 67. Vietnam is niet enkel partij bij de Vrijhandelsovereenkomst, maar behoort ook tot de SAP-begunstigde landen. Volgens artikel 5, tweede lid, b), van de SAP-verordening (Verordening (EU) nr. 978/2012) verliest een begunstigd land het voordeel van het SAP twee jaar na de toepassing van een Overeenkomst tussen het land en de EU:

b) is het besluit om een begunstigd land van de lijst van SAP-begunstigde landen te schrappen, in overeenstemming met lid 3 van dit artikel en overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing vanaf twee jaar na de datum van toepassing van een preferentiële markttoegangsregeling.

In dit specifieke geval behoudt Vietnam om redenen van administratieve en statistische samenhang het voordeel van het SAP-stelsel tot en met 31 december 2022.

Tijdens deze periode zijn het SAP-stelsel en de Overeenkomst gelijktijdig van toepassing. Zo kunnen de exporteurs en importeurs beslissen van welk stelsel ze gebruik wensen te maken. Een exporteur kan er bijvoorbeeld voor kiezen om gebruik te blijven maken van het SAP. Naargelang van het gekozen wettelijke kader zal de exporteur moeten voldoen aan de desbetreffende regels en bewijzen van oorsprong.

2. Tariefverschillen

§ 68. In principe is het tarief dat is vastgelegd in de Overeenkomst minstens even voordelig als dat van het SAP. Wanneer echter een aanvraag voor een preferentiële tariefbehandeling wordt ingediend door een invoerder in de EU op grond van de Overeenkomst en het toepasselijke tarief is minder gunstig dan dat van het SAP, wordt in de plaats daarvan het SAP-tarief voor de rechten toegepast. Het toepasselijke SAP-tarief is vastgesteld op het tarief van de dag die voorafgaat aan de inwerkingtreding van de Overeenkomst (31 juli 2020). Met latere wijzigingen van de SAP-tarieven wordt geen rekening gehouden. Deze regel is van toepassing tijdens de eerste zeven jaar waarin de Overeenkomst van toepassing is.

BIJLAGE 2-A

VERLAGING OF AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN

Afdeling A Algemene bepalingen

3. Onverminderd artikel 2.7 (Verlaging of afschaffing van douanerechten) is het preferentiële douanerecht van de Unie uit hoofde van deze overeenkomst in geen geval hoger dan de op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst op goederen van oorsprong uit Vietnam geheven douanerechten van de Unie. Deze verplichting geldt vanaf die datum tot en met het zevende jaar na de inwerkingtreding.

3. Bewijs van oorsprong SAP

§69. Wanneer een export plaatsvindt in het kader van het SAP zijn de oorsprongsregels van het SAP van toepassing, met inbegrip van de bepalingen inzake de bewijzen van oorsprong. Zo wordt in het bijzonder voor een uitvoer uit Vietnam in het kader van het SAP een door een geregistreerde exporteur opgesteld attest van oorsprong vereist.

In de EU kan een importeur geen aanspraak maken op het voordeel van het SAP wanneer hij gebruikmaakt van een bewijs van oorsprong zoals vastgesteld door de Overeenkomst. Omgekeerd kan een importeur evenmin aanspraak maken op het voordeel van de Overeenkomst wanneer hij gebruikmaakt van een bewijs van oorsprong zoals vastgesteld door het SAP.

Deel V: Controle

1. Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

§70. Met het oog op de correcte toepassing van dit Protocol werken de Partijen samen via hun douaneautoriteiten en verlenen ze elkaar bijstand bij de controle van de echtheid van de certificaten van oorsprong of de oorsprongsverklaringen en de juistheid van de in deze documenten verstrekte inlichtingen.

Via de Europese Commissie doen de douaneautoriteiten van de Partijen (elkaar) de afdrukken toekomen van de stempels die worden gebruikt bij de afgifte van certificaten van oorsprong, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de controle van deze certificaten en van oorsprongsverklaringen.

2. Controle van de bewijzen van oorsprong

§71. De bewijzen van oorsprong kunnen steekproefsgewijs worden gecontroleerd of wanneer de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van de documenten, de oorsprong van de producten of de naleving van de voorwaarden van het Protocol.

De bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer sturen het certificaat van oorsprong of de oorsprongsverklaring en de factuur, zo die werd voorgelegd, of een kopie van deze documenten terug naar de Partij van uitvoer met vermelding van de reden(en) waarom een onderzoek wordt aangevraagd. De autoriteiten van de Partij van invoer verstrekken bij dit verzoek om controle alle documenten en informatie die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

De controle wordt verricht door de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd alle mogelijke bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

Indien de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet aan de betrokken producten toe te kennen zolang het resultaat van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen. Zodra de autoriteiten van de Partij van invoer verzekerd zijn van de oorsprongsstatus van de betrokken producten of van de naleving van de voorwaarden van het Protocol, wordt de opschorting van preferentiële behandeling zo spoedig mogelijk stopgezet.

De bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer die de controle hebben aangevraagd, moeten zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gebracht van het resultaat.

Wanneer bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het controleverzoek geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kunnen de autoriteiten die om de controle hebben verzocht, de preferentiële tariefbehandeling weigeren, behoudens uitzonderlijke omstandigheden.

3. Verschillen en vormfouten

§72. Wanneer er geringe verschillen worden vastgesteld tussen de gegevens op het bewijs van oorsprongen de gegevens op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij de douaneautoriteiten worden ingediend, zal dit conform artikel 27 van het Protocol het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig maken indien blijkt dat het betreffende document wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.

Ook kennelijke vormfouten, zoals typefouten op een bewijs van oorsprong, mogen niet tot de weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de gegevens vermeld in dat document.

Deel VI: Andere bepalingen

1. Opmerkingen bij productspecifieke regels voor Hoofdstukken 19 en 62

§73. Om te bepalen welke specifieke regel op een product van toepassing is, moet de productclassificatie in het geharmoniseerd Systeem (GS) worden bepaald. De bijlagen I en II bij het Protocol bevatten een lijst van alle productspecifieke oorsprongsregels op basis van hun classificatie (bijlage II) en inleidende aantekeningen om deze regels toe te passen (bijlage I)

De Commissie heeft nog enkele verduidelijkingen voorzien voor goederen geclassificeerd onder hoofdstukken 19 en ex 62.

De specifieke regel voor hoofdstuk 19 luidt als volgt:

Het ‘afzonderlijke gewicht’ zoals aangegeven in het derde punt moet worden begrepen als het individuele gewicht van alle materialen van hoofdstuk 4 in hun geheel genomen, en niet als het individuele gewicht van elk materiaal van dit hoofdstuk.

De gewichtsbeperking van suiker, vermeld in het vierde punt van de derde kolom, verwijst naar suiker die niet van oorsprong is van de posten 1701 en 1702 en die wordt gebruikt in een product van hoofdstuk 19. De suiker die is verwerkt in andere verbruiksklare tussenproducten die niet van oorsprong zijn, mag niet in aanmerking worden genomen.

Het ‘afzonderlijke gewicht’ zoals vermeld in het vierde punt moet worden begrepen als het individuele gewicht van de suiker van de posten 1701 en 1702 in hun geheel genomen, en niet als het gewicht van de posten 1701 en 1702 afzonderlijk beschouwd.

Voor de producten die onder ‘ex hoofdstuk 62’ vallen, luidt de specifieke productspecifieke regel als volgt:

De voetnoten (3) en (5) op het einde van de productspecifieke regel in kolom 3 hebben betrekking op twee alternatieve regels. Zo zijn ze tegelijk van toepassing op ‘weven samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)’ en ‘confectioneren voorafgegaan door bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen van voorbereiding of afwerking (...)’.

Voetnoot (3) = Bijzondere voorwaarden inzake producten die uit een mengsel van textielmaterialen zijn vervaardigd, zijn opgenomen in aantekening 6 van bijlage I bij Protocol 1.

Voetnoot (5) = Zie aantekening 7 van bijlage I bij Protocol 1.

De inleidende aantekeningen van Bijlage I bij Protocol 1 dewelke uitleg geven aan de lijst van vereiste be- of verwerkingen van Bijlage II bij Protocol 1, kunnen worden geraadpleegd in bijlage III bij deze Circulaire

2. De no-drawbackbepaling

§74. Er zijn geen bepalingen inzake no-drawback opgenomen in de Overeenkomst. Hierdoor is drawback van toepassing. Dit houdt in dat wanneer bij de vervaardiging van een product in de EU gebruik wordt gemaakt van materialen die niet van oorsprong zijn, komen deze materialen in aanmerking voor de teruggave of vrijstelling van de douanerechten wanneer deze producten de EU-preferentiële oorsprong hebben verkregen en onder preferenties worden uitgevoerd naar Vietnam. Dit is voornamelijk van toepassing voor operatoren die in de EU goederen be – of verwerken onder actieve veredeling en waarbij het eindproduct door die be- of verwerking de EU-preferentiële oorsprong verkrijgt.

3. Ceuta en Melilla

§75. Hoewel voor de toepassing van het Protocol Ceuta en Melilla niet onder de term Partijen vallen, vallen deze gebieden wel onder de artikelen 34 en 35 van het Protocol.

Producten van oorsprong uit Vietnam die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd, vallen in elk opzicht onder dezelfde douanebehandeling als de regeling die van toepassing is op producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie. Vietnam past op onder de Overeenkomst vallende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla dezelfde douaneregeling toe als op producten van oorsprong uit de Unie die uit de Unie worden ingevoerd.

De producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla moeten voldoen aan de voorschriften inzake de ‘niet-wijziging’ (zie § 18 van deze Circulaire).

De volgende producten worden dus beschouwd als:

a) producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:

i) volledig in Ceuta en Melilla verkregen producten; of

ii) in Ceuta en Melilla verkregen producten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde producten zijn gebruikt, mits:

A) die producten een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5 (Toereikende be- of verwerking); of

B) die producten van oorsprong zijn uit een Partij, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking) zijn genoemd);

b) producten van oorsprong uit Vietnam:

i) geheel en al in Vietnam verkregen producten; of

ii) in Vietnam verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde producten zijn gebruikt, voor zover:

A) die producten een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5 (Toereikende be- of verwerking); of

B) die producten van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of uit de Unie, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking) zijn genoemd).

4. Bewijs van oorsprong wanneer de zendingen zijn gesplitst in een land van doorvoer

§76. Om voor de tariefpreferentie in de Partij van invoer in aanmerking te komen, moeten de goederen van oorsprong uit de Partij van uitvoer worden vervoerd in overeenstemming met de regel van ‘niet-wijziging’ (zie §18 van deze Circulaire).

De regel van niet-wijziging voorzien dat zendingen kunnen worden gesplitst in een derde land onder de verantwoordelijkheid van de exporteur, mits zij in het land van doorvoer onder toezicht blijven.

Wanneer een zending wordt gesplitst, weerspiegelt het bewijs van oorsprong dat initieel is afgegeven of opgesteld in de Partij van uitvoer echter niet langer de samenstelling van de verschillende zendingen als gevolg van de splitsing ervan. Er moet dus een nieuw bewijs van oorsprong worden afgegeven of opgesteld nadat de splitsing van de initiële zending heeft plaatsgevonden in het land van doorvoer.

Wat betreft de retroactieve aflevering van certificaten EUR.1, zie §55 van deze Circulaire.

§ 77. Ook bij de splitsing van goederen in een derde land moet rekening worden gehouden met het feit dat een oorsprongsverklaring of een attest van oorsprong moet worden opgesteld door de exporteur uit één van de partijen op zijn factuur of handelsdocument. Zie §§59-60 van deze Circulaire.

Zoals bepaald in artikel 1 van het Protocol blijft de exporteur zelf verantwoordelijk voor het bewijs van oorsprong van de goederen, of hij nu al dan niet zelf de uitvoerformaliteiten vervult. Bijgevolg is de handelaar die in een derde land is gevestigd, niet betrokken bij de verificatieprocedure van de oorsprong. Hij kan wel betrokken worden bij het aantonen van de naleving van de regel van niet-wijziging.

5. Aanvullende informatie en contactpunten

5.1. Aanvullende informatiebronnen

§78. De Europese Commissie heeft Engelstalige richtlijnen inzake preferentiële oorsprong gepubliceerd op haar website: https://ec.europa.eu/trade/policy/in-focus/eu-vietnam-agreement/

Gedetailleerde tarifaire informatie kan worden teruggevonden via de webapplicatie TARBEL: https://financien.belgium.be/nl/E-services/tarbel

De Europese Commissie heeft eveneens een nieuwe portaalsite Access2Markets gelanceerd ter vervanging van de Market Access Database: https://trade.ec.europa.eu/access-to-markets/en/content/welcome-access2markets-market-access-database-users#toc_1.

5.2. Contact

§ 79. Bij verdere vragen kunt u per e-mail contact opnemen met de dienst Douanewetgeving: da.lex.douane@minfin.fed.be.

Voor de Administrateur-generaal,

Jo Lemaire
Adviseur-generaal

Interne referentie: D.I. 561- EOS/DD 017.710



BIJLAGEN

Bijlage I – Hoofdstuk 4: Douane en handelsbevordering

Hoofdstuk 4 van de Overeenkomst, pagina’s 21 t.e.m. 25
HOOFDSTUK 4
Douane en handelsbevordering

Artikel 4.1
Doelstellingen

1. De partijen erkennen het belang van douane en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het mondiale handelsstelsel. De partijen versterken de samenwerking op dit gebied om ervoor te zorgen dat hun respectieve douanewetgeving en -procedures beantwoorden aan de doelstellingen van bevordering van de handel en doeltreffende douanecontrole.
2. De partijen komen overeen dat hun wetgeving niet-discriminerend moet zijn en dat de douaneprocedures moeten zijn gebaseerd op het gebruik van moderne methoden en doeltreffende controles om fraude te bestrijden en de legitieme handel te bevorderen.
3. De partijen erkennen dat legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, ook met betrekking tot beveiliging, veiligheid en fraudebestrijding, niet in het gedrang mogen komen.

Artikel 4.2
Douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand

1. De respectieve autoriteiten van de partijen werken samen op douanegebied om de doelstellingen van artikel 4.1 (Doelstellingen) te bereiken.

2. De partijen versterken de douanesamenwerking onder meer door:

a) informatie uit te wisselen over de douanewetgeving en de uitvoering ervan en over douaneprocedures, met name op de volgende gebieden:

i) vereenvoudiging en modernisering van de douaneprocedures;

ii) handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aan de grens door de douaneautoriteiten;

iii) vergemakkelijking van doorvoer en overlading, en

iv) betrekkingen met het bedrijfsleven;

b) gezamenlijke initiatieven te verkennen op het gebied van invoer-, uitvoer- en andere douaneprocedures, met inbegrip van technische bijstand, om het bedrijfsleven een doeltreffende dienstverlening aan te bieden;
c) binnen internationale organisaties als de WTO en de Werelddouaneorganisatie (hierna “WDO” genoemd) beter samen te werken op het gebied van douane, en
d) waar nodig en passend over te gaan tot wederzijdse erkenning van handelspartnerschapsprogramma's en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering.
3. De partijen verlenen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden overeenkomstig Protocol 2 (Inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden).

Artikel 4.3
Douanewetgeving en -procedures

1. De partijen baseren hun respectieve douanewetgeving en -procedures op internationale instrumenten en normen die op het gebied van douane en handel van toepassing zijn, waaronder de materiële elementen van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, als gewijzigd (herziene Overeenkomst van Kyoto), gedaan te Brussel op 26 juni 1999, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna ”GS-verdrag” genoemd), het Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade en het Customs Data Model van de WDO.

2. De douanewetgeving en -procedures van de partijen:

a) strekken tot bescherming van de legitieme handel door de doeltreffende handhaving en naleving van de wettelijke voorschriften;

b) gaan onnodige of discriminerende lasten voor het bedrijfsleven tegen en verlenen extra faciliteiten aan marktdeelnemers die de wetgeving goed naleven, en

c) bieden waarborgen tegen fraude en illegale of schadelijke activiteiten.

3. De partijen komen overeen dat hun respectieve douanewetgeving en -procedures, met inbegrip van rechtsmiddelen, evenredig en niet-discriminerend moeten zijn en dat de toepassing ervan niet tot onnodige vertragingen bij de vrijgave van goederen mag leiden.

4. Om de werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, efficiënt, integer en verantwoordbaar is, komen de partijen overeen:

a) waar mogelijk, de eisen en formaliteiten met betrekking tot de snelle vrijgave en inklaring van goederen te vereenvoudigen en te herzien, en

b) ernaar te streven de door de douanediensten en andere instanties verlangde gegevens en documentatie verder te vereenvoudigen of te standaardiseren.

Artikel 4.4
Vrijgave van de goederen

1. Elke partij ziet erop toe dat haar douaneautoriteiten voorschriften en procedures toepassen die voorzien in de vrijgave van goederen binnen een termijn die niet langer is dan vereist om te waarborgen dat aan haar douane- en andere handelsgerelateerde wetgeving en formaliteiten wordt voldaan. Elke partij streeft ernaar deze termijn verder te verkorten en de goederen onverwijld vrij te geven.

2. De partijen staan onder meer toe dat goederen kunnen worden vrijgegeven voordat douanerechten zijn betaald, op voorwaarde dat indien nodig overeenkomstig hun wetgeving zekerheid wordt gesteld voor de eindbetaling daarvan.

3. Elke partij ziet erop toe dat haar douaneautoriteiten voorzien in de elektronische indiening en verdere elektronisch verwerking van informatie vóór de fysieke aankomst van de goederen (verwerking vóór aankomst), zodat de goederen bij aankomst kunnen worden vrijgegeven.

Artikel 4.5
Vereenvoudigde douaneprocedures

1. Elke partij voorziet in vereenvoudigde douaneprocedures die transparant en efficiënt zijn, om de kosten te beperken en de voorspelbaarheid te vergroten voor marktdeelnemers, met inbegrip van de kleine en middelgrote ondernemingen. Ook toegelaten handelaren moet gemakkelijker toegang tot douanevereenvoudigingen worden verleend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

2. Er wordt één enkel administratief document of elektronisch equivalent daarvan gebruikt voor het vervullen van de formaliteiten die vereist zijn om goederen onder een douaneregeling te plaatsen.

3. De partijen passen moderne douanetechnieken, waaronder methoden voor risicobeoordeling en voor controle na douaneafhandeling, toe om de binnenkomst en de vrijgave van goederen te vereenvoudigen en te vergemakkelijken.

4. De partijen bevorderen de geleidelijke ontwikkeling en het geleidelijke gebruik van systemen, met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op informatietechnologie, om de elektronische gegevensuitwisseling tussen handelaren, douanediensten en andere verwante instanties te vergemakkelijken.

Artikel 4.6
Doorvoer en overlading

1. Elke partij zorgt voor de vergemakkelijking van en de doeltreffende controle op de overlading en doorvoer over haar grondgebied.

2. Om de doorvoer te vergemakkelijken, ziet elke partij erop toe dat alle betrokken autoriteiten en instanties op haar grondgebied samenwerken en hun optreden op elkaar afstemmen.

Artikel 4.7
Risicobeheer

1. Elke partij baseert haar onderzoeks- en vrijgaveprocedures en haar procedures voor controle na douaneafhandeling op risicobeheersbeginselen en audits in plaats van op een omvattend onderzoek of voor elke zending aan alle invoervereisten is voldaan.

2. De partijen stellen hun controlevoorschriften en -procedures voor de invoer, uitvoer, doorvoer en overlading van goederen vast en passen deze toe op basis van risicobeheersbeginselen die worden toegepast om de nalevingsmaatregelen met name te richten op transacties die bijzondere aandacht behoeven.

Artikel 4.8
Transparantie

1. Elke partij waarborgt dat haar douane- en andere handelsgerelateerde wet- en regelgeving, haar algemene administratieve procedures en andere voorschriften, met inbegrip van die inzake vergoedingen en heffingen, voor belanghebbenden en, waar haalbaar en mogelijk, op een officiële website gemakkelijk toegankelijk zijn.

2. Elke partij wijst een of meer onderzoeks- of informatiecentra aan of houdt deze in stand, waaraan belanghebbenden binnen een redelijke termijn vragen over douane- en andere handelsgerelateerde aangelegenheden kunnen stellen.

Artikel 4.9
Besluiten vooraf

1. Op schriftelijk verzoek van de handelaren brengen de douaneautoriteiten van elke partij voorafgaand aan de invoer van een goed op haar grondgebied en overeenkomstig haar wet- en regelgeving een schriftelijk besluit uit over de tariefindeling of over alle andere aangelegenheden waarover de partijen het eens kunnen worden.

2. Elke partij maakt haar besluiten vooraf over de tariefindeling en over alle aangelegenheden waarover de partijen het eens kunnen worden, onder voorbehoud van eventuele vertrouwelijkheidsvereisten ingevolge haar wet- en regelgeving, bekend, bijvoorbeeld op een officiële website.

3. Ter bevordering van de handel houden de partijen elkaar in hun bilaterale overleg regelmatig op de hoogte van wijzigingen in hun respectieve wet- en regelgeving met betrekking tot besluiten vooraf.

Artikel 4.10
Vergoedingen en heffingen

1. Elke partij maakt via een officieel aangewezen medium en, waar haalbaar en mogelijk, op een officiële website informatie over de vergoedingen en heffingen bekend. Deze informatie bestrijkt de vergoedingen en heffingen die zullen worden toegepast, de reden voor de vergoedingen of heffingen ter zake van de verrichte dienst, de bevoegde autoriteit alsmede het tijdstip en de wijze van betaling.

2. Een partij legt geen nieuwe of gewijzigde vergoedingen en heffingen op zolang de informatie als bedoeld in lid 1 niet bekendgemaakt en niet gemakkelijk beschikbaar is.

Artikel 4.11
Douane-expediteurs

De partijen schrijven in hun respectieve douanewetgeving en -procedures niet de inschakeling van douane-expediteurs voor. De partijen passen in voorkomend geval transparante, niet-discriminerende en evenredige voorschriften toe voor de verlening van vergunningen aan douane-expediteurs.

Artikel 4.12
Vaststelling van de douanewaarde

1. De partijen bepalen de douanewaarde van goederen in overeenstemming met artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de douanewaarde.

2. De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van kwesties met betrekking tot de douanewaarde.

Artikel 4.13
Inspecties vóór verzending

De partijen komen overeen dat hun respectieve douanewetgeving en -procedures geen inspecties vóór verzending als omschreven in de Overeenkomst inzake inspectie voor verzending of andere inspecties die op de plaats van bestemming vóór inklaring worden verricht door particuliere ondernemingen, mogen voorschrijven.

Artikel 4.14
Toetsing en beroep

Elke partij voorziet in doeltreffende, snelle, niet-discriminerende en gemakkelijk toegankelijke procedures die de uitoefening garanderen van het recht om beroep in te stellen tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douanediensten of andere instanties betreffende de in-, uit- of doorvoer van goederen.

Artikel 4.15
Betrekkingen met het bedrijfsleven

De partijen:

a) zijn het eens over de noodzaak van tijdig overleg met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven over wetgevingsvoorstellen en algemene procedures met betrekking tot douane en handelsbevordering. Daartoe vindt in elke partij passend overleg tussen de diensten en het bedrijfsleven plaats;

b) komen overeen alle nieuwe wettelijke voorschriften en algemene procedures met betrekking tot douane en handelsbevordering vóór de toepassing ervan, alsook wijzigingen en interpretaties daarvan, bekend te maken of anderszins beschikbaar te stellen, voor zover mogelijk langs elektronische weg; zij maken ook administratieve berichten ter zake openbaar, met name over de eisen voor douane-expediteurs, de procedures bij binnenkomst van de goederen, de openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en de contactpunten voor het inwinnen van informatie;

c)zijn het erover eens dat er een redelijke tijdspanne moet liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde wettelijke voorschriften, procedures en vergoedingen of heffingen, en

d) komen overeen erop toe te zien dat hun respectieve voorschriften en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.

Artikel 4.16
Douanecomité

1. Het bij artikel 17.2 (Gespecialiseerde comités) ingestelde Douanecomité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.

2. Het Douanecomité waarborgt de goede werking van dit hoofdstuk, de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten door de douanediensten overeenkomstig hoofdstuk 12 (Intellectuele eigendom), afdeling C (Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten), onderafdeling 4 (Handhaving aan grens), alsmede de goede werking van Protocol 1 (Betreffende de definitie van het begrip "producten van oorsprong" en methoden van administratieve samenwerking), Protocol 2 (Inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden) en alle aanvullende bepalingen inzake douane waarover de partijen het eens kunnen worden.

3. Het Douanecomité onderzoekt of besluiten, adviezen, voorstellen of aanbevelingen over alle aangelegenheden in verband met de toepassing van de in lid 2 bedoelde bepalingen nodig zijn, en stelt deze vast. Het is bevoegd om besluiten vast te stellen inzake de wederzijdse erkenning van risicobeheerstechnieken, risicocriteria en -normen, veiligheidscontroles en partnerschapsprogramma's op handelsgebied, daaronder begrepen aspecten zoals het doorzenden van gegevens en wederzijds overeengekomen voordelen.

Bijlage II – Model van het certificaat van oorsprong

BIJLAGE VII bij Protocol 1 (pagina’s 1383 tot en met 1385)

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VAN OORSPRONG EN MODEL VAN EEN AANVRAAG VOOR EEN CERTIFICAAT VAN OORSPRONG Instructies voor de drukker 1. Deze formulieren meten 210 x 297 mm; waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit, goed beschrijfbaar, houtvrij, met een gewicht van ten minste 25 g/m2. Het is voorzien van een groene geguillocheerde onderdruk die vervalsingen met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. 2. De bevoegde autoriteiten van de partijen kunnen zich het recht voorbehouden de formulieren zelf te drukken of ze door erkende drukkers te laten drukken. In het laatste geval wordt op elk formulier naar deze vergunning verwezen. Op elk formulier worden bovendien de naam en het adres van de drukker vermeld, of een teken aan de hand waarvan deze kan worden geïdentificeerd. Om de certificaten van elkaar te kunnen onderscheiden, wordt elk exemplaar van een al dan niet gedrukt volgnummer voorzien.

Bijlage III - Inleidende aantekeningen bij de lijst van vereiste be- of verwerking

Bijlagen I II bij Protocol 1 (pagina’s 1335 tot en met 1341)

Aantekening 1 — Algemene inleiding

In de lijst in bijlage II bij Protocol I is vermeld aan welke voorwaarden een product moet voldoen om als voldoende be- of verwerkt in de zin van artikel 5 (Toereikende be- of verwerking) te worden beschouwd. Er zijn vier verschillende soorten oorsprongsregels, al naargelang van het product:

a) be- of verwerking waarbij een maximumgehalte van niet van oorsprong zijnde materialen niet mag worden overschreden;

b) be- of verwerking waardoor een product ontstaat dat onder een andere post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van het geharmoniseerde systeem valt dan de post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van de gebruikte materialen. In het geval dat is vermeld in Aantekening 3.3, alinea 2, kan de post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van het geharmoniseerde systeem van de vervaardigde producten hetzelfde zijn als de post (viercijfercode) of onderverdeling (zescijfercode) van het geharmoniseerde systeem, respectievelijk, van de gebruikte materialen;

c) een specifieke be- of verwerking; of

d) een be- of verwerking van geheel en al verkregen materialen.

Aantekening 2 — Structuur van de lijst van vereiste be- of verwerking

2.1. In de eerste twee kolommen van de lijst wordt het verkregen product omschreven. Kolom 1 geeft het nummer van de post of het hoofdstuk volgens het geharmoniseerd systeem en kolom 2 de omschrijving van de goederen die volgens dat systeem onder die post of dat hoofdstuk vallen. Voor iedere post of ieder hoofdstuk in de kolommen 1 en 2 is in kolom 3 een regel gegeven. Een nummer in kolom 1 voorafgegaan door "ex" betekent dat de regel in kolom 3 alleen geldt voor het gedeelte van de desbetreffende post dat in kolom 2 is omschreven.

2.2. Wanneer in kolom 1 verscheidene postnummers zijn gegroepeerd of wanneer een hoofdstuknummer is vermeld en de omschrijving van het product in kolom 2 derhalve in algemene bewoordingen is gesteld, dan is de regel daarnaast in kolom 3 van toepassing op alle producten die volgens het geharmoniseerd systeem onder de posten van het hoofdstuk of onder elk van de in kolom 1 gegroepeerde posten zijn ingedeeld.

2.3. Wanneer de lijst verschillende regels geeft voor verschillende producten binnen één post, is bij ieder gedachtestreepje dat gedeelte van de post omschreven waarop de daarnaast in kolom 3 vermelde regels van toepassing zijn.

2.4. Wanneer in kolom 3 twee regels worden gegeven, gescheiden door het gebruik van een andere lijn en verbonden door het woord "of", kan de exporteur kiezen welke regel hij toepast.

Aantekening 3 — Voorbeelden van toepassing van de regels

3.1. Op producten die oorsprongsstatus hebben verkregen en die bij de vervaardiging van andere producten worden gebruikt, is artikel 5 (Toereikende be- of verwerking) van toepassing, ongeacht of die oorsprongsstatus werd verkregen in de fabriek waar deze producten worden gebruikt of in een andere fabriek in een van de partijen.

3.2. Overeenkomstig artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking) moet de be- of verwerking meer inhouden dan de behandelingen die in dat artikel zijn genoemd. Indien dit niet het geval is, komen de goederen niet in aanmerking voor de preferentiële tariefbehandeling, zelfs indien aan de voorwaarden in onderstaande lijst is voldaan.

Onder voorbehoud van de eerste alinea geven de regels in de lijst de minimumbewerking of -verwerking aan die vereist is. Het uitvoeren van meer be- of verwerking verleent eveneens oorsprongsstatus, onverminderd artikel 6 (Ontoereikende be- of verwerking). Omgekeerd kan minder be- of verwerking geen oorsprongsstatus verlenen.

3.3. Indien in een regel de uitdrukking "Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product" wordt gebruikt, kunnen alle niet van oorsprong zijnde materialen die zijn geclassificeerd onder andere posten dan die van het product worden gebruikt (Wijziging van tariefpost).

Indien in een regel de uitdrukking "vervaardiging uit materialen van een willekeurige post" wordt gebruikt, mogen materialen van alle posten (zelfs die welke onder dezelfde omschrijving en dezelfde post vallen als het product) worden gebruikt.

3.4. Indien in een regel de uitdrukking "Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan x % van de prijs af fabriek van het product" wordt gebruikt, moet de waarde van alle niet van oorsprong zijnde materialen in overweging worden genomen en mag het percentage voor de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen niet worden overschreden middels aanwending van artikel 5 (Toereikende be- of verwerking), lid 3.

3.5. Is volgens de regel het gebruik van een specifiek niet van oorsprong zijnd materiaal toegestaan, dan is het gebruik van materialen die zich nog in een vroeger productiestadium van dat specifieke materiaal bevinden wel toegestaan, maar niet het gebruik van materialen die het resultaat zijn van verdere verwerking van dat specifiek niet van oorsprong zijnd materiaal.

Is volgens de regel het gebruik van een specifiek niet van oorsprong zijnd materiaal niet toegestaan, dan is het gebruik van materialen die zich nog in een vroeger productiestadium van dat specifieke niet van oorsprong zijnde materiaal bevinden wel toegestaan, maar niet het gebruik van materialen die het resultaat zijn van verdere verwerking van dat specifiek niet van oorsprong zijnd materiaal.

Een voorbeeld: wanneer de regel voor hoofdstuk 19 voorschrijft dat het gewicht van de niet van oorsprong zijnde materialen van de posten 1101 tot en met 1108 niet hoger kan zijn dan 20 % van het gewicht, dan is het gebruik van niet van oorsprong zijnde granen van hoofdstuk 10 (materialen in een eerder productiestadium van goederen van de posten 1101 tot en met 1108) niet beperkt door de vereiste met betrekking tot 20 % van het gewicht.

3.6. Wanneer volgens de regel een product van meer dan een materiaal mag worden vervaardigd, kunnen een of meer van deze materialen worden gebruikt. Het is niet noodzakelijk dat alle materialen worden gebruikt.

3.7. Wanneer volgens een regel een product van een bepaald materiaal moet worden vervaardigd, betekent dit niet dat geen andere materialen mogen worden gebruikt die vanwege hun aard niet aan de regel kunnen voldoen.

Een voorbeeld: Gewalste platte producten, van ijzer en van niet-gelegeerd staal, met een breedte van 600 mm of meer, die zijn geverfd, gevernist of bekleed met kunststof worden in het geharmoniseerd systeem onder 7210 70 ingedeeld. De regel voor 7210 is "Vervaardiging uit ingots of andere primaire vormen of halffabricaten, bedoeld bij de posten 7206 of 7207". Deze regel sluit het gebruik van niet van oorsprong zijnde verf en vernis (post 3208) of kunststof (hoofdstuk 39) niet uit.

Aantekening 4 – Algemene bepalingen betreffende bepaalde landbouwproducten

4.1. Landbouwproducten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 6, 7, 8, 9, 10 en 12 en post 2401, die zijn geteeld of geoogst in een partij, worden behandeld als van oorsprong uit die partij, ook indien zij zijn gekweekt uit zaden, bollen, wortels, stekken, enten, scheuten, knoppen of andere levende delen van planten uit een derde land.

4.2. Indien de regels voor producten in de hoofdstukken 1 tot en met 24 bepaalde beperkingen op het vlak van gewicht bevatten, moet worden opgemerkt dat in overeenstemming met artikel 5 (Toereikende be- of verwerking), lid 2, die beperkingen betreffende het gewicht slechts van toepassing zijn op niet van oorsprong zijnde materialen. Bijgevolg moeten van oorsprong zijnde materialen niet worden betrokken bij de berekening van gewichtsbeperkingen. Bovendien worden die beperkingen op verschillende manieren uitgedrukt. Meer bepaald:

a) Wanneer in de regel de uitdrukking "het gewicht van de materialen van hoofdstukken/posten" wordt gebruikt, wordt het gewicht van alle vermelde materialen opgeteld en mag het totale gewicht niet groter zijn dan het maximumpercentage.

Een voorbeeld: De regel voor hoofdstuk 19 stelt dat het gewicht van de materialen van de hoofdstukken 2, 3 en 16 niet hoger kan zijn dan 20 % van het gewicht van het eindproduct. Indien het gewicht van het eindproduct 12 % aan materialen van de hoofdstukken 3 en 10 bevat en 10 % aan materialen van hoofdstuk 16, dan voldoet het product niet aan de oorsprongverlenende regel van hoofdstuk 19, aangezien het totale gewicht groter is dan 20 % van het gewicht van het eindproduct.

b) Wanneer in de regel de uitdrukking "het afzonderlijke gewicht van de materialen van hoofdstukken/posten" wordt gebruikt, mag het gewicht van alle vermelde materialen niet groter zijn dan het maximumpercentage. Het opgetelde totale gewicht van de materialen is niet relevant.

Een voorbeeld: De regel voor hoofdstuk 22 stelt dat het afzonderlijke gewicht van suiker en van de materialen van hoofdstuk 4 is niet hoger dan 20 % van het gewicht van het eindproduct. Indien het gewicht van het eindproduct 15 % suiker bevat en 10 % aan materialen van hoofdstuk 4, dan voldoet het product aan de oorsprongverlenende regel van hoofdstuk 22. Elk individueel materiaal weegt minder dan 20 % van het gewicht van het eindproduct. Indien het gewicht van het eindproduct daarentegen 25 % suiker bevat en 10 % aan materialen van hoofdstuk 4, dan voldoet het product niet aan de oorsprongverlenende regel.

c) Wanneer in de regel de uitdrukking "het totale gewicht van suiker en van de materialen van hoofdstuk 4 is niet hoger dan x % van het gewicht van het eindproduct" wordt gebruikt, moeten zowel het gewicht van de suiker als het gewicht van de materialen van hoofdstuk 4 individueel aan hun gewichtsbeperking voldoen, en hun gecombineerde gewicht moet voldoen aan de gecombineerde gewichtsbeperking. Een gecombineerde gewichtsbeperking drukt een verdere beperking op de afzonderlijke gewichtsbeperkingen uit.

Een voorbeeld: De regel voor post 1704 stelt dat het totale gecombineerde gewicht van de gebruikte suiker en de materialen van hoofdstuk 4 niet hoger is dan 50 % van het gewicht van het eindproduct. De afzonderlijke gewichtsbeperking voor materialen van hoofdstuk 4 bedraagt 20 % en voor suiker 40 %. Indien het gewicht van het eindproduct 35 % suiker bevat en 15 % aan materialen van hoofdstuk 4, dan voldoet het product aan zowel de afzonderlijke gewichtsbeperkingen als de gecombineerde gewichtsbeperkingen van de oorsprongverlenende regel van post 1704. Indien het gewicht van het eindproduct daarentegen 35 % suiker bevat en 20 % aan materialen van hoofdstuk 4, dan vertegenwoordigt het gecombineerde gewicht 55 % van het gewicht van het eindproduct. In dat geval is aan de afzonderlijke gewichtsbeperkingen voldaan maar is de gecombineerde gewichtsbeperking overschreden en is derhalve niet voldaan aan de oorsprongverlenende regel van post 1704.

Aantekening 5 – Terminologie in verband met bepaalde textielproducten

5.1. De term "natuurlijke vezels" in de lijst heeft betrekking op andere dan kunstmatige of synthetische vezels. Tenzij anders vermeld omvat de term "natuurlijke vezels" vezels die zijn gekaard, gekamd of anderszins bewerkt, doch niet gesponnen.

5.2. De term "natuurlijke vezels" omvat paardenhaar van post 0511, zijde van de posten 5002 en 5003, wol, fijn of grof haar van de posten 5101 tot en met 5105, katoen van de posten 5201 tot en met 5203 en andere plantaardige vezels van de posten 5301 tot en met 5305.

5.3. De termen "textielmassa, "chemische materialen" en "materialen voor het vervaardigen van papier" in de lijst hebben betrekking op materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 vallen, maar die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van kunstmatige, synthetische of papieren vezels of garens.

5.4. De term "synthetische en kunstmatige stapelvezels" in de lijst heeft betrekking op kabel van filamenten, stapelvezels en afval van de posten 5501 tot en met 5507.

Aantekening 6 – Toegestane afwijkingen voor producten die gemaakt zijn van een mengsel van textielmaterialen

6.1. Indien voor een bepaald product in de lijst naar deze aantekening wordt verwezen, zijn de in kolom 3 van de lijst genoemde voorwaarden niet van toepassing op basistextielmaterialen die bij de vervaardiging zijn gebruikt en die, samen genomen, ten hoogste 10 % van het totale gewicht van alle gebruikte basistextielmaterialen uitmaken. (Zie ook de aantekeningen 6.3 en 6.4).

6.2. De in aantekening 6.1 genoemde afwijking is evenwel slechts van toepassing op gemengde producten die van twee of meer basistextielmaterialen zijn vervaardigd.

Basistextielmaterialen zijn:

- zijde;

- wol;

- grof haar;

- fijn haar;

- paardenhaar (crin);

- katoen;

- papier en materialen voor het vervaardigen van papier;

- vlas;

- hennep;

- jute en andere bastvezels;

- sisal en andere textielvezels van agaven;

- kokosvezels, abaca, ramee en andere plantaardige textielvezels;

- synthetische filamenten;

- kunstmatige filamenten;

- filamenten die elektriciteit geleiden;

- synthetische stapelvezels van polypropyleen;

- synthetische stapelvezels van polyester;

- synthetische stapelvezels van polyamide;

- synthetische stapelvezels van polyacrylonitril;

- synthetische stapelvezels van polyimide;

- synthetische stapelvezels van polytetrafluorethyleen;

- synthetische stapelvezels van poly(fenyleensulfide);

- synthetische stapelvezels van poly(vinylchloride);

- andere kunstmatige stapelvezels;

- kunstmatige stapelvezels van viscose;

- andere kunstmatige stapelvezels;

- garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld;

- garen van polyurethaan, met soepele segmenten van polyester, al dan niet omwoeld;

- producten van post 5605 (metaalgarens) met strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of een kern van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel tussen twee strippen kunststof is aangebracht;

- andere producten van post 5605;

- glasvezels;

- metaalvezel.

Voorbeeld 1): garen van post 5205, vervaardigd van katoenvezels van post 5203 en van synthetische stapelvezels van post 5506, is een gemengd garen. Derhalve mogen niet van oorsprong zijnde synthetische stapelvezels die niet voldoen aan de regels van oorsprong worden gebruikt tot 10 % van het gewicht van het garen.

Voorbeeld 2): een weefsel van wol van post 5112, vervaardigd van garen van wol van post 5107 en van synthetisch garen van stapelvezels van post 5509, is een gemengd weefsel. Daarom mogen synthetische garens die niet aan de oorsprongsregels voldoen, of wollen garens die niet aan de oorsprongsregels voldoen, of een combinatie van de twee, worden gebruikt, mits het totale gewicht ervan niet hoger is dan 10 % van het gewicht van het garen.

Voorbeeld 3): getufte textielstof van post 5802 vervaardigd van garens van katoen van post 5205 en weefsels van katoen van post 5210 is alleen dan een gemengd product wanneer het katoenweefsel zelf een gemengd product is, vervaardigd van onder twee verschillende posten ingedeelde garens, of wanneer de gebruikte katoengarens zelf gemengde garens zijn.

Voorbeeld 4): indien de betrokken getufte textielstof is vervaardigd uit katoengarens van post 5205 en uit synthetisch weefsel van post 5407, zijn de gebruikte garens uiteraard van twee verschillende soorten basistextielmateriaal gemaakt en is de getufte textielstof bijgevolg een gemengd product.

6.3. Voor producten die garens bevatten ‘gemaakt van polyurethaan, met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld’, bedraagt de toegestane afwijking voor dit garen ten hoogste 20 %.

6.4. In het geval van producten ‘met strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel tussen twee strippen kunststof is aangebracht’ bedraagt de toegestane afwijking voor de strippen ten hoogste 30 %.

Aantekening 7 — Andere toegestane afwijkingen voor bepaalde textielproducten

7.1. Voor textielproducten die in de lijst van een voetnoot zijn voorzien die naar deze aantekening verwijst, mogen textielmaterialen die niet voldoen aan de regel in kolom 3 van de lijst voor het betrokken geconfectioneerde product, worden gebruikt voor zover deze onder een andere post vallen dan het product en de waarde niet hoger is dan 8 % van de prijs af fabriek van het product.

7.2. Onverminderd aantekening 7.3 mogen materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld vrij worden gebruikt bij de vervaardiging van textielproducten, ongeacht of zij textiel bevatten.

Een voorbeeld: wanneer volgens een regel voor een bepaald textielartikel (zoals een pantalon) garen moet worden gebruikt, dan sluit dit het gebruik van artikelen van metaal, zoals knopen, niet uit, omdat deze niet zijn ingedeeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63. Om dezelfde reden is het gebruik van bijvoorbeeld ritssluitingen toegelaten, al bevatten deze normalerwijze ook textiel.

7.3. Wanneer een percentageregel van toepassing is, moet met de waarde van materialen die niet van oorsprong zijn en die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld, rekening worden gehouden bij de berekening van de waarde van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn.

Aantekening 8 — Definitie van specifieke en eenvoudige behandelingen van bepaalde producten van hoofdstuk 27

8.1. Wat de posten ex 2707 en 2713 betreft, wordt onder "specifieke behandelingen" verstaan:
a) vacuümdistillatie;

b) herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing;

c) kraken;

d) reforming;

e) extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen;

f) een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride; neutraliseren met behulp van alkalische stoffen; ontkleuren en zuiveren met behulp van van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g) polymerisatie;

h) alkyleren; en

i) isomerisatie.

8.2. Onder "specifieke behandelingen" in de zin van de posten 2710, 2711 en 2712 wordt verstaan:

a) vacuümdistillatie;

b) herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing;

c) kraken;

d) reforming;

e) extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen;

f) een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride; neutraliseren met behulp van alkalische stoffen; ontkleuren en zuiveren met behulp van van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g) polymerisatie;

h) alkyleren;

i) isomerisatie;

j) uitsluitend voor de zware oliën van post ex 2710: ontzwavelen met gebruikmaking van waterstof, waardoor het zwavelgehalte van de behandelde producten met ten minste 85 % wordt verlaagd (methode ASTM D 1266-59 T);

k) uitsluitend voor de producten van post 2710: ontparaffineren, anders dan door enkel filtreren;

l) uitsluitend voor de zware oliën van post ex 2710: behandelen met waterstof, uitgezonderd ontzwavelen, waarbij de waterstof actief deelneemt aan een scheikundige reactie die, met behulp van een katalysator, onder een druk van meer dan 20 bar en bij een temperatuur van meer dan 250 °C wordt teweeggebracht. Verdere behandeling, met waterstof, van smeeroliën van post ex 2710 die in het bijzonder verbetering van de kleur of de stabiliteit ten doel heeft (bijvoorbeeld "hydrofinishing" of ontkleuren), wordt daarentegen niet als een specifieke behandeling aangemerkt;

m) uitsluitend voor stookolie van post ex 2710: atmosferische distillatie, mits deze producten, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 30 % van het volume overdistilleren bij 300 °C, bepaald volgens de methode ASTM D 86;

n) uitsluitend voor andere zware oliën dan gasolie of stookolie van post ex 2710: behandelen met gebruikmaking van hoogfrequente glimontlading; en

o) uitsluitend voor de producten van ex 2712, andere dan vaseline, ozokeriet, montaanwas, turfwas en paraffine, met een oliegehalte van minder dan 0,75 gewichtspercenten: olieafscheiding door gefractioneerde kristallisatie.

8.3. Wat de posten ex 2707 en 2713 betreft, wordt geen oorsprong verkregen door eenvoudige behandelingen zoals reinigen, decanteren, ontzouten, afsplitsen van water, filtreren, kleuren, merken, het verkrijgen van een bepaald zwavelgehalte door het mengen van producten met uiteenlopende zwavelgehaltes, alle combinaties van die behandelingen of soortgelijke behandelingen.

Bijlage IV – Toelichtingen bij het Protocol

Bijlage VIII bij Protocol 1 (pagina 1388)

1. Voor de toepassing van artikel 1 (Definities), onder e), is de " exporteur" niet noodzakelijk de persoon (de verkoper) die de verkoopfactuur voor de zending afgeeft (facturering door een derde partij). De verkoper kan gevestigd zijn op het grondgebied van een derde land.

2. Voor de toepassing van artikel 4 (Volledig verkregen producten), lid 1, onder b), omvatten " producten van het plantenrijk" met name levende bomen, bloemen, fruit, groenten, zeewier en paddenstoelen.

3. Voor de toepassing van artikel 11 (Gescheiden boekhouding), lid 4, betekent " algemene boekhoudbeginselen" de erkende consensus of ruime gezaghebbende steun op het grondgebied van een partij met betrekking tot de boeking van inkomsten, uitgaven, kosten, activa en passiva; de bekendmaking van informatie; en de voorbereiding van financiële rekeningen. Die normen kunnen brede richtsnoeren voor algemene toepassing omvatten, alsook gedetailleerde normen, praktijken en procedures.

4. Voor de toepassing van artikel 13 (Geen wijziging), lid 4, betekent " in geval van twijfel" dat de partij van invoer bevoegd is voor de selectie van de zaken waarvoor de aangever wordt verzocht bewijs van overeenstemming met artikel 13 (Geen wijziging) over te leggen, maar dat de partij van invoer de indiening van dat bewijsmateriaal niet routineus mag vereisen.

5. Voor de toepassing van artikel 16 (Procedure voor de afgifte van een certificaat van oorsprong), lid 1, valt onder een "schriftelijke aanvraag" ook een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend.

6. Voor de toepassing van artikel 16 (Procedure voor de afgifte van een certificaat van oorsprong), lid 3, en artikel 19 (Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring), lid 2, valt onder " op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de partij van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen" zowel de situatie waarin de bevoegde autoriteiten systematisch om de indiening van alle ondersteunende documenten verzoeken als de situatie waarin de bevoegde autoriteiten enkel gerichte verzoeken doen voor de indiening van ondersteunende documenten.

7. Voor de toepassing van artikel 19 (Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring), lid 3, kan " een ander handelsdocument" bijvoorbeeld een begeleidende leveringsbon, een pro-formafactuur of een paklijst zijn. Een vervoersdocument, zoals een cognossement of een luchtvrachtbrief, wordt niet als " een ander handelsdocument" beschouwd. Een oorsprongsverklaring op een afzonderlijk formulier is niet toegestaan. De oorsprongsverklaring kan op een afzonderlijk blad van een handelsdocument worden ingediend als het blad een duidelijk onderdeel van dit document vormt.

8. Wat de toepassing van artikel 30 (Controle van bewijzen van oorsprong) betreft, moeten de douaneautoriteiten van het land van uitvoer ernaar streven de autoriteiten van invoer in kennis te stellen van de ontvangst van het verzoek om controle. Zij kunnen dit onder eender welke vorm doen, dus ook middels elektronische communicatie. Indien zij meer tijd nodig hebben om de controle uit te voeren en een antwoord te geven dan de periode van 10 maanden die is vastgesteld in artikel 30 (Controle van bewijzen van oorsprong), lid 6, moeten zij er eveneens naar streven de verzoekende autoriteiten hiervan in kennis te stellen.

9. Wat de toepassing van artikel 30 (Controle van bewijzen van oorsprong), lid 6, betreft, moeten de verzoekende bevoegde autoriteiten bij de aangezochte bevoegde autoriteiten nagaan of zij het verzoek daadwerkelijk hebben ontvangen alvorens het recht op preferentiële tariefbehandeling te weigeren.


[1] Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens: https://www.ejustice.just.fgov.be/mopdf/2018/09/05_1.pdf#Page10