Circulaire AFZ nr. 8/2010 dd 08.06.2010
Circulaire AFZ nr. 8/2010 dd 08/06/2010
Aankoop van aandelen
Erkende ontwikkelingsfondsen
Microfinanciering
Vermindering voor werkloosheidsuitkeringen
Jaarlijkse indexering
Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
Eerste commentaar op de Wet houdende fiscale en diverse bepalingen van 21 december 2009.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Algemene administratie van de fiscaliteit (sector directe belastingen) en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.
In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende de wet houdende fiscale en diverse bepalingen van 21 december 2009 (kortweg W 21-12-2009; BS 31-12-2009, ed. 2), meer bepaald over de bepalingen inzake :
- de belastingvermindering voor sommen besteed aan de aankoop van aandelen op naam uitgegeven door erkende ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelings- landen ;
- de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen ;
- de jaarlijkse indexering ;
- de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 275^3, WIB 92 (universiteiten, hoge scholen en andere erkende wetenschappelijke instellingen).
NAMENS DE MINISTER:
De Adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Bijlage 1
WET HOUDENDE FISCALE EN DIVERSE BEPALINGEN VAN 21 DECEMBER 2009
INHOUDSTAFEL
I. VERVANGING VAN ARTIKEL 145^32, WIB 92
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
II. WIJZIGINGEN AAN ARTIKEL 154, WIB 92 - OPHEFFING VAN ARTIKEL 64 VAN DE WET VAN 10 AUGUSTUS 2001 HOUDENDE HERVORMING VAN DE PERSONENBELASTING
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
III. AANVULLING VAN ARTIKEL 178, WIB 92
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
IV. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE BEDRIJFSVOORHEFFING
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
I. VERVANGING VAN ARTIKEL 145^32, WIB 92
A. Wettekst
(...)
Art.2.Artikel 145^32 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992, ingevoegd bij de wet van 1 juni 2008, wordt vervangen als volgt :
"Art. 145^32. § 1. In geval van inschrijving op aandelen op naam van een erkend ontwikkelingsfonds zoals bedoeld in de wet van 1 juni 2008 houdende de invoering van een belastingvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.
De gestorte sommen moeten echter minimaal 250 EUR bedragen.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de aandelen moeten, behalve bij overlijden, gedurende ten minste 60 maanden ononderbroken in het bezit blijven van de inschrijver;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;
3° bij overlijden van de inschrijver blijft de voorheen verkregen belastingvermindering behouden;
4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in paragraaf 3 bedoelde document over.
De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen, met een maximum van 210 EUR per belastbaar tijdperk.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering, indien de aandelen op zijn/haar persoonlijke naam zijn uitgegeven.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, bedoelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de aandelen heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig paragraaf 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
§ 3. Elk erkend ontwikkelingsfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de aanslagdienst waarvan hij afhangt met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de aandelen op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de aandelen ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor het jaar van vervreemding : wanneer deze gebeurt in de loop van een jaar dat het verstrijken van de termijn van 60 maanden voorafgaat het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering. “.
(…)
Art.6.(…) Artikel 2 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2010 gestorte sommen.
(…)
Art.10.In artikel 3 van de wet van 1 juni 2008 houdende de invoering van een belastingsvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1, 1°, wordt vervangen als volgt :
"1° een rechtsvorm hebben aangenomen naar Belgisch recht of naar een recht van toepassing in de Europese Economische Ruimte van een coöperatieve vennootschap";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld als volgt :
"5° gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte." 3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
"§ 3. De ontwikkelingsfondsen worden erkend door de Minister van Financiën, op het advies van de Commissie van het Bank-, Financie- en Assurantiewezen met betrekking tot de in paragraaf 1, 1° tot 3° bedoelde voorwaarden en op het advies van de minister verantwoordelijk voor de Ontwikkelingssamenwerking met betrekking tot de in paragraaf 1, 3° en 4° bedoelde voorwaarden.";
4° het wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
"§ 4. De Minister van Financiën kan, wanneer het ontwikkelingsfonds niet meer voldoet aan één van de hiervoor vermelde voorwaarden, haar erkenning intrekken.".
Art. 11. Artikel 10 treedt in werking op 1 januari 2010. (…)
B. Commentaar
Artikel 2, W 21-12-2009, dat artikel 145^32, WIB 92 vervangt, wijzigt voornamelijk de formulering van dit artikel ingevoegd bij de wet van 1-6-2008 houdende de invoering van een belastingvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds (BS 4-7-2008).
In het oorspronkelijke artikel werden drie bevoegdheidsdelegaties toegekend aan de Koning om de modaliteiten verder uit te werken en een modelformulier op te stellen, dit terwijl alle voorwaarden reeds werden opgesomd in het artikel.
Daarom ook is dit artikel vereenvoudigd en is het gebaseerd op andere gelijkaardige belastingverminderingen, zoals onder meer de belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds (artikel 145^26, WIB 92).
De enige wijziging ten gronde in de nieuwe bepalingen is de invoeging van een maximumbedrag voor de belastingvermindering van 210 EUR (niet-geïndexeerd basisbedrag) per belastbaar tijdperk en dit om budgettaire redenen.
C. Inwerkingtreding
De vervanging van artikel 145^32, WIB 92 is van toepassing op de sommen gestort vanaf 1-1-2010.
De wijzigingen aangebracht aan artikel 3 van de wet van 1-6-2008 treden eveneens in werking op 1-1-2010.
II. WIJZIGINGEN AAN ARTIKEL 154, WIB 92 - OPHEFFING VAN ARTIKEL 64 VAN DE WET VAN 10 AUGUSTUS 2001 HOUDENDE HERVORMING VAN DE PERSONENBELASTING
A. Wettekst
(…)
Art. 3. In artikel 154, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 17 mei 2007 en gewijzigd bij de programmawet van 8 juni 2008 en bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder 1° worden de woorden "dat kan worden toegekend na de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid" ingevoegd tussen het woord "werkloosheidsuitkering" en de woorden ", de anciënniteitstoeslag";
2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend tijdens de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid;";
3° in de bepaling onder 3° worden de woorden "dat kan worden toegekend na de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid" ingevoegd tussen het woord "werkloosheidsuitkering" en de woorden ", de anciënniteitstoeslag".
(…)
Art.5.Artikel 64 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, wordt opgeheven.
Art. 6. De artikelen 3 en 5 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010. (….)
B. Commentaar
1. Wijzigingen aan artikel 154, WIB 92
In 2009 werden een aantal maatregelen genomen om de koopkracht te verhogen van werknemers die door de crisis hun job kwijtraakten. Zo werd onder meer het loonplafond voor de berekening van de werkloosheidsuitkering gedurende het eerste jaar volledige werkloosheid verhoogd. Dit resulteerde in een gevoelige stijging van het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering gedurende dat eerste jaar.
Het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering wordt als referentie-inkomen gebruikt voor de berekening van de bijkomende vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten in de PB en de BNI/nat.pers.
Om de structurele verhoging van de werkloosheidsuitkering in het eerste jaar van volledige werkloosheid effectief ten goede te laten komen van de belastingplichtige, wordt voortaan, voor belastingplichtigen die in het belastbaar tijdperk enkel werkloosheidsuitkeringen verkrijgen, het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend gedurende het eerste jaar volledige werkloosheid, als referentie-inkomen voor de berekening van de bijkomende vermindering gebruikt (artikel 154, § 2, eerste lid, 2°, WIB 92).
De woorden “desgevallend verhoogd met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen” die worden gebruikt in de huidige tekst vervallen daardoor vermits de anciënniteitstoeslag pas kan worden toegekend na één jaar volledige werkloosheid.
De oudere werklozen worden hierdoor niet benadeeld: het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend gedurende de eerste 12 maanden volledige werkloosheid is immers hoger dan het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend na die eerste periode van 12 maanden werkloosheid inclusief een eventuele anciënniteitstoeslag.
Voor de belastingplichtigen die pensioenen en andere vervangingsinkomsten dan werkloosheidsuitkeringen verkrijgen, wordt het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering vanaf het tweede jaar werkloosheid, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen, als referte-inkomen voor de berekening van de bijkomende vermindering gebruikt (artikel 154, § 2, eerste lid, 1°, WIB 92).
Voor de belastingplichtigen die uitsluitend wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen verkrijgen is er geen enkele wijziging.
2. Opheffing van artikel 64 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting
Artikel 64 van de wet van 10-08-2001 houdende hervorming van de personenbelasting (BS 20-9- 2001) bepaalt dat werkloosheidsuitkeringen die een anciënniteitstoeslag bevatten voor de “gewone” vermindering voor vervangingsinkomsten (artikelen 146 tot en met 153, WIB 92) worden gelijkgesteld met andere vervangingsinkomsten als vermeld in artikel 146, 5°, WIB 92 wanneer ze :
- worden toegekend aan werklozen die voor 1-1-2004, 58 jaar of ouder waren ;
- en dat die werklozen reeds voor 1-1-2004 recht hadden op een anciënniteitstoeslag.
Op die manier gold voor deze werkloosheidsuitkeringen al sinds aj. 2005 een gedecumuleerde berekening van de “gewone” belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen en werd de gunstige afbouwregel tot 1/3 behouden.
Ingevolge het arrest nr. 65/2009 van 2 april 2009 van het Grondwettelijk Hof zijn de artikelen 147,
150 en 243, WIB 92 evenwel gewijzigd bij de wet van 22-12-2009 houdende fiscale en diverse bepalingen (BS 31-12-2009- ed. 2; zie ook de circulaire met de eerste commentaar op deze wet).
Voortaan wordt de belastingvermindering voor alle werkloosheidsuitkeringen steeds per belastingplichtige berekend. Bovendien is ook de gunstige afbouw tot 1/3 van de belastingvermindering van toepassing voor alle werkloosheidsuitkeringen die worden toegekend aan een werkloze die op 1-1-2004, 58 jaar of ouder is en een anciënniteitstoeslag bevatten (artikelen 151 en 152, WIB 92).
Derhalve is artikel 64 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting vanaf aanslagjaar 2010 overbodig geworden en werd het opgeheven.
C. Inwerkingtreding
De wijzigingen aangebracht aan artikel 154, WIB 92 zijn van toepassing vanaf aj. 2010. De opheffing van artikel 64 van de wet van 10-08-2001 is van toepassing vanaf aj. 2010.
III. TOEVOEGING AAN ARTIKEL 178, WIB 92
A. Wettekst
(...)
Art.4.Artikel 178 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 30 maart 1994, bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996, 20 juli 2000 en 13 juli 2001, en bij
de wetten van 10 augustus 2001, 21 juni 2002, 27 december 2004, 25 april 2007, 8 juni 2008, 22 december 2008 en 27 maart 2009, wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
" § 7. De toepassing van dit artikel mag geen aanleiding geven tot een lager bedrag dan dat van het jaar voordien, met uitzondering voor de bepalingen bedoeld in de paragrafen 4 en 6."
(…)
Art.6.(...) Artikel 4 treedt in werking op 1 januari 2010.
(...)
B. Commentaar
Artikel 178, WIB 92 wordt aangevuld met een paragraaf 7, die bepaalt dat de toepassing van dat artikel geen aanleiding mag geven tot lagere bedragen dan die van het jaar voordien, met uitzondering voor de bepalingen beoogd in de §§ 4 en 6, meer bepaald de bedragen vastgesteld in het kader van de vrijstelling van de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever (artikel 38, § 1, eerste lid, 23°, WIB 92) en deze vastgesteld in het kader van de vrijstelling van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen (artikel 38, § 1, eerste lid, 24°, WIB 92).
Hiermee wordt vermeden dat door de daling van het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk, de bedragen opgenomen in het WIB 92 zouden dalen.
De §§ 4 en 6 worden uitgesloten omdat de indexering opgenomen in die bepalingen, de indexering volgt die van toepassing is in de sociale wetgeving en dat het de bedoeling is dat de twee wetgevingen (zowel de fiscale als de sociale) overeenstemmen.
C. Inwerkingtreding
Deze bepaling treedt in werking vanaf 1-1-2010.
IV. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE BEDRIJFSVOORHEFFING
A. Wettekst
(…)
Art. 12. Artikel 385, eerste en tweede lid van de wet van 24 december 2002, en artikel 275^3, § 1, eerste en tweede lid ingevoegd in het Wetboek inkomstenbelastingen 1992 bij artikel 106 van de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 8 juni 2008, 24 juli 2008 en 27 maart 2009 worden aldus uitgelegd in die zin dat de in deze bepalingen bedoelde instellingen de door de vrijstelling van de doorstortingsverplichting vrijgekomen fondsen niet mogen aanwenden voor het verminderen van de kostprijs van het onderzoek dat de voornoemde vrijstelling heeft doen ontstaan.
Art.13.In artikel 275^3, § 1, lid 1 Wetboek inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoerd door artikel 106 van de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 24 juli 2008 en 27 maart 2009 wordt aangevuld met de volgende zin :
"De in dit lid bedoelde instellingen wenden de sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten doorstorten, niet aan ter financiering van het onderzoek dat de vrijstelling van de doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan.".
Art.14.In artikel 275^3, § 1, lid 2 Wetboek inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoerd door artikel 106 van de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 8 juni 2008 wordt aangevuld met de volgende zin:
"De in dit lid bedoelde instellingen wenden de sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten doorstorten, niet aan ter financiering van het onderzoek dat de vrijstelling van de doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan.".
(…)
B. Commentaar
De bedoeling van de maatregelen genomen in de artikelen 12 tot 14, W 21-12-2009, strekt ertoe komaf te maken met de onduidelijkheid die er heerst omtrent de aanwending van de niet- doorgestorte bedrijfsvoorheffing. Artikel 12, W 21-12-2009, interpreteert de bepaling van artikel 275^3, § 1, eerste en tweede lid, WIB 92 op éénduidige wijze.
Het blijkt immers dat het steeds de bedoeling van de wetgever is geweest te zorgen voor bijkomende investeringen en activiteiten in wetenschappelijk onderzoek, hetgeen uitsluit dat de vrijgekomen sommen worden aangewend om de economische kostprijs van het bestaande onderzoek te drukken. Met deze interpretatieve bepalingen wordt verzekerd dat de bedoeling van de wet, nl. het aanmoedigen van bijkomend wetenschappelijk onderzoek, wordt bereikt. Bovendien behouden de bedoelde instellingen in deze interpretatie de vrijheid om te oordelen hoe de vrijgekomen sommen opnieuw moeten worden geïnvesteerd, op voorwaarde dat ze niet worden gebruikt om de kosten van de lopende onderzoeken te drukken.
Deze bepalingen zijn enkel van toepassing op de vrijstelling van de doorstortingsverplichting verleend aan de universiteiten, hogescholen en federale en regionale Fondsen voor wetenschappelijk onderzoek (art 275^3, § 1, eerste lid, WIB 92) alsook aan de erkende wetenschappelijk instellingen (art. 275^3, § 1, tweede lid, WIB 92). Deze instellingen moeten immers omwille van de aard van hun werkzaamheden worden onderscheiden van de overige entiteiten die een beroep kunnen doen op de vrijstelling van doorstortingsverplichting van artikel 275^3, WIB 92.
C. Inwerkingtreding
Daar het om interpretatieve bepalingen gaat is er in geen enkele inwerkingtreding voorzien. In de praktijk betekent dit dat:
- artikel 12 uitwerking heeft vanaf 1-10-2003, dit is de datum waarop het oorspronkelijk artikel 385 van de programmawet (I) van 24-12-2002 (BS 31-12-2002) is inwerking getreden;
- de artikelen 13 en 14 van toepassing zijn vanaf 1-1-2006, dit is de datum van inwerkingtreding van artikel 106 van de wet van 23-12-2005 betreffende het generatiepact (BS 30-12-2005).
