Circulaire nr. Ci.RH.241/603.298 (AOIF Nr. 22/2010) d.d 09.03.2010
Personenbelasting
Voordeel van alle aard
Forfaitaire raming van de voordelen van alle aard
Kosteloze beschikking over een autovoertuig
Voordeel anders dan in geld behaald
Wijziging in de berekening van de forfaitaire raming van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig ten einde rekening te houden met het CO2-uitstootgehalte en het type van brandstofvoorziening van de motor van het betreffende voertuig.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.
INHOUDSTAFEL
II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
III. NIEUWE BEREKENINGSFORMULE
VIII. IMPACT VAN DE NIEUWE MAATREGEL
I. INLEIDING
1. Deze circulaire heeft betrekking op de forfaitaire raming van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik door werknemers of bedrijfsleiders van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig.
2. De berekening van het voormelde voordeel werd recentelijk gewijzigd teneinde rekening te houden met het CO2-uitstootgehalte en het type van brandstofvoorziening van de motor van het betreffende voertuig.
II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
Programmawet van 23 december 2009 (BS 30.12.2009, Ed. 1)
3. Art. 114
Artikel 36 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Bij de vaststelling van het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig houdt de Koning evenwel rekening met het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers, het type van brandstofvoorziening van de motor en het CO2-uitstootgehalte van het voertuig.".
Artikel 36, WIB 92, gecoördineerde tekst
4. Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger.
In de gevallen die Hij bepaalt kan de Koning regels stellen om die voordelen op een vast bedrag te ramen.
Bij de vaststelling van het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig houdt de Koning evenwel rekening met het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers, het type van brandstofvoorziening van de motor en het CO2-uitstootgehalte van het voertuig.
Koninklijk besluit van 10 januari 2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard (BS 15.1.2010, Ed. 1)
5. Art. 1
In het opschrift van hoofdstuk 1, afdeling VII, van het KB/WIB 92 worden de woorden "(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 36, tweede lid)" vervangen door de woorden "(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 36, tweede en derde lid)".
6. Art. 2
Artikel 18, § 3, punt 9, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 december 1998 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 december 1998, 20 juli 2000 en 13 juli 2001, wordt vervangen als volgt:
"9. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig als bedoeld in artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:
Het voordeel is gelijk aan het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers vermenigvuldigd met het CO2-uitstootgehalte per kilometer van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig, vervolgens vermenigvuldigd met de coëfficiënt CO2eur.
De CO2eur-coëfficiënt bedraagt 0,00210 EUR per gram CO2 voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor, en 0,00230 EUR per gram CO2 voor voertuigen met dieselmotor.
De voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen, worden, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor, gelijkgesteld met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 205 g/km, en, indien ze worden aangedreven door een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 195 g/km.
Voor de vaststelling van het voordeel mag het aantal kilometers voor een jaar evenwel niet lager zijn dan 5.000 en, per weerhouden kilometer, mag het voordeel niet lager zijn dan 0,10 EUR.
De in het tweede lid opgenomen bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober 2009 (111,07, basis 2004). Deze bedragen worden elk jaar op 1 januari aangepast volgens de volgende formule: elk basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober 2009.
De geïndexeerde bedragen worden afgerond tot op een honderdduizendste van een euro naargelang het cijfer van de miljoensten al of niet 5 bereikt."
7. Art. 3
Afdeling III van bijlage I van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 december 1998 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 januari 2000, 2 februari 2001, 13 juli 2001, 4 maart 2002, 28 februari 2003, 10 februari 2004, 21 januari 2005, 17 februari 2006, 31 januari 2007, 10 februari 2008 en 20 januari 2009, wordt opgeheven.
Artikel 65, WIB 92
8. Met betrekking tot de andere dan uitsluitend voor bezoldigd vervoer van personen gebruikte personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de in artikel 62 bedoelde bijkomende kosten evenwel op dezelfde wijze als de aanschaffings- of beleggingswaarde van die voertuigen afgeschreven.
Koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen
(BS 8.8.2001)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Definities
9. Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder:
…
6° voertuig:
a) elk voertuig dat beantwoordt aan de begripsomschrijvingen vermeld in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (BS 28.3.1968)
10. Artikel 1
§ 1. Classificatie volgens de internationale voertuigcategorieën:
…
Categorie M1: Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
§ 2. Definities:
…
44. "personenwagen": elk voertuig van de categorie M1 waarvan de passagiersruimte uitsluitend is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en dat, bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
…
47. "wagen voor dubbel gebruik": elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken dat, bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
…
48. "minibus": elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, dat bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend, en dat is voorzien van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen;
…
Artikel 4 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
TITEL II: VERKEERSBELASTING OP DE AUTOVOERTUIGEN
HOOFDSTUK I.- Belastbare voertuigen
…
11. Art. 4
§ 1. Onder stoom- of motorvoertuigen worden namelijk verstaan de motorvoertuigen zoals zij zijn omschreven in de reglementering nopens de inschrijving van motorvoertuigen, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsmede hun aanhangwagens en opleggers.
§ 2. In afwijking van § 1, wordt, voor de toepassing van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, onder motorvoertuig bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kilogram niet overschrijdt, ook "lichte vrachtauto" genoemd, verstaan:
a) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
b) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
c) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;
d) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.
§ 3. Indien het in de voormelde reglementering als lichte vrachtauto aangeduid voertuig, niet beantwoordt aan één van de in § 2 opgesomde voertuigtypes, wordt het in de zin van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus.
III. NIEUWE BEREKENINGSFORMULE
12. Er wordt aan herinnerd dat de voordelen van alle aard op grond van artikel 31, tweede lid, 2° en 32, tweede lid, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) als belastbare bezoldigingen van werknemers, respectievelijk bedrijfsleiders worden aangemerkt.
Dergelijke voordelen worden in principe volgens de werkelijke waarde bij de verkrijger in aanmerking genomen of, in sommige gevallen, volgens de forfaitaire waarde vastgesteld bij koninklijk besluit (artikel 36, WIB 92).
13. Wat het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig betreft, wordt het voordeel forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels van artikel 18, § 3, punt 9, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92).
14. Vóór de nieuwe maatregel was de waarde van het belastbaar voordeel gelijk aan het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers vermenigvuldigd met een bedrag per afgelegde kilometer dat geïndexeerd werd en afhing van de belastbare kracht van het voertuig inzake de verkeersbelasting.
15. De waarde van het belastbaar voordeel is nog steeds gelijk aan het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers maar dat aantal wordt voortaan vermenigvuldigd met het CO2-uitstootgehalte per kilometer van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig en vervolgens vermenigvuldigd met de coëfficiënt CO2eur.
16. Afdeling III van bijlage I KB/WIB 92, dat het bedrag in EUR per afgelegde kilometer aangaf dat afhing van de belastbare kracht in PK, wordt dus opgeheven.
IV. CO2-UITSTOOTGEHALTE
17. Het voormelde koninklijk besluit van 10.1.2010 verduidelijkt dat de voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen, worden gelijkgesteld:
- met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 205 gram per kilometer, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor;
- met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 195 gram per kilometer, indien ze worden aangedreven door een dieselmotor.
18. Om het CO2-uitstootgehalte per kilometer van de in het verkeer gebrachte voertuigen te kennen, moet men zich beroepen op de informatie waarover de dienst voor inschrijving van de voertuigen (DIV) van de FOD Mobiliteit en Vervoer beschikt (zie nr. 40 voor de coördinaten). Als de DIV over deze informatie beschikt, is deze informatie in principe vermeld op het inschrijvingsbewijs van het voertuig.
19. Alhoewel deze informatie eveneens wordt vermeld op het gelijkvormigheidsattest van het voertuig, dat werd overhandigd bij de ontvangst van het voertuig, is het CO2-uitstootgehalte dat is vermeld op het inschrijvingsbewijs bepalend voor de berekening van het voordeel van alle aard. Daaruit volgt dat wanneer het inschrijvingsbewijs het CO2-uitstootgehalte niet vermeldt en de DIV over geen informatie beschikt, steeds de regel opgenomen onder nr. 17 hiervoor moet worden toegepast en dat zelfs wanneer het CO2-uitstootgehalte is aangeduid op het gelijkvormigheidsattest.
Nieuwe voertuigen in verkoop
20. De personen of vennootschappen die overwegen om een voertuig te kopen, kunnen ook de jaarlijkse door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu uitgegeven CO2-gids raadplegen. Deze gids, die alle nieuwe voertuigen in verkoop op de Belgische markt vermeldt, duidt het CO2-uitstootgehalte aan voor elk type wagen. De hybridevoertuigen (voertuigen die een beroep doen op verschillende afzonderlijke energiebronnen om zich te verplaatsen) worden er, in functie van de brandstof die gebruikt wordt naast elektriciteit, ofwel als een voertuig dat rijdt op benzine, ofwel als een voertuig dat rijdt op diesel vermeld.
21. Deze gids:
- is gratis te verkrijgen bij elke concessiehouder en importeur;
- kan worden geraadpleegd, gedownload of besteld op www.energievreters.be/auto;
- kan telefonisch worden aangevraagd bij het informatieloket van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op het nummer 02/524.95.26.
22. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat deze gids de nieuwe voertuigen in verkoop in België bevat vanaf een bepaalde datum, dus de voertuigen die nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving. Op datum van opmaak van de onderhavige circulaire, is de beschikbare versie van de CO2-gids deze van september 2009.
V. CO2EUR-COEFFICIENT
23. Tabel
Brandstof gebruikt voor het voertuig | CO 2eur-coëfficiënt | Minimum |
Benzine/LPG/aardgas | 0,00210 EUR | |
Diesel | 0,00230 EUR | |
Elektriciteit |
0,10 EUR |
24. De voor de elektrische voertuigen vermelde coëfficiënt stemt overeen met het minimumbedrag van het voordeel per kilometer (zie nr. 28). Met "elektrische voertuigen" worden de voertuigen bedoeld die uitsluitend door elektriciteit worden aangedreven.
25. Voor de hybridevoertuigen dient men de coëfficiënt te nemen die overeenstemt met de gebruikte fossiele brandstof. Bijvoorbeeld: 0,00210 EUR voor een hybridevoertuig op benzine-elektriciteit en 0,00230 voor een hybridevoertuig op diesel-elektriciteit.
26. De hiervoor vermelden CO2eur-coëfficiënten moeten ieder jaar worden geïndexeerd.
Die bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober 2009 (111,07, basis 2004). Deze bedragen zullen elk jaar op 1 januari worden aangepast volgens de volgende formule: elk basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober 2009.
De geïndexeerde bedragen worden afgerond tot op een honderdduizendste van een euro naargelang het cijfer van de miljoensten al of niet 5 bereikt.
VI. MINIMUMBEDRAGEN
27. Er wordt aan herinnerd dat, voor de vaststelling van het voordeel van alle aard, het aantal in aanmerking te nemen kilometers per jaar niet lager mag zijn dan 5.000.
28. Het koninklijk besluit van 10 januari 2010 voegt er aan toe dat per weerhouden kilometer, het voordeel niet lager mag zijn dan 0,10 EUR. Gelet op het minimum aantal kilometers per jaar, zal het voordeel in principe dus niet lager mogen zijn dan 500 EUR per jaar.
VII. BETROKKEN VOERTUIGEN
29. Vóór de nieuwe maatregel maakte artikel 18, § 3, 9°, KB/WIB 92, uitsluitend melding van de terbeschikkingstelling van een "voertuig". De nieuwe versie van voormeld artikel verduidelijkt over welke voertuigen het gaat, namelijk de voertuigen bedoeld in artikel 65, WIB 92.
30. De voertuigen die door de nieuwe wijze van forfaitaire raming van het betreffende voordeel van alle aard worden gevat, zijn de volgende:
- personenauto's (1);
- auto's voor dubbel gebruik (1);
- minibussen (1);
(1) Andere dan uitsluitend voor bezoldigd vervoer van personen gebruikte voertuigen. De betreffende personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen worden omschreven in nr. 10 hiervoor.
- de bij DIV tot de categorie "lichte vrachtauto's" gehomologeerde voertuigen, maar die op fiscaal vlak (en in het bijzonder voor de verkeersbelasting) worden aangemerkt als personenauto, auto voor dubbel gebruik of minibus.
31. De voertuigen die in de reglementering nopens de inschrijving van motorvoertuigen worden vermeld als lichte vrachtauto, maar die niet beantwoorden aan één van de in § 2 van artikel 4 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (zie nr. 11 hiervoor) opgesomde voertuigen worden eveneens door de nieuwe wijze van forfaitaire raming van het voordeel gevat. Deze voertuigen zullen dan op grond van § 3 van artikel 4 van voormeld wetboek worden aangemerkt als een personenauto, auto voor dubbel gebruik of minibus. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op sommige monovolumes en luxueuze terreinvoertuigen die oorspronkelijk bij de DIV tot de categorie "lichte vrachtauto's" werden gehomologeerd, maar die op fiscaal vlak (en in het bijzonder voor de verkeersbelasting) worden aangemerkt als personenauto, auto voor dubbel gebruik of minibus (2).
(2) Een commentaar op deze materie wordt gegeven in de circulaire nr. AFZ/2005-1124 (AFZ 12/2006) van 6.6.2006.
32. Het toezicht op de technische kenmerken eigen aan de fiscale definitie van de voertuigen wordt, in principe, uitsluitend uitgevoerd in de stations voor de technische keuring van de voertuigen. De op deze manier door de stations voor de technische keuring ingezamelde gegevens worden gecentraliseerd en doorgegeven aan de DIV voor verdere verwerking. Door een uitwisseling van gegevens tussen de DIV en de FOD Financiën, beschikken de taxatiediensten over de juiste technische gegevens van de onderzochte voertuigen.
33. Om de fiscale aard van een voertuig te raadplegen en aldus het toe te passen stelsel te bepalen, beschikken de taxatiediensten over de toepassing Belconet-on-Web, beschikbaar op de Intranetsite van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit en de Administratie van de invordering (toepassing "verkeersbelasting"). Verduidelijkingen omtrent de te volgen procedure om deze gegevens te raadplegen worden verstrekt in het nr. 45 van de circulaire nr. AFZ/2005-1124 (AFZ 12/2006) van 6.6.2006.
34. Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een voertuig dat voldoet aan de fiscale definitie van een lichte vrachtwagen (§ 2 van artikel 4 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen) valt niet onder het stelsel van de in onderhavige circulaire bedoelde forfaitaire raming. Dat voordeel moet dus voor de werkelijke waarde worden aangerekend bij de verkrijger (art. 36, 1ste lid, WIB 92).
VIII. IMPACT VAN DE NIEUWE MAATREGEL
35. Voormelde wetswijziging betreft in hoofdzaak de berekeningsbasis van het betreffende voordeel zodat de andere regels ongewijzigd blijven. Onder andere de bepalingen opgenomen in de circulaire nr. Ci.RH.241/561.364 (AOIF 8/2004) van 5.2.2004 om het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers vast te stellen, blijven geldig, als ook de circulaire nr. Ci.RH.241/573.243 (AOIF 46/2007) van 6.12.2007 betreffende de vaste plaats van tewerkstelling.
IX. VOORBEELDEN
36. Een voertuig op benzine met een CO2-uitstootgehalte van 134 gr per km. Het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers: 5.000 km.
Berekening van het voordeel: 5.000 x 134 x 0,00210 EUR = 1.407 EUR.
37. Een dieselvoertuig met een CO2-uitstootgehalte van 110 gr per km. Het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers: 7.500 km.
Berekening van het voordeel: 7.500 x 110 x 0,00230 EUR = 1.897,5 EUR.
38. Een hybridevoertuig op benzine-elektriciteit met een CO2-uitstootgehalte van 89 gr per km. Het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers: 5.000 km.
Berekening van het voordeel: 5.000 x 89 x 0,00210 EUR = 934,5 EUR.
39. Een voertuig dat uitsluitend op elektriciteit rijdt (geen CO2-uitstootgehalte per km). Het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers: 5.000 km.
Berekening van het voordeel: 5.000 x 0,10 EUR = 500 EUR.
X. NUTTIG ADRES
40. Dienst voor inschrijving van de voertuigen (DIV) van de FOD Mobiliteit en Vervoer:
FOD MOBILITEIT EN VERVOER
Mobiliteit en Verkeersveiligheid
Directie Wegverkeer - DIV
City Atrium
Vooruitgangstraat 56
1210 Brussel (Sint-Joost-ten-node)
Tel.: 02/277.30.50 (infokiosk)
XI. INWERKINGTREDING
41. De in onderhavige circulaire opgenomen bepalingen zijn van toepassing op de voordelen van alle aard die worden toegekend vanaf 1 januari 2010.
Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d.:
De Eerste attaché van financiën,
P. GYSEN
