Circulaire nr. Ci.RH.863/602.998 (AOIF Nr. 8/2010) dd 27.01.2010
Circulaire nr. Ci.RH.863/602.998 (AOIF Nr. 8/2010) dd 27.01.2010
Inkomstenbelastingen
Gerechtelijke geschillenregeling
Vertegenwoordiging van de Staat
Gerechtelijk Wetboek
Bestrijding van de gerechtelijke achterstand
Wijzigingswet
Aan alle ambtenaren van de niveaus A en B.
Commentaar bij de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand.
I. INLEIDING
1. Op 26 april 2007 werd van de Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand goedgekeurd (hierna de wet - BS 12 juni 2007, blz. 31626 en volgende).
Deze circulaire is bedoeld om de ambtenaren die belast zijn met de verdediging van de Belgische Staat voor de rechtbanken, toelichting te geven over de gevolgen die deze wet heeft op de gerechtelijke fiscale geschillen. Eerst wordt een kort overzicht gegeven van de doelstellingen van de wet, vervolgens wordt dieper ingegaan op de specifieke bepalingen van de wet die van belang zijn voor de fiscale procedure. Tenslotte worden de praktisch te nemen maatregelen voor de aanpassing aan de nieuwe wet uiteengezet.
De wet deelt de duur van de procedure in twee grote periodenin :
- de instaatstelling, meer bepaald de timing van de neerlegging en overlegging van de conclusies tussen de partijen (stukken en conclusies);
- de termijn tussen het ogenblik van de neerlegging van de conclusies (en de zaak dus "in staat" is) en de bepaling van de rechtsdag.
De bedoeling van de wet is die twee perioden te reduceren tot een minimale termijn, dit alles onder voorbehoud van een optimale arbeidskwaliteit zowel t.o.v. de advocaten als t.o.v. de rechter.
De doelstelling is drievoudig :
- het versnellen van de uitwisseling van de conclusies tussen de partijen en het vastleggen bij het begin van de procedure van een kalender die de grote stappen van de procedure bevat;
- het straffen van de partij die onnodig en bewust de procedure vertraagt;
- de uitoefening van een betere controle op de termijn die aan de rechters wordt gegeven om een beslissing te nemen. Indien de vertraging niet wordt gerechtvaardigd bestaat een specifieke sanctie : inhouding op de wedde.
Eerder dan schoon schip met het verleden te maken, wil de wet de bestaande procedure verbeteren om zo de instaatstelling van het dossier te versnellen en een pleitdatum te bekomen.
II. BELANGRIJKSTE BEPALINGEN VAN DE WET - ALGEMEEN OVERZICHT
a) Inleidende zitting en instaatstelling
Korte debatten
2. De procedure van de korte debatten heeft veel aandacht gekregen. Behalve dat die procedure voortaan in geval van onsplitsbaarheid van het geschil kan toegepast worden, zijn ook een aantal wettelijke hypothesen voorzien, waarbij, behoudens akkoord van de partijen, de zaak automatisch zal behandeld worden op grond van de procedure die voorzien is voor de korte debatten :
- de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;
- de vorderingen bedoeld in artikel 19, tweede lid (voorafgaande maatregelen die de rechter kan nemen alvorens recht te doen en die bedoeld zijn als onderzoeks- of voorlopige maatregel);
- de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 (1) ;
(1) Circulaire nr. Ci.RH.863/530.827 dd. 18.9.2000 : nr. 125/126.
- de regeling van geschillen van bevoegdheid (2);
(2) Ibid. nr. 7.
- de vorderingen om uitstel van betaling.
In die omstandigheden zal bijgevolg geen voorafgaand verzoek meer nodig zijn.
Schriftelijke verklaring van vertegenwoordiging in rechte
3. De mogelijkheid voor de advocaten en de ambtenaren om de voorgeschreven verschijning te vervangen door schriftelijk te verklaren dat zij in de zaak optreden, blijft behouden.
Nieuw is echter wel dat ze tevens hun standpunt moetentoelichten omtrent de instaatstelling van de zaak. Die toelichting moet schriftelijk gebeuren aan de griffie en aan de inleidingszitting voorafgaan.
Conclusietermijnen bij gebrek aan instaatstelling
4. De veralgemening tot vaststelling van conclusietermijnen bij gebrek aan instaatstelling van de zaak is een essentieel element van de nieuwe wet.
Behoudens met onderlinge toestemming kunnen de partijen niet langer om de verwijzing naar de rol of om de verdaging tot een bepaalde datum verzoeken.
5. De nieuwe wet bepaalt dat de partijen onderling op de inleidingszitting en op elke latere zitting conclusietermijnen kunnen afspreken (conclusietermijnen in onderling akkoord).
De rechter bekrachtigt de onderling overeengekomen conclusietermijnen en bepaalt de rechtsdag uiterlijk 6 weken na de inleidingszitting in een beschikking van instaatstelling en van bepaling van een rechtsdag.
6. Bij gebrek aan onderling akkoord tussen de partijen is bepaald dat de rechter ambtshalve kan tussenkomen om de conclusietermijnen vast te stellen en een rechtsdag te bepalen (gerechtelijke instaatstelling).
Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging in een beschikking van instaatstelling en van bepaling van rechtsdag.
De wet schrijft voor dat, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden bepaald, ook de datum van de pleitzitting uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt. De rechter stelt aldus de conclusiekalender vast rekening houdend met de rechtsdag.
7. In de gedinginleidende akte, op de inleidende zitting of via schriftelijk verzoek neergelegd ter griffie uiterlijk binnen een maand na de inleidende zitting kunnen de partijen steeds hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak bezorgen aan de rechter en aan de andere partijen.
8. Kortere termijnen zijn voorzien wanneer men zich bevindt voor de rechter in kortgeding, de voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding en de beslagrechter.
9. Er bestaat geen wettelijke instaatstelling (geacht op tegenspraak gewezen) en er is voortaan slechts de instaatstelling bij onderling akkoord en de gerechtelijke instaatstelling voorzien. De artikeIen 751 en 753 van het Gerechtelijk Wetboek zijn namelijk opgeheven.
Verwijzing naar de rol en verdaging naar nabije vaste datum
10. Het is voor de partijen nog altijd mogelijk om de verwijzing naar de rol of de verdaging naar een nabije datum te verzoeken.
Bij de nieuwe regeling zal dit echter nog slechts mogelijk zijn met het akkoord van alle partijen.
11. Het nieuw Gerechtelijk Wetboek voorziet in twee mogelijkheden om een rechtsdag te bepalen.
In geval van onderling akkoord tussen de partijen, is het zoals vroeger nog steeds mogelijk een gezamenlijk verzoek tot bepaling van de rechtsdag (art. 750, Ger.W) ter griffie neer te leggen (art. 750, Ger.W).
De enige nieuwigheid is dat dit verzoek nu vergezeld moet zijn van de conclusies van de partijen.
Overigens, indien één van de partijen de procedure wil versnellen, is het mogelijk door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak te verzoeken (nieuw artikel 747, § 2; artikel 750, § 2 is opgeheven).
b) Na de inleidende zitting
Conclusies
Inhoud
12. Het is voortaan uitdrukkelijk voorgeschreven dat in de conclusies de eisen van de concluderende partij worden uiteengezet alsook de middelen in feite en in rechte waarop de eis steunt.
Overigens worden conclusies die in een andere zaak of in een andere aanleg werden genomen en waarnaar wordt verwezen of gerefereerd, niet beschouwd als conclusies.
Syntheseconclusies
13. De nieuwe wet schrijft voor dat, behoudens in drie bijzondere gevallen, de laatste conclusies van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies.
Die syntheseconclusies vervangen alle voorgaande conclusies en, in voorkomend geval, de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.
Het gaat hier om een belangrijke nieuwigheid in die zin dat tot nog toe de syntheseconclusies niet wettelijk waren geregeld en de rechter voortaan niet meer systematisch kennis moet nemen van alle opeenvolgende conclusies.
Neerlegging en mededeling van de conclusies
14. De wet neemt duidelijk standpunt in over de vraag betreffende de noodzaak van de neerlegging van de conclusies ter griffie en de toezending ervan aan de partijen om te vermijden dat ze ambtshalve uit de debatten zouden worden geweerd, door in hoofdzaak de oplossing te volgen die door het Hof van Cassatie werd gegeven (3).
(3) Het is het arrest van het Hof van cassatie van 9 december 2005 dat stelde dat "wanneer de rechter de termijnen bepaalt om conclusies te nemen, de neerlegging van die conclusies ter griffie en de gelijktijdige toezending ervan aan de tegenpartij beide dienen te gebeuren binnen de vastgestelde termijn. De neerlegging van de conclusies ter griffie alleen, zonder de gelijktijdige toezending ervan aan de tegenpartij voldoet niet aan de vereisten van de wet. In een dergelijk geval dient de rechter de conclusies uit de debatten te weren, ook al zijn ze binnen de termijn op de griffie neergelegd."(JT 2006, p. 4 en de opmerkingen van H. BOURLABAH, "Requiem pour l'article 745 alinéa 2 du Code judiciaire"; R.A.B.G., 2006, p. 341 en de nota E. BREWAEYS en Bruno MAES, "Over de gelijktijdige neerlegging ter griffie en toezending van conclusies aan tegenpartij binnen de vastgestelde termijn (art. 745 eerste lid juncto 747 § 2 G.W)"; J.L.M.B., 2006, p. 4 en opm. H. BOULARBAH, "Vous communiquiez ? J'en suis fort aise. Eh bien ! Déposez et envoyez à présent").
Er wordt in de wet bepaald dat de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de partijen binnen de vastgestelde conclusietermijn.
Het zal de laatste vervaldatum zijn die telt, ook al doen deze formaliteiten zich niet op hetzelfde ogenblik voor (Voorbereidende werken : Parl. Doc. 51K2811/001 blz. 12).
De mededeling van de stukken
15. Om een interactief debat tussen de rechter en de partijen te vergemakkelijken, stelt de wet dat de stukken voortaan ter griffie moeten worden neergelegd tenminste 15 dagen voor de rechtsdag bepaald voor de pleidooien.
Nochtans kan, op verzoek van de partijen, de beschikking van in staat stellen geheel of gedeeltelijk afwijken van de regel of andere modaliteiten voorzien.
c) De pleitzittingen
Ontbreken of ambtshalve wering uit de debatten van de conclusies
16. Het nieuw Gerechtelijk Wetboek neemt standpunt in over de betwiste vraag of een partij al dan niet mag pleiten ingeval van ambtshalve wering uit de debatten van de conclusies of de stukken. Zelfs indien de conclusies of de stukken ambtshalve worden geweerd, mag de betrokken partij nog steeds pleiten.
Dat pleidooi geldt evenwel niet als conclusie. Dat houdt in dat een dergelijk pleidooi geen nieuw verzoek kan inhouden (geen verruiming van het debat) en dat de rechter niet gehouden is te antwoorden op de middelen die niet op regelmatige wijze zijn opgenomen in conclusies.
Bovendien kan om het tegensprekelijk karakter van de procedure te waarborgen de andere partij in dergelijk geval antwoordconclusies indienen.
Het interactief debat
17. Tijdens dan wel vóór de pleitzitting kan de rechter voorstellen om de pleidooien te vervangen door een interactief debat.
Indien de partijen daarmee instemmen leidt de rechter het debat, waarbij hij de mogelijkheid heeft de partijen te oriënteren naar aangelegenheden die hij relevant vindt. De partijen mogen vragen stellen, op voorwaarde dat deze hetzij in hun geschriften werden aangevoerd, hetzij gekoppeld zijn aan de toepassing van de korte debatten, hetzij betrekking hebben op een onregelmatigheid die de instaatstelling aantast.
Indien partijen zich verzetten kan het interactief debat na de pleidooien plaatsvinden.
Misbruik van de rechtspleging : boete
18. Een andere maatregel bestaat erin de partij die de rechtspleging misbruikt te bestraffen met een geldboete die ambtshalve door de rechter kan worden opgelegd.
Die boete straft de gedragingen waarvan aangetoond is dat de rechtspleging om kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden werd gebruikt.
Beraad door de rechter
19. Een specifieke bepaling is gewijd aan de termijn van één maand die voorzien is voor het beraad door de rechter.
De korpschef wordt in zijn rol van manager versterkt doordat hem een effectief middel wordt gegeven om toezicht te houden op de naleving van de termijnen van beraad. Dit zal gebeuren door de opmaak van een lijst van alle zaken binnen zijn ambtsgebied die in beraad worden gehouden. Die lijst wordt maandelijks opgemaakt door de hoofdgriffier.
Indien ondanks alle genomen maatregelen om de gerechtelijke achterstand weg te werken, de achterstand blijft aanhouden, is in een tuchtmaatregel voorzien, namelijk inhouding op de wedde.
Het vonnis - Wanneer kan men nog een verstekvonnis bekomen ?
20. Elk vonnis in het kader van de gerechtelijke instaatstelling (d.w.z. iedere keer als de rechter een beschikking tot in staat stellen en rechtsdagbepaling treft waarbij hijzelf de termijnen bepaalt), is in ieder geval op tegenspraak gewezen, zelfs indien een partij verstek laat op de pleitzitting (4).
(4) Artikel 747, § 2 oud stelde hieromtrent "op de rechtsdag kande meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen". De wetgever heeft geacht dat in de logica van de instaatstelling dat tot doel heeft het wegwerken van de gerechtelijke achterstand, het meer aangewezen zou zijn dat een beslissing, gewezen in het kader van de gerechtelijke instaatstelling, in elk stadium van de zaak, zijn tegensprekelijk karakter behoudt en dat geen van de partijen, bij afwezigheid van een andere partij, een niet-tegensprekelijk vonnis kan verzoeken. (advies van de Hoge Raad voor Justitie : Parl.Doc. 51K2811/001 p. 102).
Indien evenwel de zittingsdatum gewijzigd wordt zonder dat die wijziging werd aangevraagd of aanvaard door alle partijen, zal die uitspraak als niet-tegensprekelijk worden beschouwd in geval van niet-verschijning van één van de partijen op de zitting.
De rechter kan zich zelfs niet verzetten tegen een verzoek tot verwijzing naar de rol met vastlegging van een vaste datum, noch de zaak in beraad nemen indien één van de partijen niet verschijnt (5).
(5) "De instaatstelling en de pleitzitting overeenkomstig de Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het wegwerken van de gerechtelijke achterstand", JT, 8 september 2007, p. 560.
21. De nieuwe regeling van instaatstelling raakt niet aan de artikelen 803 en 804 van het Gerechtelijk Wetboek en alle bepalingen met betrekking tot het onderzoek en het verstekvonnis blijven van toepassing.
Bijgevolg kan steeds een verstekvonnis worden genomen ten opzichte van de partij die niet verschijnt :
- op de pleitdag wanneer de partijen zelf het initiatief hebben genomen om een conclusiekalender af te spreken (art. 747, § 1, Ger.W);
- op de pleitdag wanneer de partijen een aanvraag tot vaststelling van de rechtsdag hebben gedaan als gevolg van een verwijzing naar de rol (art. 750, Ger.W);
- op de inleidingszitting of op de vastgestelde rechtsdag.
22. Wanneer in de laatste hypothese de partijen uiteindelijk niet akkoord gaan om onderling conclusietermijnen af te spreken en de rechter vervolgens overgaat tot ambtshalve vaststelling van de conclusietermijnen, zal de partij die het verstek heeft aangevraagd zijn voordeel verliezen aangezien men naar een gerechtelijke instaatstelling overgaat.
d) Beslissing tot heropening der debatten
23. De beslissingen tot heropening der debatten voorzien voortaan in een nieuwe "beperkte" instaatstelling over het middel, met als sanctie voor laattijdige conclusies, de ambtshalve wering uit de debatten (6).
(6) Ibid, p. 559.
Er is inderdaad voorzien dat de rechter de termijnen bepaalt waarover de partijen beschikken om hun schriftelijke opmerkingen over het in de beslissing tot heropening der debatten beoogde middel te laten kennen en dat indien deze schriftelijke opmerkingen laattijdig worden neergelegd, zij door de rechter zullen worden geweerd.
De beslissing die na de heropening der debatten komt behoudt haar tegensprekelijk karakter indien de beslissing waarmee de heropening werd bevolen op tegenspraak werd gewezen.
e) Voorafgaande maatregelen - nabije rechtsdag
24. De wet voorziet in de mogelijkheid om in elke stand van de rechtspleging een snelle vaststelling van de zaak aan te vragen om een voorafgaande maatregel te laten bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, of om voorlopig de toestand van de partijen te regelen.
Om dergelijke maatregelen kan steeds worden verzocht, zelfs indien de zaak naar de rol werd verwezen, en ook al is de zaak reeds vastgesteld, maar op een niet nabije datum, zodat een beslissing over het tussengeschil noodzakelijk is.
III. UITEENZETTING VAN DE BEPALINGEN IN DE WET DIE GEVOLGEN HEBBEN VOOR DE FISCALE PROCEDURE
Hierna volgt een meer gedetailleerde commentaar van de bepalingen van de wet die gevolgen hebben op de fiscale geschillenprocedure.
1. De inleiding van zaak - schriftelijke verschijning
25. Artikel 6 van de wet tot wijziging van artikel 729 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt :
"Wanneer de zaak bij de inleiding niet van die aard is dat ze kan worden gepleit, kunnen de advocaten van de partijen, in onderlinge overeenstemming, de in artikel 728 voorgeschreven verschijning vervangen door schriftelijk te verklaren dat zij in de zaak optreden en, in de mate van het mogelijke, hun standpunt toelichten inzake de instaatstelling van de zaak. Deze verklaring wordt vooraf aan de griffie gericht. Dit wordt vermeld op het zittingsblad.".
26. Dit artikel ondergaat geen grote wijziging. Zoals voorheen, hebben de advocaten en de ambtenaren de mogelijkheid om, in onderling overleg, de voorgeschreven verschijning op de inleidende zitting te vervangen door een "schriftelijke verklaring van tussenkomst".
De nieuwigheidbestaat in het feit dat die schriftelijke verschijning in de mate van het mogelijke eveneens het standpunt van de advocaten uiteenzet betreffende de gerechtelijke instaatstelling van de zaak. Dat vindt zijn verklaring in het nieuwe artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, dat voorschrijft dat de partijen de mogelijkheid hebben om in onderlinge overeenstemming de conclusietermijnen te bepalen op de inleidende zitting of in gemeen akkoord de zaak naar de algemene rol te verwijzen waarbij, indien geen akkoord is bereikt, de rechter zelf een kalender zal bepalen, rekening houdend met de opmerkingen van de partijen (zie nr. 35 : conclusietermijnen en verwijzing naar de rol).
De verklaring moet schriftelijk vóór de inleidende zitting ter griffie worden neergelegd.
2. Korte debatten
27. Artikel 7 van de wet bevat de volgende wijzigingen aan het artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek :
"§ 1. Ten aanzien van iedere verschijnende partij worden de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met redenen omkleed verzoek is gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij.
§ 2. De zaken worden in korte debatten behandeld ingeval de partijen daarmede akkoord gaan. De rechter houdt de zaak op de inleidingszitting aan of verwijst ze opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaalt.
Behoudens akkoord van de partijen zal het geding op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure worden behandeld in de volgende gevallen :
- de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;
- de vorderingen bedoeld in artikel 19, tweede lid;
- de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935;
- de regeling van geschillen van bevoegdheid;
- de vordering om uitstel van betaling.
§ 3. In de zaken bedoeld in de §§ 1 en 2, kan het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen conclusies zijn neergelegd.
Wanneer de partijen conclusies nemen, moeten zij die overhandigen aan de rechter, die ze voor gezien tekent. Van deze neerlegging wordt melding gemaakt op het zittingsblad.
§ 4. De overige zaken worden naar de bijzondere rol verzonden of aan andere kamers toegewezen, zoals is bepaald in artikel 726.
§ 5. De bepalingen van dit artikel gelden onverminderd de regels inzake verstek.
Wanneer echter, in geval van onsplitsbaarheid van het geschil, een of meerdere partijen verstek laten gaan en ten minste een partij verschijnt, is dit artikel van toepassing op voorwaarde dat elke niet verschenen partij bij gerechtsbrief door de griffier opgeroepen wordt op een zittingsdag bepaald op een nabije datum, waarop een vonnis op tegenspraak zal kunnen worden gevorderd. De oproeping neemt de tekst van deze paragraaf over.
§ 6. De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.".
28. Overeenkomstig dit artikel zal de procedure van de korte debatten voortaan altijd van rechtswege gelden, behoudens akkoord van de partijen, en dit in de volgende bij wet bepaalde gevallen :
- de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;
- de vorderingen bedoeld in artikel 19, tweede lid (het betreft de voorlopige maatregelen die de rechter neemt alvorens recht te spreken en die bedoeld zijn om de vordering te onderzoeken of om de toestand van partijen voorlopig te regelen);
- de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 (7);
(7) Circulaire nr. Ci.RH.863/530.827 dd. 18.9.2000 : nr. 125/126.
- de regeling van geschillen van bevoegdheid (8);
(8) Ibid, nr. 107.
- de vorderingen om uitstel van betaling.
In bovenvernoemde gevallen zal er dus geen voorafgaand verzoek meer moeten worden gedaan.
Voor wat betreft de fiscale zaken zullen de geschillen waar de procedure van de korte debatten wordt toegepast, nu frequenter voorkomen dan vóór de wetswijziging. Dit zal vooral het geval zijn voor wat betreft de aanvragen tot verwijzing gebaseerd op artikel 4 van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken, verzoeken betreffende samenhang en aanhangigheid, alsmede de bevoegdheidsconflicten.
29. In de gevallen waar de vereenvoudigde procedure wordt toegepast, kan het vonnis worden gewezen zonder dat conclusies worden neergelegd. Het staat de partijen evenwel vrij om tot bij de sluiting der debatten conclusies en stukken neer te leggen.
3. Voorafgaande maatregelen - vaststelling op de meeste nabije rechtsdag
30. Het nieuwe art. 19, 2° lid Gerechtelijk Wetboek voorziet in de mogelijkheid dat, op elk ogenblik, in om het even welk stadium van de procedure, één van de partijen de zaak versneld laat vaststellen, opdat, alvorens recht te doen, voorafgaande maatregelen zouden worden genomen, zijnde :
- om de vordering te onderzoeken;
- om een tussengeschil te regelen dat op een dergelijke maatregel betrekking heeft;
- om voorlopig de toestand van de partijen te regelen.
31. Zoals hierboven uiteengezet, bepaalt het nieuwe artikel 735, § 2 Gerechtelijk Wetboek dat in het geval van voorlopige maatregelen de zaak in korte debatten zal worden behandeld, behoudens akkoord van de partijen.
Het nieuwe artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in dit geval geen syntheseconclusies moeten worden neergelegd.
4. De inhoud van de conclusies
32. Artikel 8 van de wet vult eveneens artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek aan :
"De conclusies moeten uitdrukkelijk de eisen van de concluderende partij uiteenzetten alsook de middelen in feite en in rechte waarop iedere eis steunt. De in een andere zaak of in een andere aanleg genomen conclusies waarnaar wordt verwezen of waaraan wordt gerefereerd worden niet beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid, 3°.".
33. Het is voortaan uitdrukkelijk voorgeschreven dat de conclusies de vorderingen van de concluant moeten bevatten alsook de uiteenzetting van de feiten en de juridische redeneringen ter ondersteuning van de vorderingen.
Wel interessant is dat het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat de verwijzingen naar eerder neergelegde conclusies in een andere zaak of in een andere aanleg niet aanvaard worden. Het is dus belangrijk om alle dienstige elementen van die conclusies over te nemen.
Deze wijziging wijkt voor de administratie niet af van de huidige praktijk.
5. Neerlegging en overlegging van de conclusies
34. Artikel 9 van de wet heft het tweede lid van artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek op. Dat artikel stelde :
"Alle conclusies worden aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden terzelfder tijd als zij ter griffie worden neergelegd.
De overlegging van de conclusies wordt geacht te zijn verricht vijf dagen na de toezending".
35. Het principe dat de overlegging van de conclusies geacht wordt vijf dagen na te toezending te zijn verricht is voortaan niet meer van toepassing.
Dit wordt verklaard door de nieuwe regeling met betrekking tot de instaatstelling van de zaak.
Het nieuwe artikel 747, § 2, lid 3 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat het de rechter is die de termijnen bepaalt voor het nemen van de conclusies, het neerleggen ervan ter griffie en het toezenden van de conclusies aan de tegenpartij (zie nr. 44).
36. Het nieuwe artikel 747, § 2, lid 3 Gerechtelijk Wetboek bevat de term "terzelfder tijd verzenden" (artikel 745, Ger.W) niet meer om een interpretatieprobleem te vermijden dat het gevolg was van de verplichting om op straffe van wering uit de debatten, de neerlegging van de conclusies ter griffie en de verzending ervan aan de tegenpartij gelijktijdig te laten verlopen. Het zal de laatste vervaldatum zijn die telt, ook al doen deze formaliteiten zich niet op hetzelfde ogenblik voor (Voorbereidende werken : Parl. Doc. 51K2811/001 blz. 12).
Stel bijvoorbeeld dat de rechter de datum voor de neerlegging en de toezending van de conclusies heeft vastgesteld op 3 maart 2010. Dat betekent dat de conclusies uiterlijk op die datum ter griffie moeten worden neergelegd, maar ook dat zij worden verzonden aan de tegenpartij (het is echter niet noodzakelijk dat de tegenpartij de conclusies op 3 maart 2010 heeft ontvangen).
6. Conclusietermijnen en verwijzing naar de rol
37. Artikel 10 van de wet wijzigt artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek als volgt :
"Art. 747 § 1. De partijen kunnen op de inleidingszitting en op elke latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken.
De rechter licht de partijen die conclusietermijnen wensen af te spreken in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.
De rechter neemt akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaalt de rechtsdag overeenkomstig § 2, derde lid. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier geeft de partijen en hun advocaten kennis van deze beschikking overeenkomstig § 2, vierde lid.
§ 2. Onverminderd de toepassing van de regels inzake het verstek, kunnen de partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, in voorkomend geval in de gedinginleidende akte, aan de rechter en aan de andere partijen hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak bezorgen, uiterlijk binnen de maand na de inleidingszitting. Deze termijn kan door de rechter worden verkort ingeval dat noodzakelijk is of de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.
Zij kunnen eveneens in onderlinge overeenstemming afwijken van deze instaatstelling van de zaak en om de verwijzing ervan naar de rol verzoeken en, als de omstandigheden het toelaten, om verdaging tot een bepaalde datum.
Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen. Afhankelijk van de datum van de pleitzitting, die, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden bepaald, uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt, bepaalt de rechter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.
Tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open. De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving in de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag, deze beschikking ambtshalve dan wel op, zelfs mondeling, verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier brengt de beschikking bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten, en bij gerechtsbrief van de niet verschenen partij.
Wanneer de zaak naar de rol is verwezen, of werd verdaagd naar een latere datum, kan iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak verzoeken, overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Dit verzoek wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten. Deze kennisgeving doet de termijnen bepaald in het eerste en het derde lid ingaan.
Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak gewezen is.
In geval van onsplitsbaarheid van het geschil en onverminderd de toepassing van artikel 735, § 5, moet deze paragraaf worden toegepast wanneer een of meer partijen verstek laten gaan, terwijl ten minste één partij verschijnt.
§ 3. Voor de rechter in kort geding, voor de voorzitter van de als in kort geding zetelende rechtbank en voor de beslagrechter bedraagt, in afwijking van de vorige paragrafen, de termijn waarover de partijen beschikken om hun opmerkingen te doen gelden ten hoogste 5 dagen, en de termijn waarbinnen de rechter het tijdsverloop dan wel de instemming daarmee van de partijen aantekent ten hoogste 8 dagen. De rechter kan die termijnen inkorten of afschaffen indien de omstandigheden zulks verantwoorden.
De griffier geeft uiterlijk de eerste werkdag volgend op die waarop de beschikking werd gewezen, bij gewone brief kennis van de beschikking aan de partijen en in voorkomend geval aan hun advocaat, alsmede bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij, tenzij de partijen hem van die kennisgeving vrijstellen."
38. Het betreft één van de belangrijkste wijzigingen van de wet.
Met dit artikel worden er nieuwe mogelijkheden aan de rechter geboden om de zaak in staat te stellen. De rechter kan nu iets doen aan de passiviteit van de partijen door zelf een rechtsdag vast te stellen en een conclusiekalender te bepalen rekening houdend met de rechtsdag.
Rekening houdend met de regeling van het Gerechtelijk Wetboek kunnen er zich drie verschillende mogelijkheden voordoen.
Ofwel spreken de partijen onderling conclusietermijnen af op de inleidingszitting (art. 747, § 1, Ger.W).
Ofwel bereiken de partijen geen akkoord over de instaatstelling van de zaak op de inleidingszitting. In dat geval legt de rechter ambtshalve het tijdsverloop van de rechtspleging vast, uiterlijk 6 weken na de inleidingszitting. Hierbij kan hij in voorkomend geval rekening houden met de opmerkingen van de partijen of met een na de inleidingszitting afgesloten akkoord (art. 747, § 2, Ger.W).
Derde mogelijkheid : in onderlinge overeenstemming kunnen de partijen afwijken van de instaatstelling van de zaak en de verwijzing naar de rol of de verdaging naar een bepaalde datum verzoeken. Met een gewoon schriftelijk verzoek gericht aan de griffie kan opnieuw de instaatstelling van de zaak worden gevraagd (art. 747, § 2, 5° lid, Ger.W).
39. Partijen hebben onderling conclusietermijnen afgesproken op de inleidingszitting (art. 747, § 1, Ger.W).
- De partijen kunnen onderling conclusietermijnen afspreken op de inleidingszitting en op elke latere zitting. De rechter licht hen daartoe in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zal kunnen worden bepaald.
- De rechter bekrachtigt de conclusietermijnen en bepaalt de rechtsdag in een beschikking uiterlijk zes weken na de inleidingszitting.
40. Wanneer de partijen onderling conclusietermijnen hebben afgesproken, is de rechter niet verplicht om een pleitdatum vast te stellen die uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies ligt (zoals dat het geval is wanneer de rechter zelf conclusietermijnen vast legt). In de voorbereidende werken wordt bepaald dat wanneer de partijen onderling een akkoord bereiken omtrent de conclusietermijnen, het aantal en de volgorde van de uitwisseling van conclusies, de rechter dit akkoord in principe bevestigt. Dit akkoord kan evenwel aangepast worden rekening houdend met de datum die werd vastgesteld om de zaak te pleiten (voorbereidende werken : Parl.Doc. 51K2811/001, blz. 16). Uit de praktijk blijkt dat de rechter het akkoord zal bevestigen zonder de kalender aan te passen, zelfs wanneer er geen pleitdatum beschikbaar is binnen drie maanden. De meerderheid van de magistraten, zich aansluitend bij bepaalde rechtsleer (9), is van oordeel dat zij de door partijen afgesproken kalender niet kunnen wijzigen op grond van art. 747, § 1, Ger.W.
(9) Zie bijvoorbeeld "La mise en état et l'audience des plaidoiries selon la loi du 26 avril 2007", Annick Bouche, JT 2007, p. 555.
41. Partijen bereiken op de inleidingszitting geen overeenstemming over een conclusiekalender (art. 747, § 2, Ger.W); de procedure verloopt als volgt :
- uiterlijk zes weken na de inleidingszitting zendt de rechter met een beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag een kalender van rechtspleging aan de partijen. In tegenstelling tot de vroegere bepalingen, is de vaststelling van een kalender door de rechter de regel, tenzij de partijen een akkoord hebben bereikt over een eigen kalender of over een verwijzing naar de rol.
- In tegenstelling tot het geval waar de kalender in onderlinge overeenstemming tussen de partijen werd vastgesteld, moet de pleitzitting uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvinden. De beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag vermeldt de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan. De conclusiekalender wordt bepaald rekening houdend met de datum van de pleitzitting. De rechter bepaalt dus de termijnen vertrekkend van de datum van pleitzitting.
42. De partijen kunnen opmerkingen met betrekking tot de instaatstelling van de zaak bezorgen aan de rechter en aan de andere partijen in de gedinginleidende akte, op de inleidingszitting of door middel van een geschrift aan de griffie uiterlijk binnen een maand na de inleidingszitting. De rechter kan van die termijn afwijken ingeval dat noodzakelijk is of de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.
De rechter houdt rekening met de binnen de termijn van 1 maand na de inleidingszitting door de partijen geformuleerde opmerkingen of met het tussen partijen overeengekomen akkoord.
43. In beide hypothesen zijn volgende regels van toepassing :
- de griffier brengt de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten;
- tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open. De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving, deze beschikking ambtshalve dan wel zelfs op mondeling verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen;
- het beginsel dat in antwoordconclusies enkel kan geantwoord worden op de inhoud van de laatste conclusies van de tegenpartij is niet van toepassing (10). Een partij die geen conclusies neerlegt binnen de vastgestelde termijn, verliest bijgevolg niet zijn recht om later te concluderen binnen een vastgestelde antwoordtermijn. Die conclusies mogen evenwel geen nieuwe middelen bevatten waarop een andere partij niet meer zou kunnen antwoorden, noch een incidenteel beroep waardoor de grenzen van het debat dat aan de rechters in beroep is voorgelegd, wordt verruimd. In dat geval moeten de rechters dergelijk unfair procedureel gedrag bestraffen door de betreffende conclusies uit de debatten te weren (11) (Voorbereidende werken : Parl. Doc. 51K2811/001, blz. 13).
(10) Dit is het gevolg van een arrest van het Hof van Cassatie van 14 maart 2002 (Pas. 2002, P; 722,
RW 2002-2003, p. 138; MJW, 202, p. 59).
(11) Zie ook cassatie 16 maart 2006, RAJB, 2006, p. 83.
44. Merk op dat de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag de datum bepaalt waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en worden verzondenaan de tegenpartij. Het is dus mogelijk dat de tegenpartij de conclusies later ontvangt dan de griffie. Met dat gegeven moet dan ook door de rechter rekening worden gehouden. Aangezien de rechter de schriftelijke opmerkingen van de partijen heeft gelezen, kan hij bij het bepalen van de termijnen, rekening houden met dat tijdsverschil.
45. Er is in kortere termijnen voorzien wanneer men zich voor de rechter in kort geding, voor de voorzitter van de als in kort geding zetelende rechtbank en voor de beslagrechter bevindt : de partijen beschikken over ten hoogste 5 dagen om hun opmerkingen over de instaatstelling te doen gelden. De rechter stelt de kalender vast of bekrachtigt het akkoord tussen partijen binnen ten hoogste 8 dagen. De rechter kan die termijnen inkorten of afschaffen indien de omstandigheden zulks verantwoorden.
46. Derde geval : de partijen vragen de verwijzing naar de rol of, wanneer de omstandigheden dit toelaten, vaststelling van rechtsdag.
De partijen moeten handelen in onderlinge overeenstemming : de verwijzing naar de rol moet gericht zijn aan de rechtbank door middel van een gezamenlijk verzoekschrift.
Dergelijk verzoek kan reeds vóórde inleidingszitting aan de rechtbank worden gezonden, in voorkomend geval onder de vorm van een verklaring van schriftelijke verschijning (art. 729, Ger.W) of mondeling ter zitting. De partijen kunnen ook hun akkoord om de zaak te verwijzen naar de rol mededelen aan de rechter binnen de termijn van 1 maand voor het bezorgen van opmerkingen over de instaatstelling van de zaak (art. 747, § 2, 1° lid, Ger.W). Wanneer zij geen akkoord bereiken over de verwijzing naar de rol, kunnen zij nog, zoals hiervoor uiteengezet, schriftelijk hun opmerkingen bezorgen uiterlijk binnen een maand na de inleidingszitting. De rechter kan hiermee rekening houden voor het vaststellen van de procedurekalender.
Wanneer de zaak werd verwezen naar de rol of werd verdaagd naar een latere datum met onderlinge overeenstemming, en wanneer de zaak in staat is om te worden gepleit, kunnen de partijen een verzoek tot vaststelling van pleitzitting richten aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak is toegewezen en ter griffie neerleggen (art. 750, Ger.W).
Als één van de partijen nalaat conclusies, aanvullende of syntheseconclusies, neer te leggen, kan de andere partij door middel van een gewoon schriftelijk verzoek aan de griffie om de instaatstelling verzoeken zodat de zaak voor de rechter kan worden gebracht (art. 747, § 2, 5° lid, Ger.W). Die procedure kan ook gebruikt worden wanneer alle partijen conclusies hebben neergelegd en één van hen nalaat te antwoorden op een gezamenlijk verzoek tot vaststelling op grond van art. 750, Ger.W.
Dat verzoek wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten.
De termijn van één maand voor de partijen en zes weken voor de rechter gaat in vanaf het ogenblik dat de griffie alle partijen in kennis heeft gesteld van dit verzoek.
7. Syntheseconclusies
47. Artikel 12 van de wet voegt een nieuw artikel 748bis toe aan het Gerechtelijk Wetboek betreffende het opmaken van syntheseconclusies.
"Art. 748bis. Onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, nemen de laatste conclusies van een partij de vorm aan van syntheseconclusies. Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.".
48. Het betreft een belangrijke wijziging daar in het verleden er geen bepalingen bestonden betreffende het opmaken van syntheseconclusies.
De procedure wordt hierdoor vereenvoudigd omdat de rechter niet langer systematisch kennis moet nemen van alle opeenvolgende conclusies om zijn beslissing te kunnen nemen.
De Minister van Justitie verduidelijkt in de voorbereidende werken dat de laatst neergelegde conclusies in alle gevallen automatisch als syntheseconclusies worden beschouwd. Wanneer slechts één maal conclusies werden neergelegd, worden deze beschouwd als syntheseconclusies. In dergelijk geval is het niet noodzakelijk dat nog afzonderlijk syntheseconclusies worden opgemaakt. Wanneer er twee maal conclusies werden neergelegd, zullen de laatste als syntheseconclusies worden beschouwd (Voorbereidende werken : Parl. Doc. 51K2811/005, blz. 54).
49. Bepaalde conclusies worden evenwel nooit als syntheseconclusies beschouwd :
1. conclusies die uitsluitend tot doel hebben één of meerdere maatregelen, bedoeld in art. 19, 2° lid (voorlopige maatregelen) te bekomen;
2. conclusies die een tussengeschil opwerpen dat aan het geding geen einde maakt;
3. conclusies die antwoorden op het advies van het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 767, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek.
Die uitzonderingen komen slechts zelden voor. In de meeste gerechtelijke geschillen moeten de laatste conclusies als syntheseconclusies worden beschouwd.
50. Syntheseconclusies zijn meer dan het eenvoudig samenvoegen van de voorafgaande conclusies. Het doel is in deze fase het herbekijken van de stukken met het oog op een zekere eenheid en samenhang, evenals het aanpassen van de teksten die verouderd zijn of op niet passende wijze werden geformuleerd.
Gelet op het feit dat de laatste conclusies automatisch beschouwd worden als syntheseconclusies, is het belangrijk deze op een zo volledig mogelijke wijze op te stellen. Voortaan moet artikel 780, 3° Gerechtelijk Wetboek (12) gelezen worden in de zin dat de magistraat enkel dient te antwoorden op de argumenten die in de laatste conclusies werden opgenomen. Hij heeft evenwel steeds de mogelijkheid om zijn beslissing te steunen op elementen die naar voor werden gebracht in de voorafgaande conclusies.
(12) Artikel 780, 3°, Ger.W bepaalt dat "Het vonnis bevat, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkend gedeelte : (…) 3°. Het onderwerp van de vordering en het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen."
51. Merk op dat voor de partij die de zaak heeft ingeleid, de syntheseconclusies zelfs de inleidende akte vervangen. Dit moet in verband worden gebracht met het arrest van het Hof van Cassatie van 15.12.2006 betreffende art. 807 van het Gerechtelijk Wetboek (13) en dat stelt dat : "De belastingplichtige die een aanslag betwist en die in de loop van het geding, behalve de ontheffing ook de vernietiging ervan vraagt wegens een onregelmatigheid in de vestigingsprocedure, steunt de uitbreiding van zijn vordering op een akte die bij de inleiding van het geding is aangevoerd, zodat een dergelijke eisuitbreiding toelaatbaar is.".
(13) Artikel 807, Ger.W bepaalt dat "Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is."
8. Artikel 750, Ger.W
52. Als gevolg van de nieuwe bepalingen in artikel 747, § 2, Ger.W, oordeelde de wetgever dat artikel 750, Ger.W overbodig was en heeft het dan ook opgeheven (14).
(14) Artikel 750, § 2 voorzag volgende procedure :
"Indien alle partijen conclusies hebben neergelegd, richt, bij gebreke van overeenstemming tussen hen, en na verloop van de termijn bepaald bij artikel 747, § 1, derde lid, de meest gerede partij een verzoek tot bepaling van de rechtsdag aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak is toegewezen; dit verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er partijen zijn. Bij het verzoekschrift wordt een afschrift van de brief gevoegd waarbij aan de andere partijen of, in voorkomend geval, aan hun advocaten is voorgesteld op gezamenlijk verzoek de rechtsdag bedoeld in § 1, te laten bepalen. Het wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen in kennis gebracht en in voorkomend geval bij gewone brief aan hun advocaten.
De andere partijen kunnen binnen vijftien dagen na de verzending van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze, hun opmerkingen aan de voorzitter of aan de door hem aangewezen rechter doen toekomen. In dat geval wordt door de voorzitter gehandeld overeenkomstig artikel 747, § 2, vierde tot zesde lid.
Bij ontstentenis van reactie van de andere partijen op het door de meest gerede partij neergelegde verzoekschrift wordt de rechtsdag door de voorzitter bepaald. De griffier brengt deze ter kennis van de partijen bij gewone brief aan hun advocaten. Heeft een partij geen advocaat, dan verwittigt de griffier hem rechtstreeks bij gerechtsbrief.".
53. Het nieuw artikel 750, Ger.W, zoals gewijzigd door artikel 13 van de wet, luidt voortaan als volgt :
"Art. 750. Onverminderd de toepassing van artikel 747, wordt de rechtsdag bepaald op gezamenlijk verzoek van de partijen.
Het verzoek wordt gericht aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak werd toegewezen en ter griffie neergelegd, gelijktijdig met of na de neerlegging van de conclusies van de partijen.
De griffier brengt, bij gewone brief, de rechtsdag ter kennis van de partijen en hun advocaten."
54. In het geval er geen akkoord bestaat tussen de partijen, kan men voortaan een beroep doen op de procedure voorzien in art. 747, § 2, Ger.W opdat een pleitdatum kan worden vastgelegd. Een eenvoudige vraag tot instaatstelling van de zaak moet per gewone brief gericht worden aan de griffie. De termijn van één maand om de partijen toe te laten hun opmerkingen te bezorgen aan de griffie en deze van 6 weken waarbinnen de rechter dient te beslissen over het tijdsverloop van de rechtspleging, begint pas te lopen vanaf het ogenblik dat de griffie alle partijen in kennis heeft gesteld van dit verzoek.
55. Wanneer daarentegen wel een akkoord werd bereikt tussen de partijen, is een gezamenlijk verzoek tot vaststelling van een rechtsdag overeenkomstig artikel 750, § 1, Ger.W nog altijd mogelijk.
De nieuwigheid bestaat in het feit dat aan het verzoek tot vaststelling van rechtsdag verplicht de conclusies van de partijen moeten worden toegevoegd, tenzij deze reeds voorafgaandelijk ter griffie werden neergelegd.
Deze wijziging heeft tot doel om de huidige misbruiken te vermijden waarbij bepaalde partijen bij de inleiding van de zaak reeds de onmiddellijke vaststelling van de pleitzitting vragen terwijl er voorafgaandelijk nog geen conclusies werden uitgewisseld met de tegenpartij en de zaak nog niet in staat was om gepleit te worden.
9. Artikelen 751 en 753 van het Gerechtelijk Wetboek
56. Deze twee artikelen die het mogelijk maakten de zaak op een wettelijke wijze in staat te stellen (geacht op tegenspraak), ofwel op een algemene wijze (art. 751), ofwel in geval van onsplitsbaar geschil (art. 753) zijn opgeheven door artikel 14 van de wet.
Het principe was dat de meest gerede partij eenzijdig de vaststelling van de zaak kon vragen. Zij moest de andere partij verwittigen van de plaats, de dag en het uur waarop het vonnis zou worden gevorderd, met de mededeling dat dit vonnis zelfs bij haar afwezigheid, een vonnis op tegenspraak zou zijn. De verwittigde partij beschikte over een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving om haar conclusies neer te leggen ter griffie. Wanneer die partij niet concludeerde binnen deze termijn, kon de andere partij op de rechtsdag een vonnis verkrijgen dat geacht werd op tegenspraak te zijn gewezen (15).
(15) Circulaire nr. Ci.RH.863/530.827 dd. 18.9.2000, nr. 177
Thans bestaat nog enkel de gerechtelijke instaatstelling en de instaatstelling met onderlinge overeenstemming.
10. Neerlegging van de stukken
57. Artikel 16 van de wet voert artikel 756 van het Gerechtelijk Wetboek (opgeheven met de wet van 3 augustus 1992) opnieuw als volgt in :
"Art. 756. In de zaken waarvoor de rechtsdag is bepaald overeenkomstig de artikelen 747 en 750 en onverminderd afwijkingen of andere regelingen omschreven in de beschikking van in staat stellen van de zaak, in de beschikking van bepaling van de rechtsdag, in het bericht van verdaging of in het bericht van bepaling van de rechtsdag, worden de stukken ter griffie neergelegd ten minste vijftien dagen voor de rechtsdag bepaald voor de pleidooien."
58. Deze bepaling beoogt om, in de mate van het mogelijke, een interactief debat tussen rechter en partijen te bevorderen. De rechter neemt immers kennis van de conclusies en de stukken vóór de pleidooien, ongeacht de wijze van in staat stellen (gerechtelijke of met onderlinge overeenstemming).
Uit de voorbereidende werken blijkt dat de kennisname van de conclusies essentieel is voor een goede voorbereiding van de zitting, terwijl die vereiste soms van minder belang is voor de integrale en voorafgaandelijke kennisname van het dossier (Voorbereidende werken : Parl. Doc. 51K2811/001 blz. 20).
Er moet rekening worden gehouden met een aantal ongemakken verbonden aan omvangrijke dossiers : noodzaak voor de partij of zijn advocaat om stukken te kopiëren voor de voorbereiding van de zitting, de verplaatsing voor de neerlegging en de moeilijkheden bij het bewaren van de dossiers.
In dat geval kan op vraag van de partijen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag geheel of gedeeltelijk afwijken van deze regel of andere modaliteiten voorzien.
Bovendien is er in geen uitdrukkelijke sanctie voorzien voor het geval dat de stukken werden neergelegd na het verstrijken van de termijn. Het is echter aangewezen om die verplichting na te leven.
59. De nieuwe verplichting van neerlegging uiterlijk 15 dagen voor de pleitzitting, heeft enkel betrekking op de mededeling ervan aan de rechter.
Merk op dat de artikelen 736 tot 740 Ger.W betreffende de mededeling van de stukken tussen de partijen, nog steeds van toepassing zijn.
Overeenkomstig die bepalingen moeten de partijen steeds, op gevaar dat zij worden geweerd uit de debatten (of dat de uitspraak wordt opgeschort), elkaar de stukken mededelen :
- vóór hun gebruik;
- uiterlijk samen met hun conclusies.
In elk geval worden de stukken die werden neergelegd na de neerlegging van de conclusies, ambtshalve uit de debatten geweerd. De rechter mag er geen rekening mee houden, behalve met akkoord van de partijen (art. 740, Ger.W).
Zelfs zo de nieuwe wet geen uitdrukkelijke sanctie bevat wanneer de tegenpartij stukken neerlegt buiten de termijn van 15 dagen voorzien in artikel 756, Ger.W of deze niet mededeelt, moet aan de rechter gevraagd worden om ze uit de debatten te weren.
60. De richtlijnen opgenomen in de nrs. 164 tot 168 van de circulaire van 18.9.2000, nr. Ci.RH. 863/530.827 blijven van toepassing.
Ter herinnering, de administratie heeft beslist om automatisch een kopie van het dossier aan de departementsadvocaat te bezorgen, en dit uiterlijk binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de inleidende akteen uiterlijk wanneer de samenvattende nota is opgemaakt, een kopie van het dossier neer te leggen ter griffie samen met die nota.
61. Wanneer het protocol van 5 mei 2003 tussen de FOD Financiën en de Orde van Franstalige en Duitstalige balies van toepassing is, moet er eveneens rekening worden gehouden met artikel 6 van dit protocol. Dat artikel bepaalt dat "de administratie deelt het volledige administratief dossier mede door toezending van een kopie aan het kabinet van de advocaat, uiterlijk binnen twee maanden na de vraag" (circulaire van 18.12.2003, nr. Ci.RH.863/557.192 (16)).
(16) Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het reglement van de Orde van Franstalige en Duitstalige balies van 11 juni 2007 betreffende het gedrag van de advocaten in de procedures (B.S. 10.7.2007, p. 37756, J.T. 2007, p. 565). In principe bepaalt dit reglement enkel de betrekkingen tussen advocaten. Er is evenwel ook voorzien dat een aantal artikelen toepasselijk zijn voor de advocaat wanneer de andere partij in persoon verschijnt, dus in het geval dat een ambtenaar verschijnt overeenkomstig art. 379, WIB 92 (art. 19 van het reglement).
Zo worden de artikelen 6, 7 en 8 van het reglement (bepalingen betreffende de mededeling van stukken) toepasselijk in geval van verschijning in persoon (eigen vertaling) :
"Art. 6 : De advocaat zendt aan de raadslieden van de andere partijen een kopie van alle proceduregeschriften, daarbij inbegrepen de nota's en memories, de stukken en de eventuele annotaties, evenals de niet gepubliceerde rechtspraak.
"Art. 7 : De mededeling van de stukken onder advocaten kan slechts uitsluitend aan de griffie gebeuren wanneer dit verantwoord is door bijzondere omstandigheden, eigen aan het dossier en met kennisgeving aan de tegenpartij."
"Art. 8 : De advocaat deelt zonder uitstel de verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer mee waarvan hij kennis neemt na mededeling van de proceduregeschriften en waarvan hij gebruik wenst te maken. Hij sluit zich aan bij de aanvraag om de zaak (weer) voort te zetten wanneer de laattijdige voorlegging van de rechtspraak of rechtsleer rechtvaardigt dat de advocaat van tegenpartij er op antwoordt, zelfs mondeling.
11. Ontbreken of ambtshalve weren van conclusies : geen pleitverbod
62. Artikel 17 van de wet voegt een nieuw artikel 756bis toe aan het Gerechtelijk Wetboek :
"Art. 756bis. Onverminderd de in artikel 735, § 3, bedoelde regels betekent het ontbreken of het ambtshalve weren van de conclusies geen verbod tot pleiten. Dat pleidooi geldt niet als conclusie.
Na dat pleidooi kan de tegenpartij antwoordconclusies indienen. Daartoe zal de zaak van rechtswege op vijftien dagen in voortzetting worden gesteld, waarna ze zonder nieuwe debatten in beraad zal worden genomen. De rechter kan die termijn inkorten op verzoek van de partij die op grond van dit lid conclusies mag indienen."
63. De vraag of een partij nog kan pleiten wanneer zijn conclusies of stukken ambtshalve werden geweerd, is hiermee opgelost. Zelfs wanneer de conclusies of stukken ambtshalve werden geweigerd, kan de betrokken partij nog steeds pleiten.
De wet stelt evenwel dat die pleidooien niet gelden als conclusies. Dat betekent dat een verzoek niet op die wijze kan worden ingeleid (het debat niet afwenden) en dat de rechter niet kan worden verplicht te antwoorden op de middelen die niet regelmatig in conclusies werden opgenomen.
64. Om het tegensprekelijk karakter van de procedure te handhaven, is er bovendien voorzien dat de andere partij het recht heeft schriftelijk te antwoorden op de mondeling naar voor gebrachte argumenten.
Aangezien het niet duidelijk is of de rechter al dan niet ambtshalve de andere partij de mogelijkheid zal geven om te antwoorden, wordt aangeraden om, wanneer men zich in die situatie bevindt, op de pleitzitting te vragen nog antwoordconclusies te mogen opmaken krachtens dit artikel. Wanneer een partij schriftelijk wenst te antwoorden, moet hij dit melden aan het einde van de zitting.
12. Interactief debat
65. Een nieuw artikel 756ter werd ingevoerd door artikel 18 van de wet :
"Art. 756ter. Tijdens dan wel vóór de pleitzitting kan de rechter voorstellen om de pleidooien te vervangen door een interactief debat. Indien de partijen daarmee instemmen, leidt de rechter het debat, waarbij hij de mogelijkheid heeft de partijen te oriënteren naar aangelegenheden die hij relevant vindt en die van aard zijn hem opheldering te verschaffen. Tijdens dat debat mogen de partijen vragen stellen die niet door de rechter zijn opgeworpen, op voorwaarde dat deze hetzij in hun geschriften werden aangevoerd, hetzij gekoppeld zijn aan de toepassing van artikel 735 hetzij betrekking hebben op een onregelmatigheid die de procedure van instaatstelling aantast. Indien een partij er zich tegen verzet dat de pleidooien door een interactief debat worden vervangen, kan het debat desondanks na de pleidooien plaatsvinden."
66. Met het idee van een actieve rechter voor ogen, geeft dit artikel de mogelijkheid aan de rechter om voor te stellen de pleidooien te vervangen door een actief debat.
Wanneer de partijen hier niet mee akkoord gaan, kan de rechter toch beslissen dit debat na de pleidooien te laten plaatsvinden.
In principe heeft de administratie geen enkele reden om zich te verzetten tegen een interactief debat. Het is dan ook wijselijk om een dergelijk debat voor te bereiden. Dit kan door de argumenten van de partijen naast elkaar te zetten onder de vorm van een vergelijkende tabel (zoals in de samenvattende nota).
13. Beslissing tot heropening van de debatten
67. Artikel 20 van de wet wijzigt art. 775 van het Gerechtelijk Wetboek als volgt :
"Art. 775. Indien de heropening van de debatten bevolen wordt, verzoekt de rechter de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen. In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord.
De partijen worden bij gerechtsbrief verwittigd en, in voorkomend geval, hun advocaten bij gewone brief.
In ieder geval is de beslissing gewezen na de heropening van de debatten op tegenspraak gewezen indien de beslissing van heropening zelf op tegenspraak gewezen is."
68. In dit artikel werd uitdrukkelijk toegevoegd dat in geval van heropening van de debatten, de rechter de termijnen bepaalt waarover de partijen beschikken om hun schriftelijke opmerkingen te laten kennen met betrekking tot het voorwerp vermeld in de beslissing tot heropening van de debatten.
Wanneer de schriftelijke opmerkingen buiten de termijn werden neergelegd, zullen deze worden geweerd door de rechter. Het is dan ook belangrijk dat deze opmerkingen worden neergelegd binnen de kalender die de rechter heeft vastgesteld.
69. Bovendien is de beslissing, gewezen na de heropening van de debatten, in ieder geval op tegenspraak gewezen indien de beslissing van de heropening zelf op tegenspraak gewezen is.
14. Boete in geval van misbruik van procedure
70. Artikel 22 van de wet voegt een nieuw artikel 780bis toe waarin een boete voor proceduremisbruik wordt voorzien :
"Art. 780bis.De partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden.
In dat geval, wordt in dezelfde beslissing daarover uitspraak gedaan voorzover schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding wordt gevorderd en toegekend. Indien zulks niet het geval is, worden de partijen verzocht toelichting te geven overeenkomstig artikel 775.
De Koning kan het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De boete wordt geïnd door de administratie van de Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
Dit artikel is niet van toepassing in strafzaken noch in tuchtzaken.".
71. Die boete is een nieuw drukkingsmiddel dat ingevoerd wordt in het Gerechtelijk Wetboek.
De parlementaire werkzaamheden vermelden dat het van belang is dat de zwaarste overtredingen worden bestraft. Als voorbeeld wordt een geval vermeld waar een partij, met het doel de procedure te vertragen, pas in zijn laatste conclusies een argument aanhaalt waarvan hij reeds kennis had sinds het begin van de procedure. Bovendien wordt ook verduidelijkt dat deze boete ook kan worden uitgesproken in dezelfde beslissing als een veroordeling tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding (Voorbereidende werken : Parl. Doc. 51K2811/005 blz. 66).
In principe zou dit artikel nooit toegepast moeten worden ten aanzien van de Belgische Staat aangezien niet kan aanvaard worden dat de administratie misbruik van de gerechtelijke procedure maakt voor om het even welke reden.
Deze bepaling is onmiddellijk van toepassing in elke stand van geding.
IV. PRAKTISCHE BEPALINGEN
Voorafgaande opmerkingen
72. De richtlijnen vervat in de circulaire CI.RH.863/530.827 van 18.9.2000, evenals deze in de instructie van 10.10.2006, nr. Ci.RH.863/580.312 blijven van toepassing in de mate dat de nieuwe wet en deze circulaire hieraan geen wijzigingen brengt.
Het akkoordprotocol van 5.5.2003 tussen de Federale Overheidsdienst Financiën en de Orde van Frans- en Duitstalige balies in geval van vertegenwoordiging van de Staat voor het gerecht door een ambtenaar ("het protocol") werd niet gewijzigd en blijft dus van toepassing (zie Circulaire van 18.12.2003, Ci. RH.863/557.192 (AOIF 34/2003), Bull. Nr. 843, blz. 3226-3265).
Daarnaast is op 1.9.2007 een reglement van 11.6.2007 van de Orde van Frans- en Duitstalige balies in werking getreden met betrekking tot de deontologie van de advocaten in de procedures (BS van 10.7.2007; JT 2007, blz. 565).
Dit reglement bevat een geheel van bepalingen bedoeld om de regels te laten gelden die tussen advocaten onderling van toepassing zijn. Krachtens artikel 19 van dit reglement, zijn een aantal bepalingen ook van toepassing telkens wanneer de advocaat vaststelt dat de tegenpartij in persoon verschijnt. De bedoelde artikelen zijn dus van toepassing voor de advocaten van de belastingplichtige wanneer de Staat wordt vertegenwoordigd door een ambtenaar overeenkomstig artikel 379, WIB 92. Het gaat om volgende bepalingen :
- artikel 6, 7 en 8 met betrekking tot de mededeling van procedureakten, nota's en stukken en verwijzing naar rechtsleer en rechtspraak (zie voetnoot 16);
- artikel 10 betreffende de procedurekalender (zie hierna, voetnoten 17 en 21);
- artikel 12 met betrekking tot het gevolg te geven aan de vraag tot vaststelling van een rechtsdag (zie hierna voetnoot 19);
- artikel 13, 2° lid betreffende de vragen tot uitstel (zie hierna, voetnoot 20).
Rechtbank van eerste aanleg
Ontvangst van de gedinginleidende akte en voorbereiding van de inleidingszitting
73. Gelet op de bepalingen voor de gerechtelijke instaatstelling van het geschil die in elk geval een eerste onderzoek van het geschil noodzaken vanaf de ontvangst van het verzoekschrift of de dagvaarding, is het aangewezen dat het orderbureau zich dan ook beperkt, behalve in een aantal uitzonderingen, tot volgende taken :
- scannen van de gedinginleidende akte waardoor de gerechtelijke fase wordt gestart in de workflow geschillen;
- invoeren van de gegevens in de stap "Ontvangst inleidende akte". Wanneer de geschillen gecreëerd worden in de gerechtelijke fase (dus niet voorafgegaan door de administratieve fase in de workflow) moet men er op letten dat de gegevens van de taxatiedienst en het ontvangkantoor juist worden ingevuld. Na het afsluiten van deze stap kunnen deze immers niet meer gewijzigd worden;
- inlichtingenfiche opmaken voor de verschillende betrokken diensten (voornamelijk het ontvangkantoor).
Vervolgens moet het geschil onverwijld door de verantwoordelijke gerechtelijke geschillen worden toegewezen aan een ambtenaar van de cel gerechtelijke geschillen of van de afdeling V van het CC (in de stap "voorbereidend onderzoek inleidende akte"). Deze zal het standpunt van de administratie bepalen met betrekking tot de instaatstelling van het geschil en maakt de documenten op met het oog op de voorbereiding van de inleidingszitting.
Wanneer de verantwoordelijke gerechtelijke geschillen zelf de taken met betrekking tot het voorbereidend onderzoek van de inleidende akte op zich neemt, dan kan hij het geschil in de stap "toewijzing" houden tot de dag van de inleidende zitting.
Als het geschil pas in de gerechtelijke fase wordt gecreëerd, stelt het orderbureau het dossier van de administratieve geschillenprocedure door middel van scanning samen, gelijktijdig met het voorbereidend onderzoek door de verantwoordelijke of door de ambtenaar van de cel gerechtelijke geschillen of de afdeling V.
74. Bij de voorbereiding van de inleidingszitting (dat aangevat wordt vanaf de ontvangst van de inleidende akte) moet :
- in eerste instantie nagegaan worden of de zaak niet onder de toepassing van art. 735, § 2, nieuw Ger.W valt (ambtshalve korte debatten behalve bij akkoord van partijen, zie hoger nrs. 27 tot 30). Wanneer dit niet het geval is, moet worden onderzocht of de zaak naar de rol kan worden verwezen met akkoord van de tegenpartij (artikel 747, § 2, 2° lid, Ger.W). Dit kan het geval zijn om volgende redenen :
* de omstandigheden eigen aan de zaak bvb. wanneer in de zaak bijzondere onderzoeksmaatregelen vereist zijn, of wanneer er nog samenhangende zaken zijn waarvoor de instaatstelling reeds is aangevat, enz…
* de eigenheden van de betrokken rechtbank. Het opmaken van een conclusiekalender is nutteloos wanneer de redelijk vastgestelde termijnen niet realiseerbaar zijn gelet op de overladen rol. Het is aangewezen om hieromtrent regelmatig de rechtbank te bevragen.
Wanneer het protocol toegepast wordt, kan die vraag gecombineerd worden met een schriftelijke verklaring van vertegenwoordiging in rechte die aan de rechtbank kan worden voorgelegd vóór de inleidingszitting (overeenkomstig artikel 729, Ger.W);
- in geval van niet akkoord of stilzwijgen van de tegenpartij, kan aan de rechtbank de opmerkingen met betrekking tot het in staat stellen worden medegedeeld overeenkomstig artikel 747, § 2, Ger.W.
Eerste hypothese : de zaak is beoogd in het artikel 735, § 2, Ger.W (ambtshalve korte debatten behoudens akkoord van de partijen)
75. In dat geval moet een bericht naar de tegenpartij worden gestuurd waarbij :
- wordt vermeld dat aangezien de vordering van de inleidende akte onder de toepassing van artikel 735, § 2, Ger.W valt, zij in principe zal worden behandeld op grond van de procedure voorgeschreven voor de korte debatten;
- de argumenten worden uiteengezet die door de Belgische Staat zullen worden aangevoerd bij de inleidende zitting of op een nabije datum;
- het eventuele akkoord van de Belgische Staat wordt gegeven om ondanks de aard van de vordering de zaak niet bij korte debatten te behandelen.
- Templates :
* Inleiding : Korte debatten (735, § 2, Ger.W) - Advocaat TP.
* Inleiding : Korte debatten (735, § 2, Ger.W) - Belastingplichtige zonder advocaat.
76. De argumentatie van de Belgische Staat kan eventueel ook ontwikkeld worden in conclusies die bij het vermelde bericht worden gevoegd.
Een kopie van de briefwisseling en van de eventuele conclusies moeten, vóór de inleidingszitting, naar de rechtbank worden gestuurd.
Wanneer het geding in korte debatten kan worden behandeld moet de ambtenaar die het dossier heeft voorbereid natuurlijk aanwezig zijn bij de inleidingszitting of op de nabije zitting.
Tweede hypothese : de zaak is niet van die aard dat ze kan worden behandeld in korte debatten en de eiser maakt geen enkele opmerking over de instaatstelling van het geding, noch in de gedinginleidende akte, noch in een schrijven verstuurd na de kennisgeving van de vordering of de betekening
Verzending naar de rol (art 747, § 2, 2e lid, Ger.W)
77. Wanneer men van oordeel is dat de zaak naar de rol moet worden verwezen, moet onverwijld een bericht naar de eiser of zijn advocaat worden verstuurd met het voorstel om in onderlinge overeenstemming af te wijken van de instaatstelling en om de verwijzing van de zaak naar de rol te verzoeken.
Templates en maatregelen te nemen bij de inleidingszitting :
- wanneer het protocol niet van toepassing is (advocaat van tegenpartij maakt deel uit van de Vlaamse orde van advocaten of de belastingplichtige handelt zonder advocaat) :
* "Inleiding : Verwijzing naar de rol (voorstel BS : verschijning ambtenaar) - Advocaat TP" of "Inleiding : Verwijzing naar de rol (voorstel BS : verschijning ambtenaar) - Bel. zonder advocaat".
* En, enkele dagen vóór de zitting (om de eventuele reactie van de tegenpartij af te wachten) : "Inleiding : Verwijzing naar de rol (verschijning ambtenaar) - Voorzitter rechtbank".
* Zelfs bij uitdrukkelijk akkoord van de tegenpartij moet de Staat op de inleidingszitting worden vertegenwoordigd waarbij best alle zaken die op dezelfde dag zijn vastgesteld aan één ambtenaar van de betrokken dienst worden toevertrouwd.
* Indien de tegenpartij vóór de inleidingszitting niets laat horen moet men aandachtig blijven voor de omstandigheid dat de tegenpartij ter zitting haar opmerkingen over de instaatstelling bezorgt. Wanneer de tegenpartij op dat ogenblik een kalender voor instaatstelling voorstelt, moet alvorens zijn akkoord te geven dat voorstel worden onderzocht en eventueel een minder "strikte" kalender voor de Belgische Staat worden voorgesteld.
- Wanneer het protocol van toepassing is :
* "Inleiding : Verwijzing naar de rol (voorstel BS : schriftelijke verschijning) - Advocaat TP".
* En, bij akkoord van tegenpartij : "Inleiding : Verwijzing naar de rol (schriftelijke verschijning) - Voorzitter rechtbank".
* Opgelet : ingevolge de nieuwe wet moet aan de rechtbank slechts een schriftelijke verklaring van optreden en dus van vrijstelling van persoonlijke verschijning worden toegestuurd in de veronderstelling van een uitdrukkelijk akkoord van de advocaat van de tegenpartij.
* Bij stilzwijgen van de tegenpartij, het document "Inleiding : Verwijzing naar de rol (verschijning ambtenaar) - Voorzitter rechtbank" naar de rechtbank sturen en aanwezig zijn op de inleidingszitting (zie hoger).
Bij langdurig stilzwijgen van de tegenpartij vóór de inleidingszitting en wanneer geen akkoord tussen de partijen bereikt wordt bij de zitting, noch wat betreft de verwijzing naar de rol, noch wat betreft de opstelling van de conclusietermijnen, moeten opmerkingen over de instaatstelling aan de rechter worden toegezonden binnen de termijn bepaald in artikel 747, § 2, Ger.W opdat deze er eventueel rekening mee zou houden bij de bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging.
Template : "Inleiding : Opmerkingen instaatstelling - Voorzitter rechtbank".
78. Wanneer de tegenpartij niet akkoord gaat met de verwijzing naar de rol en een kalender van instaatstelling voorstelt : zie nr. 86 en volgende, hierna.
Kalender van instaatstelling aan de rechter voor te stellen bij de inleidingszitting (art. 747, § 1, Ger.W)
79. Wanneer de zaak niet naar de rol moet worden verzonden, en wanneer dit bij de rechtbank wordt toegelaten, moet het nodige worden gedaan om met de tegenpartij conclusietermijnen af te spreken en indien mogelijk dat akkoord naar de rechtbank te sturen vóór de inleidingszitting.
In dat opzicht is het wenselijk contact op te nemen met de griffie om de vroegste datum te kennen waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.
Daarna moet naar de tegenpartij worden geschreven en zo ruim mogelijk conclusietermijnen worden voorgesteld, rekening houdend met de mogelijke rechtsdag zoals medegedeeld door de griffie. Zo mogelijk moet 3 maanden worden voorgesteld voor de hoofdconclusies van beide partijen, twee maanden voor de aanvullende conclusies van beide partijen en één maand voor de eindconclusies (syntheseconclusies) van de Belgische Staat. Die termijnen zijn eventueel in te korten rekening houdend met de mogelijkheid van de nabije pleitzitting.
Opgelet : thans moeten uiterste data worden vermeld en geen termijnen meer. In principe moet worden nagekeken of de voorgestelde data niet op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag vallen. Er kan ook een clausule worden ingevoegd waarbij in dat geval de termijn wordt verlengd tot de volgende werkdag.
Het verdient aanbeveling de duur van de pleidooien van elke partij te ramen.
Het wordt aangeraden zich vooraf tot de griffie te richten om te weten of deze een typeformulier van proces-verbaal op punt heeft gesteld betreffende de conclusietermijnen gekoppeld aan een voorstel van beschikking die ter zitting dient te worden ondertekend door de griffier en de voorzitter van de rechtbank. Indien dat het geval is moet dat (ingevuld) document vooraf aan de tegenpartij worden gezonden voor akkoord en ondertekening, of worden voorgesteld op de inleidingszitting.
80. Templates :
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging (voorstel BS) - Advocaat TP";
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging (voorstel BS) - Bel. zonder advocaat".
81. Wanneer de tegenpartij akkoord gaat met de conclusietermijnen voorgesteld door de Belgische Staat (17) en wanneer het ondertekende typedocument of het akkoord van de tegenpartij vroeg genoeg voor de inleidingszitting in het bezit is van de administratie, verzet niets er zich tegen dat het akkoord van de partijen over de conclusietermijnen zou worden meegedeeld aan de rechtbank door middel van een schriftelijke verklaring (artikel 729, Ger.W) nu de Staat overeenkomstig het protocol niet fysiek verschijnt op de inleidingszitting.
(17) Krachtens artikel 10, 1e lid van het reglement van 10 juni 2007 betreffende de houding van de advocaten in de procedure van toepassing op de advocaat van de tegenpartij wanneer de Belgische Staat wordt vertegenwoordigd door een ambtenaar, mag overeenkomstig artikel 19 van dat reglement "de advocaat zich niet zonder ernstig motief op de inleidingszitting of later verzetten tegen een vraag tot minnelijke regeling van conclusietermijnen."
Indien het protocol niet van toepassing is of wanneer de tijd ontbreekt om het akkoord van de partijen vóór de inleidingszitting aan de griffie mede te delen, moet men op de inleidingszitting verschijnen om aan de magistraat het akkoord van de partijen voor te leggen over het tijdsverloop van de rechtspleging. Ook in dat geval is het aangewezen alle zaken die op de inleidingszitting voorkomen aan één ambtenaar toe te vertrouwen.
82. Templates : "Inleiding : Kalender voor rechtspleging - Voorzitter rechtbank" (paragrafen te schrappen volgens omstandigheden).
83. In geval van formeel niet akkoord van de tegenpartij over de door de Belgische Staat voorgestelde kalender moeten onverwijld aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, met kopie aan de tegenpartij, de opmerkingen van de Belgische Staat over de instaatstelling worden bezorgd, overeenkomstig artikel 747, § 2, 1e lid, Ger.W.
Templates : "Inleiding : Opmerkingen instaatstelling - Voorzitter rechtbank".
Concreet gaat het er om :
- uiteen te zetten dat de partijen geen conclusietermijnen hebben kunnen overeenkomen overeenkomstig artikel 747, § 1, Ger.W aangezien de door de Staat voorgestelde kalender werd afgewezen door de eiser(s);
- als bijlage een kopie toe te voegen van de brief die aan de tegenpartij werd gericht met daarin de kalender voorgesteld door de administratie;
- de rechtbank te verzoeken de voormelde brief in aanmerking te nemen als opmerking over de instaatstelling overeenkomstig artikel 747, § 2, 1e lid, Ger.W.
In geval van formeel niet akkoord over de instaatstelling moet zelfs indien de rechter in die hypothese ambtshalve een kalender bepaalt, eventueel rekening houdend met de opmerkingen van de partijen binnen een maand na de inleidingszitting, de Belgische Staat op de zitting vertegenwoordigd zijn door de ambtenaar. Ook hier is een centralisatie van de zaken die op dezelfde dag voorkomen wenselijk.
84. Wanneer de tegenpartij in antwoord op de brief van de Belgische Staat voorstelt om gezamenlijk de verwijzing naar de rol te vragen, zie nr. 90, hierna.
85. In geval van langdurig stilzwijgen van de tegenpartij is het aangewezen de opmerkingen van de Belgische Staat betreffende de instaatstelling aan de rechtbank te bezorgen (Template : "Inleiding : Opmerkingen instaatstelling - Voorzitter rechtbank") en men moet aanwezig zijn op de zitting om, indien mogelijk, met de tegenpartij tot een akkoord te komen (door het ontbreken van briefwisseling voorafgaand aan de inleidingszitting moet de tegenpartij in principe verschijnen om verstek te vermijden).
Op te merken valt dat de tegenpartij haar verschijning op de inleidingszitting kan laten vaststellen onverminderd de mogelijkheid om haar opmerkingen over de instaatstelling te bezorgen binnen een maand na de inleidingszitting (toepassing van het artikel 747, § 2, 1elid, Ger.W). In dat verband is het nog mogelijk binnen die termijn tot een akkoord te komen over de instaatstelling en het aan de rechter voor te leggen. Deze is evenwel niet verplicht er rekening mee te houden. Indien geen akkoord wordt bereikt bij de inleidingszitting "bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend gevalhet akkoord van de partijen bekrachtigend".
De tegenpartij heeft die mogelijkheid niet. Zo inderdaad alles in het werk moet worden gesteld opdat het standpunt van de Belgische Staat over de instaatstelling uiterlijk vast zou staan bij de inleidingszitting, spreekt het vanzelf dat wanneer het niet mogelijk is om de opmerkingen van de Belgische Staat op de inleidingszitting te bezorgen, men zich het recht moet voorbehouden de opmerkingen aan de rechter te bezorgen binnen de termijn van één maand voorgeschreven in het artikel 747, § 2, Ger.W.
Derde hypothese : de eiser stelt in de gedinginleidende akte of in een geschrift verzonden na de kennisgeving van de vordering of de betekening, een kalender van instaatstelling voor
86. Vanaf de ontvangst van de vordering of het geschrift dat een kalender voorstelt, moet contact worden opgenomen met de griffie om de vroegste datum te kennen waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.
Nadien moet worden onderzocht of de kalender die de tegenpartij voorstelt geen te korte termijnen bevat en of het voorstel redelijk is rekening houdend met de door de griffie meegedeelde datum.
87. Het eventuele akkoord van de Belgische Staat wordt aan de tegenpartij ter kennis gebracht en daarbij wordt haar in voorkomend geval het ingevulde en ondertekende type-document van de griffie toegezonden.
Wanneer het protocol van toepassing is en wanneer de termijn vóór de zitting het toelaat, kan het akkoord van de partijen over het tijdsverloop van de rechtspleging bij gewone schriftelijke verklaring aan de griffie worden gericht (artikel 729, Ger.W) aangezien de Belgische Staat niet op de inleidingszitting verschijnt. In de andere gevallen moet een ambtenaar op de inleidingszitting verschijnen om het akkoord aan de rechter voor te leggen.
Templates :
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging (akkoord op voorstel TP) - Advocaat TP";
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging (akkoord op voorstel TP) - Bel. zonder advocaat";
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging - Voorzitter rechtbank" (paragrafen te schrappen rekening houdend met de omstandigheden).
88. Wanneer de Belgische Staat niet akkoord kan gaan met het voorgestelde tijdsverloop van de rechtspleging moet aan de tegenpartij een bericht worden gestuurd :
- met vermelding van de redenen waarom het voorgesteld tijdsverloop niet kan worden aanvaard: te kort tijdsverloop rekening houdend met de kenmerken van de zaak en/of gebrek aan samenhang met de door de griffie meegedeelde mogelijke rechtsdag;
- met vermelding van het door de Belgische Staat voorgestelde tijdsverloop, eventueel met het ingevulde document van de griffie;
- met het voorstel om standpunt in te nemen over het door de Belgische Staat voorgestelde tijdsverloop om, indien geen akkoord kan worden bereikt, overeenkomstig artikel 747, § 2, Ger.W, de opmerkingen van de Belgische Staat over de instaatstelling aan de rechtbank van eerste aanleg te kunnen mededelen.
Templates :
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging (niet-akkoord op voorstel TP) - Advocaat TP";
- "Inleiding : Kalender voor rechtspleging (niet-akkoord op voorstel TP) - Bel. zonder advocaat".
89. Wanneer de tegenpartij formeel niet akkoord gaat met het tegenvoorstel van de Belgische Staat of wanneer de tegenpartij niet reageert : zie nrs. 83 tot 85, hiervoor.
Vierde hypothese : de tegenpartij vraagt dat de zaak op de inleidende zitting (ofwel in de gedinginleidende akte, ofwel in een later geschrift) in onderlinge overeenstemming naar de rol zou worden verwezen
90. Behalve in eenvoudige zaken die geen uitvoerige argumentatie vereisen en zonder afbreuk te doen aan de zaken die het onderwerp kunnen vormen van korte debatten, neemt de Belgische Staat als regel aan zich niet te verzetten tegen het verzoek van tegenpartij om de zaak naar de rol te verwijzen. Wanneer de tegenpartij passief blijft bij de instaatstelling zal het steeds mogelijk zijn om op grond van artikel 747, § 2, 5e lid, Ger.W tot instaatstelling van de zaak te verzoeken.
Templates :
- "Inleiding : Verwijzing naar de rol (akkoord op voorstel TP) - Advocaat TP";
- Inleiding : Verwijzing naar de rol (akkoord op voorstel TP) - Bel. zonder advocaat";
- En "Inleiding : Verwijzing naar de rol (verschijning ambtenaar) - Voorzitter rechtbank" of "Inleiding : Verwijzing naar de rol (schriftelijke verschijning) - Voorzitter rechtbank" (als het protocol van toepassing is).
Geschillen toevertrouwd aan een departementsadvocaat
91. In de aanstellingsbrief van de departementsadvocaat ("Advocaat BS : Aanstelling : Schrijven aan advocaat") moet worden ingevuld :
- ofwel dat rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, de Belgische Staat geen opmerkingen maakt voor de verwijzingen naar de rol op grond van artikel 747, § 2, 2e lid, Ger.W;
- ofwel dat er moet worden op toegezien dat de kalender van de instaatstelling redelijke termijnen bevat, rekening houdend met de mogelijke datum van de pleitzitting.
Bepaling in geval van verwijzing naar een andere rechtbank
92. Wanneer de rechtbank de zaak naar een andere rechtbank verwijst zullen maatregelen moeten worden genomen voor de instaatstelling van de zaak voor de nieuwe rechtbank met het oog op de inleidingszitting bij die rechtbank : verzending naar de rol op gezamenlijk verzoek of onderling overeengekomen termijnen die aan de rechter worden voorgesteld (art. 747, § 1: "De partijen kunnen op de inleidingszitting en op elke latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken").
Instaatstelling
Met conclusietermijnen
93. Wanneer in de zaak een tijdsverloop van instaatstelling werd opgesteld, ofwel in onderling overleg (artikel 747, § 1, Ger.W) ofwel ambtshalve door de rechter (artikel 747, § 2, Ger.W), moeten de data voor neerlegging van de conclusie en de datum van de pleitzitting ingevoegd worden in de agenda van het geschil in de stap "In staat stellen".
Daarom is het nodig, in afwachting van een wijziging in het systeem workflow geschillen, in beide gevallenhet veld "Artikel 747, par. 2 - Tegenpartij"aan te vinken, zelfs als dit wanneer partijen een akkoord hebben bereikt over het tijdsverloop van de rechtspleging niet met de juridische werkelijkheid overeenkomt. Alleen het voormelde veld laat in de agenda een schema conclusietermijnen zien dat overeenstemt met de Belgische Staat als verweerder.
Het scherm betreffende de instaatstelling-REA bevat eveneens een veld "Datum kennisgeving" dat verplicht is bij de afsluiting van de stap. Wanneer het veld wordt ingevuld wordt door het systeem een opdracht "Art. 747 § 2- TP : Termijn voor opmerkingen" aangemaakt waardoor de termijn van 15 dagen na kennisgeving van de griffie, voorgeschreven door artikel 747, § 2, Ger.W (oud) begint te lopen. Die termijn stemt niet meer overeen met de voorschriften van de nieuwe wet. Om die opdracht in de agenda aan te zuiveren moet bijvoorbeeld de datum van inleidingszitting worden aangeduid, deze onmiddellijk aangevinkt als voltooid, en vervolgens moet "Verwijderd" worden aangeduid in de kolom "Commentaar".
94. Aangezien de artikelen 750, § 2 en 751, Ger.W werden opgeheven, kunnen de velden die met die artikelen overeenstemmen niet meer worden vervolledigd op gevaar af verkeerde informatie in het systeem in te voeren. De opdrachten reeds opgenomen in de agenda die voortspruiten uit de inwerkingtreding van de betrokken artikelen (en het artikel 747, oud, Ger.W) voorafgaand aan de 1e september 2007 en die nog niet uitgevoerd zijn, zullen in de agenda worden aangezuiverd bij hun voltooiing.
Zaken verwezen naar de rol
95. Wanneer een zaak bij de inleidingszitting naar de rol wordt verwezen, moet, wanneer de partijen hun conclusies hebben uitgewisseld, (uitdrukkelijke voorwaarde van artikel 750, nieuw, Ger.W) een gezamenlijk verzoek van de partijen met bepaling van de rechtsdag ter griffie worden neergelegd (18).
(18) Overeenkomstig artikel 12 van het voormelde reglement van 11 juni 2007 moet de advocaat van de tegenpartij in principe binnen de maand reageren op het verzoek van de ambtenaar om het gezamenlijk verzoek tot bepaling van de rechtsdag te ondertekenen.
Templates :
- "Instaatstelling : 750 Ger.W : Verzoekschrift vaststelling rechtsdag";
- "Instaatstelling : 750 Ger.W : Begeleidend schrijven - Advocaat TP";
- "Instaatstelling : 750 Ger.W : Begeleidend schrijven - Bel. zonder advocaat";
- "Instaatstelling : 750 Ger.W : Begeleidend schrijven - Voorzitter rechtbank".
Wanneer een gezamenlijk verzoek tot rechtsdagbepaling is ingediend, moet het veld "Art 750 - par 1 - Aangevoerd" worden aangevinkt en zodra de brief van de griffie is ontvangen met de bepaling van de rechtsdag moet de datum van de zitting in de agenda worden vermeld.
Daarenboven spreekt het vanzelf dat wanneer de partijen niet voornemens zijn te pleiten op de vastgestelde dag, alles in het werk moet worden gesteld opdat de rechter geen tijd zou verliezen met de voorbereiding van een zaak die niet op de zitdag zal voorkomen (19).
(19) Overeenkomstig artikel 13, 2e lid van het reglement van 11 juni 2007 dat van toepassing is op de advocaten van de belastingplichtigen wanneer de staat door een ambtenaar wordt vertegenwoordigd, licht de advocaat die om ernstige redenen verhinderd is om een zaak te pleiten hiervan onmiddellijk de rechtbank in en de advocaat (in dit geval de ambtenaar) waarvan hij weet dat die tussenkomt.
96. Wanneer de tegenpartij nalaat conclusies of aanvullende conclusies in te dienen, of wanneer zij niet antwoordt op een verzoek van de Belgische Staat tot gezamenlijke bepaling van een rechtsdag overeenkomstig het art. 750, nieuw, Ger.W, is het mogelijk om door middel van een gewoon schriftelijk verzoek aan de griffie om een instaatstelling te verzoeken, overeenkomstig artikel 747, § 2, 5° lid.
Alvorens die procedure te starten is het aangewezen de tegenpartij er van in kennis te stellen dat de Belgische Staat, indien zij de (aanvullende) conclusies van de tegenpartij of haar akkoord over een gezamenlijke bepaling van rechtsdag niet ontvangt, de instaatstelling zal vragen op grond van artikel 747, § 2, Ger.W.
Templates:
- "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Voorafgaand schrijven (verzoek tot conclusies) - Advocaat TP";
- "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Voorafgaand schrijven (verzoek tot conclusies) - Bel. zonder advocaat;
- "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Voorafgaand schrijven (vaststelling rechtsdag) - Advocaat TP";
- "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Voorafgaand schrijven (vaststelling rechtsdag) - Bel. zonder advocaat".
Vervolgens wordt in voorkomend geval een verzoek tot instaatstelling aan de griffie gericht waarbij wordt vermeld :
- ofwel dat hoewel de partijen hun conclusies hebben ingediend de tegenpartij nalaat te antwoorden op het verzoek van de Belgische staat tot bepaling van de rechtsdag en dat de Belgische Staat bijgevolg de vaststelling van een pleitzitting vraagt.
Template : "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Verzoekschrift instaatstelling (vaststelling rechtsdag)";
- ofwel dat hoewel de Belgische Staat zijn conclusies of eventuele aanvullende conclusies heeft ingediend (20), de tegenpartij nalaat conclusies in te dienen; dat de Belgische Staat verzoekt dat een conclusiekalender zou worden vastgesteld (de gewenste data vermelden) alsook de datum van de pleitzitting, rekening houdend met de duur van de pleidooien (duur te vermelden)
(20) Artikel 10, lid 2 en 3 van het voormelde reglement bepaalt dat de advocaat erop toeziet dat in de vraag tot rechtsdagbepaling of in de wettelijk voorziene opmerkingen, de gewenste duur van de pleidooien wordt vermeld ongeacht of er gehandeld wordt binnen het raam van de gezamenlijke of een ambtshalve vraag tot instaatstelling en dat na de verzending naar de rol de advocaat die de instaatstelling vraagt ze ook opvolgt.
Template : "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Verzoekschrift instaatstelling (kalender voor rechtspleging)".
In beide gevallen een kopie van de brief naar de tegenpartij zenden.
Templates :
- "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Verzoekschrift instaatstelling : Kennisgeving - Advocaat TP";
- "Instaatstelling : 747, par. 2 Ger.W : Verzoekschrift instaatstelling : Kennisgeving - Bel. zonder advocaat".
Bij terugkeer naar de instaatstelling moet eveneens het veld "Art. 747, par. 2 - Tegenpartij" (NIET het veld "Art. 747 par. 2 - Belgische Staat, dat niet overeenkomt met het schema waarin de Belgische Staat verweerder is) worden aangevinkt en moeten de data van de neerlegging van de conclusies en de pleitzitting worden ingevuld.
Opgelet : in die hypothese moet de agenda worden aangepast rekening houdend met de conclusies die reeds werden neergelegd voor de gerechtelijke instaatstelling en moeten de reeds uitgevoerde taken worden aangezuiverd.
97. Conclusies
- De eindconclusies moeten de vorm hebben van syntheseconclusies.
Template : "Instaatstelling : Conclusies : Aanvullende/Synthese (model)".
Hof van beroep
Inleiding
Zaken verdedigd door een departementsadvocaat
98. In de brief waarbij de departementsadvocaat wordt aangesteld moet worden vermeld :
- ofwel dat de Belgische Staat wenst dat de zaak naar de rol zou worden verwezen, rekening houdend met de eigenheid van de zaak;
- ofwel dat redelijke termijnen moeten worden voorgesteld of aanvaard, te weten, idealiter, 3 maanden voor de hoofdbesluiten van de beide partijen, 2 maanden voor de aanvullende besluiten van de partijen en één maand voor de syntheseconclusies van de Belgische Staat. Die termijnen moeten eventueel worden ingekort rekening houdend met een nabije rechtsdag.
Templates :
- "Inleiding : Hoger beroep BS : Aanstelling advocaat BS";
- "Inleiding : Hoger beroep BS : Aanstelling advocaat BS + verzoekschrift";
- "Inleiding : Hoger beroep BS : advocaat BS verderzetting";
- "Inleiding : Hoger beroep BS : advocaat BS verderzetting + verzoekschrift".
Zaken niet toevertrouwd aan een advocaat
99. Wanneer de centrale diensten van oordeel zijn dat het geschil kan worden behartigd door de cel gerechtelijke geschillen of de afdeling V van het controlecentrum en geen advocaat moet worden aangewezen, moet het dossier onverwijld naar de cel worden gestuurd zodat de zaken betreffende de inleidingszitting correct zouden kunnen worden uitgevoerd.
In die hypothese moet, volgens de eigenheid van de zaak en de houding van de tegenpartij, worden gehandeld zoals beschreven voor de voorbereiding van de inleidingszitting bij de rechtbank van eerste aanleg.
De templates begrepen in het systeem volgen, mutatis mutandis, hetzelfde stramien als bij de rechtbank van eerste aanleg.
Instaatstelling
Met conclusietermijnen
100. Wanneer in de zaak termijnen voor instaatstelling werden bepaald, ofwel in onderling akkoord (artikel 747, § 1, Ger.W), ofwel ambtshalve door de rechter (artikel 747, § 2, Ger.W), moeten de data van neerlegging van de conclusies en de datum van de pleitzitting aangeduid worden in de agenda van het geschil, in de stap "Instaatstelling Hoger Beroep".
In afwachting van een aanpassing van het systeem moet in alle gevallen het veld "Art. 747 par 2 - Belgische Staat" of "Art. 747 par 2 - Tegenpartij" worden aangevinkt, naargelang de Belgische Staat appellant of geïntimideerde is, zelfs als dit niet overeenstemt met de juridische werkelijkheid wanneer de partijen akkoord gaan met de termijnen van rechtspleging. De volgorde van de uitwisseling van de conclusies zal bij gebrek verschijnen volgens het vereiste stramien.
Wanneer de Belgische Staat hoger beroep heeft ingesteld moet evenwel manueel een lijn "Syntheseconclusies TP" worden toegevoegd, aangezien de tegenpartij als geïntimeerde het recht heeft als laatste te concluderen.
Wanneer de tegenpartij hoger beroep heeft ingesteld is het gebruik van het veld "Datum van kennisgeving" verplicht bij afsluiting van de stap. Wanneer het veld wordt ingevuld creëert het systeem een opdracht "Art. 747§2-TP : Termijn opmerkingen" die overeenstemt met een termijn van 15 dagen na de kennisgeving van de griffie, bepaald in het oude artikel 747, § 2, Ger.W. Die termijn stemt niet meer overeen met de nieuwe wettelijke bepalingen. Om die zaak in de agenda aan te zuiveren moet bijvoorbeeld de datum van de inleidingszitting worden vermeld, die datum onmiddellijk worden aangevinkt als voltooid en vervolgens moet "Vernietigd" worden vermeld in de kolom "Commentaar".
Zaak verwezen naar de rol
Art. 750, nieuw, Ger.W : zie nr. 95, hiervoor.
Art. 747, § 2, lid 5, Ger.W.
101. Ook voor het hof van beroep kan een partij het geschil laten terugkomen in het schema van gerechtelijke instaatstelling wanneer een partij wacht om haar conclusies neer te leggen of wanneer ze weigert een gezamenlijke vraag tot bepaling van de rechtsdag te ondertekenen.
Ongeacht de partij die het initiatief van die maatregel heeft genomen moet het veld "Art. 747, par. 2 - Belgische Staat"worden aangevinkt wanneer de Belgische Staat hoger beroep heeft ingesteld of "Art. 747, par. 2 - Tegenpartij" wanneer de tegenpartij hoger beroep heeft ingesteld en moeten de data van neerlegging van de conclusies en de zitdag worden ingevuld rekening houdend met de beschikkingen van de rechter.
Opgelet : in die veronderstelling moet de agenda worden aangepast rekening houdend met wat reeds als conclusies is neergelegd voor de rechterlijke instaatstelling en moeten de reeds uitgevoerde taken worden aangezuiverd.
Inwerkingtreding
102. Art. 31 "Met uitzondering van de artikelen 4, 5, 19, 22, 25, 26, 27, 28 en 30 is deze wet in elke aanleg van toepassing op de zaken waarvoor op 1 september 2007 geen rechtsdag of geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld, of waarvoor geen enkel verzoek tot vaststelling werd ingediend. Om de latere instaatstelling en vaststelling van de rechtsdag wordt verzocht overeenkomstig de bepalingen van deze wet.".
103. Om de homogeniteit van de hangende procedures te vrijwaren is bepaald dat voor het essentiële deze wet in elke aanleg slechts van toepassing is op de zaken waarvoor op 1 september 2007 geen rechtsdag of geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld of waarvoor geen enkel verzoek tot vaststelling werd ingediend (de datum die in aanmerking moet worden genomen is de datum van ontvangst door de griffie of door de rechter voor het verzoek tot vaststelling).
Sommige artikelen (4, 5, 19, 22, 25, 26, 27, 28 en 30) zijn evenwel onmiddellijk van toepassing omwille van de onmiddellijke verbetering die zij geacht worden aan te brengen op de hangende procedures.
Zelfs indien de vaststelling en de instaatstelling gebeurden overeenkomstig de oude regels, zijn de nieuwe regels van toepassing indien de zaak opnieuw het voorwerp vormt van een nieuwe instaatstelling of vaststelling na 31.8.2007.
Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d.,
Marianne Balleux
Directeur, dienstchef
