Luxemburg - Circulaire Circ. 973 dd. 10.12.1973

Bulletin nr. 515, p. 190-232

Dubbelbelastingverdragen - Groothertogdom Luxemburg.

Onderrichtingen betreffende de toepassing van de Belgisch-Luxemburgse overeenkomst van 17 september 1970 tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar het inkomen en haar het vermogen, en van het Slotprotocol.

Circ. 973 van 10 december 1973.

KORTE INHOUD

I. Algemene beschouwingen.

A. Belangrijke data

B. Algemene kenmerken van de overeenkomst

II. Synoptische tabellen die op bondige wijze de regeling aangeven die in België van toepassing is op de verschillende categorieën van inkomsten

III. Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen

A. Bepaling van sommige in de overeenkomst gebruikte begrippen

1° Persoon en verblijfhouder

2° Belastingen

B. Belastingheffing naar de inkomsten en naar het vermogen.

1° Inkomsten van onroerende goederen

2° Ondernemingwinst

3° Meerwaarden uit de vervreemding van een deelneming

4° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat

1. Roerende inkomsten van Belgische afkomst verkregen door verblijfhouders van Luxemburg (geen holdingvennootschappen).

a) Dividenden

b) Interest

c) Royalty's

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's

2. Roerende inkomsten van Luxemburgse afkomst (niet toegekend door holdingvennootschappen) verkregen door verblijfhouders van België

a) Voorwaarden voor de beperking of vrijstelling van de Luxemburgse bronbelasting

b) Wijze waarop de vermindering of vrijstelling van de Luxemburgse bronbelasting wordt verleend.

c) Bovenmatig deel van interest en royalty's

5° Lonen en salarissen uit de particuliere sector

6° Beloningen van beheerders en commissarissen

7° Artiesten en sportbeoefenaars

8° Particuliere pensioenen en ander sociale uitkeringen

9° Beloningen en pensioenen uit de overheidssector

10° Leraren en studenten

11° Niet uitdrukkelijk vermelde inkomsten

12° Belastingheffing naar het vermogen

C. Vermijding van dubbele belasting in België

D. Vennoten van personenvennootschappen

E. Non-discriminatie (art. 24)

F. Regeling voor onderling overleg (art. 25)

G. Uitwisseling van inlichtingen (art. 26)

I. – ALGEMENE BESCHOUWINGEN.

A. Belangrijke data.

Ondertekening van de overeenkomst : 17.9.1970.

Goedkeuring : wet van 14.12.1972.

Uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden : 15.12.1972

Publicatie : Belgische Staatsblad van 27.1.1973

Inwerkingtreding : 30.12.1972 (art. 28, § 2).

Toepassing :

- in België :

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die normaal zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 1972;

b) op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die eindigen vanaf 31 december 1972.

- in Luxemburg :

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten welke aan de genieters met ingang van 1 januari 1972 zijn toegekend;

b) op de andere belastingen met betrekking tot de belastingjaren 1972 en volgende.

B. Algemene kenmerken van de overeenkomst.

De Belgisch-Luxemburgse overeenkomst van 17.9.1970 strekt er voornamelijk toe dubbele belasting inzake belasting naar het inkomen en naar het vermogen te vermijden en, in de tweede plaat, een wederzijdse administratieve bijstand voor de heffing van de belastingen in te stellen (art. 26). Zij voorziet echter niet in bijstand voor de invordering van de belastingen; deze kwestie is geregeld door de overeenkomst van 5.9.1952 tussen België, Nederland en Luxemburg nopens de wederkerige bijstand inzake invordering van belastingschulden (V. 934 – Circ. 831).

Daarnaast bevat de overeenkomst andere bepalingen betreffende verschillende aangelegenheden die gewoonlijk in dubbelbelastingverdragen worden geregeld. Een slotprotocol verduidelijkt de draagwijdte van sommige bepalingen.

De nieuwe overeenkomst vervangt de gelijkaardige overeenkomst van 9 maart 1931 (V. 321 – B. 70), gewijzigd door het aanvullend protocol van 7 februari 1952 (V. 857) en daarna bij wisseling van brieven van 9 en 11 maart 1965 (V. 1115 – B. 421) en van 16 november en 14 december 1965 (V. 1131 – B. 428), die sedert lang, ondermeer wegens het ontbreken van bepalingen betreffende roerende inkomsten, niet meer aan haar doel beantwoordde. Door de inwerkingtreding van deze nieuwe overeenkomst, houden de overeenkomst van 9 maart 1931, het protocol en de wisseling van brieven die haar hebben gewijzigd, alsmede de uitvoeringsbepalingen die het onderwerp uitmaken van de schikkingen van 22 juli 1938, 25 maart 1948 en 28 december 1949, op van toepassing te zijn (art. 28, § 3).

De hierna volgende onderrichtingen commentariëren de voornaamste bepalingen van de overeenkomst en herhalen de richtlijnen van onmiddellijk belang die in de gestencilde circ. van 11.5.1973, nr. Ci.R.9 Lux/264.471, werden verstrekt (1).

------

(1) B. juli 1973, nr. 509

II. – SYNOPTISCHE TABELLEN DIE OP BONDIGE WIJZE DE REGELING AANGEVEN DIE IN BELGIE VAN TOEPASSING IS OP DE VERSCHILLENDE CATEGORIEEN VAN INKOMSTEN

Inleidende opmerkingen.

1. Inkomsten van Belgische oorsprong die in België van belasting zijn vrijgesteld komen in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de B.N.V.-nat.pers., indien de genieter van de inkomsten zich in de bij art. 148 en 149, W.I.B. (2) bedoelde omstandigheden bevindt.

2. Evenzo komen de in België vrijgestelde inkomsten van Luxemburgse oorsprong in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de P.B. dat op de andere inkomsten van rijksinwoners van toepassing is (cf. Deel III, nr. 64).

3. De inkomsten van Luxemburgse oorsprong die van Luxemburgse belastingen zijn vrijgesteld en in België aan de P.B. of de Ven.B. zijn onderworpen, moeten deze belastingen tegen het volle tarief en volgens het algemeen recht ondergaan.

------

(2) De belastingheffing naar een minimuminkomen, gelijk aan tweemaal het kadastraal inkomen, is normaal niet van toepassing op verblijfhouders van Luxemburg die hier te lande over een woning beschikken (cf. Deel III, nr. 74).

REGELING IN BELGIE

Belgische inkomsten van verblijfhouders van Luxemburg

Luxemburgse inkomsten van verblijfhouders van België

A. Inkomsten van onroerende goederen (meerwaarden inbegrepen)

O.V. en eventueel B.N.V. volgens het gemeen recht (art. 6 en 13, § 1, ov.). Voor het aanslagjaar 1973, wordt de A.O.V. beperkt tot het deel van de -eventueel fictief berekende – B.N.V. dat op de Belgische onroerende inkomsten betrekking heeft (Prot. § 3-cf. Deel III, nr. 8).

Vrijstelling (art. 6, 13, § 1 en 23, § 2, 1°, ov.).

B. Roerende inkomsten (1)

1. Dividenden (2)

a) R.V. beperkt tot :

- 10 pct. van het brutobedrag van de dividenden indien de genieter een vennootschap is (met uitzondering van een burgerlijke vennootschap, een vennootschap onder gemeenschappelijke naam, een vennootschap bij wijze van geldschieting op aandelen en een samenwerkende vennootschap) die onmiddellijk ten minste 25 pct. van de aandelen van de uitdelende vennootschap bezit of die in deze laatste vennootschap een onmiddellijke deelneming heeft waarvan de aanschaffingsprijs ten minste 250 miljoen F bedraagt (art. 10, § 2, a, ov.). Deze beperking is eveneens van toepassing indien de dividenden worden toegekend aan verschillende vennootschappen die te zamen de vereiste minimumdeelneming in het kapitaal van de uitdelende vennootschap bezitten, op voorwaarde dat een van de verkrijgende vennootschappen meer dan de helft van het kapitaal van elk van de andere verkrijgende vennootschappen bezit (art. 10, § 2, ov. – cf. Deel III, nr. 17, a);

- 15 pct. van het brutobedrag in de andere gevallen (art. 10, § 2, b, ov.)

b) Gemeen recht echter indien de deelneming die de dividenden oplevert werkelijk verbonden is met een Belgische vaste inrichting van de genieter (art. 10, § 4, ov.)

- Gemeen recht maar, voor het aanslagjaar 1973, facultatieve vrijstelling van R.V. op Luxemburgse dividenden verkregen door Belgische vennootschappen (art. 23, § 2, 3° en 4°, ov. – cf. Deel III, nrs. 59 tot 62).

- vrijstelling indien de deelneming die de dividenden oplevert wezenlijk is verbonden met een Luxemburgse vaste inrichting van de genieter (art. 10, § 4 en art. 23, § 2, 1°, ov.)

2. Interest

a) Normale interest toegekend aan een onderneming :

Vrijstelling (zie evenwel c) hierna) van R.V. behalve indien het gaat om :

- interest van obligaties of andere effecten van leningen;

- om het even welke interest door een Belgische vennootschap betaald aan een Luxemburgse vennootschap die onmiddellijk of middellijk ten minste 25 pct. van de stemgerechtigde aandelen of delen van de eerste vennootschap bezit (art. 11, § 3, ov. – cf. Deel III, nr. 19).

b) Normale interest waarop de vrijstelling sub a) niet van toepassing is:

R.V. beperkt tot 15 pct. (zie evenwel sub c hierna) (art. 11, §§ 2 en 5, ov. – cf. Deel III, nr. 30).

c) Interest uit hoofde van leningen, schuldvorderingen of deposito's die wezenlijk zijn verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter : gemeen recht (art. 11, § 5, ov.)

d) Overdreven deel van interest : gemeen recht voor de toepassing van de P.B. en de Ven.B. (en eventueeel de B.N.V.) ten name van de schuldenaar (art. 11, § 7, ov. ) en geen beperking van de R.V.

a) Vrijstelling indien de lening, de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren wezenlijk zijn verbonden met een Luxemburgse vaste inrichting van de genieter (ar. 11, § 5, en art. 23, § 2, 1°, ov.)

b) Belastingheffing volgens het gemeen recht, met verrekening van het F.B.B., over :

- interest van obligaties of andere soortgelijke effecten die niet wezenlijk zijn verbonden met een Luxemburgse vaste inrichting van de genieter (art. 11, §§ 2 en 5, en art. 23, § 2, 2°, ov. – cf. Deel III, nr. 63).

- het overdreven deel van interest indien dit deel ten name van de genieter werkelijke aan de Luxemburgse belasting werd onderworpen (art. 11, § 7, en art. 23, § 2, 2°, ov.)

c) Belastingheffing tegen het volle tarief (geen F.B.B.) over :

- interest die door een Belgische onderneming wordt verkregen, behalve in de gevallen bedoeld sub a en b hierboven (art; 11, § 3, ov.)

- andere normale interest die niet voortkomt van obligaties of andere soortgelijke effecten en de Luxemburgse belasting niet heeft ondergaan, behalve in een geval als bedoeld sub a) hierboven (art. 11, § 2, en Luxemburgse wetgeving – cf. Deel III, nr. 30).

3. Royalty's (auteursrechten inbegrepen)

a) Algemene regel : vrijstelling

b) Gemeen recht indien het recht of goed dat de royalty's opbrengt wezenlijk is verbonden met een Belgisch vaste inrichting van de genieter (art. 12, § 3, ov.)

c) Overdreven deel van de royalty's : gemeen recht voor de toepassing van de P.B. en de Ven.B. (en eventueel de B.N.V.) ten name van de schuldenaar (art. 12, §§ 5 en 6, ov.) en geen beperking van de R.V.

a) Algemene regel : belastingheffing tegen het volle tarief : F.B.B. enkel voor het in Luxemburg belaste overdreven deel van de royalty's (art. 12, §§1, 5 en 6, ov. – cf. Deel III, nr. 63).

b) Vrijstelling indien het recht of het goed dat de royalty's oplevert wezenlijk is verbonden met een Luxemburgse vaste inrichting van de genieter (art. 12, § 3, en art. 23, § 2, 1°, ov.)

C. Bedrijfsinkomsten

1. Winsten uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal verkeer of van binnenschepen (met inbegrip van meerwaarden uit de vervreemding van die schepen, binnenschepen of luchtvaartuigen of van roerende zaken die voor de exploitatie daarvan worden gebezigd

Vrijstelling (o.m. van B.V.R.) wanneer de plaats van de werkelijk leiding van de onderneming in Luxemburg is gelegen (art. 8 en art. 13, § 2, lid 2, ov.)

Belastingheffing tegen het volle tarief van ondernemingen waarvan de plaats van werkelijke leiding in België is gelegen (art. 8 en art. 13, § 2, lid 2, ov.).

2. Handels- en nijverheidswinsten (met inbegrip van meerwaarden uit de vervreemding van roerende zaken en uit de globale vervreemding van een vaste inrichting)

Belastbaar voor zover zij aan een Belgische vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1, en art. 13, § 2, lid 1, ov.)

B.N.V.-ven. ten laste van Luxemburgse vennootschappen en verenigingen van personen :

- tarief verminderd tot 33,5 pct. in hoofdsom, voor het aanslagjaar 1973;

- tarief verminderd tot 44,9 pct. voor de aanslagjaren 1974 en volgende (cf. Deel III, nrs. 76 tot 78).

Vrijstelling van inkomsten die aan een Luxemburgse vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1, art. 13, § 2, lid 1, en art. 23, § 2, 1°, ov.)

3. Beloningen en pensioenen uit de overheidssector

a) Wedden en pensioenen door de Belgische Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijke gemeenschap daarvan betaald aan personen die geen onderdaan van Luxemburgse zijn of die terzelfder tijd onderdaan zijn van België en van Luxemburg, wegens diensten die niet zijn verricht in verband met enig handels-of nijverheidsbedrijf : belastingheffing volgens het gemeen recht (art. 19, §§ 1 en 2, ov. – cf. Deel III, nrs. 52 en 53).

b) Andere gevallen : cf. nrs. 4 en 5 hierna

a) Wedden en pensioenen door de Luxemburgse Staat, een staatkundige onderdeel of een plaatselijke gemeenschap daarvan betaald aan personen die geen onderdaan zijn van België of die terzelfder tijd onderdaan zijn van België en van Luxemburg, wegens diensten die niet zijn verricht in verband met enig handels-of nijverheidsbedrijf: vrijstelling in België (art. 19, §§1 en 2, ov.)

b) Andere gevallen : cf. nrs. 4 en 5 hierna)

4. Andere bezoldigingen

a) Voor in België uitgeoefende werkzaamheden, behalve in de hierna bedoelde gevallen: gemeen recht (art. 15, § 1, ov. – cf. Deel III, nrs. 39 en 40).

b) Voor tijdelijke in België uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een buitenlandse werkgever : vrijstelling indien de werkzaamheden gedurende niet meer dan 183 dagen in de loop van een kalenderjaar worden uitgeoefend en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Belgische vaste inrichting of vaste basis (art 15, § 2, ov.).

c) Bezoldigingen ter zake van een dienstbetrekking aan boord van een schip, een binnenschip of een luchtvaartuig in internationaal verkeer :

- gemeen recht indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in België is gelegen;

- vrijstelling indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in Luxemburg is gelegen (art. 15, § 3, ov.)

d) Bezoldigingen van leraren of andere leden van het onderwijzend personeel die gedurende ten hoogste twee jaar in België komen onderwijzen :

vrijstelling (art. 20, § 1, ov.)

a) Voor in Luxemburg uitgeoefende werkzaamheden, behalve in de hierna bedoelde gevallen: vrijstelling (art. 15, § 1, en 23, § 2, 1°, ov. – cf. Deel III, nrs. 39 en 40).

b) Voor tijdelijke in Luxemburg uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een werkgever die geen verblijfhouder van Luxemburg is : belastingheffing tegen het volle tarief indien de werkzaamheden gedurende niet meer dan 183 dagen in de loop van een kalenderjaar worden uitgeoefend en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Luxemburgse vaste inrichting of vaste basis (art. 15, § 2, ov.).

c) Bezoldigingen ter zake van een dienstbetrekking aan boord van een schip, een binnenschip of een luchtvaartuig in internationaal verkeer :

- vrijstelling indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in Luxemburg is gelegen

- belastingheffing tegen het volle tarief indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in België is gelegen (art. 15, § 3, ov.).

d) ) Bezoldigingen van leraren of andere leden van het onderwijzend personeel die gedurende ten hoogste twee jaar in Luxemburg komen onderwijzen : belastingheffing tegen het volle tarief (art. 20, § 1, ov.)

5. Andere personen dan bedoeld onder nr. 3

a) Wettelijke sociale pensioenen : gemeen recht (art. 18, § 2, ov.)

b) Andere pensioenen : vrijstelling (art. 18, § 1, ov. – cf. Deel III, nrs. 49 tot 51).

a) Wettelijke sociale pensioenen : vrijstelling (art. 18, § 2, 1°, ov.)

b) Andere pensioenen : belastingheffing tegen het volle tarief (art. 18, § 1, ov. – cf. Deel III, nrs. 49 tot 51).

6. Beloningen van beheerders en commissarissen van vennootschappen

Bezoldiging van het mandaat : belastingheffing volgens het gemeen recht (art. 16, ov.)

Normale beloningen die de betrokkenen in een andere hoedanigheid verkrijgen : art. 14 of 15, § 1, ov. naar het geval (cf. Deel III, nrs. 46 en 47).

Bezoldiging van het mandaat : vrijstelling (art. 16, ov.)

Normale beloningen die de betrokkenen in een andere hoedanigheid verkrijgen : art. 14 of 15, § 1, ov. naar het geval (cf. Deel III, nrs. 46 en 47).

7. Baten van vrije beroepen (meerwaarden inbegrepen)

Belastingheffing voor zover de baten kunnen worden toegerekend aan werkzaamheden door middel van een vaste basis in België (art. 14 en 13, § 2, lid 1, ov.).

Vrijstelling indien de baten kunnen worden toegerekend aan werkzaamheden door middel van een vaste basis in Luxemburg ; belastingheffing tegen het volle tarief in het andere geval (art. 14 en 13, § 2, lid 1, ov.).

8. Inkomsten van beroepsartiesten en sportbeoefenaars

Gemeen recht (art. 17, ov.)

Vrijstelling (art. 17 en 23, § 2, 1°, ov.).

D. Diversen

1. Niet sub A en C, 1, 2 of 7 bedoelde meerwaarden

Vrijstelling (art. 13, § 3, ov.).

Belastingheffing tegen het volle tarief volgens het gemeen recht (art. 13, § 3, ov.).

2. Toelagen aan studenten, leerlingen en stagiaires

Vrijstelling van toelagen die hun oorsprong niet in België hebben en toegekend worden aan studenten, leerlingen of stagiairs die uitsluitend voor hun onderwijs of opleiding in België verblijven (art. 20, § 2, ov.).

Gemeen recht voor toelagen van Belgische oorsprong toegekend aan studenten, leerlingen of stagiairs die uitsluitend voor hun onderwijs of opleiding in Luxemburg verblijven (art. 20, § 2, ov.).

3. Inkomstenbestanddelen die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld

Vrijstelling indien de inkomstenbestanddelen aan de Luxemburgse belasting zijn onderworpen; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 21, ov.).

Gemeen recht (art. 21, ov.)

III. - NADERE TOELICHTING EN WIJZE VAN UITVOERING VAN SOMMIGE BEPALINGEN.

A. Bepaling van sommige begrippen uit de overeenkomst.

1° Persoon en verblijfhouder.

1. Deze overeenkomst is in haar geheel van toepassing op natuurlijke personen en vennootschappen die, op grond van de nationale wetgeving van België en Luxemburg worden geacht verblijfhouder te zijn van een van deze Staten of van beide Staten (art. 1 en 4, § 1, ov.).

Het woord« vennootschap » dat in art. 3, § 1, 5°, ov. voorkomt (en het woord verblijfhouder dat in art. 4, § 1, ov.. voorkomt) omvat :

a) rechtspersonen (met inbegrip van de Belgische personenvennootschappen die al dan met de aanslag van hun winsten in de personenbelasting hebben gekozen);

b) andere lichamen zonder rechtspersoonlijkheid die in de Staat waarvan zij verblijfhouder zijn als een eenheid worden behandeld voor de heffing van de belastingen naar het inkomen of naar het vermogen;

c) vennootschappen onder gemeenschappelijke naam en vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting, alsmede de Luxemburgse burgerlijke vennootschappen die niet aan de voorwaarden sub a) of b) voldoen.

Ingevolge art. 1 van het slotprotocol, worden de voordelen van de overeenkomst aan Luxemburgse holdingvennootschappen geweigerd zowel voor de inkomsten die zij uit Belgische bronnen behalen als voor de inkomsten die zij aan verblijfhouders van België toekennen. De overeenkomst is ook niet van toepassing op het vermogen van Luxemburgse holdingvennootschappen, noch op de deelnemingen van een verblijfhouder van België in het kapitaal van die vennootschappen.

Deze uitsluiting is verantwoord wegens het bevoorrechte statuut dat holdingvennootschappen in Luxemburg bezitten voornamelijk ingevolge de Luxemburgse wet van 31 juli 1929 en de besluitwet van 27 december 1937.

2. Wanneer een persoon terzelfder tijd verblijfhouder is van België en van Luxemburg, moet zijn fiscale woonplaats voor de toepassing van de overeenkomst in een van de twee Staten worden gesitueerd volgens de hiernavolgende criteria :

a) voor een natuurlijke persoon gelden achtereenvolgens als criterium het duurzaam tehuis, het middelpunt van de levensbelangen, het gewoonlijk verblijf en de nationaliteit ; indien deze criteria geen uitsluitsel geven voor de situering van de fiscale woonplaats, wordt de zaak opgelost door onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van beide Staten (art. 4, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°) ; in een dergelijk geval past het langs hiërarchische weg omstandig verslag uit te brengen bij het Hoofdbestuur (Directie I/3) ;

b) voor een vennootschap wordt de fiscale woonplaats bepaald door de plaats van haar werkelijke leiding (art. 4, § 3, ov.) ;

c) voor ondernemingen van binnenvaart in internationaal verkeer, waarvan de plaats van werkelijke leiding zich aan boord van een schip bevindt, moet deze plaats worden gesitueerd in de Staat waarvan de enige of de voornaamste exploitant verblijfhouder is (art. 4, § 4, ov.).

Bijzondere gevallen van binnenschippers en van personeel aan boord van de internationaal verkeer geëxploiteerde binnenvaartschepen:

3. De in nr. 2 hiervoren vermelde criteria vinden geen toepassing voor de hierna volgende natuurlijke personen die als verblijfhouder van beide overeenkomstsluitende Staten worden beschouwd (art. 4, § 2, 4°, ov.) :

a) Personen die als loon- of weddetrekker op een in internationaal verkeer geëxploiteerd binnenvaartschip werkzaam zijn en hun enig duurzaam tehuis aan boord van dat schip hebben, worden geacht hun fiscale woonplaats te hebben in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming die dat schip exploiteert, is gelegen;

b) binnenschippers wier enig duurzaam tehuis zich aan boord van een door hen in internationaal verkeer geëxploiteerd schip bevindt, worden geacht hun fiscale woonplaats te hebben met de Staat waarvan zij onderdaan zijn; indien zij onderdaan van beide Staten zijn of van geen van beide regelen de bevoegde autoriteiten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming (art. 4, § 2, 5°, bov.); ter zake wordt op dezelfde wijze te werk gegaan als aangeduid sub 2, a), in fine hiervoren.

Personen die op grond van andere overeenkomsten de exceptie van fiscale woonplaats genieten.

Internationale of Europese ambtenaren.

4. Volgens § 2 van het Slotprotocol betekenen de woorden « ingevolge de wetgeving van die Staat » welke in art. 4, § 1, ov., voorkomen de wetgeving van die Staat zoals ze in verband met de belastingtoestand van sommige personen door internationale verdragen is gewijzigd of aangevuld.

Deze precisering beoogt in hoofdzaak de ambtenaren en andere personeelsleden van internationale instellingen die krachtens een internationaal verdrag aanspraak hebben op exceptie van fiscale woonplaats, d.w.z. diegenen die worden geacht hun fiscale woonplaats niet te hebben overgebracht naar het land waar zij uitsluitend voor het uitoefenen van hun functies zijn gevestigd. Dit is het geval met de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen op wie art. 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van toepassing is - cf. W.I.B., Deel V, 3, bijlage XVI.

De in België gevestigde internationale of Europese ambtenaren en beambten, die aldus voor de toepassing van de Belgische belastingen niet als rijksinwoner worden behandeld, kunnen dus evenmin als verblijfhouder van België voor de toepassing van de Belgisch-Luxemburgse overeenkomst worden beschouwd.

Indien die ambtenaren evenwel op grond van de bepalingen van het verdrag, waaraan zij hun bijzonder status ontlenen, moeten worden geacht hun fiscale woonplaats in Luxemburg te hebben, kunnen zij voor hun inkomsten van Belgische oorsprong de vrijstellingen of verminderingen van Belgische belasting verkrijgen, waarin de overeenkomst van 17 september 1970 voorziet, door dezelfde formaliteiten te vervullen als de gewone verblijfhouders van Luxemburg (o.m. overlegging van een verklaring van de Luxemburgse belastingadministratie waaruit blijkt dat zij aldaar als verblijfhouder worden belast).

Beperkte gevolgen van de verdragsdefinitie van het woord "verblijfhouder".

5. Indien een belastingplichtige op grond van de bepalingen van het W.I.B. wordt beschouwd zijn fiscale woonplaats in België te hebben, doch voor de toepassing van de overeenkomst, volgens de bepalingen van art. 4, als verblijfhouder van Luxemburg moet worden aangemerkt, mag België geen belasting heffen over inkomsten die de art. 6 tot 21, ov., slechts in de domiciliestaat (in casu Luxemburg) belastbaar stellen.

Daarentegen blijft de betrokken belastingplichtige aan de Belgische wetgeving van gemeen recht onderworpen met betrekking tot:

- de inkomsten waarvoor de overeenkomst het recht van belastingheffing aan België (als bronstaat) toekent, met dien verstande dat eventueel de door de overeenkomst opgelegde tariefbeperkingen voor dividenden en interest ( cf. nrs. 17 tot 23) m acht moeten worden genomen·

- de inkomsten die uit een derde Staat afkomstig zijn en als dusdanig met onder de toepassing van de overeenkomst vallen; indien België met deze derde Staat eveneens een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting heeft gesloten, zal deze overeenkomst ter zake van toepassing zijn.

2° Belastingen.

6. De ov. is van toepassing op de in art. 2 vermelde belastingen gevolge art. 2, § 5, ov., is zij ook van toepassing op elke gelijke of in wezen gelijksoortige belasting die in de toekomst zal worden geheven.

De overeenkomst geldt ook voor de Luxemburgse vermogensbelastingen (cf. nr. 57 hierna).

B. Belastingheffing naar het inkomen en naar het vermogen.

1° Inkomsten uit onroerende goederen.

7. Inkomsten uit onroerende goederen zijn belastbaar in de Staat waar die goederen zijn gelegen (art. 6, § 1, ov.). Een gelijkaardige regel geldt ook voor de meerwaarden op onroerende goederen (art. 13, § 1, ov.).

De uitdrukking « inkomsten uit onroerende goederen» omvat onder meer de winsten van landbouw- en bosbedrijven, alsmede inkomsten met onroerende goederen van een onderneming of uit onroerende goederen die voor de uitoefening van een vrij beroep worden gebruikt (afwijking van de regel van de vaste inrichting - cf. nr. 9 hierna - en van de vaste basis).

België heeft dus het recht de inkomsten van alle in België gelegen onroerende goederen die aan verblijfhouders van Luxemburg toebehoren, te belasten volgens de interne wetgeving. Gelet op art. 23, § 1, 1°, lid 1, ov. ondergaan die inkomsten voor het aanslagjaar 1973 (inkomsten van het jaar 1972) ondermeer de A.O.V. (art. 163, W.I.B.) ; deze wordt evenwel beperkt zoals aangeduid in nr. 8 hierna. Wanneer de onroerende inkomsten winsten uitmaken in de zin van de Belgische wetgeving, is daarop de B.N.V. ten laste van verblijfhouders van Luxemburg verschuldigd zo deze laatsten over een Belgische inrichting in de zin van art. 140, § 3, W.I.B., beschikken; in dat verband worden aangestipt dat een onroerend goed normaal als een dergelijke Belgische inrichting te beschouwen is (cf. nrs. 140/13 en 16, Com.I.B.).

8. Volgens § 3, van het slotprotocol, wordt de A.O.V. beperkt tot het op de Belgische onroerende inkomsten betrekking hebbende deel van de B.N.V., die - zo nodig fictief - op het totale bedrag van de Belgische inkomsten van de betrokken belastingplichtige wordt berekend.

Deze regeling is gelijkaardig als die welk in de overeenkomsten met Frankrijk (V. 1120 - B. 422), Duitsland (V. 1246 - B. 467) en Nederland (V. 1337 - B. 490) voorkomt.

Voor de vestiging en de inkohiering van de A.O.V. op inkomsten van het jaar 1972 (aanslagjaar 1973) dient men zich dus, mutatis mutandis, te houden aan de richtlijnen, verstrekt in hoofdstuk III nr. 2, van circ. 920 betreffende de Frans-Belgische ov. alsmede aan de onderrichtingen betreffende de verblijfhouders van Frankrijk, Duitsland en Nederland, opgenomen in nrs. 163/1 e.v., Com.l.B.

Aangezien de A.O.V. met ingang van het aanslagjaar 1974 is afgeschaft (art. 59 en 86, § 1, 2°, W. 25.6.1973 (V. 1369 - B. 510), zijn de vorenstaande onderrichtingen ter zake met ingang van dat aanslagjaar zonder voorwerp.

2° Ondernemingswinst.

1. Algemeen beginsel.

9. Winsten van een onderneming van een der Staten zijn in de andere Staat slechts belastbaar voor zover zij aan een aldaar gelegen vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1, ov.). Er worde opgemerkt dat deze bepaling in Luxemburg eveneens van toepassing is op de belastingen naar het bedrag van de door werkgevers betaalde lonen (art. 2, § 4, ov.).

Het woord « onderneming » wordt in de overeenkomst niet omschreven. Overeenkomstig art. 3, § 2, ov., heeft dat woord dus de betekenis die door de belastingwetgeving van de overeenkomstsluitende Staten daaraan wordt gegeven, tenzij het zinsverband anders vereist.

In België moet de onderneming worden opgevat in de zin van een economische eenheid of organisatie die winsten uit enig nijverheids-of handelsbedrijf kan voortbrengen in de zin van artikel 20, 1°, W.I.B., en van de desbetreffende rechtspraak. De onderneming kan in verschillende juridische vormen bestaan: natuurlijke persoon, rechtspersoon, vereniging of lichaam zonder eigen persoonlijkheid.

2. Definitie van de vaste inrichting.

De vaste inrichting wordt bepaald in art. 5, ov. Volgens die bepaling :

- is de uitvoering van een bouwwerk of van constructiewerkzaamheden een vaste inrichting indien de duur van de werkzaamheden zes maanden overschrijdt (art. 5, § 2, 7°, ov.);

- wordt de vertegenwoordiger die gemachtigd is om namens een verzekeringsonderneming overeenkomsten af te sluiten, niet als een werkelijk zelfstandige vertegenwoordiger beschouwd (art. 5, § 5, ov.); de aanwezigheid van een zodanige vertegenwoordiger geeft dus ontstaan aan een vaste inrichting van de onderneming.

3. Bepaling van de aan een vaste inrichting toe te rekenen winst

11. De aan een vaste inrichting toe te rekenen winst is die welke de inrichting had kunnen behalen indien zij een onafhankelijke en zelfstandige onderneming was geweest (art. 7, § 2, ov.).

Wanneer evenwel de vaste inrichting, naast haar gewone verrichtingen op het gebied van handel of nijverheid, ook goederen aankoopt voor de onderneming waarvan zij afhangt, mogen aan die inrichting geen winsten uit hoofde van die aankopen worden toegerekend (art. 7, §5, ov.) Als corollarium hiervan zijn kosten in verband met dezelfde aankopen niet aftrekbaar van de belastbare winst van de vaste inrichting.

Kosten van leiding en algemeen beheer die door de hoofdzetel van de onderneming zijn gemaakt, mogen van de winst van de vaste inrichting worden afgetrokken in de mate dat zij ten behoeve van deze inrichting werden gemaakt (art. 7, § 3, ov.).

De winsten van onderling afhankelijke of aanverwante ondernemingen mogen anderzijds worden verbeterd om overdreven winstafvloeiingen te voorkomen (art. 9, ov.).

12. Bij afwezigheid van een regelmatige boekhouding of van andere afdoende gegevens die het mogelijk maken het bedrag van de winsten van een Belgische vaste inrichting van een Luxemburgse onderneming te bepalen, mag de Belgische belasting worden gevestigd op een volgens de Belgische wetgeving bepaalde belastbare grondslag (art. 7, § 4, lid 1, ov.). Dit sluit o.m. de mogelijkheid in de methode van vergelijking, met inbegrip van de bij art. 146, K.B. uitv. W.I.B. bepaalde forfaitaire minima, toe te passen.

In dezelfde gevallen hebben de overeenkomstsluitende Staten ook de mogelijkheid de winst die aan een vaste inrichting is toe te rekenen te bepalen op basis van een verdeling van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen (art. 7, § 4, lid 2, ov.). Ingevolge § 4 van het slotprotocol kunnen de bevoegde autoriteiten van beide overeenkomstsluitende Staten bovendien overleg plegen om de aan de vaste inrichting van een verzekeringsonderneming toe te rekenen winst te bepalen op basis van een verdeling van haar totale winst over de verschillende inrichtingen volgens de premies of andere in gemeen overleg vastgestelde criteria.

Ingeval de toepassing van de voorgaande bepalingen tot een dubbele belasting zou leiden, kunnen de bevoegde autoriteiten overleg plegen om die dubbele belasting te vermijden.

13. Wat het tarief van de B.N.V.-ven. betreft dat op de winst van een Belgische vaste inrichting van Luxemburgse vennootschappen is toe te passen, wordt verwezen naar de nrs. 76 tot 78 hierna.

4. Ondernemingen van zee- en luchtvaart en van binnenvaart.

14. In afwijking van de regel van de vaste inrichting (art. 7, ov.) zijn slechts belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming is gelegen (zoals nader bepaald in art. 4, § 4, ov., voor binnenvaartondernemingen) :

- winsten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer ;

5. Meerwaarden uit roerende goederen van een onderneming.

15. Meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen van een onderneming zijn in de regel belastbaar in de Staat waar de vaste inrichting, tot het bedrijfsvermogen waarvan die goederen behoren, is gevestigd (art. 13, § 2, lid 1, ov.).

Daarentegen zijn meerwaarden uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, van binnenschepen of van roerende goederen die voor de exploitatie daarvan worden gebruikt, belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming is gelegen (art. 13, §2, lid 2, ov.).

3° Meerwaarden uit de vervreemding van een deelneming.

16. Meerwaarden verkregen uit de vervreemding van een deelneming – geen deel uitmakend van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting – die een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat in de andere Staat heeft in een onderneming gedreven door een vennootschap op aandelen of door een ander kapitaalvennootschap, mogen in beginsel slechts worden belast in de Staat waarvan de vervreemder verblijfhouder is (art. 13, § 3, ov.).

4° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.

1. Roerende inkomsten van Belgische afkomst verkregen door verblijfhouders van Luxemburg (geen holdingvennootschappen).

a) Dividenden.

17. Ingevolge art. 10, § 2, ov., moet België met betrekking tot dividenden (inkomsten van belegde kapitalen daaronder begrepen), die door een Belgische vennootschap aan een verblijfhouder van Luxemburg vanaf 1 januari 1972 worden toegekend, de R.V. beperken tot 10 of tot 15 pct. van het brutobedrag van de belastbare inkomsten :

a) Het tarief van 10 pct. is van toepassing op inkomsten toegekend aan een vennootschap die sedert het begin van haar boekjaar onmiddellijk ten minste 25 pct. van het kapitaal van de uitdelende vennootschap bezit, of in deze een onmiddellijke deelneming heeft waarvan de aanschaffingsprijs ten minste 250 miljoen F bedraagt. De uitdelende vennootschap en de verkrijgende vennootschap mogen echter noch een burgerlijke vennootschap, noch een V.O.N., noch een V.E.G., noch een S.V., zijn ; de uitdelende vennootschap en de verkrijgende vennootschap moeten dus zijn :

- een N.V. of V.G.A., of

- een (Belgische) P.V.B.A. of een (Luxemburgse) S.A.R.L., of

- een vreemde vennootschap naar dezelfde vorm die haar fiscale woonplaats in België of in Luxemburg heeft.

De beperking tot 10 pct. is op dezelfde voorwaarden ook van toepassing indien de dividenden worden toegekend aan verschillende Luxemburgse vennootschappen die te zamen, sedert het begin van hun onderscheiden boekjaren, de vereiste minimumdeelneming in het kapitaal van de uitdelende vennootschap bezitten, mits één van de verkrijgende vennootschappen meer dan de helft van het kapitaal van elk van de andere verkrijgende vennootschappen bezit.

b) Het tarief van 15 pct. is van toepassing in de andere gevallen.

Ingevolge art. 10, § 4, ov., is de beperking evenwel niet van toepassing indien de genieter van de dividenden in België een vaste inrichting heeft waarmede de deelneming die de dividenden oplevert wezenlijk is verbonden.

18. De vermindering wordt verleend aan de hand van een aanvraag nr. 276 Div. (Lux) (1) en, mutatis mutandis, volgens de modaliteiten die voor de toepassing van de andere overeenkomsten gelden.

------

(1) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel en in Luxemburg, door de Directie der directe belastingen (bureau 24) Rooseveltlaan 45, Luxemburg.

b) Interest.

19. Ingevolge art. 11, §§ 3 en 7, ov., wordt het normale bedrag van de interest die toegekend wordt aan een onderneming van Luxemburg, in België van R.V. vrijgesteld, behalve indien het gaat om :

- interest van obligaties (op naam of aantoonder) of van andere effecten van leningen (overheidsfondsen, kasbons, enz.) ; handelspapier dat handelsschuldvorderingen vertegenwoordigt, wordt niet als een leningeffect beschouwd;

- interest door een Belgische vennootschap betaald aan een Luxemburgse vennootschap die onmiddellijk of middellijk ten minste 25 pct. van de stemgerechtigde aandelen of delen van de Belgische vennootschap bezit.

20. Anderdeels wordt de R.V. beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag van de normale interest die, niet ingevolge nr. 19 hiervoren is vrijgesteld (art. 11, §§ 2 en 7, ov.).

21. Ingevolge art. 11, § 5, zijn de vrijstellingen of verminderingen, bedoeld sub 19 en 20, niet van toepassing indien de genieter van de interest in België een vaste inrichting heeft waarmede de schuldvordering (het deposito, de obligatie, de lening, enz.) die de interest oplevert wezenlijk is verbonden.

22. De vrijstelling of vermindering wordt verleend aan de hand van een aanvraag door middel van een formulier nr. 276 Int. (Lux) (1) en, mutatis mutandis, volgens de modaliteiten die voor de toepassing van de andere overeenkomsten gelden.

------

(1) Zie voetnoot (1) onder nr. 18.

23. Met betrekking tot interest die van R.V. is vrijgesteld doordat hij onder bepaalde omstandigheden wordt verkregen door een onderneming van Luxemburg (art. 11, § 3, ov.), kan de vrijstelling normaal dadelijk bij de bron worden verleend op overlegging van het in nr. 22 bedoelde formulier.

Indien de R.V. werd gestort, moet het bedrag van de werkelijk geheven belasting aan de genieter van de interest worden terugbetaald, ongeacht of de schuldenaar de belasting heeft ingehouden of ten laste genomen. Het is dus slechts ingeval de R.V. tegen het normaal tarief van.20 pct. werd geheven dat de terugbetaling gelijk is aan een vierde (20/80) van de netto­interest. In de andere gevallen is de terugbetaling gelijk aan het bedrag van de werkelijk volgens het gemeen recht betaalde belasting.

Indien de R.V., ingevolge art. 11, § 2, ov., moet worden beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag van de interest dient aan de genieter in beginsel 5 pct. van de bruto-interest d.i. 5 /80 °of 6,25 pct. van de netto-interest, te worden teruggegeven, behalve ingeval de interest volgens het gemeen recht zou zijn vrijgesteld.

Deze regeling geldt zowel voor interest van leningen die zijn uitgegeven of van contracten die zijn afgesloten vóór 1.12.1962, als voor interest van na die datum uitgegeven leningen of afgesloten contracten.

c) Royalty's.

24. Ingevolge art. 6, § 2, van de overeenkomst van 9 maart 1931 (V. 321 - B. 70), waren auteursrechten van Belgische afkomst, toegekend aan een belastingplichtige die zijn fiscale woonplaats in Luxemburg had, van Belgische belastingen vrijgesteld.

25. Met ingang van 1 januari 1972, worden ingevolge art. 12, §§ 1, 3 en 5, ov., royalty's van welke aard ook (zie definitie in art. 12, § 2, ov.) van Belgische afkomst, die zijn toegekend aan een verblijfhouder van Luxemburg, tot hun normale bedrag vrijgesteld van Belgische belasting, indien de genieter in België geen vaste inrichting heeft waarmede het recht of het goed dat die royalty's oplevert wezenlijk is verbonden.

Artikel 12, § 6, ov., geeft aan op welke wijze het normale bedrag van royalty's wordt bepaald ingeval de schuldenaar en de genieter zich onmiddellijk of middellijk in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden.

26. De procedure voor het bekomen van vrijstelling is gelijkaardig aan die welke voor dividenden en interest geldt. De vrijstelling van R.V. op royalty's mag echter normaal dadelijk bij de bron worden verleend.

De genieter van de royalty's moet een aanvraag in tweevoud overleggen door middel van een formulier nr. 276 R. (Lux) (1).

------

(1) Zie voetnoot (1) onder nr. 18.

Dit formulier moet ter waarmerking aan de territoriaal bevoegde Luxemburgse belastingsdienst worden gezonden; vervolgens moet het worden gericht :

- of wel aan de Belgische schuldenaar, binnen 10 dagen na de vervaldag van de royalty's (om vrijstelling van R.V. bij de bron te bekomen) ;

- of wel aan de Hfd.cr. te Sint-Joost-ten-Node 1 (om teruggaaf van de bij de bron gestorte R.V. te bekomen).

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

27. Indien tussen de schuldenaar en de genieter of tussen hen beiden en derden enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat en het bedrag van de interest of de royalty's hoger is dan het bedrag dat in normale omstandigheden zou worden bedongen, mag België op het deel van de overdreven betalingen de bepalingen van de interne wetgeving toepassen (art. 11, § 7, en 12, § 5, ov.); dit sluit om in dat dit deel desvoorkomend, op grond van de art. 24 en 50, W.I.B., bij de belastbare winst van de schuldenaar dient te worden gevoegd (zie ook art. 9, ov.) en dat de R.V op dit bovenmatig deel aan geen enkele beperking is onderworpen.

2. Roerende inkomsten van Luxemburgse afkomst (niet toegekend door holdingvennootschappen) verkregen door verblijfhouders van België.

28. Ingevolge de art. 10, 11 en 12, ov., genieten de roerende inkomsten uit Luxemburgse bronnen behalve die welke worden toegekend door Luxemburgse holdingvennootschappen - verkregen door verblijfhouders van België op bepaalde voorwaarden de volgende verminderingen of vrijstellingen van Luxemburgse belasting :

1° Dividenden

29. De Luxemburgse bronbelasting wordt in de regel beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag van dividenden (daaronder begrepen winstdelen genoten wegens het beleggen van fondsen in een Luxemburgse onderneming door een geldschieter verblijfhouder van België, die naar rata van de winst wordt beloond (art. 10, § 3, lid 2, 2°, ov.).

De inhouding wordt evenwel verminderd tot 10 pct. van gezegd brutobedrag indien de genieter van de dividenden een Belgische vennootschap is die onmiddellijk en sedert het begin van haar boekjaar in het kapitaal van de uitdelende Luxemburgse vennootschap een deelneming bezit van ten minste 25 pct. of waarvan de aanschaffingsprijs ten minste 250 miljoen frank bedraagt. De uitdelende vennootschap en de vennootschap die de dividenden verkrijgt mogen echter noch een burgerlijke vennootschap, noch een V.G.N., een V.E.G. of een S.V. zijn (cf. nr. 17, litt. a, hiervoren).

De beperking tot 10 pct. is op dezelfde voorwaarden ook van toepassing, indien de dividenden worden toegekend aan verschillende Belgische vennootschappen die te zamen, sedert het begin van de onderscheiden boekjaren van elk van deze vennootschappen de vereiste minimumdeelneming in het kapitaal van de uitdelende vennootschap bezitten, mits één van de verkrijgende vennootschappen meer dan de helft van het kapitaal van elk van de andere verkrijgende vennootschappen bezit.

Volgens § 8, 2de zin, van het slotprotocol wordt de beperking van 10 pct. van de Luxemburgse inhouding op dividenden van aanmerkelijke deelnemingen bovendien uitgebreid tot dividenden uit onmiddellijke en ononderbroken deelnemingen van ten minste 25 pct., die sedert het begin van het boekjaar zijn aangehouden in Luxemburgse kapitaalvennootschappen (N.V. - V.G.A. - S.A.R.L.) door vaste inrichtingen die Belgische vennootschappen op aandelen of P.V.B.A.'s in Luxemburg bezitten.

2° Interest

30. De Luxemburgse belasting op interest wordt normaal beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag. Interest - niet zijnde interest van obligaties en andere effecten van leningen - die wordt toegekend aan een Belgische onderneming is evenwel vrijgesteld van Luxemburgse belasting, behalve indien die interest door een Luxemburgse vennootschap wordt betaald aan een Belgische vennootschap die onmiddellijk of middellijk ten minste 25 pct. van de stemgerechtigde aandelen of delen van de Luxemburgse uitkerende vennootschap bezit (art. 11, § 3, ov.).

3° Royalty's

31. Vanaf 1 januari 1972 zijn royalty's van alle aard vrijgesteld van Luxemburgse bronbelasting.

a) Voorwaarden voor de beperking of vrijstelling van de Luxemburgse bronbelasting.

32. De beperking of de vrijstelling is aan de volgende voorwaarden onderworpen :

1 ° de genieter van de inkomsten moet een verblijfhouder (natuurlijke persoon of rechtspersoon) van België zijn in de zin van art. 4, ov. ;

2° buiten het geval van dividenden uit aanmerkelijke deelnemingen in Luxemburgse vennootschappen (zie nr. 29, laatste lid), mag hij in Luxemburg geen vaste inrichting hebben waarmede de deelneming, de schuldvordering, de lening, het deposito, de obligatie, het recht of het goed welke de inkomsten opleveren wezenlijk zijn verbonden;

3° voor interest en royalty's is de beperking of de vrijstelling slechts van toepassing op het normale bedrag van de inkomsten wanneer tussen de schuldenaar en de schuldeiser- of tussen hen beiden en een derde - een bijzondere verhouding bestaat (voor de bepaling van het normale bedrag van de royalty's, cf. art. 12, § 6, ov.).

b) Wijze waarop de vermindering of vrijstelling van de Luxemburgse bronbelasting wordt verleend.

33. Volgens de Luxemburgse interne wetgeving zijn inkomsten met kapitalen en royalty's uit bronnen in Luxemburg verkregen door niet-verblijfhouders, thans onderworpen aan een broninhouding tegen de hiernavermelde tarieven:

a) wat inkomsten uit kapitalen betreft (andere dan die welke door een Luxemburgse holdingvennootschap worden toegekend):

- 15 pct. van het brutobedrag van dividenden en andere inkomsten van aandelen of delen renten en interest van winstdelende obligaties ;

- 5 pct. van het brutobedrag van interest van niet-winstdelende obligaties en andere soortgelijke effecten;

b) wat royalty's betreft:

- 10 pct. van het brutobedrag van auteursrechten (met inbegrip van inkomsten uit het verhuren van bioscoopfilms) ;

- 12 pct. van het brutobedrag van nijverheidsroyalty's.

34. Hieruit volgt dat de toepassing van de overeenkomst slechts speciale formaliteiten vereist voor dividenden uit aanmerkelijke deelnemingen van Belgische vennootschappen in Luxemburgse dochtervennootschappen (met inbegrip van die welke door Luxemburgse vaste inrichtingen van Belgische vennootschappen op aandelen of van P.V.B.A.'s worden aangehouden) en voor royalty's.

1° Procedure voor de beperking of vrijstelling bij de bron.

35. De beperking tot 10 pct. van het tarief van de Luxemburgse bronbelasting op dividenden uit aanmerkelijke deelnemingen, of de vrijstelling van de bronbelasting op auteursrechten en op nijverheidsroyalty s, wordt in de regel bij de betaling van de inkomsten verleend. De methode van teruggaaf waarvan sprake sub 2° hierna, wordt slechts uitzonderlijk toegepast.

De genieter van de inkomsten, verblijfhouder van België (of zijn behoorlijk gevolmachtigde vertegenwoordiger), die de overeenkomst wenst te doen toepassen en aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoet moet per schuldenaar van inkomsten een formulier model Lux 1 B (voor dividenden uit aanmerkelijke deelnemingen) of model Lux 2 B (voor auteursrechten en nijverheidsroyalty's) (1) in vier exemplaren invullen.

Hij bewaart het 4de exemplaar en bezorgt de 3 andere exemplaren van de aanvraag aan de belastingdienst waarvan hij afhangt; de aanvraag geldt voor al de toekenningen van eenzelfde jaar indien het auteursrechten en nijverheidsroyalty s betreft. Deze dienst brengt de vereiste verklaring aan, bewaart het 1ste exemplaar en bezorgt het 2de en het 3de exemplaar aan de genieter, die ze respectievelijk aan het Luxemburgse belastingkantoor, bevoegd voor de inkomstenbelasting van de schuldenaar van de inkomsten, en aan die schuldenaar laat geworden.

------

(1) Zie voetnoot (1) onder nr. 18.

Het 3de exemplaar moet bij de schuldenaar toekomen vóór de toekenning van de inkomsten en wordt in dat geval als een aanvraag om vermindering of vrijstelling beschouwd. De schuldenaar van de inkomsten mag dan de bij verdrag verleende vermindering of vrijstelling van belasting dadelijk toepassen.

Het 2de exemplaar wordt voor onderzoek aan het bevoegde Luxemburgse belastingkantoor gezonden.

2° Teruggaafprocedure.

36. Indien een verblijfhouder van België niet tijdig het 3de exemplaar van het formulier model Lux 1 B of model Lux 2 B, naar het geval, overeenkomstig de hierboven omschreven procedure heeft laten geworden en de dividenden uit aanmerkelijke deelnemingen of de royalty's of auteursrechten derhalve de Luxemburgse belasting bij de bron tegen het tarief van het interne recht hebben ondergaan, kan de belanghebbende teruggaaf van het teveel geïnde bekomen, indien hij de onder 1° hierboven omschreven formaliteiten vervult en mits hij het 2de exemplaar van de aanvraag bij het bevoegde Luxemburgse belastingkantoor overlegt. Dit exemplaar moet in elk geval bij dit kantoor toekomen uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat van de toekenning van de inkomsten (d.w.z. ten laatste op 31 december 1973 voor de in 1972 toegekende inkomsten).

37. Het Luxemburgse belastingkantoor doet het teveel geïnde aan de genieter van de inkomsten teruggeven door het bevoegde Luxemburgse ontvangkantoor der belastingen. Het richt bovendien aan de genieter van de inkomsten een geschreven beslissing indien de aanvraag niet volledig kan worden ingewilligd.

Tegen de beslissingen van het belastingkantoor kan binnen een termijn van een maand bezwaar worden ingediend bij de directeur der belastingen te Luxemburg. Tegen de beslissingen van de directeur der belastingen kan binnen een termijn van een maand beroep worden ingesteld bij de Raad van State, Comité van de Geschillen, te Luxemburg.

Zo nodig, kunnen de verblijfhouders van België ook een verzoek indienen bij de Belgische belastingadministratie overeenkomstig de regeling en binnen de speciale termijn van twee jaar waarin art. 25, § 1, ov., voorziet (cf. nrs. 79 tot 82 hierna). Dit verzoek moet met de nodige bewijsstukken gestaafd zijn.

c) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

38. Het door een Luxemburgse verblijfhouder aan een verblijfhouder van België toegekende deel van interest of van royalty's dat overdreven voorkomt in de zin van de art. 11, § 7, en 12, §§ 5 en 6, ov., is belastbaar overeenkomstig het Luxemburgse gemene recht.

5° Lonen en salarissen uit de particuliere sector.

39. Volgens art. 8 van de overeenkomst van 9 maart 1931 waren de bezoldigingen van loon- en weddetrekkers met de particuliere sector belastbaar in de Staat waar de betrokkenen hun werkzaamheden uitoefenden; de bezoldigingen van grensarbeiders waren evenwel slechts belastbaar in de Staat waar de betrokkenen hun fiscale woonplaats hadden.

40. Aangezien de nieuwe overeenkomst geen bijzondere bepaling met betrekking tot grensarbeiders meer bevat, heeft de speciale regeling die voorheen op hen van toepassing was een einde genomen wat betreft de sedert 1 januari 1972 genoten bezoldigingen.

Met ingang van die datum zijn de beloningen van de loon­ en weddetrekkers uit de particuliere sector, vroegere grensarbeiders of niet, belastbaar in de Staat waar de betrokkenen hun werkzaamheid uitoefenen (art. 15, § 1, ov.).

Op deze regel zijn evenwel twee uitzonderingen:

a) werknemers, verblijfhouders van een Staat, die slechts tijdelijk in de andere Staat werkzaamheden verrichten gedurende ten hoogste 183 dagen in de loop van een kalenderjaar, zijn in hun domiciliestaat belastbaar, op voorwaarde dat de lonen of salarissen niet worden betaald door of namens een werkgever die in die andere Staat is gevestigd of niet als zodanig ten laste komen van een in die Staat gelegen vaste inrichting (art. 15, § 2, ov.) ;

b) werknemers die hun werkzaamheden verrichten aan boord van een schip, een binnenschip of een luchtvaartuig in internationaal verkeer, zijn ter zake van hun lonen of salarissen belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen (art. 15, § 3, ov.).

Vroegere grensarbeiders.

41. De afschaffing van de speciale regeling die voorheen op de beloningen van de grensarbeiders van toepassing was, geeft aanleiding tot de volgende wijzigingen :

a) Belgische grensarbeiders die in Luxemburg zijn tewerkgesteld.

42. Met ingang van 1 januari 1973, zijn de beloningen van grensarbeiders, verblijfhouders van België, die in Luxemburg zijn tewerkgesteld, onderworpen aan de Luxemburgse bronbelasting op lonen.

De Luxemburgse belasting die de betrokkenen verschuldigd zijn op hun beloningen van het jaar 1972 zal door de Luxemburgse belastingadministratie worden gevestigd en ingevorderd.

43. De grensarbeider zal op aanvraag en onder bepaalde voorwaarden in Luxemburg kunnen worden belast tegen de gemiddelde aanslagvoet die van toepassing zou zijn indien hij verblijfhouder van Luxemburg zou zijn (cf. nr. 75 hierna).

44. De beloningen die in België vrijgesteld zijn van belasting moeten toch in aanmerking worden genomen om het belastingtarief te bepalen dat van toepassing is op de andere belastbare inkomsten van de genieters (art. 23, § 2, !°, ov.).

In geval een Luxemburgse werkgever op de beloningen van het jaar 1972 de bedrijfsvoorheffing zou hebben ingehouden en aan de Belgische Schatkist zou hebben afgedragen zal die voorheffing aan de genieters van de inkomsten worden teruggegeven bij de regularisatie van hun fiscale toestand over het aanslagjaar 1973.

Deze regularisatie zal geschieden aan de hand van de fiches 281.10 van het jaar 1972 en van de aangifte voor de Belgische inkomstenbelastingen die de betrokkenen voor het aanslagjaar 1973 moeten indienen.

b) Luxemburgse grensarbeiders die in België zijn tewerkgesteld.

45. Met ingang van 1 januari 1973, zijn de beloningen van grensarbeiders, verblijfhouders van Luxemburg, die in België zijn tewerkgesteld, onderworpen aan de B.V. De Belgische werkgevers moeten die voorheffing inhouden en aan de Schatkist afdragen en, vóór 1 februari van elk jaar, hun opgave nr. 325.10 en de fiches 281.10 voor al hun personeelsleden aan de belastingdienst van hun ambtsgebied bezorgen.

De fiscale toestand van de betrokkenen zal op het einde van het jaar worden geregulariseerd aan de hand van de bovengenoemde fiches en, eventueel, van de aangifte in de B.N.V. die zij zouden moeten onderschrijven.

De in de loop van het jaar 1972 verkregen beloningen die ingevolge de bepalingen van de overeenkomst van 9 maart 1931 geen inhouding van B.V. hebben ondergaan, zullen bij wijze van inkohiering aan B.N.V. worden onderworpen aan de hand van de door de werkgevers opgemaakte fiches 281.10 en, desvoorkomend, van de aangiften in de B.N.V. die de betrokkenen zouden hebben onderschreven.

6° Beloningen van beheerders en commissarissen.

46. Onder de nieuwe overeenkomst (art. 16), zijn alleen de tantièmes, presentiegelden, enz., betaald door een kapitaalvennootschap die verblijfhouder is van een overeenkomstsluitende Staat aan haar beheerders en commissarissen die verblijfhouder zijn van de andere overeenkomstsluitende Staat, als beloning van hun mandaat, belastbaar in de Staat waarvan de uitkerende vennootschap verblijfhouder is.

47. De normale beloningen die de belanghebbenden in een andere hoedanigheid verkrijgen (bij voorbeeld, voor raadgevingen of voor werkelijke en vaste functies) vallen, naar het geval, onder de regeling van art. 14, ov. (vrije beroepen) of van art. 15, § 1, ov. (niet zelfstandige beroepen).

7° Artiesten en sportbeoefenaars.

48. Beroepsartiesten en sportbeoefenaars, verblijfhouders van Luxemburg, zijn in België volgens het gemeen recht belastbaar op de inkomsten die zij in België behalen uit hun persoonlijke werkzaamheden als zelfstandige of als loontrekker (art. 17, ov.).

8° Particuliere, pensioenen en, andere sociale uitkeringen.

49. Volgens art. 9 van de overeenkomst van 9 maart 1931, waren de openbare of particuliere pensioenen belastbaar in de Staat van de schuldenaar dezer inkomsten. In de nieuwe overeenkomst blijft deze regeling voor de pensioenen uit de overheidssector behouden onder de voorwaarden van art. 19 (cf. nrs. 52 en 53 hierna) en wordt zij uitgebreid tot de pensioenen en uitkeringen betaald ter uitvoering van de sociale wetgeving der overeenkomstsluitende Staten (art. 18, § 2, ov.).

Bijgevolg zijn pensioenen en andere sociale uitkeringen die ter uitvoering van de Belgische sociale wetgeving aan verblijfhouders van Luxemburg worden betaald - met name wettelijke pensioenen door pensioenkassen betaald ter zake van een vroeger in de particuliere sector uitgeoefende dienstbetrekking- in België belastbaar; zij moeten dus de B.V. bij de bron volgens het gemeen recht ondergaan.

50. Daarentegen zijn de extra-wettelijke pensioenen uit de particuliere sector die met ingang van 1 januari 1972 worden betaald, overeenkomstig art. 18, § 1, ov., uitsluitend belastbaar in de woonstaat van de genieter. Dergelijke pensioenen, uit Belgische bronnen betaald aan verblijfhouders van Luxemburg, zijn bijgevolg voortaan van Belgische belasting, en voornamelijk van de B.V., vrijgesteld.

51. Pensioenen en andere uitkeringen van dezelfde aard als de hierboven bedoelde, welke verblijfhouders van België uit Luxemburgse bronnen verkrijgen, zijn op dezelfde voorwaarden hetzij van Belgische belastingen vrijgesteld, hetzij in de P.B. tegen het volle tarief belastbaar.

9° Beloningen en pensioenen uit de overheidssector.

Algemene regel.

52. Beloningen en pensioenen die door een Staat of door een staatkundige onderdeel of een plaatselijke gemeenschap daarvan worden betaald zijn in beginsel in die Staat belastbaar (art. 19, § 1, ov.)

Afwijkingen.

53. De belastingheffing in de Staat die de beloningen of pensioenen uitkeert, is niet van toepassing :

- wanneer de genieter onderdaan is van de andere Staat zonder terzelfder tijd onderdaan te zijn van de Staat die de inkomsten betaald (art. 19, § 1, lid 2, ov.);

- wanneer de beloningen of pensioenen worden betaald wegens diensten die de genieter verricht, of vroeger heeft verricht, in het raam van een handels-of nijverheidsbedrijf uitgeoefend door de schuldenaar van de inkomsten (art. 19, § 2, ov.)

In beide gevallen is op de desbetreffende beloningen en pensioenen de regeling, hetzij van art 15, hetzij van art. 18, § 1, ov. van toepassing.

10° Leraren en studenten.

54. Ingevolge art. 20, ov., zijn de beloningen van leraren of andere leden van het onderwijzend personeel die verblijfhouders van Luxemburg zijn en in België gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaar onderwijs geven of wetenschappelijk onderzoek verrichten, van Belgische belasting vrijgesteld.

55. Dit geldt ook voor de sommen die Luxemburgse studenten, leerlingen of stagiairs, die tijdelijk in België verblijven, ten behoeve van hun onderhoud, onderwijs of opleiding uit het buitenland ontvangen.

11° Niet uitdrukkelijk vermelde inkomsten.

56. Bestanddelen van het inkomen van een verblijfhouder van een overeenkomstsluitende Staat die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld en die volgens de wetgeving van die Staat aldaar belastbaar zijn, zijn in de andere overeenkomstsluitende Staat vrijgesteld van belastingen (art. 21, ov.)

12° Belastingheffing naar het vermogen

57. Ingevolge art. 22, ov. zijn verblijfhouders van België slechts aan de Luxemburgse vermogensbelasting onderworpen uit hoofde van hun in Luxemburg gelegen onroerende goederen en van hun roerende zaken die deel uitmaken van een vaste inrichting of van een vaste basis die zij in dat land aanhouden.

Schepen, luchtvaartuigen en binnenschepen alsmede roerende zaken die voor de exploitatie daarvan worden gebezigd, zijn slechts in Luxemburg belastbaar indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming aldaar is gelegen.

C. Vermijding van dubbele belasting in België

58. Met betrekking tot inkomsten van Luxemburgse afkomst die door een verblijfhouder van België worden verkregen en volgens de overeenkomst in Luxemburg belastbaar zijn, wordt de dubbele belasting op de gebruikelijke wijze vermeden. De ter zake geldende regelen worden hierna bondig toegelicht.

1° Dividenden verkregen door een natuurlijke persoon, met uitzonderling van liquidatieverdelingen (art. 23, § 2, 2°, ov.).

59. Het F.B.B. wordt volgens de modaliteiten van het gemeen recht verrekend.

2° Dividenden verkregen door een vennootschap (art. 23, § 2, 3° en 4°, ov.)

60. In België zijn de dividenden van Luxemburgse afkomst in beginsel aan de regeling van het gemeen recht onderworpen. In de meeste gevallen zijn de dividenden, die begrepen zijn in de resultaten van op 31.12.1972 of in de loop van het jaar 1973 afgesloten balansen, bij de incassering aan de R.V. van 10 pct. onderworpen en zijn zij daarna tot hun nettobedrag vrijgesteld van Ven.B. en, wanneer zij door de Belgische vennootschap worden wederuitgekeerd, van R.V. (art. 23, § 2, 3°, ov.).

Belgische vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de P.B. niet hebben gekozen, kunnen echter desgewenst de R.V. van 10 pct. op grond van de incassering ontgaan met betrekking tot dividenden van aandelen of delen die zij gedurende het volledige boekjaar van de uitdelende Luxemburgse vennootschap in uitsluitende eigendom hebben gehad (art. 23, § 2, 4°, ov.)

De Luxemburgse dividenden die bij het binnenkomen vrij van R.V. worden geïnd, blijven tot hun nettobedrag van Ven.B. vrijgesteld, doch moeten dan later de R.V. ondergaan wanneer zij door de Belgische vennootschap aan haar aandeelhouders worden uitgekeerd (afwijking van art. 169, 2° en 3°, W.I.B.). Deze facultatieve regeling komt in al de recente door België gesloten overeenkomsten voor.

61. Om deze bijzondere regeling te doen toepassen dienen de betrokken vennootschappen schriftelijk een aanvraag te doen bij de belastingdienst van hun ambtsgebied, ten laatste bij het verstrijken van de termijn die gesteld is voor het indienen van hun jaarlijkse aangifte in de Ven.B. Voor de toepassing van deze bepaling wordt verwezen naar de nrs. 15 en 16 van circ. dd. 16.4.1968, nr. Ci.R.9S/244.214.

62. Met ingang van het aanslagjaar 1974, zijn de dividenden uit een vaste deelneming van een Belgische vennootschap in het kapitaal van een Luxemburgse vennootschap vrijgesteld van Ven.B. ten belope van hun nettobedrag (90 of 95 pct. van het werkelijk verkregen bedrag – na buitenlandse belasting – verhoogd met de fictieve R.V van 5 pct.) (W. 25.6.1973, V.1369 – B.510); de dividenden uit niet vaste deelnemingen zullen aan de Ven.B. worden onderworpen maar geven aanleiding tot verrekening van het F.B.B. volgens het gemeen recht (zelfde regeling als voor de sub 3° hierna bedoelde inkomsten).

Aangezien de R.V. echter niet meer verschuldigd zal zijn bij het binnenkomen van buitenlandse dividenden, verkregen door Belgische vennootschappen (behalve het geval van optie voor de P.B.), zal art. 23, § 2, 4°, lid 1, ov., dat onder bepaalde voorwaarden in facultatieve vrijstelling van R.V. voorziet, automatisch toepassing vinden.

3° Interest (normale of bovenmatige) en bovenmatige royalty's (art. 23, § 2, 2°, ov.)

63. Het F.B.B. wordt tegen het tarief van het gemeen recht verrekend, indien de genieter bewijst dat deze inkomsten in Luxemburg werkelijk werden belast.

4° Andere inkomsten (art. 23, § 2, 1°, ov.)

64. Wat de andere inkomsten van Luxemburgse oorsprong betreft die volgens de overeenkomst in Luxemburg belastbaar zijn - met uitzondering van de inkomsten die ingevolge art. 9, ov. (slotprotocol, § 6, 1°) aldaar ten name van de schuldenaar belastbaar zijn verleent België vrijstelling van belasting; de aldus in België vrijgestelde inkomsten worden wel in aanmerking genomen voor het bepalen van het belastingtarief dat op de andere inkomsten van toepassing is (vrijstelling met progressiebehoud).

65. Inkomsten die een verblijfhouder van België verkrijgt als vennoot van een vennootschap onder gemeenschappelijke naam, een vennootschap bij wijze van eenvoudige geldschieting of een burgerlijke vennootschap, verblijfhouder van Luxemburg, zijn in België slechts van belasting vrijgesteld voor zover het bewijs wordt geleverd dat die inkomsten ten name van de Belgische vennoot aan de Luxemburgse belasting werden onderworpen (slotprotocol, § 6, 2°, b). Over het algemeen wordt in Luxemburg immers geen belasting geheven over de inkomsten die een niet-verblijfhouder uit een dergelijke vennootschap behaalt, indien die inkomsten geacht worden voort te komen van winsten uit een buiten Luxemburg gelegen vaste inrichting.

5° Vermijding van dubbele verliescompensatie (art. 23, § 2, 5°, ov.).

66. Ten einde dubbele compensatie te vermijden van verliezen die een Belgische onderneming in haar Luxemburgse vaste inrichting heeft geleden, mag België belasting heffen van de winsten van die vaste inrichting, indien die winsten in Luxemburg niet werden belast doordat zij er werden gecompenseerd met verliezen die, voor enig aanslagjaar, ook van in België belastbare winsten werden afgetrokken. Een gelijkaardige bepaling komt in alle recente Belgische overeenkomsten voor en is toegelicht in circ. 920, nr. 39 (ov. van 10 maart 1964 met Frankrijk).

D. Vennoten van personenvennootschappen.

1° Vennoten van Belgische personenvennootschappen

67. De ov. brengt geen wijziging aan de kwalificatie die de inkomsten van vennoten in Belgische personenvennootschappen volgens het gemeen recht hebben. De verdragsregeling die op deze inkomsten van toepassing is, wordt dus bepaald door de aard van de inkomsten.

a) Inkomsten van belegde kapitalen.

68. Inkomsten van belegde kapitalen - daaronder begrepen interest van voorschotten aan de vennootschap - toegestaan door vennoten of door sommige leden van hun gezin (art. 15, lid 2, 2°, W.I.B.) - vallen onder dezelfde regeling als dividenden, op grond van art. 10, § 3, lid 2, 1°, ov. De R.V. is derhalve verschuldigd op inkomsten van belegde kapitalen die zijn toegekend aan verblijfhouders van Luxemburg, van België of van een derde land, ongeacht of de winst, waaruit die inkomsten worden betaald, in een Belgische dan wel in een Luxemburgse inrichting is behaald.

Weliswaar vindt de beperking van de R.V. tot 10 of tot 15 pct. ingevolge art. 10, § 2, ov., toepassing indien de vennoot verblijfhouder van Luxemburg is. Voor verblijfhouders van derde landen gelden eventueel de verminderingen waarin andere dubbelbelastingverdragen voorzien.

b) Inkomsten, die ALS WINST ten name van de vennoten BELASTBAAR ZIJN.

69. Deze inkomsten omvatten de bezoldigingen van werkend vennoot in het stelsel van de Ven.B., en het deel van de totale winst van de vennootschap dat ten name van elke vennoot belastbaar is in geval van optie (1).

Volgens art. 88, lid 1, 2°, W.I.B., zoals het door art. 22, W. 25.,6.1973, werd gewijzigd, worden de winsten uit het persoonlijk werk van vennoten in Belgische personenvennootschappen, voor de toepassing van de vermindering tot de helft van de P.B., geacht uit het buitenland voort te komen in de mate dat zij op de uitkomsten van buitenlandse inrichtingen worden toegerekend uit hoofde van de door de betrokkenen ten behoeve van die inrichtingen uitgevoerde werkzaamheden.

Daaruit volgt dat de vennoten, verblijfhouders of niet-verblijfhouders, van een Belgische personenvennootschap, die een vaste inrichting in Luxemburg heeft van Belgische belastingen zijn vrijgesteld ter zake van de winsten die zij in die vaste inrichting verwezenlijken, d.w.z. ter zake van de winsten die overeenstemmen met de door die vennoten ten behoeve van de Luxemburgse vaste inrichting uitgevoerde werkzaamheid en die op de uitkomsten van die inrichting worden toegerekend (art. 7, § 1, ov., en § 6, 2°, a, 1, slotprotocol).

------

(1) Het stelsel van de optie is, in elk geval, voor het aanslagjaar 1973 nog van toepassing op de Belgische personenvennootschappen met een inrichting in het buitenland.

70. Wanneer de maatschappelijke winst in geval van optie dividenden, interest of royalty's van Luxemburgse oorsprong bevat, moet aan de vennoten de verrekening van het F.B.B. worden toegekend voor het deel van die inkomsten dat op hun naam aan de belasting wordt onderworpen en, wat interest of bovenmatige royalty's betreft, voor zover in Luxemburg werkelijk belasting werd geheven (slotprotocol, § 6, 2°, a, 2).

71. Er wordt aan herinnerd dat de facultatieve vrijstelling van R.V. van 10 pct. op Luxemburgse dividenden, verkregen door een Belgische vennootschap, geen toepassing vindt bij personenvennootschappen die voor de P.B. hebben geopteerd (cf. nr. 60 hiervoren).

2° Vennoten van Luxemburgse personenvennootschappen.

72. In Luxemburg worden de vennootschappen onder gemeenschappelijke naam, de vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting en de burgerlijke vennootschappen niet beschouwd een eigen rechtspersoonlijkheid te bezitten (cf. nr. 1); volgens de Luxemburgse wetgeving zijn de vennoten persoonlijk belastbaar ter zake van hun deel in de maatschappelijke winst. Wanneer de vennoot geen verblijfhouder van Luxemburg is, is hij in dat land slechts aan beperkte belastingplicht onderworpen, wat insluit dat de Luxemburgse belasting slechts wordt geheven over dat gedeelte van zijn winstaandeel, dat volgens de Luxemburgse wetgeving wordt geacht overeen te stemmen met in Luxemburg behaalde winst (dus geen belasting op het deel dat overeenstemt met inkomsten uit in het buitenland gelegen onroerende goederen of met winst uit een buiten Luxemburg gelegen vaste inrichting, bv.).

Voor de toepassing van de Belgische belastingen, hebben de inkomsten die een verblijfhouder van België (natuurlijke persoon of vennootschap) verkrijgt in zijn hoedanigheid van vennoot van een personenvennootschap, verblijfhouder van Luxemburg, de aard van winsten (1)

------

(1) Met uitzondering evenwel van winstuitkeringen die een geldschieter uit hoofde van zijn deelneming in het bedrijfskapitaal van een onderneming naar rata van de winst verkrijgt en die als dividenden worden beschouwd (art. 10, § 3, lid 2°, ov.).

73. Onder de overeenkomst is dus in België de volgende regeling van toepassing :

a) Luxemburgse personenvennootschap zonder vaste inrichting in België

vrijstelling van de vennoot, verblijfhouder van België, voor de inkomsten die uit een Luxemburgse vaste inrichting voortkomen; wanneer de aan de Belgische vennoot toegekende inkomsten voortkomen uit winst die in een derde land is behaald, wordt vrijstelling verleend indien de belanghebbende aantoont dat die inkomsten volgens de Luxemburgse wetgeving belastbare inkomsten vertegenwoordigen (slotprotocol, § 6, 2°, b, ov.). De vennootschap zelf is niet belastbaar.

b) a) Luxemburgse personenvennootschap met vaste inrichting in België

belasting van de vennootschap in de B.N.V. -ven. op de winst van de Belgische vaste inrichting. Indien de vennoot werkzaamheden in die inrichting verricht en zijn bezoldigingen op de resultaten van die inrichting worden toegerekend : belasting van de vennootschap in de B.N.V.-ven. op de winst verminderd met de aan de Belgische vennoot toegekende bezoldiging; belasting van de vennoot in de P.B. op die bezoldiging.

E. Non-discriminatie (art. 24, ov.).

74. Op grond van de overeenkomst en in het bijzonder van art. 21, ov., zal België normaal met betrekking tot verblijfhouders van Luxemburg die in België (eventueel gedurende het door de interne wetgeving gestelde tijdvak) over een woning beschikken, afzien van de belastingheffing op een grondslag gelijk aan tweemaal het kadastraal inkomen van die woning.

75. Overeenkomstig artikel 24, § 4, ov., kunnen verblijfhouders van België, natuurlijke personen, die volgens de overeenkomst in Luxemburg belastbaar zijn ter zake van meer dan de helft van hun bedrijfsinkomen, in Luxemburg worden belast

- op hun volgens de artikelen 6, 7 en 13 tot 19, ov., aldaar belastbare inkomsten - tegen de gemiddelde aanslagvoet die, bij gelijke toestand op een verblijfhouder van Luxemburg van toepassing zou zijn.

Deze bepaling strekt ertoe aan de bovengenoemde verblijfhouders van België de regeling te verlenen die van toepassing is op verblijfhouders van Luxemburg, die in de regel hogere of andere verminderingen genieten dan die welke volgens het gemeen recht aan niet-verblijfhouders worden verleend Zij zal voor kunnen worden toegepast op in Luxemburg werkzame Belgische grensarbeiders (cf. nrs. 42 en 43 hiervoren).

Om deze regeling te verkrijgen, moeten de belanghebbenden zulks aanvragen bij het Belastingkantoor van Luxemburg III, C.M. Spoostraat 3, te Luxemburg, en dit na het verstrijken van het desbetreffende kalenderjaar.

In dit verband wordt verwezen naar het bericht in het Belgisch Staatsblad van 24 oktober 1973.

76. Artikel 24, § 5, ov., aangevuld door § 9 van het slotprotocol, regelt de belatingheffing in België van vennootschappen die verblijfhouder zijn van Luxemburg en van verenigingen van personen waarvan de plaats van werkelijke leiding in Luxemburg is gelegen, die in België een vaste inrichting hebben. Volgens § 9, lid 1, van het slotprotocol zijn die vennootschappen en verenigingen overeenkomstig het gemeen recht globaal aan de B.N.V. onderworpen op de door middel van hun vaste inrichting behaalde winsten.

77. Gezegd slotprotocol bedingt evenwel in § 9 lid 2 dat de last van de B.N.V. op die winsten niet hoger mag zijn dan de som van de verschillende belastingen, berekend tegen het gewone tarief die door een Belgische vennootschap zouden verschuldigd zijn op haar winsten en haar uitgedeelde inkomsten, ingeval die winsten dezelfde bestemming zouden krijgen als die van de Luxemburgse vennootschap of vereniging van personen.

Met het oog op de fictieve berekening van de R.V., bepaalt § 9, lid 3, van het slotprotocol op forfaitaire wijze het bedrag van de als uitgedeeld te beschouwen inkomsten waarop de R.V. tegen het tot 10 pct. verminderde tarief moet worden toegepast dit bedrag is gelijk aan de helft van het verschil tussen eensdeels de winst van de Belgische vaste inrichting en, anderdeels, het bedrag dat wordt bekomen door op die winst het normale tarief, in hoofdsom, van de Ven.B. op uitgedeelde winsten van Belgische vennootschappen toe te passen.

78. Voor het aanslagjaar 1973, leidt de combinatie van die bepalingen tot een B.N.V.-ven., in hoofdsom, tegen een tarief van

(100 -30) X 10

van 30 + -----------------, d.i. 33,5 pct. (in plaats van

2 X 100

35 pct. volgens het gemeen recht) ; de opcentiemen en opdeciemen moeten op dit tarief van 33,5 pct. berekend worden.

Met ingang van het aanslagjaar 1974, moet de B.N.V.-ven.

(100 -42) X 10

worden geïnd tegen een tarief van 42 +--------------------

2 X 100

d.i. 44,9 pct. (in plaats van 48 pct. volgens het gemeen recht).

F. Regeling voor onderling overleg (art. 25, ov.)

79. Art. 25, ov., voert een speciale regeling in, waardoor de bevoegde autoriteiten van de twee Staten met elkaar overleg kunnen plegen om in onderlinge overeenstemming gevallen van dubbele belastingheffing in strijd met de overeenkomst te regelen en twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de toepassing van de ov. op te lossen.

In het raam van die regeling kan een verblijfhouder van België - onverminderd de rechtsmiddelen van het gemeen recht - indien hij tegelijk door een belastingheffing in België en in Luxemburg wordt getroffen of bedreigd, aan de Belgische bevoegde autoriteiten schriftelijk een met redenen omkleed verzoek om herziening richten binnen een termijn van twee jaar vanaf de betekening of vanaf de inhouding aan de bron van de tweede aanslag.

80. Elk verzoek overeenkomstig art. 25, ov., tot herziening van een belastingheffing die in strijd met de overeenkomst wordt geacht, moet door verblijfhouders van België normaal worden ingediend bij de gewestelijke directeur der belastingen van het ambtsgebied waar de verzoekers hun woonplaats hebben. Dergelijke verzoeken die aan de Minister van Financiën of aan de Directeur-generaal der directe belastingen zijn gericht, worden echter eveneens beschouwd als zijnde geldig ingediend ten aanzien van art. 25.

81. In elk geval en overeenkomstig de gevestigde regels, is alleen het Hoofdbestuur bevoegd in verbinding te treden met de belastingadministratie van Luxemburg om de in art. 25, §§ 2, 3 en 4, ov. (of in enig ander artikel van de ov.), neergelegde regeling van onderling overleg in werking te stellen. Te dien einde moeten de gewestelijke directeurs de verzoeken, die bij hen zijn toegekomen, na onderzoek aan het Hoofdbestuur (Dir. I/3) zenden.

82. Indien de in België gevestigde aanslag ingevolge het onderling overleg als zijnde in strijd met de overeenkomst wordt beschouwd, dient de gewestelijke directeur van het ambtsgebied, waar de aanslag is gevestigd, uitspraak te doen over het verzoek om herziening.

G. Uitwisseling van inlichtingen (art. 26, ov.)

83. Binnen de aldaar gestelde perken, voorziet art. 26, ov., in de uitwisseling van inlichtingen tussen België en Luxemburg die nodig zijn voor de uitvoering van de overeenkomst en voor de toepassing van de nationale wetgeving in verband met de belastingen die onder de werking van de overeenkomst vallen en waarvan de heffing niet in strijd i met de overeenkomst.

84. Deze uitwisseling van inlichtingen kan uitsluitend op het vlak van het centrale besturen plaatsvinden. De plaatselijke diensten moeten hun eventuele aanvragen om inlichtingen aan het Hoofdbestuur (dir. I/3) richten. Zij mogen dus niet rechtstreeks inlichtingen bij de Luxemburgse belastingdiensten inwinnen; evenmin mogen zij ingaan op verzoeken om inlichtingen die hen vanwege de luxemburgse diensten rechtstreeks zouden bereiken.