Circulaire nr. AFZ/2001-0337 (AFZ 2/2002) dd. 20.02.2002

CIRC 2/2002

Circulaire nr. AFZ/2001-0337 (AFZ 2/2002) dd. 20.02.2002


BEWIJSKRACHT

ELEKTRONISCHE DOCUMENTEN

PERIODIEKE ELEKTRONISCHE AANGIFTE

SCANNINGPROCEDURE VAN DOCUMENTEN


Wijziging artikel 53octies, van het BTW-Wetboek.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3 van de sector BTW.

1. INLEIDING

In het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2001 werd de wet van 5 september 2001 tot wijziging van artikel 53octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd. Deze wet treedt in werking op 13 oktober 2001, dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.

Tevens werd in het Belgisch Staatsblad van 18 september 2001 het koninklijk besluit van 5 september 2001 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 23 en 50 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd. Dit besluit treedt in werking op 18 september 2001, dag waarop het in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.

Tenslotte werd in het Belgisch Staatsblad van 19 januari 2002 het ministerieel besluit met betrekking tot de diensten waar de documenten bedoeld in de artikelen 53, eerste lid, 3°, 53ter, l°, 53quinquies en 53sexies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde moeten worden ingediend, gepubliceerd. Dit besluit heeft eveneens uitwerking met ingang van 18 september 2001.

Deze aanschrijving bevat een eerste commentaar bij voornoemde nieuwe bepalingen. tevens bevat zij een gecoördineerde tekst van de bepalingen die in het BTW-Wetboek werden gewijzigd.



2. TOELICHTING BIJ DE WIJZIGINGEN AANGEBRACHT AAN ARTIKEL 53octies, VAN HET BTW-WETBOEK

Artikel 53octies van het BTW-Wetboek werd aangevuld met een derde lid (artikel 53octies, § 3).

De aangiften bedoeld in de artikelen 53, eerste lid, 3°, en 53ter, l° van het BTW-Wetboek worden thans nog op papier ingediend hetgeen belangrijke financiële kosten met zich brengt en een aanzienlijk risico op vergissingen bij het coderen van de gegevens van die aangiften.

In de poging tot vereenvoudiging van de administratieve handelingen binnen de fiscale administraties is het essentieel dat de moderne communicatiemiddelen beter worden aangewend.

Daarom zullen in de toekomst administratieve formulieren ter beschikking worden gesteld van het betrokken publiek via intemet. Tevens zal, gelet op de technische vooruitgang inzake netwerken en de recente ontwikkelingen met betrekking tot de elektronische handtekening, aan de belastingplichtigen de mogelijkheid worden geboden om de BTW-aangiften via internet in te dienen.

Artikel 53octies, § 2, van het BTW-Wetboek, ingevoegd bij artikel 65 van de wet van 28 december 1992, voorziet reeds dat door of vanwege de Minister van Financiën kan worden toegelaten dat het indienen van aangiften en andere opgaven waartoe de belastingplichtigen gehouden zijn, verloopt door middel van procedures waarbij informatica- en telegeleidingstechnieken worden aangewend. Volgens de memorie van toelichting biedt deze bepaling voldoende mogelijkheden om de praktische uitvoering van bedoelde verplichtingen te wijzigen als de informatica- en transmissietechnieken zulks rechtvaardigen.

Het nieuwe artikel 53octies, § 3, regelt de problematiek van de bewijskracht van de gegevens of de inlichtingen die de belastingplichtige zelf verstrekt van zodra die door de administratie worden behandeld, geregistreerd en bewaard op een elektronische drager, alsook wanneer die gegevens op elektronische wijze worden overgedragen of nog indien zij op een papieren drager worden ingezameld en vervolgens door de administratie worden ingescand.

De digitale gegevens die via de scanningprocedure of elektronisch zijn verkregen, zullen dezelfde rechtsgevolgen en dezelfde bewijskracht hebben als de gegevens vervat in de aangiften en andere papieren documenten.

Aangezien er niet meer dient te worden verwezen naar het oorspronkelijke document als referentiecriterium ter beoordeling van de bewijskracht van de gescande documenten, laat bedoelde maatregel de vernietiging toe van de oorspronkelijke documenten waardoor ook het probleem van de archivering wordt opgelost.

Tenslotte verleent de nieuwe bepaling aan de afschriften of de reproducties die zijn verkregen door middel van voornoemde procédés dezelfde bewijskracht als die verleend aan de originele papieren of elektronische documenten.



3. TOELICHTING BIJ HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 5 SEPTEMBER 2001 TOT WIJZIGING VAN DE KONINKLIJKE BESLUITEN NRS. 1, 2, 3, 23 EN 50 MET BETREKKING TOT DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE

Genoemd koninklijk besluit brengt aan de verschillende hierboven vermelde koninklijke besluiten wijzigingen van technische aard aan.

Artikel 53octies, § 2, van het BTW-Wetboek bepaalt dat door of vanwege de Minister van Financiën kan worden toegelaten dat de aangiften bedoeld in de artikelen 53, eerste lid, 3° (periodieke aangiften) en 53ter (bijzondere aangiften) worden ingediend en dat de in de artikelen 53quinquies tot 53septies bedoelde gegevens (listings afnemers en opgaven van de intracommunautaire handelingen) worden medegedeeld door middel van procedures waarbij informatica- en telegeleidingstechnieken worden aangewend.

Teneinde een gecentraliseerde, doeltreffende en rendabele administratieve organisatie op te richten voor de behandeling van dergelijke elektronisch overgedragen of voor scanning bestemde aangiften, listings en opgaven is het noodzakelijk dat die voortaan kunnen worden ingediend bij een door de Minister van Financiën aangewezen dienst. Die dienst is het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. De administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde kan niettemin een ander adres bepalen dan dit van voormelde dienst (artikel 1 van het ministerieel besluit met betrekking tot de diensten waar de documenten bedoeld in de artikelen 53, eerste lid, 3°, 53ter, l°, 53quinquies en 53sexies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde moeten worden ingediend). Vroeger was uitsluitend het BTW-controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteerde bevoegd.

Aldus werden in die zin aangepast:

  • artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (voor de periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, en 53ter, l°, van het BTW-Wetboek);
  • artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53quinquies van het BTW-Wetboek (voor de opgave van de afnemers in te dienen ieder jaar voor 31 maart);
  • artikel 5 van het koninklijk nr. 50 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53sexies, § 1, van het BTW-Wetboek (voor de intracommunautaire opgave);
  • artikel 6, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 50 (voor de jaaropgave van de vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen en de daarmee gelijkgestelde handelingen, in te dienen door de landbouwondernemingen die niet gehouden zijn tot het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek bedoelde aangiften);
  • artikel 7, eerste lid van het voornoemd koninklijk besluit, gelet op de wijzigingen die aan de artikelen 5 en 6, § 2 van dit koninklijk besluit werden aangebracht.
Om te komen tot een vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen moeten voortaan bepaalde bijlagen niet meer worden gevoegd bij de periodiek in te dienen, aangiften.

Dit is het geval voor :

  • het stuk met de berekening van de omzet volgens de forfaitaire grondslagen van aanslag dat door de belastingplichtigen onderworpen aan de forfaitaire regeling dient te worden opgemaakt met het oog op het opstellen van hun periodieke aangiften (z. artikel 13, l° van het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde);
  • het stuk dat in voorkomend geval dient te worden opgemaakt ter verantwoording van het bedrag van de herziening van de belasting die voortvloeit uit de wijzigingen die in de forfaitaire grondslagen van aanslag van het vorige jaar zijn aangebracht ter uitvoering van artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 2 (z. artikel 13, 2° van genoemd koninklijk besluit).
Bedoelde belastingplichtigen blijven er wel toe gehouden bedoelde verantwoordingsstukken ter inzage te leggen op het controlekantoor waaronder hij ressorteert op ieder verzoek van het hoofd van dat kantoor;

  • het berekeningsblad waarin alle elementen zijn opgenomen ter verantwoording van de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (z. artikel 15, vierde lid, van genoemd koninklijk besluit).
De belastingplichtige moet dat berekeningsblad indienen bij het daartoe aangewezen BTW-kantoor, uiterlijk op de datum van het indienen van de periodieke aangifte waarin dat verhoudingsgetal voor het eerst wordt aangewend. Het berekeningsblad dient te verwijzen naar die aangifte.

NAMENS DE MINISTER :
De Adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,

Jean-Marc DELPORTE.



Bijlage 1





Bijlage 2













Bijlage 3









Bijlage 4

Basistekst Basistekst aangepast aan het ontwerp van koninklijk besluit

Artikel 18, § 1, KB nr. 1

Artikel 18, § 1, KB nr. 1

De persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, of in artikel 53ter, l°, van het Wetboek bedoelde aangifte moet deze, uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, indienen bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert.

De persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, of in artikel 53ter, l°, van het Wetboek bedoelde aangifte moet deze, uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, indienen bij de door de Minister van Financiën aangewezen dienst

Artikel 13, KB nr. 2

Artikel 13, KB nr. 2

Belastingplichtigen die worden belast volgens de forfaitaire regeling zijn gehouden :

Belastingplichtigen die worden belast volgens de forfaitaire regeling zijn gehouden:

l° bij hun periodieke aangiften een stuk te voegen met de berekening van hun omzet volgens de forfaitaire grondslagen van aanslag;

1° met het oog op het opstellen van hun periodieke aangiften een stuk op te maken met de berekening van hun omzet volgens de forfaitaire grondslagen van aanslag;

2° de herziening van belasting die voortvloeit uit de wijzigingen die aan de forfaitaire grondslagen van aanslag van het vorige jaar werden aangebracht ter uitvoering van artikel 7, derde lid, van dit besluit, eventueel te begrijpen in de aangifte in te dienen uiterlijk op 20 oktober van ieder jaar en het bedrag van die herziening te verantwoorden in een bij die aangifte gevoegd stuk.

2° de herziening van de belasting die voortvloeit uit de wijzigingen die in de forfaitaire grondslagen van aanslag van het vorige jaar zijn aangebracht ter uitvoering van artikel 7, derde lid, van dit besluit, in voorkomend geval te begrijpen onder de aangifte in te dienen uiterlijk op 20 oktober van ieder jaar en een stuk op te maken ter verantwoording van het bedrag van die herziening.

Die stukken dienen ter inzage te worden gelegd op het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert op leder verzoek van het hoofd van dat kantoor.

Artikel 15, vierde lid, KB nr. 3

Artikel 15, vierde lid, KB nr. 3

leder verhoudingsgetal moet worden verantwoord in een berekeningsblad dat gevoegd wordt bij de eerste aangifte waarin dat verhoudingsgetal wordt aangewend.

leder verhoudingsgetal moet worden verantwoord in een berekeningsblad waarin alle elementen bedoeld in de artikelen 12 en 13, in aanmerking genomen voor het bepalen van dat getal, worden opgenomen. De belastingplichtige dient dat berekeningsblad in bij het daartoe aangewezen BTW-kantoor, uiterlijk op de datum van het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 18, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, waarin dat verhoudingsgetal voor het eerst wordt aangewend. Het berekeningsblad dient te verwijzen naar die aangifte.

Artikel 1, derde lid, KB nr. 23

Artikel 1, derde lid, KB nr. 23

De opgave wordt opgemaakt in twee exemplaren, overeenkomstig het model dat voorkomt in de bijlage bij dit besluit. Eén exemplaar wordt ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert; het andere wordt door hem bewaard.

De opgave wordt opgemaakt in twee exemplaren, overeenkomstig het model dat voorkomt in de bijlage bij dit besluit. Eén exemplaar wordt ingediend bij de door de Minister van Financiën aangewezen dienst; het andere wordt door hem bewaard.

Artikel 5, KB nr. 50

Artikel 5, KB nr. 50

De in artikel 1 bedoelde intracommunautaire opgave wordt opgemaakt in twee exemplaren overeenkomstig het model dat voorkomt in bijlage A bij dit besluit. Een exemplaar wordt ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert; het andere wordt door hem bewaard.

De in artikel 1 bedoelde intracommunautaire opgave wordt opgemaakt in twee exemplaren overeenkomstig het model dat voorkomt in bijlage A bij dit besluit. Een exemplaar wordt ingediend bij de door de Minister van Financiën aangewezen dienst; het andere wordt door hem bewaard.
Artikel 6, § 2, KB nr. 50Artikel 6, § 2, KB nr. 50
§ 2. De in § 1 bedoelde intracommunautaire opgave wordt opgemaakt in twee exemplaren overeenkomstig het model dat voorkomt in bijlage B bij dit besluit. Een exemplaar wordt als bijlage bij de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bedoelde opgave ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de in § 1 bedoelde landbouwonderneming ressorteert; het andere exemplaar wordt door hem bewaard.

§ 2. De in § 1 bedoelde intracommunautaire opgave wordt opgemaakt in twee exemplaren overeenkomstig het model dat voorkomt in bijlage 8 bij dit besluit. Een exemplaar wordt ingediend bij de door de Minister van Financiën aangewezen dienst. Het andere exemplaar wordt bewaard door de in § 1 bedoelde landbouwonderneming.
Artikel 7, eerste lid, KB nr. 50

Artikel 7, eerste lid, KB nr. 50
Wanneer na het indienen van de intracommunautaire opgave bij het controlekantoor, als bedoeld in de artikelen 5 en 6, § 2, de belastingplichtige vaststelt dat hij een materiële vergissing heeft begaan bij het invullen van die opgave, dient hij in de eerstvolgende in te dienen intracommunautaire opgave na het tijdstip waarop hij de vergissing vaststelt, een correctie op te nemen overeenkomstig een procedure die door of vanwege de Minister van Financiën wordt bepaald.

Wanneer na het indienen van de intracommunautaire opgave overeenkomstig de artikelen 5 en 6, § 2, de belastingplichtige vaststelt dat de opgave een materiële vergissing bevat, dient hij in de eerstvolgende intracommunautaire opgave na het tijdstip waarop hij die vergissing vaststelt, een correctie op te nemen volgens een procedure die door of vanwege de Minister van Financiën wordt bepaald.