Circulaire nr. 9 (AFZ/2000/1381 - Dos. 245) d.d. 21.09.2000
Successierechten
Vlaams Gewest
Decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000
Artikel 48, 5de lid, Vlaams W. Succ.
herdefiniëring van het begrip samenwonenden
In het Staatsblad van 17 augustus 2000 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000, houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000, bekendgemaakt.
Artikel 8 van dat decreet vervangt het 5de lid van artikel 48 van het Vlaams Wetboek der Successierechten. Hierdoor wordt het begrip "samenwonenden" geherdefinieerd, wordt de vereiste van ononderbroken samenwonen verzacht in geval van onderbreking ten gevolge van overmacht en wordt het uittreksel uit het bevolkingsregister in alle gevallen een weerlegbaar vermoeden.
Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij het nieuwe 5de lid van artikel 48 van het Vlaams Wetboek der Successierechten.
Commentaar
1. Teksten
1.1. Oude tekst
De tekst van het oude vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. luidde :
"Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan een persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen, te bewijzen met een uittreksel uit het bevolkingsregister, en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren, hetgeen een weerlegbaar vermoeden inhoudt. Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding blijkt onder meer uit de voortgezette wil van de partijen daartoe en de bijdrage van de partijen in de kosten van deze huishouding".
Commentaar : zie Aanschrijving nr. 2 van 23 maart 1998 van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen.
1.1. Nieuwe tekst
De tekst van het nieuwe vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. luidt :
"Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan :
1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont;
of
2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, tenminste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van 3 jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
2. Analyse van de wijzigingen
2.1. "Wettelijk samenwonenden"
Nieuw is dat een erfgerechtigde die met de erflater wettelijk samenwoonde op het ogenblik van het overlijden, onvoorwaardelijk kan genieten van de toepassing van het tarief tussen samenwonenden. Ten aanzien van een dergelijke erfgerechtigde geldt de vereiste van drie jaar ononderbroken samenwoning met de erflater dus niet meer. Evenmin is er ten aanzien van "wettelijk samenwonenden" nog uitdrukkelijk sprake van de vereiste van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding gedurende die periode van drie jaar. De memorie van toelichting bij het ontwerp decreet stelt met zoveel woorden dan het voor deze categorie volstaat dat een verklaring van wettelijke samenwoning overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek werd afgelegd. Het enige wat de ontvangen dient na te gaan is of de wettelijke samenwoning nog niet formeel beëindigd was op het ogenblik van het overlijden; het is m.a.w. niet de taak van de ontvanger de feitelijke situatie te beoordelen (z. en vgl. art 1479 van het Burgerlijk Wetboek).
De erflater en de erfgerechtigde waren wettelijk samenwonenden op het ogenblik van het overlijden, wanneer er tussen hen op dat ogenblik een toestand van "wettelijke samenwoning" bestond, dit wil zeggen een toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1476 van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek (zie definitie van "wettelijke samenwoning in art. 1475 van het Burgerlijk Wetboek).
Het tarief "tussen samenwonenden" geldt niet (1) als op het ogenblik van het overlijden van de erflater de wettelijke samenwoning al niet meer bestaat. Volgens õ 2 van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek houdt de wettelijke samenwoning op (2) wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt, of wanneer er een einde aan wordt gemaakt overeenkomstig het bepaalde in die paragraaf, dit wil zeggen :
2.2. "Niet-wettelijk samenwonenden"
2.2.1. Vereiste van drie jaar ononderbroken samenwonen - Overmacht
Voor de "niet-wettelijk samenwonenden" blijft de vereiste van minstens drie jaar ononderbroken samenleving tot op het ogenblik van het overlijden en het voeren gedurende die periode van een gemeenschappelijke huishouding, in principe bestaan. De oude tekst van het vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. liet niet toe van die vereiste af te wijken, ook niet wanneer de samenwoning door overmacht onmogelijk was geworden. Dergelijke overmacht doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een van de samenwonenden noodgedwongen de samenwoning moet opgeven, omdat hij in een verzorgingsvoorziening moet worden opgenomen (en waarbijk zijn domicilie wordt gewijzigd).
Het is om aan die onbillijke situatie te remediëren dat het Vlaams Parlement in het nieuwe 2° van het vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Suc., de oorspronkelijke tekst van dat lid heeft gewijzigd. Het tarief tussen samenwonenden blijft van toepassing wanneer de samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding onmogelijk is geworden door overmacht. Daartoe moet echter aan de volgende (cumulatieve) voorwaarden voldaan zijn. Er is vereist dat :
Vermits de Vlaamse decreetgever het begrip "overmacht" niet gedefinieerd heeft moet dit in zijn gewone betekenis worden begrepen : "overmacht is een gebeurtenis onafhankelijk van de wil van diegene die ze inroept, die door hem niet kon voorzien noch verhinderd worden en die hem de uitvoering van zijn verbintenis (lees in deze context : de uitvoering van de gestelde voorwaarden van samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding) onmogelijk heeft gemaakt". Het behoort aan degene die de overmacht inroept, het bestaan ervan te bewijzen. Hierbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan het voorleggen van een doktersattest dat de staat van zorgbehoevendheid of afhankelijkheid bevestigt gedurende de periode waarin de samenwoning noodgedwongen werd onderbroken.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp-decreet wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat een "vrijwillig" verblijf in een rustoord (zonder zorgbehoevend of afhankelijk te zijn) niet beantwoordt aan de voorwaarde van overmacht en dus niet kan ingeroepen worden om van het verlaagd tarief te kunnen genieten. Een dergelijk "vrijwillig" verblijf kan volgen op een periode van "noodgedwongen" verblijf.
2.2.2. Bewijs van de samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding
Onder gelding van de oude tekst van het vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. gold een uittreksel uit het bevolkingsregister als een onweerlegbaar bewijs (juris et de jure) dat de erfgerechtigde gedurende de periode van drie jaar vóór het overlijden met de erflater had samengewoond. Aan de voorlegging van bedoeld uittreksel uit het bevolkingsregister was een weerlegbaar vermoeden (juris tantum) gekoppeld dat de erfgerechtigde met de erflater gedurende de vereiste periode een gemeenschappelijke huishouding had gevoerd.
Krachtens de nieuwe tekst houdt bedoeld uittreksel uit het bevolkingsregister ook voor wat de samenwoning betreft nog slechts een weerlegbaar vermoeden (juris tantum) in. Voortaan kan dus zowel het vermoeden van het voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding als het vermoeden van het voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot het samenwonen door de fiscale administratie worden weerlegd.
In de oude tekst waren een (niet-limitatief) aantal criteria aangegeven waarmee de fiscale administratie het vermoeden van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding kon weerleggen : het aantonen van het ontbreken van de wil daartoe en het ontbreken van een bijdrage van de partijen in de kosten van de huishouding. In de nieuwe tekst zijn die criteria niet meer opgenomen. Zij kunnen, wel te verstaan, nog steeds door de fiscale administratie worden aangewend om de vermoedens te weerleggen. Dit blijkt duidelijk uit de memorie van toelichting :
"Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Dit vermoeden kan onder meer weerlegd worden indien aangetoond kan worden dat de voortgezette wil om een gemeenschappelijke huishouding te voeren ontbrak en dat de partijen die de ononderbroken samenwoonst inroepen niet kunnen aantonen dat zij in een aanvaardbare mate hebben bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.".
De opmerkingen die in de aanschrijving 2/98 werden gemaakt in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de beoordeling van de bijdrage in de gemeenschappelijke huishouding (3), blijven gelden in de context van nieuwe 5de lid van artikel 48 Vl. W. Suc.
3. Inwerkingtreding
Krachtens artikel 31 van het decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000, houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000, is het nieuwe vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. in werking getreden op 1 juli 2000. Het is dus van toepassing op alle nalatenschappen die sedert die datum zijn opengevallen.
De adjunct administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
----- NOTA [(1) Tenzij de betrokkenen nog op grond van het 2° van het nieuwe vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. als "niet-wettelijk" samenwonenden zouden kunnen beschouwd worden. (2) De wettelijke samenwoning neemt uiteraard ook een eind bij het overlijden van één van de samenwoners. Ze kan ook beëindigd worden door een rechterlijke uitspraak (zie Omzendbrief van 1 december 1999 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de wettelijke samenwoning, B.S. 7 december 1999). In dat geval neemt de wettelijke samenwoning een eind op het ogenblik dat de uitspraak in kracht van gewijsde gaat. (3) Zie aanschrijving 2/1998 onder punt B. Deel II, 3.2.4., derde alinea, twee laatste zinnen.]
Vlaams Gewest
Decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000
Artikel 48, 5de lid, Vlaams W. Succ.
herdefiniëring van het begrip samenwonenden
In het Staatsblad van 17 augustus 2000 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000, houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000, bekendgemaakt.
Artikel 8 van dat decreet vervangt het 5de lid van artikel 48 van het Vlaams Wetboek der Successierechten. Hierdoor wordt het begrip "samenwonenden" geherdefinieerd, wordt de vereiste van ononderbroken samenwonen verzacht in geval van onderbreking ten gevolge van overmacht en wordt het uittreksel uit het bevolkingsregister in alle gevallen een weerlegbaar vermoeden.
Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij het nieuwe 5de lid van artikel 48 van het Vlaams Wetboek der Successierechten.
Commentaar
1. Teksten
1.1. Oude tekst
De tekst van het oude vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. luidde :
"Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan een persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen, te bewijzen met een uittreksel uit het bevolkingsregister, en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren, hetgeen een weerlegbaar vermoeden inhoudt. Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding blijkt onder meer uit de voortgezette wil van de partijen daartoe en de bijdrage van de partijen in de kosten van deze huishouding".
Commentaar : zie Aanschrijving nr. 2 van 23 maart 1998 van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen.
1.1. Nieuwe tekst
De tekst van het nieuwe vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. luidt :
"Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan :
1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont;
of
2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, tenminste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van 3 jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
2. Analyse van de wijzigingen
2.1. "Wettelijk samenwonenden"
Nieuw is dat een erfgerechtigde die met de erflater wettelijk samenwoonde op het ogenblik van het overlijden, onvoorwaardelijk kan genieten van de toepassing van het tarief tussen samenwonenden. Ten aanzien van een dergelijke erfgerechtigde geldt de vereiste van drie jaar ononderbroken samenwoning met de erflater dus niet meer. Evenmin is er ten aanzien van "wettelijk samenwonenden" nog uitdrukkelijk sprake van de vereiste van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding gedurende die periode van drie jaar. De memorie van toelichting bij het ontwerp decreet stelt met zoveel woorden dan het voor deze categorie volstaat dat een verklaring van wettelijke samenwoning overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek werd afgelegd. Het enige wat de ontvangen dient na te gaan is of de wettelijke samenwoning nog niet formeel beëindigd was op het ogenblik van het overlijden; het is m.a.w. niet de taak van de ontvanger de feitelijke situatie te beoordelen (z. en vgl. art 1479 van het Burgerlijk Wetboek).
De erflater en de erfgerechtigde waren wettelijk samenwonenden op het ogenblik van het overlijden, wanneer er tussen hen op dat ogenblik een toestand van "wettelijke samenwoning" bestond, dit wil zeggen een toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1476 van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek (zie definitie van "wettelijke samenwoning in art. 1475 van het Burgerlijk Wetboek).
Het tarief "tussen samenwonenden" geldt niet (1) als op het ogenblik van het overlijden van de erflater de wettelijke samenwoning al niet meer bestaat. Volgens õ 2 van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek houdt de wettelijke samenwoning op (2) wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt, of wanneer er een einde aan wordt gemaakt overeenkomstig het bepaalde in die paragraaf, dit wil zeggen :
- in onderlinge overeenstemming; of
- door een eenzijdige verklaring van beëindiging.
2.2. "Niet-wettelijk samenwonenden"
2.2.1. Vereiste van drie jaar ononderbroken samenwonen - Overmacht
Voor de "niet-wettelijk samenwonenden" blijft de vereiste van minstens drie jaar ononderbroken samenleving tot op het ogenblik van het overlijden en het voeren gedurende die periode van een gemeenschappelijke huishouding, in principe bestaan. De oude tekst van het vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. liet niet toe van die vereiste af te wijken, ook niet wanneer de samenwoning door overmacht onmogelijk was geworden. Dergelijke overmacht doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een van de samenwonenden noodgedwongen de samenwoning moet opgeven, omdat hij in een verzorgingsvoorziening moet worden opgenomen (en waarbijk zijn domicilie wordt gewijzigd).
Het is om aan die onbillijke situatie te remediëren dat het Vlaams Parlement in het nieuwe 2° van het vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Suc., de oorspronkelijke tekst van dat lid heeft gewijzigd. Het tarief tussen samenwonenden blijft van toepassing wanneer de samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding onmogelijk is geworden door overmacht. Daartoe moet echter aan de volgende (cumulatieve) voorwaarden voldaan zijn. Er is vereist dat :
- op het ogenblik dat de overmacht zich voordeed de betrokkenen al minstens drie jaar ononderbroken samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden;
- de overmacht het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding onmogelijk maakte;
- de overmacht nog bestond op het ogenblik van het overlijden.
Vermits de Vlaamse decreetgever het begrip "overmacht" niet gedefinieerd heeft moet dit in zijn gewone betekenis worden begrepen : "overmacht is een gebeurtenis onafhankelijk van de wil van diegene die ze inroept, die door hem niet kon voorzien noch verhinderd worden en die hem de uitvoering van zijn verbintenis (lees in deze context : de uitvoering van de gestelde voorwaarden van samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding) onmogelijk heeft gemaakt". Het behoort aan degene die de overmacht inroept, het bestaan ervan te bewijzen. Hierbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan het voorleggen van een doktersattest dat de staat van zorgbehoevendheid of afhankelijkheid bevestigt gedurende de periode waarin de samenwoning noodgedwongen werd onderbroken.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp-decreet wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat een "vrijwillig" verblijf in een rustoord (zonder zorgbehoevend of afhankelijk te zijn) niet beantwoordt aan de voorwaarde van overmacht en dus niet kan ingeroepen worden om van het verlaagd tarief te kunnen genieten. Een dergelijk "vrijwillig" verblijf kan volgen op een periode van "noodgedwongen" verblijf.
2.2.2. Bewijs van de samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding
Onder gelding van de oude tekst van het vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. gold een uittreksel uit het bevolkingsregister als een onweerlegbaar bewijs (juris et de jure) dat de erfgerechtigde gedurende de periode van drie jaar vóór het overlijden met de erflater had samengewoond. Aan de voorlegging van bedoeld uittreksel uit het bevolkingsregister was een weerlegbaar vermoeden (juris tantum) gekoppeld dat de erfgerechtigde met de erflater gedurende de vereiste periode een gemeenschappelijke huishouding had gevoerd.
Krachtens de nieuwe tekst houdt bedoeld uittreksel uit het bevolkingsregister ook voor wat de samenwoning betreft nog slechts een weerlegbaar vermoeden (juris tantum) in. Voortaan kan dus zowel het vermoeden van het voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding als het vermoeden van het voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot het samenwonen door de fiscale administratie worden weerlegd.
In de oude tekst waren een (niet-limitatief) aantal criteria aangegeven waarmee de fiscale administratie het vermoeden van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding kon weerleggen : het aantonen van het ontbreken van de wil daartoe en het ontbreken van een bijdrage van de partijen in de kosten van de huishouding. In de nieuwe tekst zijn die criteria niet meer opgenomen. Zij kunnen, wel te verstaan, nog steeds door de fiscale administratie worden aangewend om de vermoedens te weerleggen. Dit blijkt duidelijk uit de memorie van toelichting :
"Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Dit vermoeden kan onder meer weerlegd worden indien aangetoond kan worden dat de voortgezette wil om een gemeenschappelijke huishouding te voeren ontbrak en dat de partijen die de ononderbroken samenwoonst inroepen niet kunnen aantonen dat zij in een aanvaardbare mate hebben bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.".
De opmerkingen die in de aanschrijving 2/98 werden gemaakt in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de beoordeling van de bijdrage in de gemeenschappelijke huishouding (3), blijven gelden in de context van nieuwe 5de lid van artikel 48 Vl. W. Suc.
3. Inwerkingtreding
Krachtens artikel 31 van het decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000, houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000, is het nieuwe vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. in werking getreden op 1 juli 2000. Het is dus van toepassing op alle nalatenschappen die sedert die datum zijn opengevallen.
De adjunct administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
----- NOTA [(1) Tenzij de betrokkenen nog op grond van het 2° van het nieuwe vijfde lid van artikel 48 Vl. W. Succ. als "niet-wettelijk" samenwonenden zouden kunnen beschouwd worden. (2) De wettelijke samenwoning neemt uiteraard ook een eind bij het overlijden van één van de samenwoners. Ze kan ook beëindigd worden door een rechterlijke uitspraak (zie Omzendbrief van 1 december 1999 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de wettelijke samenwoning, B.S. 7 december 1999). In dat geval neemt de wettelijke samenwoning een eind op het ogenblik dat de uitspraak in kracht van gewijsde gaat. (3) Zie aanschrijving 2/1998 onder punt B. Deel II, 3.2.4., derde alinea, twee laatste zinnen.]
Bron: FisconetPlus
