Aanschrijving nr. 29 dd. 20.09.1978
AANSCHRIJVING 78/029
Aanschrijving nr. 29 dd. 20.09.1978
Kostendelende verenigingen
Onderwerp van de aanschrijving.
1. Aanschrijving nr. 69, van 3 mei 1971, heeft de regeling toegelicht die, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, van toepassing is op de kostendelende verenigingen.
Volgens die aanschrijving is een kostendelende vereniging een permanente belangengemeenschap, die door fysieke personen of door rechtspersonen wordt opgericht met het oog op rationalisering en om hun beheers- en exploitatiekosten te verminderen, en waarvan het hoofdkenmerk is het gemeenschappelijk maken van de uitgaven die door de deelnemers worden gedragen.
Dat gemeenschappelijk maken van de uitgaven, die worden gedaan hetzij door de vereniging zelf, hetzij door een of meer deelnemers, doet juridische betrekkingen ontstaan, nu eens tussen de vereniging zelf en de deelnemers, dan weer onder de deelnemers.
Wanneer aldus leveringen van goederen of diensten worden verricht, hetzij door de vereniging, hetzij door de deelnemers, kunnen deze handelingen, volgens de gewone regels, aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen zijn.
2. Die belastbaarheid kan de werking van de kostendelende vereniging hinderen of zelfs de oprichting ervan in de weg staan, wanneer de deelnemers, of tenminste sommigen onder hen, geen of gemengde BTW-belastingplichtige zijn. De diverse oplossingen vervat in de genoemde aanschrijving om die moeilijkheden tegemoet te komen, kunnen evenwel niet behouden blijven in het licht van de zesde BTW-richtlijn van 17 mei 1977 en de aanpassing van de Belgische BTW-wetgeving aan die richtlijn door de wet van 27 december 1977 (z. aanschr. 3/1978) (Z. Revue nr. 35, blz. 389).
Onderhavige aanschrijving strekt er derhalve toe te bepalen welke regeling voortaan geldt voor de in de aanschrijving nr. 69/1971 bedoelde relaties tussen de vereniging en de deelnemers, of tussen de deelnemers onderling. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt naargelang de kostendelende vereniging al dan niet een zelfstandige groepering is.
A. De kostendelende vereniging is een zelfstandige groepering.
3. In de drie navolgende gevallen is de kostendelende vereniging een zelfstandige groepering of kan zij als dusdanig worden aangemerkt:
1° de kostendelende vereniging heeft de vorm aangenomen van een vereniging met rechtspersoonlijkheid;
2° zij heeft geen rechtspersoonlijkheid maar treedt onder een eigen benaming op als groepering;
3° de deelnemers treden op als een onverdeeldheid.
I. Vereniging met rechtspersoonlijkheid.
4. Wanneer een kostendelende vereniging de vorm heeft aangenomen van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, zoals een vereniging zonder winstoogmerk, dan is, in de relatie van die vereniging en de leden ervan, in de regel, de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd telkens wanneer deze vereniging belastbare leveringen of diensten verricht.
Artikel 7 van het BTW-Wetboek werd immers opgeheven bij artikel 3 van de wet van 27 december 1977 (Z. Revue nr.33, blz.16.).
5. De belasting is evenwel niet verschuldigd wanneer de handelingen vrijgesteld zijn krachtens artikel 44 van het Wetboek, zoals die bepaling werd gewijzigd door artikel 23 van bovengenoemde wet.
In dit verband wordt, onder meer, verwezen naar het nieuwe 1°bis van § 2 van die bepaling, naar luid waarvan van de belasting zijn vrijgesteld, de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke is vrijgesteld krachtens § 1, 2°, of krachtens § 2, 1°, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring leidt.
De toepassingsvoorwaarden van die vrijstelling moeten evenwel bij koninklijk besluit worden bepaald.
Bij wijze van proef en ter voorbereiding van dat besluit, mag de bedoelde vrijstelling worden ingeroepen door de zelfstandige groeperingen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° de leden zijn uitsluitend personen van wie de diensten zijn vrijgesteld krachtens artikel 44, § 1, 2°, en § 2, 1°, van het Wetboek o.m. artsen, tandartsen, vroedvrouwen, verplegers en verpleegsters, heilgymnasten, ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken, dispensaria);
2° de groepering heeft een eigen organisatie en eigen personeel met het oog op het verrichten van de werkzaamheid waarvoor ze werd opgericht;
3° die werkzaamheid bestaat uitsluitend in het verrichten van diensten rechtstreeks voor de leden;
4° die diensten hebben uitsluitend betrekking op de vrijgestelde werkzaamheid van de leden;
5° de uitgaven van de groepering worden verhaald over alle leden, hetzij in de vorm van een bijdrage, hetzij in verhouding tot de voor elk lid verrichte diensten.
II. Zelfstandige groepering zonder rechtspersoonlijkheid.
6. Wanneer de kostendelende vereniging geen rechtspersoonlijkheid bezit maar onder een eigen benaming als vereniging of groepering tegenover haar leden en derden optreedt, gelden dezelfde oplossingen als onder de nrs. 4 en 5.
III. Onverdeeldheid als zelfstandige groepering.
7. Als een zelfstandige groepering kan eveneens worden aangemerkt, die welke in de vorm van een onverdeeldheid onder verschillende deelnemers bestaat.
Die formule veronderstelt dat de verschillende uitgaven die nodig zijn voor de uitvoering van de ten behoeve van de deelnemers te verrichten handelingen, gemeenschappelijk worden gedaan, en, in het bijzonder, dat het voor die handelingen vereiste personeel gemeenschappelijk personeel van alle deelnemers is. Die uitgaven worden volgens een bepaalde verdeelsleutel door alle deelnemers gedragen. 8. Als gemeenschappelijk personeel in de zin van het bepaalde in vorig nummer, kan worden aangemerkt:
1° personeel dat gemeenschappelijk door alle deelnemers is aangeworven, zoals blijkt uit stukken opgemaakt ter nakoming van de fiscale en sociale verplichtingen van de deelnemers als werkgevers;
2° personeel dat is aangeworven door een of meer deelnemers maar voor rekening van alle deelnemers; die omstandigheid dient te worden aangetoond aan de hand van een geschrift, dat door alle deelnemers is ondertekend. Voor personeel dat reeds is aangeworven voor de datum van onderhavige aanschrijving, wordt die voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer de deelnemers een dergelijke verbintenis aangaan voor in de toekomst aan te werven personeel.
9. Onder voorbehoud van het bepaalde in nr. 12, moeten op de facturen die worden uitgereikt door leveranciers of dienstverrichters de verschillende deelnemers worden vermeld, zo mogelijk met aanduiding van hun aandeel.
10. De bedoelde onverdeeldheid is als zodanig geen BTW-belastingplichtige. Over de afrekeningen die worden gemaakt tussen de verschillende deelnemers om het deel van ieder van hen, tegen kostprijs, in de diverse werkingskosten, vooral algemene onkosten en personeelskosten, te bepalen, is dan ook geen BTW verschuldigd .
11. Uiteraard is dat deel echter bezwaard met de overeenstemmende BTW wanneer het gaat om een uitgave die door de leverancier of dienstverrichter met BTW werd gefactureerd overeenkomstig nr. 9. De deelnemer die belastingplichtige is kan die BTW volgens de gewone regels, aan de hand van de in nr. 10 bedoelde afrekening die hij moet boeken als een inkomende factuur, in aftrek brengen.
12. Wanneer het personeel gemeenschappelijk is als bedoeld in nr. 8, stemt de administratie ermede in, bij afwijking van het bepaalde in nr. 9, dat de leverancier of dienstverrichter factureert op naam van de onverdeeldheid als zodanig, zonder dat zulks aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 13 en 20, § 2, van het BTW-Wetboek, in hoofde van de onverdeeldheid, en dus tot belastingplicht in haren hoofde. De volgende voorwaarden moeten evenwel vervuld zijn:
1° de onverdeeldheid moet in hoofdzaak bestaan uit niet-belastingplichtigen of uit gemengde belastingplichtigen die tot de onverdeeldheid zijn toegetreden voor de behoeften van hun niet-belaste werkzaamheid;
2° de factuur mag alleen betrekking hebben op algemene onkosten van de onverdeeldheid of op bedrijfsmiddelen die voor de werking ervan in het gemeenschappelijk belang vereist zijn (zoals kantoormachines die gekocht of gehuurd worden);
3° de onverdeeldheid handelt alleen voor deelnemers ter uitsluiting van derden.
Het bepaalde in de nrs. 10 en 11 is dan van toepassing wat betreft de niet-verschuldigdheid van BTW op de afrekeningen tegen kostprijs, die minstens eenmaal per jaar moeten worden gemaakt, en de aftrek van BTW door belastingplichtige deelnemers.
B. De kostendelende vereniging is geen zelfstandige groepering.
13. Wanneer de kostendelende vereniging geen zelfstandige groepering is, worden de handelingen waarvan de rationalisering door de deelnemers van die belangengemeenschap wordt nagestreefd, toevertrouwd aan een of verscheidene van hen die ze voor anderen verrichten. De deelnemer of de deelnemers aan wie de handelingen worden toevertrouwd, doet of doen zelf de uitgaven die nodig zijn om ze te verrichten (algemene onkosten, personeelsuitgaven, huur van materieel, enz.) en brengt of brengen aan de deelnemers voor wie de handelingen werden verricht een bedrag in rekening ter vergoeding ervan.
14. Zelfs wanneer dat bedrag de juiste terugbetaling uitmaakt van de uitgaven die werden gedaan voor het verrichten van de handelingen, is het een aan de belasting onderworpen prijs telkens wanneer het gaat om handelingen in de zin van het BTW-Wetboek.
In zoverre de kosten van gekochte goederen of afgenomen diensten, al dan niet afzonderlijk van andere uitgaven, worden doorgerekend aan andere deelnemers, maken zij deel uit van die te belasten prijs.
De deelnemer die de factuur heeft ontvangen, mag dan uiteraard de daarop aangerekende BTW volgens de gewone regels in aftrek brengen. 15. Leveringen en diensten als bedoeld in de nrs. 13 en 14 kunnen evenwel worden aangemerkt als te zijn gedaan aan de verschillende deelnemers voor wie zij in feite bestemd zijn, ofschoon zij aan één onder hen worden gefactureerd, wanneer de in nr. 12 opgesomde voorwaarden vervuld zijn.
De deelnemer die de factuur heeft ontvangen reikt dan aan elke andere deelnemer, minstens eenmaal per jaar, een afrekening uit waarop het door hem te dragen deel van die uitgave, tegen kostprijs, en van de eventueel daarop betrekking hebbende BTW wordt vermeld. Het bepaalde in nr. 11, betreffende de aftrek, is hier van toepassing. Uiteraard kan de deelnemer die de factuur op zijn naam heeft ontvangen, als hij zelf een BTW-belastingplichtige is, de in die factuur vermelde BTW slechts in aftrek brengen tot beloop van het deel van de uitgave dat door hem wordt gedragen. Dat deel moet hij op de factuur aanduiden.
16. De regeling van vorig nummer geldt slechts voor uit- gaven tegenover derden, die zelfstandig optreden. Ze is dus niet van toepassing voor andere uitgaven die worden verrekend tussen de deelnemers, in het bijzonder voor personeelskosten van de deelnemer die handelingen in het gezamenlijke belang verricht.
De aanrekening van dergelijke kosten aan een andere deelnemer geeft dan normaal aanleiding tot de verschuldigdheid van de belasting, tenzij een bij artikel 44 van het Wetboek ingestelde vrijstelling geldt.
Datum van uitwerking van deze aanschrijving.
17. Deze aanschrijving, welke deze van 3 mei 1971, nr. 69, vervangt, heeft uitwerking op 1 januari 1978.
De vergunningen uitgereikt op grond van de laatstbedoelde aanschrijving worden evenwel slechts ingetrokken met ingang van 1 januari 1979
Aanschrijving nr. 29 dd. 20.09.1978
Kostendelende verenigingen
Onderwerp van de aanschrijving.
1. Aanschrijving nr. 69, van 3 mei 1971, heeft de regeling toegelicht die, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, van toepassing is op de kostendelende verenigingen.
Volgens die aanschrijving is een kostendelende vereniging een permanente belangengemeenschap, die door fysieke personen of door rechtspersonen wordt opgericht met het oog op rationalisering en om hun beheers- en exploitatiekosten te verminderen, en waarvan het hoofdkenmerk is het gemeenschappelijk maken van de uitgaven die door de deelnemers worden gedragen.
Dat gemeenschappelijk maken van de uitgaven, die worden gedaan hetzij door de vereniging zelf, hetzij door een of meer deelnemers, doet juridische betrekkingen ontstaan, nu eens tussen de vereniging zelf en de deelnemers, dan weer onder de deelnemers.
Wanneer aldus leveringen van goederen of diensten worden verricht, hetzij door de vereniging, hetzij door de deelnemers, kunnen deze handelingen, volgens de gewone regels, aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen zijn.
2. Die belastbaarheid kan de werking van de kostendelende vereniging hinderen of zelfs de oprichting ervan in de weg staan, wanneer de deelnemers, of tenminste sommigen onder hen, geen of gemengde BTW-belastingplichtige zijn. De diverse oplossingen vervat in de genoemde aanschrijving om die moeilijkheden tegemoet te komen, kunnen evenwel niet behouden blijven in het licht van de zesde BTW-richtlijn van 17 mei 1977 en de aanpassing van de Belgische BTW-wetgeving aan die richtlijn door de wet van 27 december 1977 (z. aanschr. 3/1978) (Z. Revue nr. 35, blz. 389).
Onderhavige aanschrijving strekt er derhalve toe te bepalen welke regeling voortaan geldt voor de in de aanschrijving nr. 69/1971 bedoelde relaties tussen de vereniging en de deelnemers, of tussen de deelnemers onderling. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt naargelang de kostendelende vereniging al dan niet een zelfstandige groepering is.
A. De kostendelende vereniging is een zelfstandige groepering.
3. In de drie navolgende gevallen is de kostendelende vereniging een zelfstandige groepering of kan zij als dusdanig worden aangemerkt:
1° de kostendelende vereniging heeft de vorm aangenomen van een vereniging met rechtspersoonlijkheid;
2° zij heeft geen rechtspersoonlijkheid maar treedt onder een eigen benaming op als groepering;
3° de deelnemers treden op als een onverdeeldheid.
I. Vereniging met rechtspersoonlijkheid.
4. Wanneer een kostendelende vereniging de vorm heeft aangenomen van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, zoals een vereniging zonder winstoogmerk, dan is, in de relatie van die vereniging en de leden ervan, in de regel, de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd telkens wanneer deze vereniging belastbare leveringen of diensten verricht.
Artikel 7 van het BTW-Wetboek werd immers opgeheven bij artikel 3 van de wet van 27 december 1977 (Z. Revue nr.33, blz.16.).
5. De belasting is evenwel niet verschuldigd wanneer de handelingen vrijgesteld zijn krachtens artikel 44 van het Wetboek, zoals die bepaling werd gewijzigd door artikel 23 van bovengenoemde wet.
In dit verband wordt, onder meer, verwezen naar het nieuwe 1°bis van § 2 van die bepaling, naar luid waarvan van de belasting zijn vrijgesteld, de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke is vrijgesteld krachtens § 1, 2°, of krachtens § 2, 1°, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring leidt.
De toepassingsvoorwaarden van die vrijstelling moeten evenwel bij koninklijk besluit worden bepaald.
Bij wijze van proef en ter voorbereiding van dat besluit, mag de bedoelde vrijstelling worden ingeroepen door de zelfstandige groeperingen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° de leden zijn uitsluitend personen van wie de diensten zijn vrijgesteld krachtens artikel 44, § 1, 2°, en § 2, 1°, van het Wetboek o.m. artsen, tandartsen, vroedvrouwen, verplegers en verpleegsters, heilgymnasten, ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken, dispensaria);
2° de groepering heeft een eigen organisatie en eigen personeel met het oog op het verrichten van de werkzaamheid waarvoor ze werd opgericht;
3° die werkzaamheid bestaat uitsluitend in het verrichten van diensten rechtstreeks voor de leden;
4° die diensten hebben uitsluitend betrekking op de vrijgestelde werkzaamheid van de leden;
5° de uitgaven van de groepering worden verhaald over alle leden, hetzij in de vorm van een bijdrage, hetzij in verhouding tot de voor elk lid verrichte diensten.
II. Zelfstandige groepering zonder rechtspersoonlijkheid.
6. Wanneer de kostendelende vereniging geen rechtspersoonlijkheid bezit maar onder een eigen benaming als vereniging of groepering tegenover haar leden en derden optreedt, gelden dezelfde oplossingen als onder de nrs. 4 en 5.
III. Onverdeeldheid als zelfstandige groepering.
7. Als een zelfstandige groepering kan eveneens worden aangemerkt, die welke in de vorm van een onverdeeldheid onder verschillende deelnemers bestaat.
Die formule veronderstelt dat de verschillende uitgaven die nodig zijn voor de uitvoering van de ten behoeve van de deelnemers te verrichten handelingen, gemeenschappelijk worden gedaan, en, in het bijzonder, dat het voor die handelingen vereiste personeel gemeenschappelijk personeel van alle deelnemers is. Die uitgaven worden volgens een bepaalde verdeelsleutel door alle deelnemers gedragen. 8. Als gemeenschappelijk personeel in de zin van het bepaalde in vorig nummer, kan worden aangemerkt:
1° personeel dat gemeenschappelijk door alle deelnemers is aangeworven, zoals blijkt uit stukken opgemaakt ter nakoming van de fiscale en sociale verplichtingen van de deelnemers als werkgevers;
2° personeel dat is aangeworven door een of meer deelnemers maar voor rekening van alle deelnemers; die omstandigheid dient te worden aangetoond aan de hand van een geschrift, dat door alle deelnemers is ondertekend. Voor personeel dat reeds is aangeworven voor de datum van onderhavige aanschrijving, wordt die voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer de deelnemers een dergelijke verbintenis aangaan voor in de toekomst aan te werven personeel.
9. Onder voorbehoud van het bepaalde in nr. 12, moeten op de facturen die worden uitgereikt door leveranciers of dienstverrichters de verschillende deelnemers worden vermeld, zo mogelijk met aanduiding van hun aandeel.
10. De bedoelde onverdeeldheid is als zodanig geen BTW-belastingplichtige. Over de afrekeningen die worden gemaakt tussen de verschillende deelnemers om het deel van ieder van hen, tegen kostprijs, in de diverse werkingskosten, vooral algemene onkosten en personeelskosten, te bepalen, is dan ook geen BTW verschuldigd .
11. Uiteraard is dat deel echter bezwaard met de overeenstemmende BTW wanneer het gaat om een uitgave die door de leverancier of dienstverrichter met BTW werd gefactureerd overeenkomstig nr. 9. De deelnemer die belastingplichtige is kan die BTW volgens de gewone regels, aan de hand van de in nr. 10 bedoelde afrekening die hij moet boeken als een inkomende factuur, in aftrek brengen.
12. Wanneer het personeel gemeenschappelijk is als bedoeld in nr. 8, stemt de administratie ermede in, bij afwijking van het bepaalde in nr. 9, dat de leverancier of dienstverrichter factureert op naam van de onverdeeldheid als zodanig, zonder dat zulks aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 13 en 20, § 2, van het BTW-Wetboek, in hoofde van de onverdeeldheid, en dus tot belastingplicht in haren hoofde. De volgende voorwaarden moeten evenwel vervuld zijn:
1° de onverdeeldheid moet in hoofdzaak bestaan uit niet-belastingplichtigen of uit gemengde belastingplichtigen die tot de onverdeeldheid zijn toegetreden voor de behoeften van hun niet-belaste werkzaamheid;
2° de factuur mag alleen betrekking hebben op algemene onkosten van de onverdeeldheid of op bedrijfsmiddelen die voor de werking ervan in het gemeenschappelijk belang vereist zijn (zoals kantoormachines die gekocht of gehuurd worden);
3° de onverdeeldheid handelt alleen voor deelnemers ter uitsluiting van derden.
Het bepaalde in de nrs. 10 en 11 is dan van toepassing wat betreft de niet-verschuldigdheid van BTW op de afrekeningen tegen kostprijs, die minstens eenmaal per jaar moeten worden gemaakt, en de aftrek van BTW door belastingplichtige deelnemers.
B. De kostendelende vereniging is geen zelfstandige groepering.
13. Wanneer de kostendelende vereniging geen zelfstandige groepering is, worden de handelingen waarvan de rationalisering door de deelnemers van die belangengemeenschap wordt nagestreefd, toevertrouwd aan een of verscheidene van hen die ze voor anderen verrichten. De deelnemer of de deelnemers aan wie de handelingen worden toevertrouwd, doet of doen zelf de uitgaven die nodig zijn om ze te verrichten (algemene onkosten, personeelsuitgaven, huur van materieel, enz.) en brengt of brengen aan de deelnemers voor wie de handelingen werden verricht een bedrag in rekening ter vergoeding ervan.
14. Zelfs wanneer dat bedrag de juiste terugbetaling uitmaakt van de uitgaven die werden gedaan voor het verrichten van de handelingen, is het een aan de belasting onderworpen prijs telkens wanneer het gaat om handelingen in de zin van het BTW-Wetboek.
In zoverre de kosten van gekochte goederen of afgenomen diensten, al dan niet afzonderlijk van andere uitgaven, worden doorgerekend aan andere deelnemers, maken zij deel uit van die te belasten prijs.
De deelnemer die de factuur heeft ontvangen, mag dan uiteraard de daarop aangerekende BTW volgens de gewone regels in aftrek brengen. 15. Leveringen en diensten als bedoeld in de nrs. 13 en 14 kunnen evenwel worden aangemerkt als te zijn gedaan aan de verschillende deelnemers voor wie zij in feite bestemd zijn, ofschoon zij aan één onder hen worden gefactureerd, wanneer de in nr. 12 opgesomde voorwaarden vervuld zijn.
De deelnemer die de factuur heeft ontvangen reikt dan aan elke andere deelnemer, minstens eenmaal per jaar, een afrekening uit waarop het door hem te dragen deel van die uitgave, tegen kostprijs, en van de eventueel daarop betrekking hebbende BTW wordt vermeld. Het bepaalde in nr. 11, betreffende de aftrek, is hier van toepassing. Uiteraard kan de deelnemer die de factuur op zijn naam heeft ontvangen, als hij zelf een BTW-belastingplichtige is, de in die factuur vermelde BTW slechts in aftrek brengen tot beloop van het deel van de uitgave dat door hem wordt gedragen. Dat deel moet hij op de factuur aanduiden.
16. De regeling van vorig nummer geldt slechts voor uit- gaven tegenover derden, die zelfstandig optreden. Ze is dus niet van toepassing voor andere uitgaven die worden verrekend tussen de deelnemers, in het bijzonder voor personeelskosten van de deelnemer die handelingen in het gezamenlijke belang verricht.
De aanrekening van dergelijke kosten aan een andere deelnemer geeft dan normaal aanleiding tot de verschuldigdheid van de belasting, tenzij een bij artikel 44 van het Wetboek ingestelde vrijstelling geldt.
Datum van uitwerking van deze aanschrijving.
17. Deze aanschrijving, welke deze van 3 mei 1971, nr. 69, vervangt, heeft uitwerking op 1 januari 1978.
De vergunningen uitgereikt op grond van de laatstbedoelde aanschrijving worden evenwel slechts ingetrokken met ingang van 1 januari 1979
Bron: FisconetPlus
