06.09.2010 - Omzendbrief D.I. 521.103 - D.D. 300.188
DOUANEPROCEDURES
|
ALTERNATIEF BEWIJS BIJ AANZUIVERING REGELING DOUANEVERVOER | D.I. 521.103 |
D.D. 300.188 |
Brussel, 6 september 2010.
- Onderhavige omzendbrief wil eventuele misverstanden verhelpen inzake het overleggen van alternatieve bewijzen voor zen- dingen geplaatst onder de regeling communautair douanevervoer in- dien die regeling niet op een normale wijze wordt aangezuiverd.
- Overeenkomstig artikel 366, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 kan door de aangever ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs, dat de regeling binnen de in de aangifte gestelde termijn is beëindigd, worden gele- verd door de overlegging van een door de douane van de lidstaat van bestemming gewaarmerkt document waaruit blijkt dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming of, bij toepassing van artikel 406 van dezelfde verordening, bij de toegelaten geadresseerde zijn aangebracht.
Bon O.S.D. nr. A/I 133/10
2
Voor de gevallen waarbij het gaat om een Belgisch kantoor van bestemming zijn de bepalingen in § 126 t/m 128 van de omzendbrief “Toepassing van het NCTS” van 15 juli 2004, nr. D.D. 254.361 (D.I. 521.103) terzake van toepassing. Op verzoek van de aangever viseert de bevoegde ambtenaar van het kantoor van bestemming een fotokopie van het begeleidingsdocument waarop de vermelding “Alternatief bewijs-99209” voorkomt door vermelding van de datum, zijn handtekening en een afdruk van het kantoorstempel als bewijs van beëindiging van de regeling in het kader van het NCTS.
In het geval de noodprocedure NCTS van toepassing is wor- den deze vermeldingen aangebracht op hetzij een afschrift van exem- plaar 5 van het T-document, hetzij op een kopie van de aangifte doaunevervoer afgedrukt op blanco papier.
- Wanneer geen beroep werd gedaan op de mogelijkheid van alternatief bewijs voorzien in cijfer 2, hiervoor, kan, overeenkomstig artikel 366, lid 2 van voormelde verordening de regeling communau- tair douanevervoer eveneens als beëindigd beschouwd worden wan- neer de aangever ten genoegen van de douaneautoriteiten één van de volgende documenten ter identificatie van de goederen overlegt :
a) een in een derde land opgesteld douanedocument waaruit blijkt dat de goederen een douanebestemming hebben gekregen;
b) een in een derde land opgesteld document dat is geviseerd door de douaneautoriteiten van dat land en waarin wordt bevestigd dat de goederen worden geacht zich in dat land in het vrije verkeer te bevinden.
- Overeenkomstig artikel 366, lid 3 van voormelde verorde- ning kunnen de in punt 3 hiervoor genoemde documenten worden vervangen door kopieën of fotokopieën die voor conform zijn ge- waarmerkt door de instantie die de originele documenten heeft geviseerd, door de autoriteiten van de betrokken derde landen of de autoriteiten van één van de lidstaten van de Europese Unie.
3
- In geen geval mag worden verward met de alternatieve bewijzen die, overeenkomstig de bepalingen in § 29 (punt 6.3.2.) van de omzendbrief “Export Controle System” van 25 juli 2007, nr. D.D. 277.560 (D.I. 537.02), mogen worden voorgelegd door de exporteur of aangever en waaruit blijkt dat de goederen het douane- gebied van de Gemeenschap hebben verlaten.
- Buiten de hiervoor aangehaalde mogelijke alternatieve be- wijzen kunnen geen andere soorten bewijsstukken worden aanvaard. In de gevallen waarbij de aan de aangever afgeleverde alternatieve bewijzen niet door, hetzij de autoriteiten van de lidstaat van be- stemming van het douanevervoer of hetzij door de autoriteiten van een derde land waarnaar de goederen werden gezonden werden ge- waarmerkt of geviseerd, kan uitzonderlijk door de Centrale Admini- stratie bij de betrokken autoriteiten daarom worden verzocht.
Voor de Administrateur-generaal Douane en Accijnzen : De d.d. Auditeur-generaal van financiën,
G. CAPIAU
