Circulaire 2019/C/81 over de personen ten laste

Deze circulaire bevat een FAQ over de personen ten laste – Nieuwe versie.

FOD Financiën, 30.08.2019
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting

Inhoudstafel

1. Kinderen

1.1 Welke kinderen mag ik ten laste nemen in mijn belastingaangifte?
1.2 Wat zijn de fiscale voordelen waarvan ik kan genieten?
1.3 Welke zijn de voorwaarden om ten laste te kunnen zijn?
1.4 Mijn kind heeft een studentenjob. Wat is het maximumbedrag van het inkomen om nog ten laste te blijven?
1.5 Wie mag de kinderen ten laste nemen als de ouders een feitelijk gezin vormen?
1.6 Wie mag de kinderen ten laste nemen tijdens het jaar waarin zijn ouders huwen?

2. Andere personen ten laste

2.1 Welke andere personen dan mijn kinderen mag ik ten laste nemen in mijn belastingaangifte?
2.2 Welke zijn de voorwaarden om ten laste te kunnen zijn?
2.3 Hoeveel bedraagt het fiscaal voordeel?
2.4 Mijn echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner gaat niet werken. Kan ik hem/haar ten laste nemen?
2.5 Kan ik mijn moeder die ouder is dan 65 jaar en die een pensioen krijgt ten laste nemen?
2.6 Kan ik iemand die in 2018 overleden is ten laste nemen?

3. Nettobestaansmiddelen

3.1 Wat wordt er verstaan onder bestaansmiddelen?
3.2 Ik wil een persoon ten laste nemen. Hoe wordt het nettobedrag van zijn/haar bestaansmiddelen bepaald?

1. Kinderen

Als u één of meer personen ten laste hebt, krijgt u een belastingvoordeel, namelijk een verhoging van uw belastingvrij minimum. Dat betekent dat een groter deel van uw inkomen niet belast wordt en dat uw verschuldigde belasting dus verlaagt. Het is dan ook belangrijk te weten welke personen u op fiscaal vlak als ten laste kunt beschouwen.

1.1 Welke kinderen mag ik ten laste nemen in mijn belastingaangifte?

U kunt, wanneer aan alle voorwaarden is voldaan, de volgende kinderen ten laste nemen:

- uw kinderen of geadopteerde kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen

- de kinderen die u volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft

Bijvoorbeeld: kinderen van wie de ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet of pleegkinderen die u volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.

1.2 Wat zijn de fiscale voordelen waarvan ik kan genieten?

Als u één of meerdere kinderen ten laste heeft, heeft u recht op de volgende fiscale voordelen:

- Toeslag op de belastingvrije som (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018)

voor 1 kind ten laste

1.580 euro

voor 2 kinderen ten laste

4.060 euro

voor 3 kinderen ten laste

9.110 euro

voor 4 kinderen ten laste

14.730 euro

voor meer dan 4 kinderen ten laste

supplement per kind boven het 4de

14.730 euro

5.620 euro

Opgelet: een gehandicapt kind telt voor twee kinderen.

- Toeslag op de belastingvrije som voor elk kind jonger dan 3 jaar:

Voor elk kind jonger dan 3 jaar waarvoor u geen uitgaven voor kinderopvang aftrekt: 590 euro (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018).

- Toeslag op de belastingvrije som voor personen met kinderlast die alleen worden belast:

Als u alleen wordt belast en u één of meer kinderen ten laste hebt, hebt u daarnaast ook recht op een toeslag op de belastingvrije som van 1.580 euro (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018).

Die toeslag van 1.580 euro (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018) kan nog worden verhoogd met een bijkomende toeslag als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

* Op 1 januari van het aanslagjaar maken er geen andere personen dan uw kinderen, pleegkinderen, (achter)kleinkinderen, ouders, pleegouders, (over)grootouders, broers en zusters deel uit van uw gezin.
* Uw belastbaar inkomen bedraagt minder dan 19.410 euro (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018).
* Uw netto-beroepsinkomsten bedragen ten minste 3.270 euro (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018), zonder rekening te houden met werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten.

Die bijkomende toeslag bedraagt (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018):

* 1.020 euro, als uw belastbaar inkomen niet meer dan 15.320 euro bedraagt.
* 1.020 euro x [(19.410 euro - uw belastbaar inkomen) / 4.090 euro), als uw belastbaar inkomen tussen 15.320 en 19.410 euro bedraagt.

- Belastingvermindering voor de uitgaven voor kinderopvang:

Zie pagina 'Kinderopvang'.

1.3 Welke zijn de voorwaarden om ten laste te kunnen zijn?

Opdat het kind ten laste zou kunnen zijn voor aanslagjaar 2019, inkomsten 2018, moeten de volgende vier voorwaarden zijn voldaan:

1. Deel uitmaken van uw gezin op 01.01.2019:

Dat betekent dat het kind dat u ten laste wil nemen daadwerkelijk en op duurzame wijze met u moet samenwonen.

Opgelet!

Als het kind tijdelijk de gezinswoning heeft verlaten omwille van studies, gezondheidsredenen, enz. wordt het normaal gezien nog steeds beschouwd als deel uitmakend van het gezin.

Worden nog steeds geacht deel uit te maken van uw gezin op 01.01.2019:

- de kinderen die in 2018 overleden zijn, op voorwaarde dat zij reeds ten laste waren voor het voorgaande aanslagjaar (d.w.z. aanslagjaar 2018, inkomsten 2017)

- de kinderen die in 2018 geboren en overleden zijn

- de kinderen die in 2018 doodgeboren zijn of verloren zijn bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap

- de in 2018 vermiste of ontvoerde kinderen, op voorwaarde dat:

* zij reeds ten laste waren voor het voorgaande aanslagjaar (d.w.z. aanslagjaar 2018, inkomsten 2017)
* zij op 01.01.2019 nog geen 18 jaar waren of die in 2018 geboren zijn
* u de verdwijning of ontvoering uiterlijk op 31.12.2018 hebt aangegeven bij de politie of ter zake een klacht hebt ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen.

2. Geen bezoldigingen te hebben ontvangen die u inbrengt als beroepskosten:

Voorbeeld: tijdens de vakantie wordt u door uw zoon geholpen in de familiale slagerij en u trekt zijn loon af van uw inkomsten als beroepskosten. Op dat moment mag uw zoon niet meer als ten laste worden beschouwd, ongeacht het bedrag van zijn bestaansmiddelen!

3. Geen bezoldigingen van bedrijfsleiders te hebben verkregen als student-zelfstandige:

- die beroepskosten vormen van een vennootschap waarvan u rechtstreeks of onrechtstreeks bedrijfsleider bent en waarover u controle uitoefent en

- die bruto meer dan 2.000 euro bedragen en meer dan de helft van zijn belastbare inkomsten vormen (zonder rekening te houden met zijn eventuele onderhoudsuitkeringen).

4. Geen nettobestaansmiddelen te hebben ontvangen die een bepaald bedrag overschrijden:

Het kind mag persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 3.270 euro netto bedragen (als u alleen wordt belast, wordt dit bedrag op 4.720 euro gebracht voor kinderen, of op 5.990 euro als die kinderen zwaar gehandicapt zijn).

1.4 Mijn kind heeft een studentenjob. Wat is het maximumbedrag van het inkomen om nog ten laste te blijven?

De nettobestaansmiddelen van een kind ten laste mogen een bepaald bedrag niet overschrijden.

Dat bedrag verschilt naargelang u fiscaal gezien alleen of samen met uw echtgenoot of wettelijk samenwonende partner wordt belast:

Als u

Maximumbedrag nettobestaansmiddelen van uw kind (inkomen 2018)

samen belast wordt met uw echtgenoot of wettelijk samenwonende partner

3.270 euro

alleen belast wordt en uw kind wordt fiscaal niet als gehandicapt beschouwd

4.720 euro

alleen belast wordt en uw kind wordt fiscaal als gehandicapt beschouwd

5.990 euro

Berekening nettobedrag : zie punt 3: Nettobestaansmiddelen

Voor meer informatie zie student@work

1.5 Wie mag de kinderen ten laste nemen als de ouders een feitelijk gezin vormen?

Als de ouders van een kind een feitelijk gezin vormen, kan dat kind maar ten laste zijn van diegene die als gezinshoofd beschouwd wordt.

Als u een feitelijk gezin vormt, moet u zelf, bij het invullen van uw aangifte, aanduiden wie van beiden het kind ten laste neemt en bijgevolg als gezinshoofd wordt beschouwd.

Opgelet!

Eenzelfde kind kan nooit tegelijkertijd door meerdere personen ten laste worden genomen.

1.6 Wie mag de kinderen ten laste nemen tijdens het jaar waarin zijn ouders huwen?

Als u in 2018 bent gehuwd, moeten uw echtgenoot en uzelf normaalgesproken elk afzonderlijk een belastingaangifte indienen.

Als u al samen een kind had, mag dat kind maar door één van beiden ten laste worden genomen.

U moet zelf, bij het invullen van uw aangifte, aanduiden wie van beiden het kind ten laste neemt en bijgevolg als gezinshoofd wordt beschouwd.

Hetzelfde geldt als u in 2018 een verklaring van wettelijke samenwoning hebt afgelegd.

Opgelet!

Eenzelfde kind kan nooit tegelijkertijd door meerdere personen ten laste worden genomen.

Zie ook: Co-ouderschap.

2. Andere personen ten laste

Als u één of meer personen ten laste hebt, krijgt u een belastingvoordeel, namelijk een verhoging van uw belastingvrij minimum. Dat betekent dat een groter deel van uw inkomen niet belast wordt en dat uw verschuldigde belasting dus verlaagt. Het is dan ook belangrijk te weten welke personen u op fiscaal vlak als ten laste kunt beschouwen.

2.1 Welke andere personen dan mijn kinderen mag ik ten laste nemen in mijn belastingaangifte?

U kunt, wanneer aan alle voorwaarden is voldaan, de volgende personen ten laste nemen:

- uw ascendenten (ouders, grootouders, overgrootouders …),

- uw (half)broers en (half)zussen,

- uw pleegouders,

- de personen die u – tijdens uw jeugd – volledig of hoofdzakelijk ten laste hebben genomen.

Bijvoorbeeld een tante die u, na het overlijden van uw ouders en toen u een kind was, ten laste heeft genomen.

Opgelet!

Personen die niet in deze lijst voorkomen, kunnen in geen geval als fiscaal ten laste worden beschouwd. Uw echtgenoot, de persoon waarmee u wettelijk samenwoont of met wie u een feitelijk gezin vormt, kan bijgevolg nooit als ten laste beschouwd worden.

2.2 Welke zijn de voorwaarden om ten laste te kunnen zijn?

Opdat zij ten laste zouden kunnen zijn voor aanslagjaar 2019, inkomsten 2018, moeten de personen die hiervoor in aanmerking komen, voldoen aan de volgende vier voorwaarden:

1. Deel uitmaken van uw gezin op 01.01.2019:

Dat betekent dat u werkelijk aan het hoofd staat van het gezin en dat de persoon die u ten laste wilt nemen daadwerkelijk en op duurzame wijze met u samenwoont.

Opgelet!

Als die persoon tijdelijk de gezinswoning heeft verlaten omwille van gezondheidsredenen, enz. wordt die normaal gezien nog steeds beschouwd als deel uitmakend van uw gezin.

Personen die in 2018 overleden zijn, worden geacht nog steeds deel uit te maken van uw gezin op 01.01.2019 op voorwaarde dat zij reeds ten laste waren voor het voorgaande aanslagjaar (d.w.z. aanslagjaar 2018, inkomsten 2017).

2. Geen bezoldigingen te hebben ontvangen die u inbrengt als beroepskosten:

Voorbeeld: tijdens de vakantie wordt u door uw broer geholpen in de familiale slagerij en u trekt zijn loon af van uw inkomsten als beroepskosten. Op dat moment mag uw broer niet meer als ten laste worden beschouwd, ongeacht het bedrag van zijn bestaansmiddelen.

3. Geen bezoldigingen van bedrijfsleiders te hebben verkregen als student-zelfstandige:

* die beroepskosten vormen van een vennootschap waarvan u rechtstreeks of onrechtstreeks bedrijfsleider bent en waarover u controle uitoefent en
* die bruto meer dan 2.000 euro bedragen en meer dan de helft van zijn belastbare inkomsten vormen (zonder rekening te houden met zijn eventuele onderhoudsuitkeringen).

4. Geen nettobestaansmiddelen te hebben ontvangen die een bepaald bedrag overschrijden:

Die persoon mag persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 3.270 euro netto bedragen.

2.3 Hoeveel bedraagt het fiscaal voordeel?

Het bedrag van de belastingvrije som verschilt naargelang het gaat om:

- uw ascendenten (ouders, grootouders, overgrootouders, …) van 65 jaar of ouder: 3.160 euro per persoon,

- uw (half)broers en (half)zussen van 65 jaar of ouder: 3.160 euro per persoon,

- uw ascendenten (ouders, grootouders, overgrootouders, …) van minder dan 65 jaar: 1.580 euro per persoon

- de personen die u, tijdens uw jeugd, ten laste hadden: 1.580 euro per persoon.

Gehandicapte personen tellen voor twee.

2.4 Mijn echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner gaat niet werken. Kan ik hem/haar ten laste nemen?

U kunt noch uw echtgeno(o)t(e), noch uw wettelijk samenwonende partner, noch de persoon waarmee u een feitelijk gezin vormt, ten laste nemen.

Als u of uw echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner geen of weinig beroepsinkomsten (loon, werkloosheiduitkering, pensioen, …) heeft, dan geniet u echter wel automatisch van het 'huwelijksquotiënt'. Dat zorgt ervoor dat tijdens de berekening van de belasting een deel van de beroepsinkomsten van de echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner met het grootste inkomen overgeheveld wordt naar de andere echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner. Dat deel wordt dan aan een lager tarief belast waardoor in principe uw verschuldigde belasting daalt.

Voorwaarden:

- u moet een gezamenlijke aangifte indien (personen die een feitelijk gezin vormen zijn dus niet bedoeld),

- de beroepsinkomsten van de echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner met het laagste inkomen moeten minder zijn dan 30 % van de totale beroepsinkomsten van beide echtgenoten/wettelijk samenwonende partners samen.

Het huwelijksquotiënt wordt dus toegevoegd aan de beroepsinkomsten van de echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende partner met het laagste inkomen totdat zijn/haar inkomen 30 % bereikt van de totale beroepsinkomsten van beide echtgenoten/partners samen. Het huwelijksquotiënt bedraagt maximum 10.720 euro (aanslagjaar 2019, inkomsten 2018).

Het huwelijksquotiënt wordt niet toegepast als het een verhoging van de verschuldigde belasting zou veroorzaken.

2.5 Kan ik mijn moeder die ouder is dan 65 jaar en die een pensioen krijgt ten laste nemen?

U kunt uw moeder, net zoals uw andere voorouders, broers en zussen, die 65 jaar of ouder zijn en een pensioen ontvangen, ten laste nemen als ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in de vraag 'Welke zijn de voorwaarden om ten laste te kunnen zijn?'

Om hun nettobestaansmiddelen te bepalen, moet u 26.300 euro aftrekken van het bruto bedrag van het pensioen (of de renten of andere uitkeringen) die ze in 2018 ontvangen hebben.

2.6 Kan ik iemand die in 2018 overleden is ten laste nemen?

Indien zij aan alle voorwaarden voldoen, worden personen overleden in 2018 die in het voorgaande aanslagjaar (aanslagjaar 2018, inkomsten 2017) te uwen laste waren nog beschouwd als lid van uw gezin op 01.01.2019. Zij kunnen dus nog ten laste genomen worden.

3. Nettobestaansmiddelen

3.1 Wat wordt er verstaan onder bestaansmiddelen?

Dit begrip is zeer breed. Het gaat om alle regelmatig of toevallig verworven inkomsten, zoals bijvoorbeeld:

- lonen (zie echter het eerste punt hieronder voor studenten),

- werkloosheidsuitkeringen,

- uitkeringen van een verzekering tegen ziekte en invaliditeit,

- inkomsten van onroerende goederen (voor meerderjarige of ontvoogde personen),

- inkomsten van kapitalen (voor meerderjarige of ontvoogde personen),

- onderhoudsuitkeringen (zie echter het tweede en derde punt hieronder),

- pensioenen (zie echter het vierde punt hieronder).

Worden daarentegen niet als bestaansmiddelen beschouwd voor personen die ten laste kunnen zijn:

- de eerste schijf van 2.720 euro (inkomsten 2018) van de bezoldigingen verkregen door studenten in uitvoering van een contract voor studentenarbeid en door leerlingen in een alternerende opleiding, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen,

- onderhoudsuitkeringen die ingevolge een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht zijn toegekend of verhoogd en die zijn betaald na het jaar waarop ze betrekking hebben,

- de eerste schijf van 3.270 euro (inkomsten 2018) van de ontvangen onderhoudsuitkeringen, van de overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en van de wezenrenten, die aan kinderen zijn toegekend,

- de eerste schijf van 26.300 euro (inkomsten 2018) van het bruto bedrag van pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen ontvangen door uw ouders, grootouders, overgrootouders, broers of zussen die op 01.01.2019, 65 jaar of ouder zijn,

- wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies,

- studiebeurzen,

- premies voor het voorhuwelijkssparen,

- inkomsten verkregen door een gehandicapte persoon, die in principe recht heeft op de tegemoetkomingen aan gehandicapten zoals bepaald in de wet van 27.02.1987, ten belope van het maximumbedrag waarop deze persoon volgens die wet recht heeft,

- bezoldigingen verkregen door gehandicapten ingevolge hun tewerkstelling in een erkende beschutte werkplaats.

3.2 Ik wil een persoon ten laste nemen. Hoe wordt het nettobedrag van zijn/haar bestaansmiddelen bepaald?

Het bedrag van de bestaansmiddelen waarmee rekening wordt gehouden, is een nettobedrag. Om het bedrag van de netto bestaansmiddelen te berekenen moet u steeds vertrekken van het bruto bedrag van de inkomsten.

Van dat bruto bedrag moet u de volgende gedeelten die niet beschouwd worden als bestaansmiddelen aftrekken:

- 2.720 euro (inkomsten 2018) van de bezoldigingen verkregen door studenten in uitvoering van een contract voor studentenarbeid en door leerlingen in een alternerende opleiding, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen,

- 3.270 euro (inkomsten 2018) van de ontvangen onderhoudstuitkeringen, van de overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en van de wezenrenten, die aan uw kinderen zijn toegekend,

- 26.300 euro (inkomsten 2018) van pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen ontvangen door uw ouders, grootouders, overgrootouders, broers of zussen die op 01.01.2019, 65 jaar of ouder zijn.

Vervolgens mogen van dat bedrag kosten worden afgetrokken, welke ook de aard van het inkomen is:

- ofwel de werkelijk bewezen kosten die u kunt aantonen met bewijsstukken,

- ofwel een forfaitair bedrag van 20 %, met een minimum van 450 euro (inkomsten 2018) voor de bezoldigingen en de baten van vrije beroepen of andere winstgevende bezigheden.

LONEN

Voor bestaansmiddelen die bestaan uit lonen, is het brutobedrag gelijk aan het bedrag dat wordt bekomen:

- na aftrek van de sociale zekerheidsbijdrage of solidariteitsbijdrage (meer informatie: externe link),

- maar vóór aftrek van de belasting die aan de bron is ingehouden (of bedrijfsvoorheffing). Als geen enkele belasting aan de bron werd ingehouden, stemt het brutobedrag dus overeen met het werkelijk betaalde bedrag.

Als dat loon verkregen is in uitvoering van een contract voor studentenarbeid, moet u van dat bedrag eerst 2.720 euro (inkomsten 2018) aftrekken om het brutobedrag van de bestaansmiddelen te verkrijgen. Die eerste schijf van het inkomen wordt immers niet beschouwd als een bestaansmiddel. U moet vervolgens de werkelijke of forfaitaire kosten aftrekken.

Voorbeeld:

In 2018 heeft uw dochter een brutoloon van 5.000 euro (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdrage of solidariteitsbijdrage) ontvangen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten. Enkel het deel dat de 2.720 euro overschrijdt, dus 2.280 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel.

Na aftrek van de forfaitaire kosten (2.280 euro x 20 % = 456 euro), bedraagt het netto bedrag 1.824 euro.

ONDERHOUDSUITKERINGEN TOEGEKEND AAN UW KINDEREN

Wanneer de bestaansmiddelen bestaan uit onderhoudsuitkeringen die een van de ouders aan zijn kind stort, moet u van dat bedrag eerst 3.270 euro (inkomsten 2018) aftrekken om het brutobedrag van de bestaansmiddelen te verkrijgen. Die eerste schijf van onderhoudsuitkeringen wordt immers niet beschouwd als een bestaansmiddel. U moet vervolgens de werkelijke of forfaitaire kosten aftrekken.

Voorbeeld:

Uw kind heeft in 2018 een bruto onderhoudsuitkering van 6.000 euro ontvangen. Enkel het deel dat 3.270 euro overschrijdt, dus 2.730 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel.

Na aftrek van de forfaitaire kosten (2.730 euro x 20 % = 546 euro) bedraagt het netto bedrag 2.184 euro.

PENSIOENEN ONTVANGEN DOOR UW OUDERS, GROOTOUDERS, OVERGROOTOUDERS, BROERS EN ZUSSEN DIE OP 01.01.2019, 65 JAAR OF OUDER ZIJN

Als de bestaansmiddelen van uw ouders, grootouders, overgrootouders, broers of zussen die op 01.01.2019, 65 jaar of ouder zijn, zijn samengesteld uit pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, moet u van dat bedrag eerst 26.300 euro (inkomsten 2018) aftrekken om het brutobedrag van de bestaansmiddelen te verkrijgen. Die eerste schijf wordt immers niet beschouwd als een bestaansmiddel. Vervolgens moet u nog de werkelijke of forfaitaire kosten aftrekken.

Voorbeeld:

Uw moeder, die 70 jaar oud is, heeft in 2018 een bruto pensioen ontvangen van 27.000 euro. Alleen het deel boven 26.300 euro, dus 700 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel.

Na aftrek van de forfaitaire kosten (700 euro x 20 % = 140 euro) bedraagt het netto bedrag 560 euro.

Interne ref.: 721.710