Circulaire nr. Ci.RH.84/346.127 dd. 16.12.1983
Bull. nr. 624, pag. 81
TAXATIE BIJ VERGELIJKING
Algemeen
TAXATIE VOLGENS FEITELIJKE VERMOEDENS
Algemeen
Sinds enige tijd zijn meer en meer betwistingen gerezen met betrekking tot de aanslagprocedure, inzonderheid wat de bijzondere methode van bewijsvoering betreft via wettelijke en feitelijke vermoedens. Zijn de hierover door de Hoven van beroep gevelde arresten - die dikwijls in feite zijn gewezen - nogal uiteenlopend, dan heeft het Hof van cassatie daarentegen in verscheidene arresten duidelijk een aantal algemene regels aangegeven die ter zake toepasselijk zijn.
Hoewel de administratie nog maar onlangs in de Handleiding "Taxatie" de circ. 19.5.1978, nr. Ci.RH.84/299.760, heeft ingelast gewijd aan de algemene bewijsmiddelen en inzonderheid aan het probleem van de vermoedens, toch meent ze dat die recente rechtspraak van het opperste gerechtshof een volledige herwerking van het gedeelte van de Com.IB betreffende de feitelijke vermoedens alsook de invoeging van nieuwe preciseringen in het gedeelte betreffende het wettelijk vermoeden dat de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen is (art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92) rechtvaardigt.
Het gebeurt inderdaad nog al te vaak dat geen klaar en duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen loutere veronderstellingen, die ongetwijfeld logisch zijn maar zonder bijzondere bewijskracht, en de werkelijke vermoedens, wettelijke en feitelijke die bewijsmiddelen zijn, voorgeschreven en georganiseerd door de wet (burgerlijk en fiscaal) en waarvan de regels moeten worden nageleefd, indien men wil dat de hoven die bewijzen aanvaarden.
Als bijlage bij deze circulaire gaat de tekst van die wijzigingen welke eerlang in de Com.IB zullen worden ingevoegd en in de rubriek Rechtspraak van dit bulletin, een afschrift van de hiervoor bedoelde cassatiearresten.
BIJLAGE
De nrs. 246/41 tot 52 van de Com.IB, met betrekking tot de feitelijke vermoedens, worden vervangen door de volgende tekst :
2° Feitelijke vermoedens
a) ALGEMEEN
246/41 De feitelijke vermoedens zijn een bewijsmiddel dat, zelfs indien het inzake inkomstenbelastingen wordt gebruikt, bij gebreke aan afwijkende bepalingen in de belastingwetgeving, uitsluitend wordt beheerst door het gemeen recht. Het betreft, zoals in het geval van de voormelde wettelijke vermoedens, een gevolgtrekking afgeleid uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit; maar, ditmaal is de redenering tot stand gebracht, niet meer door de wet zelf zoals dat het geval is bij de reeds genoemde wettelijke vermoedens, maar wel door de aanslagambtenaar, onder de eventuele controle van de gewestelijke directeur belast met het onderzoek van een bezwaarschrift, of van de magistraat van het Hof van beroep in geval van voorziening in beroep.
246/42 De in het onderhavige geval toepasselijke wetsbepaling is art. 1353 van het Burgerlijk Wetboek dat als volgt luidt : "Vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waar de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen".
b) KENMERKEN EN BEWIJSKRACHT VAN DE FEITELIJKE VERMOEDENS
246/43 Art. 1353 van het Burgerlijk Wetboek bevat twee belangrijke elementen :
c) BESTANDDELEN VAN HET FEITELIJK VERMOEDEN
246/44 De wettelijke geldigheidsvoorwaarden voor een feitelijk vermoeden zijn :
1. Bekende feiten
246/45 De feiten of elementen die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, moeten bekend en zeker zijn en moeten op wettige wijze aangetoond zijn. Men kan niet genoeg drukken op het naleven van die voorwaarde die essentieel is opdat het vermoeden een ernstige kans zou maken om door de rechter te worden aanvaard.
In dat opzicht moet worden onderstreept dat een vermoeden, zelfs wettelijk gevestigd, in geen geval het bekend feit of element kan zijn waarop een nieuw vermoeden zou kunnen worden gesteund. Aldus mag geen reeks van op elkaar steunende vermoedens tot stand worden gebracht.
246/46 Er werd gevonnist dat :
246/47 In dit verband werd gevonnist dat :
246/48 In dit verband werd gevonnist dat :
2. Gerechtvaardigde gevolgtrekkingen
245/50 De ambtenaar die feitelijke vermoedens aanvoert, moet uit de bekende en vaststaande feiten waarover hij beschikt het onbekend feit dat hij wil aantonen, afleiden. Die redenering moet natuurlijk logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot rechtspraak.
Er werd gevonnist dat :
245/51 Wat betreft de controle die het Hof van cassatie in deze aangelegenheid kan uitoefenen, heeft die hoge rechtsmacht in haar arrest van 5.11.1981 inzake Ledent (B. 624) beslist dat, hoewel de feitenrechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, overgelaten worden aan zijn oordeel en aan zijn beleid, hij nochtans, bij deze tweevoudige gelegenheid, het juridisch begrip "feitelijke vermoeden" waarvan de eerbiediging is onderworpen aan het toezicht van het Hof van cassatie, niet mag miskennen of denatureren.
Wat inzonderheid de door de rechter uit de door hem vastgestelde feiten afgeleide gevolgtrekkingen betreft, mag het Hof van cassatie, dat dus niet in de plaats mag treden van die rechter om na te gaan en te beslissen of de gevolgtrekkingen die hij heeft gemaakt al dan niet gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn, daarentegen oordelen of hij het wettelijk begrip van het feitelijk vermoeden niet miskent of denatureert, hetgeen hij zou doen indien hij uit de door hem vastgestelde feiten gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen enkel verband houden of waarvan de grondslag helemaal niet kan worden verantwoord.
In dat opzicht kan het Hof van cassatie zich niet uitspreken over een grief waarin enkel wordt aangevoerd dat de gevolgtrekking of de gevolgtrekkingen niet logisch zijn.
e) BIJZONDERE GEVALLEN
1. Vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen
246/52 Wanneer men, bij de vestiging van de aanslag van een belastingplichtige voor een bepaald aanslagjaar, gebruik maakt van een redenering die erin bestaat de toestand van die belastingplichtige te vergelijken met die van één of meer soortgelijke belastingplichtige, die hun beroep in dezelfde voorwaarden uitoefenen, gebruikt men een vermoeden, in de algemene betekenis van het woord (art. 1349 Burgerlijk Wetboek).
Dat vermoeden wordt een wettelijk vermoeden door art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92, in het geval waar het geheel van de belastbare grondslag aldus wordt bepaald en het gebruik van dat vermoeden is, in dat geval, onderworpen aan de bijzondere toepassingsvoorwaarden gesteld in die wetsbepaling. Indien daarentegen slechts een element van de belastbare grondslag wordt bepaald via zulke redenering, dan staat men voor een louter feitelijk vermoeden waarvan het gebruik toegelaten is krachtens art. 246 WIB (oud), art. 340 WIB 92, en waarvan de toepassing beheerst wordt door de regels van het gemeen recht (art. 1353 Burgerlijk Wetboek).
246/52.1 Dit werd bevestigd door het Hof van cassatie dat herhaaldelijk besliste dat "wanneer de vergelijking met de normale winsten of baten van soortgelijke belastingplichtigen enkel aangewend wordt om een gegeven te bepalen dat dient voor het vaststellen van de belastbare grondslag, geen gebruik wordt gemaakt van het bijzonder bewijsmiddel van art. 248 WIB, (oud), art. 342 WIB 92, maar enkel van een feitelijke vermoeden dat aan het oordeel en aan het beleid van de rechter wordt overgelaten : dat zulks het geval is ongeacht de kwalificatie die door het arrest (of voordien door de belastingambtenaren) wordt gegeven aan het bewijs bij beperkte vergelijking die het hanteert". (Cass. 4.3.1969, Carrosserie Ricker, B. 470, blz. 103 - 25.2.1982, Frémont, B. 624).
246/52.2 Slechts wanneer de vergelijking wordt aangewend ter bepalingen niet van een element dienstig tot vaststelling van de belastbare grondslag, maar van de belastbare grondslag zelf, wordt de bijzondere methode van bewijsvoering gesteld in art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 toegepast (z. 248/2).
Het is nodig goed dat onderscheid te maken en steeds uitdrukkelijk te steunen op de wettelijke bepaling die, volgens het geval toepasselijk is, met inachtneming van de door het Hof van cassatie gestelde regel.
246/52.6 Daarentegen aangezien in dat geval, de vergelijking door de wet wordt overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, is het nodig bijzonder aandachtig te zijn bij de vaststelling van het bekend feit dat als grondslag van het vermoeden dient. Men mag er zich niet toe beperken, fiches of tabellen betreffende het bij de soortgelijke belastingplichtige of belastingplichtigen verzamelde gegeven voor te brengen daar zulke documenten voor het Opperste Hof het bewijs niet leveren van het bekend en vaststaand karakter van het feit dat als grondslag van het vermoeden dient.
246/52.7 Derhalve moeten in dat geval de volgende regels in acht worden genomen :
246/52.8 Het bewijs door loutere feitelijke vermoedens, dat een belastingplichtige die gedurende het betrokken aanslagjaar over belangrijke geldmiddelen heeft beschikt, daaruit belastbare inkomsten zou hebben gehaald, moet met omzichtigheid en bijzondere zorg worden aangetoond.
In dergelijke gevallen moet het te leveren bewijs steunen op een geheel van aanwijzingen die even zoveel feitelijke vermoedens vormen die het bestaan het het bedrag van de belastbare inkomsten verantwoorden. De toepassing van het enig vermoeden dat het ondenkbaar zou zijn dat een persoon belangrijke sommen bij zich in bewaring zou houden zodat ze improduktief blijven, is geen afdoend bewijs.
246/52.9 Ten einde de feitenrechter, die hoe dan ook steeds de waarde van het ingeroepen bewijs op onaantastbare wijze zal beoordelen, te overtuigen moet worden gezocht of men rekening houdend met de omstandigheden eigen aan ieder geval, voldoende vaststaande elementen kan vinden om een vermoeden over het gebruik en het rendement van de betwiste sommen te gronden dat voldoende gewichtig, bepaald en overeenstemmend is.
In dat opzicht is de rechtspraak van de Hoven van beroep zeer uiteenlopend : het cassatiearrest van 19.11.1982 Hardy-Spirlet (B. 613, blz. 154) geeft echter interessante aanwijzingen.
f) TEGENBEWIJS
246/52.10 Wanneer de administratie feitelijke vermoedens gebruikt heeft, berust het tegenbewijs bij de belastingplichtige; dat wordt slechts geleverd indien deze tegenover de door de administratie aangevoerde vermoedens, afdoende gegevens inbrengt (Cass. 8.12.1959, Vandenberghe, Pas. 1960, I, 412).
De nrs. 248/1 tot 57 van de Com.IB met betrekking tot de taxatie bij vergelijking, worden vervangen door de volgende tekst :
I. TAXATIE BIJ VERGELIJKING
248/1 De raming van de inkomsten door vergelijking is een bewijsvoering door vermoedens, waarin de belastingwet uitdrukkelijk voorziet (zie 246/36 en 37).
Het gaat derhalve om een bijzonder bewijsmiddel bestaande uit een wettelijk vermoeden (Cass. 20.2.1968, P.V.B.A. Tegelfabriek R.G. Rousseau, Pas. 1968, I, blz. 775).
248/2 Er moet nochtans worden opgemerkt dat de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen, naargelang het geval, hetzij het hiervoren vermeld wettelijk vermoeden hetzij een louter feitelijk vermoeden bedoeld in art. 246 WIB (oud), art. 340 WIB 92, kan zijn (z. 246/52).
Het antwoord op de vraag welke van deze twee bewijsmiddelen men toepast bij het gebruik van de vergelijking, hangt in hoofdzaak af van wat bewezen moet worden. In een vaste rechtspraak heeft het Hof van cassatie inderdaad beslist dat, indien de vergelijking wordt gebruikt ter bepaling van de belastbare grondslag zelf, men noodzakelijkerwijze gebruik maakt van de bijzondere methode van bewijsvoering bepaald in art. 248(oud), art. 342 WIB 92; dat zulks trouwens het geval is ongeacht de kwalificatie die wordt gegeven aan de toegepaste bewijsvoering. Wanneer men echter de vergelijking toepast om enkel een element dienstig voor de vaststelling van de belastbare grondslag te bepalen, hanteert men noodzakelijkerwijze een feitelijk vermoeden beoogd in art. 246 WIB (oud), art. 340 WIB 92 (Cass. 4.3.1969, Carosserie Ricker, Pas. 1969, I, 596 - 25.2.1982, Gorissen, B. 624).
248/3 Wanneer men de vergelijking gebruikt om een element van de belastbare grondslag te bepalen mag de rechter op onaantastbare wijze en met de zekerheid en voorzichtigheid die art. 1353 van het Burgerlijk Wetboek vereist, de geldigheid van het feitelijk vermoeden, dat de vergelijking in dat geval vormt, beoordelen.
Daarentegen mag de rechter binnen het raam van het wettelijk vermoeden ingesteld bij art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 enkel oordelen of de toepassingsvoorwaarden van die bepaling werden nageleefd (ontbreken van bewijskrachtige bescheiden, aantal en soortgelijkheid van de vergelijkingspunten, normaal karakter van de winsten of baten van de soortgelijke belastingplichtigen); hij kan ook, uitgezonderd in geval van aanslag van ambtswege, het netto, het bruto of semi-bruto-inkomen van de belastingplichtige aanpassen rekening houdend met bijzonderheden eigen aan die belastingplichtige.
Maar ingeval alle voorwaarden en toepassingsregelen van art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 werden nageleefd, wordt aan de rechter de vrijheid van beoordeling ontnomen die hem in het kader van de vergelijking van art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 wordt toegekend ter zake van het feitelijk vermoeden; in dat geval wordt hem het principe en de waarde van het wettelijk vermoeden opgedrongen.
248/4 Of de belastingplichtige handelaar, industrieel, landbouwer of beoefenaar van een vrij beroep, ambt of post is, de administratie mag slechts tot de taxatie bij vergelijking overgaan op voorwaarde dat ze het gebrek aan bewijskrachtige gegevens bewijst of dat ze aantoont door een der bewijsmiddelen die haar ter beschikking zijn gesteld, dat de door de belastingplichtige voorgelegde gegevens niet bewijskrachtig zijn.
Evenwel wordt erop aangedrongen dat op dit laatste bewijs te leveren de administratie in geen enkel geval mag steunen op de uitslag van de vergelijking ingesteld door art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 (Cass. 12.11.1980, Toussaint, Pas. 1981, I, 302).
Anderzijds moet bedoeld bewijs worden geleverd vóór de taxatie en de administratie mag in een later stadium van de vestiging van de aanslag (bezwaar, beroep) het gebrek aan bewijskrachtige gegevens niet aantonen zonder een onwettigheid te begaan.
248/5 Ter zake wordt verwezen :
In dergelijk geval moet het tussen de werkelijke winstmarge en de normale winstmarge bestaande verschil kunnen worden gerechtvaardigd door de in de boekhouding gedane vaststellingen (zie PV nr. 69 van de Hr. Parisis, van 1.3.1955, B.V.A. Kamer, zitting 1954-1955, blz. 456 - 457) (in dezelfde zin ; 246/27).
248/7 Art. 248, § 1, WIB (oud), art. 342, § 1, WIB 92, legt de vergelijking op met "soortgelijke belastingplichtigen".
248/8 Dienaangaande werd gevonnist :
248/8.1 Uit de enkele omstandigheid dat de vergelijkingspunten verschillende percenten van brutowinst ten opzichte van hun inkopen doen uitkomen, vloeit niet voort dat de vergelijkingspunten niet gelijksoortig zijn (Cass., 30.3.1965, P.V.B.A. "Relais du Comte Jean", B. 427, blz. 240).
De feitenrechter heeft soeverein in feite kunnen oordelen dat de vergelijkingspunten soortgelijk zijn en heeft daaruit afgeleid dat, gelet op die soortgelijkheid, het gemiddelde van de vergeleken winsten de meeste waarborg bood (Cass., 30.3.1965, P.V.B.A. "Relais du Comte Jean", B. 427, blz. 240).
De feitenrechter is niet verplicht de factoren nader te bepalen die het verschil van de brutowinstmarges rechtvaardigen; hij moet evenmin aantonen dat de belastingplichtige in betere omstandigheden heeft geëxploiteerd dan de vergelijkingspunten waarvan de winstmarges of wel gelijk zijn aan of wel lager zijn dan die welke door hem worden aangegeven. Het bepalen van de belastbare inkomsten bij vergelijking sluit inderdaad niet in zich dat de administratie voor de vaststelling van de belastbare grondslag niet mag steunen op een hogere winstmarge dan die welke voor enkele van de vergelijkingspunten werd aangenomen (Cass., 18.10.1966, Defour, B. 447, blz. 2124).
248/9 Er werd gevonnist :
248/10 Wanneer de belastingplichtige handel drijft in produkten van uiteenlopende aard die in onderscheiden handelszaken zouden kunnen worden verhandeld, hoeft de aanslagambtenaar die de vergelijkingsmethode toepast, de winsten niet uit te splitsen die op elke soort van produkten betrekking hebben, noch de vergelijking te beperken tot de inkomsten van belastingplichtigen die een handel zouden drijven in alle waren die de belastingplichtige in zijn handelszaak verhandelt (Cass., 10.1.1956, Gillot, Pas. 1956, I, 443).
248/11 Er blijkt noch uit art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, noch uit enige andere wettelijke bepaling dat de soortgelijke belastingplichtigen slechts degenen mogen zijn wier in aanmerking te nemen beroepswerkzaamheid werd uitgeoefend gedurende gans de duur van het tijdperk waarin de belastingplichtige de belastbare winsten of baten verkreeg; aldus mag het feit dat de belastingplichtige, in tegenstelling met zijn concurrenten, zijn geschriften afsluit op een andere datum dan deze laatsten, geen hinderpaal vormen voor de vergelijking (Cass. 3.2.1959, Ramis, Pas. 1959, I, 568; 17.1.1961, V.G.N. Entreprises Foulon, B. 379, blz. 1620).
248/12 De procedure van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, onderstelt dat de belastbare winsten van een bepaalde persoon, voor een belastbaar tijdperk, worden vastgesteld bij vergelijking met die welke voor hetzelfde tijdperk door soortgelijke belastingplichtigen werden behaald. Er is immers niet voldaan aan de bewijskracht van het vermoeden, gehecht aan de vergelijking, wanneer de vergeleken inkomsten geen betrekking hebben op hetzelfde aanslagjaar (Luik, 18.1.1955, Defays).
Evenwel verzet het eenjarigheidsbeginsel van de belasting zich niet tegen het feit dat de beroepsresultaten van de betrokken belastingplichtige over een voorgaand of volgend jaar dan datgene dat wordt onderzocht, in aanmerking zouden worden genomen als bij art. 248? WIB bedoelde "alle andere nuttige inlichtingen" (Cass. 25.9.1981, De Sutter).
In dezelfde gedachtengang werd nog gevonnist dat, noch het eenjarigheidsbeginsel, noch de beschikkingen van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, zich ertegen verzetten dat de administratie het resultaat uitgewezen wordt door een vergelijking zou verminderen door rekening te houden met andere nuttige inlichtingen, zoals het feitelijke vermoeden dat blijkt uit het onderzoek van vorige aanslagjaren van de betrokken belastingplichtige (Brussel, 31.5.1976, S.V. Pharmacies Coopéeratives Bruxelloises, B. 556, blz. 2185).
248/13 Art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, bepaalt dat de vergelijking moet betrekking hebben op de normale winsten en baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen.
248/14 De ontstentenis van bewijskrachtige gegevens verstrekt door de belastingplichtige, kan de administratie niet ontheffen van de verplichting de aanslag te steunen op concrete gegevens waarvan de minste zijn opgesomd in art. 248 WIB (oud), art. 342, WIB 92. Elke aanslag die niet aan dergelijke vereiste voldoet, is willekeurig en bijgevolg onwettelijk (Brussel, 23.2.1944, "Société Cinétave"; Luik, 11.3.1944, Reynders).
248/15 Wordt de vergelijkingsprocedure aangewend, dan is het nodig dat de vermoedelijke winsten of baten werkelijk steunen op de vergelijking van sommige gegevens, geput uit de aangifte of ingewonnen naar aanleiding van enquêtes, met de gegevens van dezelfde aard betreffende soortgelijke belastingplichtigen. De aanslagambtenaar mag noch eigenmachtig, noch willekeurig te werk gaan en hij moet ervoor zorgen dat zijn aanslagen op een veilige en beredeneerde techniek zijn gegrond.
Te dien einde rusten op hem de onderstaande plichten :
Alleen een overeenkomstig die richtsnoeren uitgevoerde vergelijking voldoet aan de vereisten van de wet; ze sluit het bewijs in zich dat de belaste inkomsten een normaal karakter hebben.
248/16 De Hoven hebben tal van arresten gewezen omtrent de gegevens die bij de vergelijking kunnen dienen. Ze strekken ertoe de regels van die keuze vast te leggen, zodanig dat de toestanden waarmee men het geval van een belastingplichtige vergelijkt degelijk overeenstemmen en in de hoogst mogelijke mate verwantschap vertonen, rekening houdende met de in art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, opgesomde produktiviteitscriteria.
248/17 De gegevens tot vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen zoals ze in art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, zijn opgesomd, blijken louter tot voorbeeld te strekken, zoals mag worden afgeleid uit de termen van die wetsbepaling : "volgens het geval" en "alsmede van alle andere nuttige inlichtingen" (Cass. 4.3.1952, Dotremont, Pas. 1952, I, 410).
248/18 Bewuste gegevens moeten geenszins worden samengevoegd en mogen zelfs afzonderlijk in aanmerking worden genomen (Brussel, 26.6.1952, Duchâteau).
248/19 De administratie mag slechts rekening houden met alle nuttige inlichtingen die zich lenen tot het vaststellen van de belastbare winsten, zoals uitdrukkelijk werd bepaald door art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92; aldus, is het voor de administratie niet mogelijk de belastbare winst van een kunstschilder te bepalen naar de normale winsten van soortgelijke belastingplichtigen. De waarde van een schilderij hangt, inderdaad, uitsluitend af van omstandigheden die eigen zijn aan de kunstschilder : zijn talent, zijn faam, de smaak van het publiek, de publiciteit, enz. (Brussel, 21.11.1950, Sterck).
248/20 Voor een andere kant, is het bepalen van de belastbare inkomsten door vergelijking met de bruto- of semi-brutowinsten van soortgelijke belastingplichtigen niet uitgesloten door art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, hetwelk niet vereist dat het nettobedrag van de inkomsten wordt bepaald door verwijzing naar het nettobedrag van de inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen, maar beveelt rekening te houden, naar gelang van het geval, met concrete en bekende gegevens om de voor het bepalen van de belastbare winst bij de wet ingestelde wijze aan te passen aan de bijzonderheden eigen aan het geval (Cass., 27.3.1962, Vajda, Pas. 1962, I, 832, B. 391, blz. 1900 - 28.1.1982, Descamps, B. 624).
Er wordt echter gepreciseerd dat, zo art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, de bepaling van de belastbare inkomsten door vergelijking met de bruto- of semi-bruto-inkomsten van gelijksoortige belastingplichtigen niet uitsluit, de administratie dan toch nog, als ze dergelijke taxatiemethode aanwendt, de redenen moet vermelden waarom ze aldus handelt, door aan te voeren dat een vergelijking van de nettowinst van de typebelastingplichtigen met die van de te belasten belastingplichtige niet gegrond is door het feit dat er gevoelige verschillen bestaan tussen de beroepslasten wat zowel hun aard als hun bedrag betreft (verschil in het bedrag van de uitbetaalde lonen, huurgelden, al dan niet gebruik van een autovoertuig voor het beroep, enz...).
248/21 Noch art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, noch enige andere wettelijke bepaling sluit van de vergelijkingspunten de inkomsten uit van soortgelijke belastingplichtigen wier aanslag werd gevestigd ingevolge een bericht van wijziging of een aanslag van ambtswege op een geraamd bedrag, zonder aanleiding te hebben gegeven tot een bezwaarschrift in de vormen en termijnen bij de wet bepaald (Cass., 25.10.1955, Quinet, Pas. 1956, I, 172, 11.10.1956, Harigo, Pas. 1957, I, 129).
Daarentegen past het niet als vergelijkingspunten belastingplichtigen te kiezen waarvan de aanslag op het ogenblik van deze vergelijking wordt betwist.
248/22 De beslissing is verantwoord naar recht wanneer het arrest dat, op eisers verweer ten betoge dat hij niet was ingelicht nopens de wijze waarop de als vergelijkingspunten in aanmerking genomen inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen gevestigd en berekend werden, antwoordt dat de belastingplichtige die bij vergelijking wordt aangeslagen, de inkomsten van de als vergelijkingspunten gekozen soortgelijke belastingplichtigen niet mag betwisten en evenmin de wijze waarop die inkomsten zijn vastgelegd (Cass., 28.1.1982, Descamps, B. 624).
248/23 Wanneer een landbouwer verzuimt het juiste bedrag van de winst die hij in zijn landbouwbedrijf heeft behaald, door middel van een boekhouding of bewijskrachtige gegevens te staven, mag de administratie bedoelde winsten forfaitair bepalen volgens een schaal die ze heeft opgemaakt met inachtneming van het gemiddelde rendement van de oogsten, van de opbrengst van de tot de veestapel behorende dieren en van de in de verschillende streken van de provincie bepaalde prijzen alsmede van de diverse beroepskosten (Luik, 16.1.1942, Dethise, S.V.R., IX, blz. 17 - B. 171, blz. 144).
Evenzo, is de administratie bij gebreke van bewijskrachtige gegevens en zelfs indien de betrokkene de toepassing van de in overleg met de beroepsgroeperingen opgestelde forfaitaire grondslagen niet heeft aangenomen, gemachtigd om de aanslag van een belastingplichtige te vestigen op een inkomen, dat overeenkomstig die grondslagen werd vastgesteld; die handelwijze is een bijzondere toepassing van het algemene beginsel van de taxatie bij vergelijking, die door art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92, werd ingesteld (Cass., 18.12.1956, Leonard, Pas. 1957, I, 422) (zie eveneens 248/76).
248/24 De economische waarde van een prestatie wordt normaal weergegeven door het voor die prestatie uitbetaalde loon. De winstmarge kan dan ook worden bepaald rekening houdend met het gezamenlijk bedrag van de uitbetaalde lonen, zonder onderscheid te maken tussen de geschoolde en niet geschoolde werkkrachten, vermits het tekort aan rendement en de mindere bezoldiging tegen elkaar opwegen (Gent, 28.11.1951, Tige).
248/25 tot 26.1 ...
248/27 tot 49 ...
248/50 Om aan te tonen dat de vergelijkingsmethode oordeelkundig werd toegepast, voegt de Hfd.cr. bij het aanslagdossier een omstandige nota (model 276 A), waarin voor ieder van de als vergelijkingspunt in aanmerking genomen belastingplichtigen, de criteria en gegevens worden vermeld die de soortgelijkheid in de uitoefening van het beroep, de handel of de nijverheid, aantonen.
De voor- en keerzijde van het drukwerk 276 A moet behoorlijk zijn ingevuld, ten einde het Hof van beroep, in geval van voorziening, in staat te stellen zijn controle met kennis van zaken uit te oefenen.
248/51 en 52 ...
248/53 De waarde van het vermoeden dat de wet aan de vergelijking met de toestand van soortgelijke belastingplichtigen toekent is niet afhankelijk van de identificatie van die belastingplichtigen en de administratie is er niet toe gehouden de identiteit van deze laatste kenbaar te maken (Brussel, 18.10.1939, De Vries; 9.10.1940, Klaasen en Janssens; 24.2.1942, Gosselin; Luik; 4.5.1951, Thommis; 4.4.1952, Hous; 24.12.1952, Destexhe, en Gent, 11.2.1953 Mortier).
Deze rechtspraak is bovendien gegrond op de bepalingen van art. 244, WIB (oud), art. 337, WIB 92, die aan de ambtenaren en beambten de volstrekte geheimhouding opleggen aangaande de winsten van de belastingplichtigen.
248/54 Er werd eveneens gevonnist :
248/55 ...
248/56 De directeur bij wie een ontvankelijk bezwaarschrift aanhangig is gemaakt, heeft het recht nieuwe belastingplichtigen, wier toestand meer soortgelijkheid met die van reclamant vertoont, in de plaats te stellen van de door de Hfd.cr. gekozen vergelijkingspunten (zie 276/21).
In dit laatste geval moet het Hof van beroep, waarbij de directoriale beslissing aanhangig is gemaakt, de aanslag beoordelen rekening houdend met de wijzigingen die de directeur er wettelijk heeft aangebracht en het is bijgevolg zonder belang op te zoeken of, op het ogenblik van de vestiging van de aanslag, de taxatieambtenaar over verscheidene vergelijkingspunten beschikte, d.w.z. of hij de vergelijkingspunten kon rechtvaardigen, aan de hand van bewijsstukken, die door hem werden ingeroepen tot staving van een bericht van wijziging (Cass., 6.9.1960, V.G.N. "Durys et Godeau" in vereffening, B. 374, blz. 585).
248/57 Gevonnist dat :
TAXATIE BIJ VERGELIJKING
Algemeen
TAXATIE VOLGENS FEITELIJKE VERMOEDENS
Algemeen
Sinds enige tijd zijn meer en meer betwistingen gerezen met betrekking tot de aanslagprocedure, inzonderheid wat de bijzondere methode van bewijsvoering betreft via wettelijke en feitelijke vermoedens. Zijn de hierover door de Hoven van beroep gevelde arresten - die dikwijls in feite zijn gewezen - nogal uiteenlopend, dan heeft het Hof van cassatie daarentegen in verscheidene arresten duidelijk een aantal algemene regels aangegeven die ter zake toepasselijk zijn.
Hoewel de administratie nog maar onlangs in de Handleiding "Taxatie" de circ. 19.5.1978, nr. Ci.RH.84/299.760, heeft ingelast gewijd aan de algemene bewijsmiddelen en inzonderheid aan het probleem van de vermoedens, toch meent ze dat die recente rechtspraak van het opperste gerechtshof een volledige herwerking van het gedeelte van de Com.IB betreffende de feitelijke vermoedens alsook de invoeging van nieuwe preciseringen in het gedeelte betreffende het wettelijk vermoeden dat de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen is (art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92) rechtvaardigt.
Het gebeurt inderdaad nog al te vaak dat geen klaar en duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen loutere veronderstellingen, die ongetwijfeld logisch zijn maar zonder bijzondere bewijskracht, en de werkelijke vermoedens, wettelijke en feitelijke die bewijsmiddelen zijn, voorgeschreven en georganiseerd door de wet (burgerlijk en fiscaal) en waarvan de regels moeten worden nageleefd, indien men wil dat de hoven die bewijzen aanvaarden.
Als bijlage bij deze circulaire gaat de tekst van die wijzigingen welke eerlang in de Com.IB zullen worden ingevoegd en in de rubriek Rechtspraak van dit bulletin, een afschrift van de hiervoor bedoelde cassatiearresten.
BIJLAGE
De nrs. 246/41 tot 52 van de Com.IB, met betrekking tot de feitelijke vermoedens, worden vervangen door de volgende tekst :
2° Feitelijke vermoedens
a) ALGEMEEN
246/41 De feitelijke vermoedens zijn een bewijsmiddel dat, zelfs indien het inzake inkomstenbelastingen wordt gebruikt, bij gebreke aan afwijkende bepalingen in de belastingwetgeving, uitsluitend wordt beheerst door het gemeen recht. Het betreft, zoals in het geval van de voormelde wettelijke vermoedens, een gevolgtrekking afgeleid uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit; maar, ditmaal is de redenering tot stand gebracht, niet meer door de wet zelf zoals dat het geval is bij de reeds genoemde wettelijke vermoedens, maar wel door de aanslagambtenaar, onder de eventuele controle van de gewestelijke directeur belast met het onderzoek van een bezwaarschrift, of van de magistraat van het Hof van beroep in geval van voorziening in beroep.
246/42 De in het onderhavige geval toepasselijke wetsbepaling is art. 1353 van het Burgerlijk Wetboek dat als volgt luidt : "Vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waar de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen".
b) KENMERKEN EN BEWIJSKRACHT VAN DE FEITELIJKE VERMOEDENS
246/43 Art. 1353 van het Burgerlijk Wetboek bevat twee belangrijke elementen :
- enerzijds geeft het de kenmerken aan waaraan de feitelijke vermoedens moeten voldoen :
- ze moeten "gewichtig" zijn, d.w.z. dat ze voldoende doorslaggevend moeten zijn om de overtuiging te vormen;
- ze moeten "bepaald" zijn, d.w.z. dat een rechtstreeks verband moet bestaan tussen het onbekend feit en de bekende feiten waaruit de rechter het bestaan van het onbekend feit afleidt (Cass. 4.3.1973, Kockx, Pas. 1973, I, 773);
- ze moeten "met elkaar overeenstemmen", d.w.z. dat er niet noodzakelijk meerdere moeten zijn maar dat, wanneer er verscheidene zijn, ze met elkaar moeten overeenstemmen (Cass. 30.1.1962, Toby, Pas. 1962, I, 631, B. 390, blz. 1628);
- anderzijds spreekt het zich uit over de bewijskracht van die vermoedens door te stellen dat ze worden "overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter".
c) BESTANDDELEN VAN HET FEITELIJK VERMOEDEN
246/44 De wettelijke geldigheidsvoorwaarden voor een feitelijk vermoeden zijn :
- het bestaan van bekende feiten of elementen die als grondslag dienen;
- de noodzaak om uit die feiten gevolgtrekkingen af te leiden die, op grond van die feiten, voor verantwoording vatbaar zijn.
1. Bekende feiten
246/45 De feiten of elementen die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, moeten bekend en zeker zijn en moeten op wettige wijze aangetoond zijn. Men kan niet genoeg drukken op het naleven van die voorwaarde die essentieel is opdat het vermoeden een ernstige kans zou maken om door de rechter te worden aanvaard.
In dat opzicht moet worden onderstreept dat een vermoeden, zelfs wettelijk gevestigd, in geen geval het bekend feit of element kan zijn waarop een nieuw vermoeden zou kunnen worden gesteund. Aldus mag geen reeks van op elkaar steunende vermoedens tot stand worden gebracht.
246/46 Er werd gevonnist dat :
- de rechter niet als bewijs mag aannemen, het vermoeden dat hij ontleent, niet aan een bekend feit, maar aan een persoonlijke opinie (Cass. 21.5.1963, Verworst-Lauwers, Pas. 1963, I, 1011);
- de algemene bekendheid niet als grondslag kan dienen van een vermoeden (voorafgaand advies van het Openbaar Ministerie, Cass. 23.5.1950, Chapelle, Pas. 1950, I, 671 en 672);
- het louter aanvoeren van een feit door een gedingvoerende partij het bestaan van dat feit niet kan aantonen; het arrest dat de dagelijkse opbrengst van 1.500 F van bepaalde, door de belastingplichtige geëxploiteerde toestellen alleen afleidt uit de bewering van de administratie over het bestaan van niet-geïdentificeerde belastingplichtigen en over de juistheid van de inlichtingen die ze over hen verschaft, leidt uit dat feit gevolgtrekkingen af die, op grond van dat feit, voor geen enkele verantwoording vatbaar zijn, nu het bestaan van de belastingplichtigen waarop de aangevoerde stukken betrekking hebben en ook de juistheid van de door de administratie verstrekte inlichtingen, geen bekende feiten zijn aangezien ze niet wettig zijn aangetoond (Cass. 25.2.1982, N.V. Frémont, B. 624);
- zelfs indien sommige van de gegevens, op zichzelf en afzonderlijk beschouwd, geen voldoende zekerheid kunnen verschaffen omtrent het bestaan van de feiten waarop ze betrekking hebben, die zekerheid nochtans kan voortvloeien uit al die gegevens samen (Cass. 28.1.1964, N.V. Helman Céramic, Pas. 1964, I, 286 - 4.3.1969, Groux, Pas. 1969, I, 600); men moet dus, naargelang het geval, hetzij een zekerheid afleiden uitgaande van verschillende elementen globaal beschouwd, hetzij slechts gebruik maken van één werkelijke betekenisvol element liever dan een geheel van strijdige elementen.
246/47 In dit verband werd gevonnist dat :
- het eenjarigheidsbeginsel van de belasting er zich in principe niet tegen verzet dat de administratie, om de belastbare inkomsten van een aanslagjaar te bepalen, steunt als feitelijk vermoeden op feitelijke elementen met betrekking tot vorige aanslagjaren (Cass. 30.3.1965, Gliskman, Pas. 1965, I, 814);
- bij de raming van de belastbare grondslag van een bepaalde aanslag, de administratie mag steunen als feitelijk vermoeden, op de door de belastingplichtige voor het volgende aanslagjaar aangegeven inkomsten (Cass. 26.1.1960, Dermauw, Pas. 1960, I, 608 - B. 366, blz. 1175);
- wanneer de administratie de aangifte van een belastingplichtige gewijzigd heeft, ze, tot staving van die wijziging en als feitelijk vermoeden, het antwoord in aanmerking mag nemen dat de belastingplichtige heeft verstrekt op een bericht van wijziging betreffende een ander aanslagjaar en dat hetzelfde feit betreft als datgene waarop de administratie zich beroept om de wijziging te gronden, (Cass; 27.1.1959, Vandemeulebroeck, Pas. 1959, I, 537):
246/48 In dit verband werd gevonnist dat :
- een niet ondertekend geschrift als grondslag van een feitelijk vermoeden mag dienen (Cass. 5.2.1963, Rubbens, Pas. 1963, I, 89);
- geen enkele wetsbepaling verbiedt een feitelijk vermoeden te putten uit een geschrift op grond van het motief dat het eenzijdig zou zijn opgesteld; dat is het geval voor een afrekening die eenzijdig werd opgesteld door het Comité tot aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat (Cass. 13.10.1970, Debatty, weduwe Gritten, Pas. 1971, I, 127); dat is eveneens het geval voor de fiches die eenzijdig worden opgesteld door de Administratie der directe belastingen en die inlichtingen bevatten die de administratie mag inwinnen (Cass. 29.12.1957, Hanneuse, Pas. 1958, I, 207 - 25.3.1963, Electronique au service de l'automatique, B. 624).
2. Gerechtvaardigde gevolgtrekkingen
245/50 De ambtenaar die feitelijke vermoedens aanvoert, moet uit de bekende en vaststaande feiten waarover hij beschikt het onbekend feit dat hij wil aantonen, afleiden. Die redenering moet natuurlijk logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot rechtspraak.
Er werd gevonnist dat :
- wanneer de rechter gebruik maakt van feitelijke vermoedens, hij uit een onzeker feit het gezochte feit niet kan afleiden en dat hij van het bestaan ervan met de zekerheid moet stellen, hetgeen hij niet doet door uit de voorgelegde stukken af te leiden "dat het weinig waarschijnlijk lijkt dat ..." (Cass. 23.11.1965, Ariel, Pas. 1966, I, 397 - B. 436, blz. 1931);
- wanneer, om te beoordelen of een belastingplichtige de hoedanigheid heeft van belastingschuldige van de bijzondere belasting, het Hof van beroep stelt dat de vastgestelde vermogensaangroei blijkbaar niet het resultaat is van inkomsten onderworpen aan de belasting en er uit afleidt dat die aangroei "naar alle waarschijnlijkheid" afkomstig is van belastbare inkomsten, het de art. 1349 en 1355 van het Burgerlijk Wetboek schendt, omdat het steunt op een onzeker feit en niet op een door het Hof erkend vaststaand feit en omdat het niet de zekerheid uitspreekt over het feit dat wordt gezocht (Cass. 2.3.1956, deelgenoten Bouvin, Pas. 1956, I, 685).
245/51 Wat betreft de controle die het Hof van cassatie in deze aangelegenheid kan uitoefenen, heeft die hoge rechtsmacht in haar arrest van 5.11.1981 inzake Ledent (B. 624) beslist dat, hoewel de feitenrechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, overgelaten worden aan zijn oordeel en aan zijn beleid, hij nochtans, bij deze tweevoudige gelegenheid, het juridisch begrip "feitelijke vermoeden" waarvan de eerbiediging is onderworpen aan het toezicht van het Hof van cassatie, niet mag miskennen of denatureren.
Wat inzonderheid de door de rechter uit de door hem vastgestelde feiten afgeleide gevolgtrekkingen betreft, mag het Hof van cassatie, dat dus niet in de plaats mag treden van die rechter om na te gaan en te beslissen of de gevolgtrekkingen die hij heeft gemaakt al dan niet gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn, daarentegen oordelen of hij het wettelijk begrip van het feitelijk vermoeden niet miskent of denatureert, hetgeen hij zou doen indien hij uit de door hem vastgestelde feiten gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen enkel verband houden of waarvan de grondslag helemaal niet kan worden verantwoord.
In dat opzicht kan het Hof van cassatie zich niet uitspreken over een grief waarin enkel wordt aangevoerd dat de gevolgtrekking of de gevolgtrekkingen niet logisch zijn.
e) BIJZONDERE GEVALLEN
1. Vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen
246/52 Wanneer men, bij de vestiging van de aanslag van een belastingplichtige voor een bepaald aanslagjaar, gebruik maakt van een redenering die erin bestaat de toestand van die belastingplichtige te vergelijken met die van één of meer soortgelijke belastingplichtige, die hun beroep in dezelfde voorwaarden uitoefenen, gebruikt men een vermoeden, in de algemene betekenis van het woord (art. 1349 Burgerlijk Wetboek).
Dat vermoeden wordt een wettelijk vermoeden door art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92, in het geval waar het geheel van de belastbare grondslag aldus wordt bepaald en het gebruik van dat vermoeden is, in dat geval, onderworpen aan de bijzondere toepassingsvoorwaarden gesteld in die wetsbepaling. Indien daarentegen slechts een element van de belastbare grondslag wordt bepaald via zulke redenering, dan staat men voor een louter feitelijk vermoeden waarvan het gebruik toegelaten is krachtens art. 246 WIB (oud), art. 340 WIB 92, en waarvan de toepassing beheerst wordt door de regels van het gemeen recht (art. 1353 Burgerlijk Wetboek).
246/52.1 Dit werd bevestigd door het Hof van cassatie dat herhaaldelijk besliste dat "wanneer de vergelijking met de normale winsten of baten van soortgelijke belastingplichtigen enkel aangewend wordt om een gegeven te bepalen dat dient voor het vaststellen van de belastbare grondslag, geen gebruik wordt gemaakt van het bijzonder bewijsmiddel van art. 248 WIB, (oud), art. 342 WIB 92, maar enkel van een feitelijke vermoeden dat aan het oordeel en aan het beleid van de rechter wordt overgelaten : dat zulks het geval is ongeacht de kwalificatie die door het arrest (of voordien door de belastingambtenaren) wordt gegeven aan het bewijs bij beperkte vergelijking die het hanteert". (Cass. 4.3.1969, Carrosserie Ricker, B. 470, blz. 103 - 25.2.1982, Frémont, B. 624).
246/52.2 Slechts wanneer de vergelijking wordt aangewend ter bepalingen niet van een element dienstig tot vaststelling van de belastbare grondslag, maar van de belastbare grondslag zelf, wordt de bijzondere methode van bewijsvoering gesteld in art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 toegepast (z. 248/2).
Het is nodig goed dat onderscheid te maken en steeds uitdrukkelijk te steunen op de wettelijke bepaling die, volgens het geval toepasselijk is, met inachtneming van de door het Hof van cassatie gestelde regel.
- Toepassing
- de omvang of de waarde van een goederenvoorraad bij de aanvang of op het einde van het belastbare tijdperk (Cass. 4.12.1962, Nieuwe Vennootschap der Etablissementen Talpe, Pas. 1963, I, 418 - B. 403, blz. 2623);
- de werkelijkheid en het bedrag van de beroepsverliezen (Cass. 14.1.1958, NV Van der Eecken, Pas. 1958, I, 500 - B. 340, blz. 98; 21.2.1974, Duburcq, Pas. 1974, blz. 651, B. 529, blz. 750);
- het bedrag van de aftrekbare beroepskosten en -lasten (Cass. 13.10.1970, Brialmont, B. 490, blz. 1943 - 23.10.1975, Monsieur, Pas. 1976, I, 240) of het beroepskarakter van deze lasten of uitgaven (Cass. 6.10.1964, Depuydt, Pas. 1965, I, 122);
- de dagelijkse bruto-ontvangsten van automatische ontspanningstoestellen (cass. 25.2.1982, Frémont);
- de winstmarge die op een bepaalde soort goederen van toepassing is (Brussel 27.12.1967, Truyts).
- Toepassingsvoorwaarden
246/52.6 Daarentegen aangezien in dat geval, de vergelijking door de wet wordt overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, is het nodig bijzonder aandachtig te zijn bij de vaststelling van het bekend feit dat als grondslag van het vermoeden dient. Men mag er zich niet toe beperken, fiches of tabellen betreffende het bij de soortgelijke belastingplichtige of belastingplichtigen verzamelde gegeven voor te brengen daar zulke documenten voor het Opperste Hof het bewijs niet leveren van het bekend en vaststaand karakter van het feit dat als grondslag van het vermoeden dient.
246/52.7 Derhalve moeten in dat geval de volgende regels in acht worden genomen :
- hoewel dat, binnen het raam van de feitelijke vermoedens, toegelaten is een beroep te doen op één vermoeden, is het in dat geval onontbeerlijk dat dat vermoeden gewichtig en bepaald is, d.w.z. dat de soortgelijkheid van het als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtige onbetwistbaar vaststaat, inzonderheid met betrekking tot het vergeleken element;
- de identificatie van het vergelijkingspunt of de vergelijkingspunten gebeurt door middel van hun repertoriumnummer, het uitgeoefende beroep en de gemeente waar het beroep wordt uitgeoefend;
- de geschiktste elementen ter rechtvaardiging van de gelijkenis van de uitoefening van het beroep moeten, speciaal met betrekking tot het vergeleken element, nauwkeurig worden opgetekend;
- het document dat de vergelijking bevat, moet noodzakelijk eensluidend worden verklaard, gedagtekend en ondertekend door diegene die het heeft opgesteld.
246/52.8 Het bewijs door loutere feitelijke vermoedens, dat een belastingplichtige die gedurende het betrokken aanslagjaar over belangrijke geldmiddelen heeft beschikt, daaruit belastbare inkomsten zou hebben gehaald, moet met omzichtigheid en bijzondere zorg worden aangetoond.
In dergelijke gevallen moet het te leveren bewijs steunen op een geheel van aanwijzingen die even zoveel feitelijke vermoedens vormen die het bestaan het het bedrag van de belastbare inkomsten verantwoorden. De toepassing van het enig vermoeden dat het ondenkbaar zou zijn dat een persoon belangrijke sommen bij zich in bewaring zou houden zodat ze improduktief blijven, is geen afdoend bewijs.
246/52.9 Ten einde de feitenrechter, die hoe dan ook steeds de waarde van het ingeroepen bewijs op onaantastbare wijze zal beoordelen, te overtuigen moet worden gezocht of men rekening houdend met de omstandigheden eigen aan ieder geval, voldoende vaststaande elementen kan vinden om een vermoeden over het gebruik en het rendement van de betwiste sommen te gronden dat voldoende gewichtig, bepaald en overeenstemmend is.
In dat opzicht is de rechtspraak van de Hoven van beroep zeer uiteenlopend : het cassatiearrest van 19.11.1982 Hardy-Spirlet (B. 613, blz. 154) geeft echter interessante aanwijzingen.
f) TEGENBEWIJS
246/52.10 Wanneer de administratie feitelijke vermoedens gebruikt heeft, berust het tegenbewijs bij de belastingplichtige; dat wordt slechts geleverd indien deze tegenover de door de administratie aangevoerde vermoedens, afdoende gegevens inbrengt (Cass. 8.12.1959, Vandenberghe, Pas. 1960, I, 412).
De nrs. 248/1 tot 57 van de Com.IB met betrekking tot de taxatie bij vergelijking, worden vervangen door de volgende tekst :
I. TAXATIE BIJ VERGELIJKING
| A. | Algemeen |
Het gaat derhalve om een bijzonder bewijsmiddel bestaande uit een wettelijk vermoeden (Cass. 20.2.1968, P.V.B.A. Tegelfabriek R.G. Rousseau, Pas. 1968, I, blz. 775).
248/2 Er moet nochtans worden opgemerkt dat de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen, naargelang het geval, hetzij het hiervoren vermeld wettelijk vermoeden hetzij een louter feitelijk vermoeden bedoeld in art. 246 WIB (oud), art. 340 WIB 92, kan zijn (z. 246/52).
Het antwoord op de vraag welke van deze twee bewijsmiddelen men toepast bij het gebruik van de vergelijking, hangt in hoofdzaak af van wat bewezen moet worden. In een vaste rechtspraak heeft het Hof van cassatie inderdaad beslist dat, indien de vergelijking wordt gebruikt ter bepaling van de belastbare grondslag zelf, men noodzakelijkerwijze gebruik maakt van de bijzondere methode van bewijsvoering bepaald in art. 248(oud), art. 342 WIB 92; dat zulks trouwens het geval is ongeacht de kwalificatie die wordt gegeven aan de toegepaste bewijsvoering. Wanneer men echter de vergelijking toepast om enkel een element dienstig voor de vaststelling van de belastbare grondslag te bepalen, hanteert men noodzakelijkerwijze een feitelijk vermoeden beoogd in art. 246 WIB (oud), art. 340 WIB 92 (Cass. 4.3.1969, Carosserie Ricker, Pas. 1969, I, 596 - 25.2.1982, Gorissen, B. 624).
248/3 Wanneer men de vergelijking gebruikt om een element van de belastbare grondslag te bepalen mag de rechter op onaantastbare wijze en met de zekerheid en voorzichtigheid die art. 1353 van het Burgerlijk Wetboek vereist, de geldigheid van het feitelijk vermoeden, dat de vergelijking in dat geval vormt, beoordelen.
Daarentegen mag de rechter binnen het raam van het wettelijk vermoeden ingesteld bij art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 enkel oordelen of de toepassingsvoorwaarden van die bepaling werden nageleefd (ontbreken van bewijskrachtige bescheiden, aantal en soortgelijkheid van de vergelijkingspunten, normaal karakter van de winsten of baten van de soortgelijke belastingplichtigen); hij kan ook, uitgezonderd in geval van aanslag van ambtswege, het netto, het bruto of semi-bruto-inkomen van de belastingplichtige aanpassen rekening houdend met bijzonderheden eigen aan die belastingplichtige.
Maar ingeval alle voorwaarden en toepassingsregelen van art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 werden nageleefd, wordt aan de rechter de vrijheid van beoordeling ontnomen die hem in het kader van de vergelijking van art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 wordt toegekend ter zake van het feitelijk vermoeden; in dat geval wordt hem het principe en de waarde van het wettelijk vermoeden opgedrongen.
| B. | Gebrek aan bewijskrachtige gegevens |
Evenwel wordt erop aangedrongen dat op dit laatste bewijs te leveren de administratie in geen enkel geval mag steunen op de uitslag van de vergelijking ingesteld door art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92 (Cass. 12.11.1980, Toussaint, Pas. 1981, I, 302).
Anderzijds moet bedoeld bewijs worden geleverd vóór de taxatie en de administratie mag in een later stadium van de vestiging van de aanslag (bezwaar, beroep) het gebrek aan bewijskrachtige gegevens niet aantonen zonder een onwettigheid te begaan.
248/5 Ter zake wordt verwezen :
- met betrekking tot de boekhouding van de handelaars, naar 246/6 tot 246/28;
- met betrekking tot de boekhouding van de beoefenaars van een vrij beroep, naar 246/31 tot 246/33.
In dergelijk geval moet het tussen de werkelijke winstmarge en de normale winstmarge bestaande verschil kunnen worden gerechtvaardigd door de in de boekhouding gedane vaststellingen (zie PV nr. 69 van de Hr. Parisis, van 1.3.1955, B.V.A. Kamer, zitting 1954-1955, blz. 456 - 457) (in dezelfde zin ; 246/27).
| C. | Soortgelijke belastingplichtigen |
| 1° | Wanneer is er soortgelijkheid ? |
- dat het, om soortgelijk te zijn, voldoende is dat er nopens sommige punten en in sommige opzichten overeenkomst bestaat en vergelijking mogelijk is, daar de wet niet de identiteit van exploitatie vereist (Luik, 8.7.1953, Engelmann, B. 297, blz. 453);
- dat de wet geen volstrekte gelijkheid vereist die, in de praktijk, om zo te zeggen nooit voorkomt; het kan volstaan de aangegeven inkomsten te vergelijken met die van belastingplichtigen die een beroep van dezelfde aard uitoefenen en de verhouding te bewaren tussen de belangrijkheid van de vergeleken inkomsten en die van de aangenomen vergelijkingspunten (Brussel, 4.1.1954, Szezucki, B. 303, blz. 232; Luik, 13.7.1954, Lhermitte, B. 308, blz. 433; Cass., 5.6.1962, Bourgeois, B. 395, blz. 665);
- dat de wet de vergelijking oplegt met soortgelijke bedrijven en niet met bedrijven die in soortgelijke omstandigheden worden geëxploiteerd, al schrijft zij niettemin voor dat "volgens het geval" rekening moet worden gehouden met de in art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, bedoelde bijzonderheden (Cass. 4.1.1955, Sampermans, Pas. 1955, I, 447); dat hieruit volgt dat de administratie, rekening houdend met de bijzonderheden die het geval eigen zijn, gerechtigd is de aanslag op een hogere basis te vestigen dan die welke werd aangenomen voor de soortgelijke belastingplichtigen wier winsten als vergelijkingspunt dienden (Cass. 14.2.1956, Deschamps, B. 324, blz. 171);
- dat art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, niet de vergelijking oplegt met de bedrijven die in dezelfde omstandigheden worden geëxploiteerd, doch wel de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen die hun bedrijf op verschillende manieren kunnen uitbaten dat zulks uitdrukkelijk blijkt uit de tekst van die bepaling welke voorschrijft, volgens het geval, de verschillende exploitatievoorwaarden in aanmerking te nemen (Cass. 18.2.1958, Sutor, weduwe Couvreur en consoorten, B. 341, blz. 142);
- dat het, voor een wettelijke toepassing van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, voldoende is dat de vergelijking gebeurt met belastingplichtigen die bedrijven van dezelfde soort exploiteren die voldoende punten van gelijkheid vertonen (Cass. 13.1.1959, Vercammen, B. 351, blz. 131; 29.10.1963, Deltour, B. 414, blz. 2884; 15.9.1964, André-Delsemme, B. 421, blz. 1437);
- dat de wet de vergelijking voorschrijft met de normale inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen en, niet noodzakelijk, met die van belastingplichtigen die in identieke voorwaarden verkeren; om de belastbare grondslag bij toepassing van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, vast te stellen, moet een zekere vrijheid van beoordeling worden gelaten, daar de winsten van de soortgelijke belastingplichtigen noodzakelijk sommige bestanddelen bevatten die verschillen van de winstbestanddelen bevonden bij de belastingplichtige; dat het beoogde artikel eveneens voorschrijft, naar gelang van het geval, rekening te houden met de bijzonderheden die het opsomt, bijzonderheden die door de rechter soeverein in feite worden beoordeeld (Cass., 26.3.1963, Claeys, B. 412, blz. 2086); dat die beginselen eveneens gelden wanneer de belastbare grondslag wordt vastgesteld bij vergelijking met de nettowinstmarges van soortgelijke belastingplichtigen (Cass., 24.1.1961, Brabants, B. 378, blz. 1421);
- dat art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, niet vereist dat de als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtige, in dezelfde koopwaar, en nog veel minder in dezelfde artikelen als de belastingplichtige zelf, handel zou drijven; dat het evenmin vereist dat de als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtige, eenzelfde brutowinst zou hebben behaald of alleen handel zou drijven in koopwaren die dezelfde brutowinst opleveren (Cass., 29.10.1963, Deltour, B. 414, blz. 2884);
- dat de vaststelling van de belastbare grondslag overeenkomstig art. 248, (oud), art. 342, WIB 92, een zekere vrijheid onderstelt, daar de winsten van de soortgelijke belastingplichtigen noodzakelijk verschillen vertonen. Dat artikel schrijft de vergelijking voor met soortgelijke en niet met in identieke omstandigheden geëxploiteerde ondernemingen en het bepaalt dat, volgens het geval, rekening moet worden gehouden met de bijzonderheden welke het opsomt (Cass., 24.1.1961, Brabants, B. 378, blz. 1421; 6.11.1962, N.V. Etn. Billiet en Cie, B. 402, blz. 2302; 16.11.1965, N.V. De Vierklaver, B. 436, blz. 1915).
| 2° | Verschillende winstmarges |
De feitenrechter heeft soeverein in feite kunnen oordelen dat de vergelijkingspunten soortgelijk zijn en heeft daaruit afgeleid dat, gelet op die soortgelijkheid, het gemiddelde van de vergeleken winsten de meeste waarborg bood (Cass., 30.3.1965, P.V.B.A. "Relais du Comte Jean", B. 427, blz. 240).
De feitenrechter is niet verplicht de factoren nader te bepalen die het verschil van de brutowinstmarges rechtvaardigen; hij moet evenmin aantonen dat de belastingplichtige in betere omstandigheden heeft geëxploiteerd dan de vergelijkingspunten waarvan de winstmarges of wel gelijk zijn aan of wel lager zijn dan die welke door hem worden aangegeven. Het bepalen van de belastbare inkomsten bij vergelijking sluit inderdaad niet in zich dat de administratie voor de vaststelling van de belastbare grondslag niet mag steunen op een hogere winstmarge dan die welke voor enkele van de vergelijkingspunten werd aangenomen (Cass., 18.10.1966, Defour, B. 447, blz. 2124).
| 3° | Belastingplichtigen die verscheidene beroepswerkzaamheden uitoefenen |
- dat de administratie rekening mag houden met de beoordelingselementen die ze bij verschillende handels- en nijverheidsbedrijven inwint, wanneer het onmogelijk is voor de vergelijking van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, belastingplichtigen te vinden die gelijktijdig dezelfde werkzaamheden uitoefenen als de te belasten belastingplichtige (Luik, 30.1.1953, Depraeter); het feit dat niemand een drievoudige bedrijvigheid uitoefent, belet immers niet dat hij, voor ieder van zijn drie werkzaamheden een belastingplichtige is soortgelijk aan degenen die slechts één van die werkzaamheden uitoefenen (Cass., 9.2.1954, Depraeter, Pas. 1954, I, 514);
- dat geen enkele bepaling verbiedt de belastbare winsten van de belastingplichtigen die tegelijkertijd verscheidene beroepswerkzaamheden uitoefenen te bepalen door vergelijking met de normale winsten en baten van soortgelijke belastingplichtigen (Cass., 20.5.1958, Piron, B. 344, blz. 345);
- dat, om de belastbare winsten te bepalen van een belastingplichtige die verschillende handelsactiviteiten uitoefent, de administratie, wanneer niemand in de omgeving een dergelijke veelvuldige werkzaamheid uitoefent, als vergelijkingspunten de inkomsten mag nemen van belastingplichtigen die ieder één van die werkzaamheden uitoefenen (Cass., 24.11.1959, De Haes, Pas. 1960, I, 364);
- dat het niet verboden is op de vergelijking te steunen om het resultaat van één enkele tak van werkzaamheid van een belastingplichtige te bepalen.
| 4° | Belastingplichtigen die handel drijven in verschillende waren |
| 5° | Belastingplichtigen die hun geschriften afsluiten op een andere datum dan de soortgelijke belastingplichtigen. |
| 6° | Varia |
Evenwel verzet het eenjarigheidsbeginsel van de belasting zich niet tegen het feit dat de beroepsresultaten van de betrokken belastingplichtige over een voorgaand of volgend jaar dan datgene dat wordt onderzocht, in aanmerking zouden worden genomen als bij art. 248? WIB bedoelde "alle andere nuttige inlichtingen" (Cass. 25.9.1981, De Sutter).
In dezelfde gedachtengang werd nog gevonnist dat, noch het eenjarigheidsbeginsel, noch de beschikkingen van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, zich ertegen verzetten dat de administratie het resultaat uitgewezen wordt door een vergelijking zou verminderen door rekening te houden met andere nuttige inlichtingen, zoals het feitelijke vermoeden dat blijkt uit het onderzoek van vorige aanslagjaren van de betrokken belastingplichtige (Brussel, 31.5.1976, S.V. Pharmacies Coopéeratives Bruxelloises, B. 556, blz. 2185).
| D. | Aantal soortgelijke belastingplichtigen |
| E. | Basisgegevens van de vergelijking |
| 1° | Algemeen |
248/15 Wordt de vergelijkingsprocedure aangewend, dan is het nodig dat de vermoedelijke winsten of baten werkelijk steunen op de vergelijking van sommige gegevens, geput uit de aangifte of ingewonnen naar aanleiding van enquêtes, met de gegevens van dezelfde aard betreffende soortgelijke belastingplichtigen. De aanslagambtenaar mag noch eigenmachtig, noch willekeurig te werk gaan en hij moet ervoor zorgen dat zijn aanslagen op een veilige en beredeneerde techniek zijn gegrond.
Te dien einde rusten op hem de onderstaande plichten :
| a) | de soortgelijke belastingplichtigen die als referentie in aanmerking komen, oordeelkundig schiften; |
| b) | de winsten doen uitkomen door een rationele vergelijking van alle gegevens die overwegend van invloed zijn op de opbrengst, met de gegevens ingewonnen bij de soortgelijke belastingplichtigen, mits daarbij te letten, volgens het geval, op de omstandigheden die aan de uitoefening van het beroep eigen zijn; |
| c) | een behoorlijk ingevuld drukwerk 276 A aan het aanslagdossier toevoegen (zie hierna). |
| 2° | Rechtspraak |
248/17 De gegevens tot vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen zoals ze in art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, zijn opgesomd, blijken louter tot voorbeeld te strekken, zoals mag worden afgeleid uit de termen van die wetsbepaling : "volgens het geval" en "alsmede van alle andere nuttige inlichtingen" (Cass. 4.3.1952, Dotremont, Pas. 1952, I, 410).
248/18 Bewuste gegevens moeten geenszins worden samengevoegd en mogen zelfs afzonderlijk in aanmerking worden genomen (Brussel, 26.6.1952, Duchâteau).
248/19 De administratie mag slechts rekening houden met alle nuttige inlichtingen die zich lenen tot het vaststellen van de belastbare winsten, zoals uitdrukkelijk werd bepaald door art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92; aldus, is het voor de administratie niet mogelijk de belastbare winst van een kunstschilder te bepalen naar de normale winsten van soortgelijke belastingplichtigen. De waarde van een schilderij hangt, inderdaad, uitsluitend af van omstandigheden die eigen zijn aan de kunstschilder : zijn talent, zijn faam, de smaak van het publiek, de publiciteit, enz. (Brussel, 21.11.1950, Sterck).
248/20 Voor een andere kant, is het bepalen van de belastbare inkomsten door vergelijking met de bruto- of semi-brutowinsten van soortgelijke belastingplichtigen niet uitgesloten door art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, hetwelk niet vereist dat het nettobedrag van de inkomsten wordt bepaald door verwijzing naar het nettobedrag van de inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen, maar beveelt rekening te houden, naar gelang van het geval, met concrete en bekende gegevens om de voor het bepalen van de belastbare winst bij de wet ingestelde wijze aan te passen aan de bijzonderheden eigen aan het geval (Cass., 27.3.1962, Vajda, Pas. 1962, I, 832, B. 391, blz. 1900 - 28.1.1982, Descamps, B. 624).
Er wordt echter gepreciseerd dat, zo art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, de bepaling van de belastbare inkomsten door vergelijking met de bruto- of semi-bruto-inkomsten van gelijksoortige belastingplichtigen niet uitsluit, de administratie dan toch nog, als ze dergelijke taxatiemethode aanwendt, de redenen moet vermelden waarom ze aldus handelt, door aan te voeren dat een vergelijking van de nettowinst van de typebelastingplichtigen met die van de te belasten belastingplichtige niet gegrond is door het feit dat er gevoelige verschillen bestaan tussen de beroepslasten wat zowel hun aard als hun bedrag betreft (verschil in het bedrag van de uitbetaalde lonen, huurgelden, al dan niet gebruik van een autovoertuig voor het beroep, enz...).
248/21 Noch art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, noch enige andere wettelijke bepaling sluit van de vergelijkingspunten de inkomsten uit van soortgelijke belastingplichtigen wier aanslag werd gevestigd ingevolge een bericht van wijziging of een aanslag van ambtswege op een geraamd bedrag, zonder aanleiding te hebben gegeven tot een bezwaarschrift in de vormen en termijnen bij de wet bepaald (Cass., 25.10.1955, Quinet, Pas. 1956, I, 172, 11.10.1956, Harigo, Pas. 1957, I, 129).
Daarentegen past het niet als vergelijkingspunten belastingplichtigen te kiezen waarvan de aanslag op het ogenblik van deze vergelijking wordt betwist.
248/22 De beslissing is verantwoord naar recht wanneer het arrest dat, op eisers verweer ten betoge dat hij niet was ingelicht nopens de wijze waarop de als vergelijkingspunten in aanmerking genomen inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen gevestigd en berekend werden, antwoordt dat de belastingplichtige die bij vergelijking wordt aangeslagen, de inkomsten van de als vergelijkingspunten gekozen soortgelijke belastingplichtigen niet mag betwisten en evenmin de wijze waarop die inkomsten zijn vastgelegd (Cass., 28.1.1982, Descamps, B. 624).
248/23 Wanneer een landbouwer verzuimt het juiste bedrag van de winst die hij in zijn landbouwbedrijf heeft behaald, door middel van een boekhouding of bewijskrachtige gegevens te staven, mag de administratie bedoelde winsten forfaitair bepalen volgens een schaal die ze heeft opgemaakt met inachtneming van het gemiddelde rendement van de oogsten, van de opbrengst van de tot de veestapel behorende dieren en van de in de verschillende streken van de provincie bepaalde prijzen alsmede van de diverse beroepskosten (Luik, 16.1.1942, Dethise, S.V.R., IX, blz. 17 - B. 171, blz. 144).
Evenzo, is de administratie bij gebreke van bewijskrachtige gegevens en zelfs indien de betrokkene de toepassing van de in overleg met de beroepsgroeperingen opgestelde forfaitaire grondslagen niet heeft aangenomen, gemachtigd om de aanslag van een belastingplichtige te vestigen op een inkomen, dat overeenkomstig die grondslagen werd vastgesteld; die handelwijze is een bijzondere toepassing van het algemene beginsel van de taxatie bij vergelijking, die door art. 248 WIB (oud), art. 342 WIB 92, werd ingesteld (Cass., 18.12.1956, Leonard, Pas. 1957, I, 422) (zie eveneens 248/76).
248/24 De economische waarde van een prestatie wordt normaal weergegeven door het voor die prestatie uitbetaalde loon. De winstmarge kan dan ook worden bepaald rekening houdend met het gezamenlijk bedrag van de uitbetaalde lonen, zonder onderscheid te maken tussen de geschoolde en niet geschoolde werkkrachten, vermits het tekort aan rendement en de mindere bezoldiging tegen elkaar opwegen (Gent, 28.11.1951, Tige).
248/25 tot 26.1 ...
| F. | ... |
| G. | Nota 276 A |
De voor- en keerzijde van het drukwerk 276 A moet behoorlijk zijn ingevuld, ten einde het Hof van beroep, in geval van voorziening, in staat te stellen zijn controle met kennis van zaken uit te oefenen.
248/51 en 52 ...
| H. | Identificatie van soortgelijke belastingplichtigen - Beroepsgeheim |
Deze rechtspraak is bovendien gegrond op de bepalingen van art. 244, WIB (oud), art. 337, WIB 92, die aan de ambtenaren en beambten de volstrekte geheimhouding opleggen aangaande de winsten van de belastingplichtigen.
248/54 Er werd eveneens gevonnist :
- dat de Hfd.cr. zijn vergelijkingspunten niet aan de belastingplichtige mag mededelen (Cass., 17.11.1953, Chenot, 2 arresten, Pas. 1954, I, 219);
- dat de belastingplichtige niet kan eisen dat de aanslagdossiers van de soortgelijke belastingplichtigen waarmee hij werd vergeleken, bij het debat werden overgelegd (Luik, 14.4.1972, Marx, B. 509, blz. 1421).
| I. | Voorlegging van de vergelijkingspunten in de loop van de procedure betreffende de geschillen |
248/56 De directeur bij wie een ontvankelijk bezwaarschrift aanhangig is gemaakt, heeft het recht nieuwe belastingplichtigen, wier toestand meer soortgelijkheid met die van reclamant vertoont, in de plaats te stellen van de door de Hfd.cr. gekozen vergelijkingspunten (zie 276/21).
In dit laatste geval moet het Hof van beroep, waarbij de directoriale beslissing aanhangig is gemaakt, de aanslag beoordelen rekening houdend met de wijzigingen die de directeur er wettelijk heeft aangebracht en het is bijgevolg zonder belang op te zoeken of, op het ogenblik van de vestiging van de aanslag, de taxatieambtenaar over verscheidene vergelijkingspunten beschikte, d.w.z. of hij de vergelijkingspunten kon rechtvaardigen, aan de hand van bewijsstukken, die door hem werden ingeroepen tot staving van een bericht van wijziging (Cass., 6.9.1960, V.G.N. "Durys et Godeau" in vereffening, B. 374, blz. 585).
| J. | Door de belastingplichtige te leveren tegenbewijs |
- wanneer de administratie de belastbare winsten bij vergelijking met de normale inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen heeft bepaald, de belastingplichtige ertoe gehouden is positieve en controleerbare gegevens aan te brengen om dit bewijs te weerleggen; die gegevens moeten echter net uitsluitend uit zijn eigen handelsbedrijf worden geput (Cass., 5.6.1962, Bourgeois, B. 395, blz. 665) (zie ook 253/1, lid 2);
- als de administratie, bij toepassing van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, regelmatig het bewijs heeft geleverd, dat de wet haar oplegt, is het niet voldoende voor de belastingplichtige, om dit bewijs te ontzenuwen, eenvoudig te beweren dat de bij ministeriële besluiten vastgestelde prijzen door hem in acht werden genomen; hij moet te dien einde positieve en controleerbare gegevens voorleggen (Luik, 21.11.1952, Deré; 20.2.1952, Keil, en 27.2.1952, Bayet);
- de betrokkene tevergeefs zou doen gelden dat hij, wegens de prijsreglementering, niet in staat zou geweest zijn de door de administratie toegepaste brutowinstmarge te behalen, daar dezelfde reglementering voor de soortgelijke belastingplichtigen bestond (Brussel, 27.11.1952, Wathelet).
Bron: FisconetPlus
