Circulaire nr. AFZ/2003-0515 (AFZ 1/2004) dd. 08.01.2004
CIRC 08.01.04/1
Circulaire nr. AFZ/2003-0515 (AFZ 1/2004) dd. 08.01.2004
Bull. nr. 846, pag. 825-855
AFZONDERLIJK BELASTBAAR INKOMEN
Vervroegd vakantiegeld
BEDRIJFSVOORHEFFING
Vrijstelling van storting van de BV
BEROEPSKOSTEN
Collectieve voorziening voor kinderopvang
INVESTERINGSAFTREK
Investering in beveiliging
OBLIGATIES UITGEGEVEN DOOR HET KRINGLOOPFONDS
Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds
OBLIGATIES UITGEGEVEN DOOR HET STARTERSFONDS
Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds
UITGAVE VOOR VERNIEUWING VAN WONINGEN
Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in zones voor positief grootstedelijk beleid
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Personeel voor wetenschappelijk onderzoek.
Eerste commentaar op de programmawet van 8.4.2003 en de uitvoeringsbesluiten van 12.5.2003 en 4.6.2003.
Aan alle ambtenaren van de niveau's 1, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie der directe belastingen en van de Administratie van de bijzondere belastingsinspectie.
In bijlage volgt een eerste commentaar betreffende :
1. de programmawet van 8 april 2003 (BS 17.4.2003, V 3161, Bull. 838), meer bepaalt over de bepalingen inzake:
- de aanmoediging van opvang voor kinderen van minder dan 3 jaar;
- de investeringen voor beveiliging van bedrijfslokalen;
- de maatregelen genomen in het kader van het grootstedenbeleid;
- de afzonderlijke taxatie van het vervroegd vakantiegeld;
- de belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het kringloopfonds;
- de belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het starterfonds;
- het wetenschappelijk onderzoek;
2. het koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake investeringen in beveiliging (BS 20.5.2003, V 3173, Bull. 839);
3. het koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (BS 20.6.2003, V 3187, Bull. 840);
4. het koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 145 25, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS 20.6.2003, V 3188, Bull. 840).
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
PROGRAMMAWET VAN 8 APRIL 2003
INHOUDSTAFEL
I. KINDEROPVANG
A. Wettekst
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ter bevordering van de opvang van kinderen van minder dan 3 jaar
Art. 104.In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 52bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 52bis. - De sommen die een belastingplichtige, die in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst of baten verkrijgt, werkelijk heeft betaald ten gunste van een collectieve voorziening voor kinderdagopvang, worden onder de volgende voorwaarden als beroepskosten aangemerkt :
1° de opvangvoorziening is erkend of gesubsidieerd door of staat onder toezicht van Kind en Gezin, het Office de la naissance et de l'enfance of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
2° de sommen zijn rechtstreeks of door tussenkomst van de in 1° vermelde bevoegde instelling aan de opvangvoorziening gestort overeenkomstig de toepasselijke reglementering van de betreffende gemeenschap;
3° de sommen worden door de opvangvoorziening gebruikt om werkingskosten en uitgaven voor infrastructuur of voor uitrusting te financieren die nodig zijn voor het creëren, vanaf 1 januari 2003, van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan drie jaar, die voldoen aan de door de betreffende gemeenschap gestelde voorwaarden, of voor het behoud van de aldus gecreëerde plaatsen;
4° de sommen mogen niet worden gebruikt voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen;
5° de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 5.250 EUR per in 3° vermelde opvangplaats;
6° de bevoegde instelling verstrekt jaarlijks per opvangvoorziening aan de belastingplichtige die de sommen heeft gestort, een document waarin ze verklaart dat aan de voorwaarden vermeld in dit artikel is voldaan en waarin ze zowel het bedrag dat is gebruikt voor het creëren of behouden van in 3° vermelde opvangplaatsen, als het aantal desbetreffende plaatsen opgeeft."
Art. 105.Dit hoofdstuk is van toepassing op de sommen die werkelijk werden betaald vanaf 1 januari 2003.
B. Commentaar
1. Doelstelling van de maatregel
Deze maatregel beoogt een toename van het aantal beschikbare plaatsen voor de dagopvang van kinderen in collectieve opvangvoorzieningen. Met dagopvang van kinderen bedoelt men de opvang van kinderen die nog niet oud genoeg zijn om naar school te gaan.
Onder collectieve voorziening voor opvang moet volgens de Gemeenschappen worden verstaan, de crèche, het gemeentelijke huis voor opvang van kinderen, de erkende of gesubsidieerde peutertuin of het erkende project van kinderdagopvang.
In het kader van een overeenkomst tussen de federale regering en de drie gemeenschappen werd een nieuw systeem van financiering uitgewerkt teneinde privé-partners uit te nodigen financiële ondersteuning te bieden voor de verhoging van het aantal beschikbare opvangplaatsen.
2. Beoogde belastingplichtigen
Deze fiscale bepaling maakt de aftrek als beroepskosten mogelijk, in het kader van artikel 52bis, WIB 92, voor zelfstandigen, beoefenaars van vrije beroepen, ambten of posten of van andere winstgevende bezigheden, en vennootschappen, van de sommen die ze storten met het oog op de financiële ondersteuning van sommige collectieve voorzieningen voor kinderdagopvang, zowel voor de creatie van een nieuwe plaats als voor het behoud van een nieuwe gecreëerde plaats.
3. Te respecteren voorwaarden
- De voorziening voor opvang moet worden erkend of gesubsidieerd door of moet onder toezicht staan van Kind en Gezin, l'Office de la naissance et de l'enfance of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
- de sommen moeten rechtstreeks of door tussenkomst van de bevoegde overheid aan de betreffende voorziening voor opvang worden gestort;
- de gestorte sommen mogen de tussenkomst die de ouders rechtstreeks betalen aan de collectieve voorziening en die is vastgesteld door iedere gemeenschap of het daartoe aangeduide organisme, niet omvatten;
- de sommen moeten werkingskosten, uitgaven voor infrastructuur of uitrusting (meubelen, boeken, speelgoed, …) financieren;
- zij moeten dienen voor de creatie vanaf 1.1.2003 van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan 3 jaar, of voor het behoud van aldus gecreëerde plaatsen;
- de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 5.250 EUR, niet geïndexeerd bedrag, per nieuwe opvangplaats die wordt gecreëerd of behouden (6.300 EUR voor aj. 2004, inkomsten 2003);
- Kind en Gezin, l'ONE of de Duitstalige Gemeenschap zal ieder jaar per opvangvoorziening aan de belastingplichtige een document uitreiken dat verduidelijkt dat de door hem gestorte sommen voldoen aan de voorwaarden en dat tevens het bedrag vermeldt dat gebruikt is voor het creëren van opvangplaatsen of voor het behoud van nieuwe plaatsen die werden gecreëerd vanaf 1.1.2003, alsmede het aantal desbetreffende plaatsen . Dit document wordt vastgelegd in een overeenkomst die wordt gesloten tussen de Minister van Financiën en de ministers van de Gemeenschappen die bevoegd zijn voor de kinderopvang.
4. Inwerkingtreding
De maatregel is van toepassing op de sommen die werkelijk worden betaald vanaf 1.1.2003.
(Art. 104 en 105, programmawet 8.4.2003 - Art. 52bis, WIB 92)
II. BEVEILIGING
A. Wettekst en reglementaire bepaling
1. Programmawet van 8 april 2003
HOOFDSTUK II. - Investeringen in beveiliging
Art. 106.Artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen als volgt :
"2° het basispercentage wordt verhoogd met 10 percentpunten met betrekking tot :
a) de octrooien;
b) de vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken;
c) de vaste activa die dienen voor een rationeler energieverbruik, voor de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, voor de terugwinning van energie in de industrie;
d) de materiële vaste activa die dienen voor een beveiliging van de beroepslokalen en waarvan de installatie werd aanbevolen en goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt."
Art. 107.Artikel 201 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een vijfde lid, dat luidt als volgt :
"In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, d, vermelde geval is de investeringsaftrek slechts van toepassing met betrekking tot de in het eerste lid, 1°, vermelde binnenlandse vennootschappen."
Art. 108.De artikelen 106 en 107 treden in werking vanaf aanslagjaar 2004.
Art. 109.Elke wijziging die vanaf 29 januari 2003 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 106 en 107.
2. Koninklijk besluit van 12 mei 2003, tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake investeringen in beveiliging
…
Artikel 1.In artikel 47bis, KB/WIB 92, ingevoegd door koninklijk besluit van 31 januari 1996 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, a, ".
Art. 2.In de inleidende zin van artikel 48, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 31 januari 1996 en 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, b, ".
Art. 3.In artikel 49, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, c, ".
Art. 4.In hoofdstuk I, afdeling XVI, KB/WIB 92, wordt, tussen de artikelen 49 en 49bis, een artikel 49^1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 49^1. Wat de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, d, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vaste activa betreft die dienen voor een beveiliging van de beroepslokalen, moeten de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 47 vermelde stukken staven door het attest dat wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt, en dat vermeldt dat de genoemde ambtenaar de in het belastbaar tijdperk gedane investeringen heeft aanbevolen en goedgekeurd.
De ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de betreffende politiezone wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken aangeduid.
Het model van goedkeuringsattest wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgelegd, na advies van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.".
Art. 5.In het opschrift van bijlage II van het KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, c, ".
Art. 6.Dit besluit treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
…
B. Commentaar
1. Doelstelling van de maatregel
Teneinde de fysieke integriteit van de belastingplichtigen en hun familie te beschermen, producten en investeringen te waarborgen en de gelegenheid tot diefstal te bemoeilijken, breidt deze maatregel het toepassingsveld van de verhoogde investeringsaftrek (13,5 % in plaats van 3,5 % voor het aj. 2004) uit tot de investeringen die inzake veiligheid worden gedaan overeenkomstig de aanbevelingen van de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie, die een ambtenaar is aangeduid door de Minister van Binnenlandse Zaken.
2. Beoogde belastingplichtigen
Het moet gaan om nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen (natuurlijke personen), titularissen van een vrij beroep, een ambt, post of andere winstgevende bezigheid evenals om kleine en middelgrote ondernemingen opgericht onder de vorm van een vennootschap.
3. Beoogde goederen
Deze maatregel is van toepassing op de materiële vaste activa die dienen voor een betere beveiliging van de beroepslokalen. Onder beroepslokaal moet worden verstaan, de plaats waar de belastingplichtige normaal zijn beroepsactiviteit uitoefent, waaronder moeten worden begrepen, de fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen en magazijnen, bergplaatsen, garages en de terreinen die als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doen. Worden eveneens beoogd, de dokters- en tandartskabinetten, wachtzalen, architectenbureaus. Samengevat is de maatregel van toepassing op elke plaats waar de beoogde personen in hoofd- of bijzaak hun beroepsactiviteit uitoefenen.
4. Voorwaarde
Om deze aftrek te verkrijgen, is het noodzakelijk dat de installatie werd aanbevolen en goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie wiens bevoegdheid zich uitstrekt over een politiezone.
5. Praktische modaliteiten
Naar aanleiding van de indiening van de aangifte, moeten de betrokken belastingplichtigen, samen het gewone formulier voor de investeringsaftrek, het attest toevoegen dat wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt, en dat vermeldt dat de genoemde ambtenaar de in het belastbaar tijdperk gedane investeringen heeft aanbevolen en goedgekeurd.
Het model van goedkeuringsattest wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgelegd, na advies van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
6. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking vanaf aj. 2004.
(Art. 106 tot 109, programmawet 8.4.2003 - Art. 69 en 201, WIB 92).
III. GROOTSTEDENBELEID
A. Wettekst en reglementaire bepaling
1. Programmawet van 8 april 2003
HOOFDSTUK III. - Fiscaal voordeel
Maatregelen in het kader van het grootstedenbeleid
Art. 110.A. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsexies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Onderafdeling IIsexies. - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid.
Art. 145^25. - Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid en waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is.
Een zone voor positief grootstedelijk beleid is een gemeente of een afgebakend deel van een gemeente waar het woon- en leefklimaat moet worden verbeterd door specifieke maatregelen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van een wetenschappelijke studie, de zones voor positief grootstedelijk beleid voor een periode van 6 kalenderjaren. Een hernieuwing van de periode is mogelijk na een nieuwe wetenschappelijke studie.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
1° op het ogenblik van de uitvoering van de werken is die woning de enige woning van de belastingplichtige;
2° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste vijftien jaar in gebruik genomen;
3° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 2.500 EUR;
4° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
a) in aanmerking komen voor de bepaling van de verantwoorde beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 104, 8°, of 145^24.
De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de werkelijk gedane uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 EUR per woning bedragen.
Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waaraan de werken zijn uitgevoerd.
De Koning bepaalt de aard van de in het tweede lid, 4°, bedoelde dienstverrichtingen en de toepassingsmodaliteiten van de vermindering."
B. In hetzelfde artikel 145^25, zevende lid, worden de woorden "Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, " vervangen door de woorden "Bij een gemeenschappelijke aanslag".
Art. 111.Artikel 494 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een § 6, dat luidt als volgt :
"§ 6. In afwijking van § 5 hebben, voor de toepassing van dit Wetboek, de bepalingen van titel VI, hoofdstuk I, afdeling II, uitgezonderd, de uit een herschatting voortspruitende verhoging van de kadastrale inkomens slechts uitwerking vanaf de eerste dag van het zesde jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven.
Het eerste lid geldt enkel voor de in § 1, 2° en 3°, vermelde herschattingen die betrekking hebben op onroerende goederen die volledig zijn gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 145^25.
Aan de periode van 6 jaar komt een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie."
Art. 112.Artikel 110, A, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
Artikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
Artikel 110, B, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.
2. Koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid
…
Artikel 1.In hoofdstuk I van het KB/WIB 92 wordt een afdeling XXVocties ingevoegd die luidt als volgt :
"Afdeling XXVocties - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^25 )
Art. 63^12. § 1. De dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de in artikel 145^25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
De geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, moet een factuur uitreiken die :
a) melding maakt van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, bevestigt dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) bevestigt dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1, eerste lid vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63^12, KB/WIB 92" en die, desnoods, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeeft tussen deze bedoeld in § 1, eerste lid en de andere werken.
§ 2. De belastingplichtige die het voordeel vermeld in artikel 145^25 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het betrokken belastbare tijdperk het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van :
- de facturen betreffende de dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 145^25, van hetzelfde Wetboek;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen."
Art. 2.Dit besluit treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
…
3. Koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 145^25, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
…
Artikel 1.De zones voor positief grootstedelijk beleid bedoeld in artikel 145^25, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn, voor de kalenderjaren 2003 tot en met 2008, deze opgenomen in de bijlage van dit besluit.
… (1)
[(1) Gelet op de omvang ervan wordt de bijlage hier niet opgenomen. De tekst ervan kan op de volgende wijze worden geraadpleegd in de fiscale gegevensbank Fisconet :
a) via Internet (voor de belastingplichtigen)
1° Ga naar de website http://www.fisconet.fgov.be;
2° Kies "Directe belastingen";
3° Kies "Wetgeving";
4° Kies "Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992";
5° Kies "WIB 92 - aanslagjaar 2004 (inkomsten 2003)";
6° Kies "art 14525";
7° Onderaan de tekst van dit artikel is een rechtstreekse hyperlink aangebracht naar de tekst van het KB 4.6.2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 14525, tweede lid, WIB 92.
b) via intranet van de FOD Financiën (voor de ambtenaren) :
kies "Fisconet" en voer achtereenvolgens de in a, 2° tot 7°, hiervoor vermelde stappen uit.]
B. Commentaar
1. Doelstelling
Deze maatregel beoogt de achtergestelde stadswijken aantrekkelijker te maken en er plaatsen van te maken waar het goed leven en werken is.
2. Lokalisering
De maatregel betreft de zones voor positief grootstedelijk beleid (Brussel, Antwerpen, Gent, Luik, Charleroi, …) die worden bepaald door het koninklijk besluit van 4.6.2003 (BS van 20.6.2003). De kwalificatie als zone voor positief grootstedelijk beleid geldt voor een periode van 6 jaar, wat wil zeggen dat de kwalificatie van een zone voor positief grootstedelijk beleid slechts tijdelijk is.
3. Belastingvermindering
De maatregel bestaat erin dat de belastingplichtige die aan zijn woning, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, en die gelegen is in een zone voor positief grootstedelijk beleid, een of meerdere renovatiewerken heeft laten uitvoeren, een belastingvermindering zal verkrijgen.
De renovatie kan worden uitgevoerd met of zonder hypothecaire lening.
Dit recht wordt slechts éénmaal per aanslagjaar toegekend voor de betreffende woning.
4. Voorwaarden voor het verkrijgen van de vermindering
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
- op het ogenblik van de uitvoering van de werken is die woning de enige woning van de belastingplichtige;
- de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik genomen ;
- de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 2.500 EUR;
- de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het ondernemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401, WIB 92.
5. Soorten werken
De dienstverrichtingen zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, te weten, de prestaties die de verbouwing, de vernieuwing, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van de woning ten doel hebben, met uitsluiting van de reiniging.
6. Uitgesloten uitgaven
Om te vermijden dat sommige belastingplichtigen tweemaal dezelfde uitgaven in rekening brengen om een fiscaal voordeel te bekomen, wordt bepaald dat geen belastingvermindering wordt toegestaan voor de uitgaven die :
- in aanmerking genomen zijn als verantwoorde beroepskosten ;
- recht geven op de in artikel 69, WIB 92 vermelde investeringsaftrek ;
- in aanmerking komen voor de in artikel 104, 8°, WIB 92 vermelde aftrek van de uitgaven die zijn gedaan aan gebouwde onroerende goederen, die zijn beschermd overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen ;
- in aanmerking komen voor de in artikel 145 24, WIB 92 vermelde belastingvermindering (vermindering voor energiebesparende uitgaven).
7. Gemengd gebruik
Wanneer bepaalde uitgaven een gemengd karakter vertonen (de belastingplichtige gebruikt een deel van zijn woning voor de uitoefening van zijn beroep), kan enkel het niet beroepsmatig gedeelte van de uitgaven in aanmerking worden genomen voor de belastingvermindering.
8. Bedrag van de vermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de werkelijk gedane uitgaven.
De belastingvermindering mag, per belastbaar tijdperk, niet meer dan 500 EUR, niet geïndexeerd bedrag, per woning bedragen.
9. Bijzonderheden
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waaraan de werken zijn uitgevoerd.
10. Toepassingsmodaliteiten
In het KB van 12.5.2003 wordt gepreciseerd dat de geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, een factuur moet uitreiken die :
- melding maakt van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
- op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, bevestigt dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
- bevestigt dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van deze maatregel vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63 12, KB/WIB 92";
- indien hier reden voor is, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeven tussen deze bedoeld in deze maatregel en de andere werken.
Van zijn kant moet de belastingplichtige die het voordeel aanvraagt, het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van die factuur en van het betalingsbewijs hiervan.
11. Kadastraal inkomen
In geval van vernieuwing van een gebouwd onroerend goed wordt overgegaan tot een herziening van het kadastraal inkomen (KI).
Op grond van artikel 494, § 5, WIB 92, wordt het nieuw KI geacht te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltooiing van de werken.
Teneinde de vernieuwing van gebouwen in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 145 25, WIB 92 te stimuleren, wordt voorgesteld door middel van de nieuwe bepaling, om de inwerkingtreding van de uit een herschatting voortspruitende verhoging van het KI uit te stellen met 6 jaar. Aan de periode van 6 jaar komt onmiddellijk een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie.
De maatregel geldt enkel voor de herschatting van onroerende goederen die volledig in een zone voor positief grootstedelijk beleid zijn gelegen.
Artikel 494, § 6, WIB 92 is een afwijking op de algemene regel en geldt enkel inzake PB. De afwijking geldt derhalve niet voor de berekening van de OV.
12. Inwerkingtreding
De belastingvermindering treedt in werking met ingang van aj. 2004.
De maatregel inzake de herschatting van het KI heeft uitwerking met ingang van 1.1.2003.
(Art. 110 en 111, programmawet 8.4.2003 - art. 145 25 en 494, WIB 92).
IV. VERVROEGD VAKANTIEGELD
A. Wettekst
HOOFDSTUK X. - Afzonderlijke taxatie van het vervroegd uitbetaald vakantiegeld
Art. 123.Artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt :
"- het vakantiegeld dat, tijdens het jaar dat de werknemer zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald;".
Art. 124.Dit hoofdstuk heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2003.
B. Commentaar
Het arrest van het Arbitragehof nr. 185/2002 van 11.12.2002 heeft op de volgende twee discriminaties gewezen :
- in zoverre artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) (afzonderlijke taxatie van het vervroegd vakantiegeld tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten) enkel van toepassing is op de bedienden, is het niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
- in zoverre het vakantiegeld dat wordt uitbetaald aan de arbeiders die met brugpensioen gaan, onder de toepassing van artikel 147, 2°, WIB 92 en niet onder de toepassing van artikel 147, 1°, WIB 92 (beperking van de belastingvermindering ingevolge de taxatie van het vervroegd vakantiegeld tegen het progressief tarief) valt, is het eveneens niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Teneinde die door het Arbitragehof vastgestelde discriminaties uit te sluiten, vervangt de nieuwe maatregel artikel 171, 6°, eerste streepje, WIB 92 zodat hier voortaan uitdrukkelijk het vakantiegeld wordt beoogd dat is betaald aan een werknemer die zijn werkgever verlaat, en dat betrekking heeft op de periode van het jaar waarin de werknemer is tewerkgesteld door die werkgever, in zoverre het in het jaar zelf is uitbetaald. De maatregel breidt zich uit tot alle werknemers, zonder een onderscheid te maken tussen bedienden en arbeiders.
Door deze nieuwe bepaling wordt op die wijze een einde gesteld aan de dubbele discriminatie die door het Arbitragehof wordt aangeklaagd.
Deze bepaling treedt in werking met ingang van aj. 2003.
Opmerking : Om iedere twijfel uit te sluiten wat de bedrijfsleider-werknemer betreft, heeft de programmawet van 5.8.2003, BS 7.8.2003 - Ed. 2, een tekstaanpassing aangebracht die de genoemde categorie van bedrijfsleiders expliciet in de wet vermeldt.
(Art. 123 en 124, programmawet 8.4.2003 - Art.171, 6°, 1 e streepje, WIB 92)
V. KRINGLOOPFONDS
A. Wettekst
HOOFDSTUK IV. - Belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds
Art. 113.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsepties ingevoegd, die luidt als volgt :
Onderafdeling IIsepties. - Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds - Terugname van de vermindering
Art. 145^26. - § 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van 60 maanden die door het Kringloopfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Kringloopfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over.
De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven.
§ 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
§ 3. Het Kringloopfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor het jaar van vervreemding : het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
B. Commentaar
1. Doelstelling
Om het ethisch beleggen aan te moedigen, is gekozen voor een gerichte actie om investeerders aan te trekken die bereid zijn te beleggen in sociale economiebedrijven waardoor extra tewerkstelling wordt gecreëerd.
Aangezien bij sociale economiebedrijven de uitkering van dividenden aan de aandeelhouders van ondergeschikt belang is, wordt een Kringloopfonds opgericht dat tussen die bedrijven en de investeerders zal staan. Dat Fonds zal obligatieleningen uitgeven waarop de investeerders zullen kunnen inschrijven.
Het is de bedoeling dat die obligatieleningen kunnen worden uitgegeven met een normaal rendement dat overeenstemt met het rendement van een OLO met een looptijd van 5 jaar.
Naast dat normale rendement wordt ook een extrastimulans ingebouwd door middel van een belastingvermindering die wordt toegekend op het ingeschreven bedrag.
Hierdoor moet het beleggingsmiddel voldoende interessant worden om investeerders aan te trekken.
2. Belastingvermindering
Artikel 145 26, WIB 92 bevat een maatregel betreffende de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving van obligaties met een looptijd van 60 maanden die op naam worden uitgegeven door het Kringloopfonds.
Die fiscale stimulans bestaat erin dat de inschrijver die dergelijke stortingen heeft gedaan, een belastingvermindering zal verkrijgen.
3. Voorwaarden en modaliteiten
De belastingvermindering wordt slechts eenmaal per aanslagjaar toegekend aan de inschrijver zelf.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver. In geval van vervreemding in een van de jaren volgend op het jaar van storting bepaalt artikel 145 26, § 2, WIB 92 de wijze waarop een deel van de belastingvermindering wordt teruggenomen. Dat deel wordt bekomen door het bedrag van de werkelijk bekomen belastingvermindering te vermenigvuldigen met een breuk met in de noemer 60 en in de teller het aantal nog niet verlopen maanden;
2° bij vervreemding van de obligaties binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering. De belastingvermindering wordt enkel toegekend bij rechtstreeks inschrijving op een nieuwe uitgifte van een obligatielening door het Kringloopfonds;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Kringloopfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° het Kringloopfonds stelt jaarlijks in tweevoud een attest op waarvan een exemplaar wordt bezorgd aan de inschrijver en een ander aan de bevoegde belastingdienst, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor elk van de andere jaren : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver, ofwel zijn vervreemd met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
4. Bedrag van de belastingvermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 5 % van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen. Voor aj. 2004, inkomsten van het jaar 2003, bedraagt de maximale belastingvermindering na indexering 250 EUR.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien hij de obligaties op zijn persoonlijke naam heeft verworven.
5. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking op 27.4.2003.
(Art. 113, programmawet 8.4.2003 - Art. 145 26, WIB 92)
VI. STARTERSFONDS
A. Wettekst
HOOFDSTUK VII. - Belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds
Art. 116.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIocties ingevoegd, die luidt als volgt :
Onderafdeling IIocties. - Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds - Terugname van de vermindering.
Art. 145^27. - § 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van zestig maanden die door het Startersfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Startersfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over.
De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven.
§ 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het startersfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
§ 3. Het Startersfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor het jaar van vervreemding : het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
B. Commentaar
1. Doelstelling
Het aanmoedigen van de oprichting van zelfstandige ondernemingen en KMO's blijft een belangrijke prioriteit voor de regering.
Aangezien de moeilijke toegang tot de financiering één van de belangrijkste obstakels blijft, wordt een Startersfonds opgericht teneinde, met de steun van de openbare sector, externe privé financiering te mobiliseren bij middel van obligatieleningen.
Om dit beleggingsmiddel voldoende interessant te maken voor de beleggers wordt een extra stimulans ingebouwd door middel van een belastingvermindering toegekend op het ingeschreven bedrag.
2. Belastingvermindering
Artikel 145 27, WIB 92 bevat een maatregel betreffende de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving van obligaties met een looptijd van 60 maanden die op naam worden uitgegeven door het Startersfonds.
Die fiscale stimulans bestaat erin dat de inschrijver die dergelijke stortingen heeft gedaan, een belastingvermindering zal verkrijgen.
3. Voorwaarden en modaliteiten
Dit recht wordt slechts eenmaal per aanslagjaar toegekend aan de inschrijver zelf.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver. In geval van vervreemding in een van de jaren volgend op het jaar van storting bepaalt artikel 145 27, § 2, WIB 92 van het ontwerp de wijze waarop een deel van de belastingvermindering wordt teruggenomen. Dat deel wordt bekomen door het bedrag van de werkelijk bekomen belastingvermindering te vermenigvuldigen met een breuk met in de noemer 60 en in de teller het aantal nog niet verlopen maanden;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering. De belastingvermindering wordt enkel toegekend bij rechtstreeks inschrijving op een nieuwe uitgifte van een obligatielening door het Startersfonds;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Startersfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° het Startersfonds stelt jaarlijks in tweevoud een attest op waarvan een exemplaar wordt bezorgd aan de inschrijver en een ander aan de bevoegde belastingdienst, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor elk van de andere jaren : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver, ofwel zijn vervreemd met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
4. Bedrag van de belastingvermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 5 % van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen. Voor aj. 2004, inkomsten van het jaar 2003, bedraagt de maximale belastingvermindering na indexering 250 EUR.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien hij de obligaties op zijn persoonlijke naam heeft verworven.
5. Inwerkingtreding
De voormelde maatregel treedt in werking op 27.4.2003.
(Art. 116, programmawet 8.4.2003 - Art. 145 27, WIB 92).
VII. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
A. Wettekst
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de programmawet van 24 december 2002
Art. 117. In artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd :
"De in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting, van de bedrijfsvoorheffing kan ook worden toegekend aan de wetenschappelijke instellingen die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers".
B. Commentaar
1. Doelstelling
De programmawet (I) van 24.12.2002 heeft ter versterking van het wetenschappelijk onderzoek een maatregel ingevoerd ter stimulering van het aanstellen van assistent-onderzoekers en postdoctorale onderzoekers. Het toepassingsgebied van deze maatregel is beperkt tot de assistent-onderzoekers betaald door universiteiten of hogescholen en postdoctorale onderzoekers betaald door het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Andere wetenschappelijke instellingen komen niet in aanmerking.
De bedoeling van de nieuwe maatregel is deze vrijstelling uit te breiden tot wetenschappelijke instellingen die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en die bezoldigingen betalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers.
2. Inwerkingtreding
De voormelde maatregel treedt in werking op 1.10.2003.
(Art. 117, programmawet 8.4.2003 - Art. 385, programmawet (I) 24.12.2002)
Circulaire nr. AFZ/2003-0515 (AFZ 1/2004) dd. 08.01.2004
Bull. nr. 846, pag. 825-855
AFZONDERLIJK BELASTBAAR INKOMEN
Vervroegd vakantiegeld
BEDRIJFSVOORHEFFING
Vrijstelling van storting van de BV
BEROEPSKOSTEN
Collectieve voorziening voor kinderopvang
INVESTERINGSAFTREK
Investering in beveiliging
OBLIGATIES UITGEGEVEN DOOR HET KRINGLOOPFONDS
Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds
OBLIGATIES UITGEGEVEN DOOR HET STARTERSFONDS
Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds
UITGAVE VOOR VERNIEUWING VAN WONINGEN
Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in zones voor positief grootstedelijk beleid
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Personeel voor wetenschappelijk onderzoek.
Eerste commentaar op de programmawet van 8.4.2003 en de uitvoeringsbesluiten van 12.5.2003 en 4.6.2003.
Aan alle ambtenaren van de niveau's 1, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie der directe belastingen en van de Administratie van de bijzondere belastingsinspectie.
In bijlage volgt een eerste commentaar betreffende :
1. de programmawet van 8 april 2003 (BS 17.4.2003, V 3161, Bull. 838), meer bepaalt over de bepalingen inzake:
- de aanmoediging van opvang voor kinderen van minder dan 3 jaar;
- de investeringen voor beveiliging van bedrijfslokalen;
- de maatregelen genomen in het kader van het grootstedenbeleid;
- de afzonderlijke taxatie van het vervroegd vakantiegeld;
- de belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het kringloopfonds;
- de belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het starterfonds;
- het wetenschappelijk onderzoek;
2. het koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake investeringen in beveiliging (BS 20.5.2003, V 3173, Bull. 839);
3. het koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (BS 20.6.2003, V 3187, Bull. 840);
4. het koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 145 25, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS 20.6.2003, V 3188, Bull. 840).
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
PROGRAMMAWET VAN 8 APRIL 2003
INHOUDSTAFEL
I. KINDEROPVANG
A. Wettekst
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ter bevordering van de opvang van kinderen van minder dan 3 jaar
Art. 104.In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 52bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 52bis. - De sommen die een belastingplichtige, die in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst of baten verkrijgt, werkelijk heeft betaald ten gunste van een collectieve voorziening voor kinderdagopvang, worden onder de volgende voorwaarden als beroepskosten aangemerkt :
1° de opvangvoorziening is erkend of gesubsidieerd door of staat onder toezicht van Kind en Gezin, het Office de la naissance et de l'enfance of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
2° de sommen zijn rechtstreeks of door tussenkomst van de in 1° vermelde bevoegde instelling aan de opvangvoorziening gestort overeenkomstig de toepasselijke reglementering van de betreffende gemeenschap;
3° de sommen worden door de opvangvoorziening gebruikt om werkingskosten en uitgaven voor infrastructuur of voor uitrusting te financieren die nodig zijn voor het creëren, vanaf 1 januari 2003, van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan drie jaar, die voldoen aan de door de betreffende gemeenschap gestelde voorwaarden, of voor het behoud van de aldus gecreëerde plaatsen;
4° de sommen mogen niet worden gebruikt voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen;
5° de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 5.250 EUR per in 3° vermelde opvangplaats;
6° de bevoegde instelling verstrekt jaarlijks per opvangvoorziening aan de belastingplichtige die de sommen heeft gestort, een document waarin ze verklaart dat aan de voorwaarden vermeld in dit artikel is voldaan en waarin ze zowel het bedrag dat is gebruikt voor het creëren of behouden van in 3° vermelde opvangplaatsen, als het aantal desbetreffende plaatsen opgeeft."
Art. 105.Dit hoofdstuk is van toepassing op de sommen die werkelijk werden betaald vanaf 1 januari 2003.
B. Commentaar
1. Doelstelling van de maatregel
Deze maatregel beoogt een toename van het aantal beschikbare plaatsen voor de dagopvang van kinderen in collectieve opvangvoorzieningen. Met dagopvang van kinderen bedoelt men de opvang van kinderen die nog niet oud genoeg zijn om naar school te gaan.
Onder collectieve voorziening voor opvang moet volgens de Gemeenschappen worden verstaan, de crèche, het gemeentelijke huis voor opvang van kinderen, de erkende of gesubsidieerde peutertuin of het erkende project van kinderdagopvang.
In het kader van een overeenkomst tussen de federale regering en de drie gemeenschappen werd een nieuw systeem van financiering uitgewerkt teneinde privé-partners uit te nodigen financiële ondersteuning te bieden voor de verhoging van het aantal beschikbare opvangplaatsen.
2. Beoogde belastingplichtigen
Deze fiscale bepaling maakt de aftrek als beroepskosten mogelijk, in het kader van artikel 52bis, WIB 92, voor zelfstandigen, beoefenaars van vrije beroepen, ambten of posten of van andere winstgevende bezigheden, en vennootschappen, van de sommen die ze storten met het oog op de financiële ondersteuning van sommige collectieve voorzieningen voor kinderdagopvang, zowel voor de creatie van een nieuwe plaats als voor het behoud van een nieuwe gecreëerde plaats.
3. Te respecteren voorwaarden
- De voorziening voor opvang moet worden erkend of gesubsidieerd door of moet onder toezicht staan van Kind en Gezin, l'Office de la naissance et de l'enfance of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
- de sommen moeten rechtstreeks of door tussenkomst van de bevoegde overheid aan de betreffende voorziening voor opvang worden gestort;
- de gestorte sommen mogen de tussenkomst die de ouders rechtstreeks betalen aan de collectieve voorziening en die is vastgesteld door iedere gemeenschap of het daartoe aangeduide organisme, niet omvatten;
- de sommen moeten werkingskosten, uitgaven voor infrastructuur of uitrusting (meubelen, boeken, speelgoed, …) financieren;
- zij moeten dienen voor de creatie vanaf 1.1.2003 van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan 3 jaar, of voor het behoud van aldus gecreëerde plaatsen;
- de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 5.250 EUR, niet geïndexeerd bedrag, per nieuwe opvangplaats die wordt gecreëerd of behouden (6.300 EUR voor aj. 2004, inkomsten 2003);
- Kind en Gezin, l'ONE of de Duitstalige Gemeenschap zal ieder jaar per opvangvoorziening aan de belastingplichtige een document uitreiken dat verduidelijkt dat de door hem gestorte sommen voldoen aan de voorwaarden en dat tevens het bedrag vermeldt dat gebruikt is voor het creëren van opvangplaatsen of voor het behoud van nieuwe plaatsen die werden gecreëerd vanaf 1.1.2003, alsmede het aantal desbetreffende plaatsen . Dit document wordt vastgelegd in een overeenkomst die wordt gesloten tussen de Minister van Financiën en de ministers van de Gemeenschappen die bevoegd zijn voor de kinderopvang.
4. Inwerkingtreding
De maatregel is van toepassing op de sommen die werkelijk worden betaald vanaf 1.1.2003.
(Art. 104 en 105, programmawet 8.4.2003 - Art. 52bis, WIB 92)
II. BEVEILIGING
A. Wettekst en reglementaire bepaling
1. Programmawet van 8 april 2003
HOOFDSTUK II. - Investeringen in beveiliging
Art. 106.Artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen als volgt :
"2° het basispercentage wordt verhoogd met 10 percentpunten met betrekking tot :
a) de octrooien;
b) de vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken;
c) de vaste activa die dienen voor een rationeler energieverbruik, voor de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, voor de terugwinning van energie in de industrie;
d) de materiële vaste activa die dienen voor een beveiliging van de beroepslokalen en waarvan de installatie werd aanbevolen en goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt."
Art. 107.Artikel 201 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een vijfde lid, dat luidt als volgt :
"In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, d, vermelde geval is de investeringsaftrek slechts van toepassing met betrekking tot de in het eerste lid, 1°, vermelde binnenlandse vennootschappen."
Art. 108.De artikelen 106 en 107 treden in werking vanaf aanslagjaar 2004.
Art. 109.Elke wijziging die vanaf 29 januari 2003 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 106 en 107.
2. Koninklijk besluit van 12 mei 2003, tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake investeringen in beveiliging
…
Artikel 1.In artikel 47bis, KB/WIB 92, ingevoegd door koninklijk besluit van 31 januari 1996 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, a, ".
Art. 2.In de inleidende zin van artikel 48, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 31 januari 1996 en 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, b, ".
Art. 3.In artikel 49, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, c, ".
Art. 4.In hoofdstuk I, afdeling XVI, KB/WIB 92, wordt, tussen de artikelen 49 en 49bis, een artikel 49^1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 49^1. Wat de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, d, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vaste activa betreft die dienen voor een beveiliging van de beroepslokalen, moeten de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 47 vermelde stukken staven door het attest dat wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt, en dat vermeldt dat de genoemde ambtenaar de in het belastbaar tijdperk gedane investeringen heeft aanbevolen en goedgekeurd.
De ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de betreffende politiezone wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken aangeduid.
Het model van goedkeuringsattest wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgelegd, na advies van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.".
Art. 5.In het opschrift van bijlage II van het KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 september 2000, worden de woorden "eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden "eerste lid, 2°, c, ".
Art. 6.Dit besluit treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
…
B. Commentaar
1. Doelstelling van de maatregel
Teneinde de fysieke integriteit van de belastingplichtigen en hun familie te beschermen, producten en investeringen te waarborgen en de gelegenheid tot diefstal te bemoeilijken, breidt deze maatregel het toepassingsveld van de verhoogde investeringsaftrek (13,5 % in plaats van 3,5 % voor het aj. 2004) uit tot de investeringen die inzake veiligheid worden gedaan overeenkomstig de aanbevelingen van de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie, die een ambtenaar is aangeduid door de Minister van Binnenlandse Zaken.
2. Beoogde belastingplichtigen
Het moet gaan om nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen (natuurlijke personen), titularissen van een vrij beroep, een ambt, post of andere winstgevende bezigheid evenals om kleine en middelgrote ondernemingen opgericht onder de vorm van een vennootschap.
3. Beoogde goederen
Deze maatregel is van toepassing op de materiële vaste activa die dienen voor een betere beveiliging van de beroepslokalen. Onder beroepslokaal moet worden verstaan, de plaats waar de belastingplichtige normaal zijn beroepsactiviteit uitoefent, waaronder moeten worden begrepen, de fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen en magazijnen, bergplaatsen, garages en de terreinen die als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doen. Worden eveneens beoogd, de dokters- en tandartskabinetten, wachtzalen, architectenbureaus. Samengevat is de maatregel van toepassing op elke plaats waar de beoogde personen in hoofd- of bijzaak hun beroepsactiviteit uitoefenen.
4. Voorwaarde
Om deze aftrek te verkrijgen, is het noodzakelijk dat de installatie werd aanbevolen en goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake technopreventie wiens bevoegdheid zich uitstrekt over een politiezone.
5. Praktische modaliteiten
Naar aanleiding van de indiening van de aangifte, moeten de betrokken belastingplichtigen, samen het gewone formulier voor de investeringsaftrek, het attest toevoegen dat wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt, en dat vermeldt dat de genoemde ambtenaar de in het belastbaar tijdperk gedane investeringen heeft aanbevolen en goedgekeurd.
Het model van goedkeuringsattest wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgelegd, na advies van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
6. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking vanaf aj. 2004.
(Art. 106 tot 109, programmawet 8.4.2003 - Art. 69 en 201, WIB 92).
III. GROOTSTEDENBELEID
A. Wettekst en reglementaire bepaling
1. Programmawet van 8 april 2003
HOOFDSTUK III. - Fiscaal voordeel
Maatregelen in het kader van het grootstedenbeleid
Art. 110.A. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsexies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Onderafdeling IIsexies. - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid.
Art. 145^25. - Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid en waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is.
Een zone voor positief grootstedelijk beleid is een gemeente of een afgebakend deel van een gemeente waar het woon- en leefklimaat moet worden verbeterd door specifieke maatregelen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van een wetenschappelijke studie, de zones voor positief grootstedelijk beleid voor een periode van 6 kalenderjaren. Een hernieuwing van de periode is mogelijk na een nieuwe wetenschappelijke studie.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
1° op het ogenblik van de uitvoering van de werken is die woning de enige woning van de belastingplichtige;
2° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste vijftien jaar in gebruik genomen;
3° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 2.500 EUR;
4° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
a) in aanmerking komen voor de bepaling van de verantwoorde beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 104, 8°, of 145^24.
De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de werkelijk gedane uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 EUR per woning bedragen.
Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waaraan de werken zijn uitgevoerd.
De Koning bepaalt de aard van de in het tweede lid, 4°, bedoelde dienstverrichtingen en de toepassingsmodaliteiten van de vermindering."
B. In hetzelfde artikel 145^25, zevende lid, worden de woorden "Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, " vervangen door de woorden "Bij een gemeenschappelijke aanslag".
Art. 111.Artikel 494 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een § 6, dat luidt als volgt :
"§ 6. In afwijking van § 5 hebben, voor de toepassing van dit Wetboek, de bepalingen van titel VI, hoofdstuk I, afdeling II, uitgezonderd, de uit een herschatting voortspruitende verhoging van de kadastrale inkomens slechts uitwerking vanaf de eerste dag van het zesde jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven.
Het eerste lid geldt enkel voor de in § 1, 2° en 3°, vermelde herschattingen die betrekking hebben op onroerende goederen die volledig zijn gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 145^25.
Aan de periode van 6 jaar komt een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie."
Art. 112.Artikel 110, A, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
Artikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
Artikel 110, B, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.
2. Koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid
…
Artikel 1.In hoofdstuk I van het KB/WIB 92 wordt een afdeling XXVocties ingevoegd die luidt als volgt :
"Afdeling XXVocties - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^25 )
Art. 63^12. § 1. De dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de in artikel 145^25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
De geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, moet een factuur uitreiken die :
a) melding maakt van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, bevestigt dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) bevestigt dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1, eerste lid vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63^12, KB/WIB 92" en die, desnoods, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeeft tussen deze bedoeld in § 1, eerste lid en de andere werken.
§ 2. De belastingplichtige die het voordeel vermeld in artikel 145^25 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het betrokken belastbare tijdperk het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van :
- de facturen betreffende de dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 145^25, van hetzelfde Wetboek;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen."
Art. 2.Dit besluit treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
…
3. Koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 145^25, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
…
Artikel 1.De zones voor positief grootstedelijk beleid bedoeld in artikel 145^25, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn, voor de kalenderjaren 2003 tot en met 2008, deze opgenomen in de bijlage van dit besluit.
… (1)
[(1) Gelet op de omvang ervan wordt de bijlage hier niet opgenomen. De tekst ervan kan op de volgende wijze worden geraadpleegd in de fiscale gegevensbank Fisconet :
a) via Internet (voor de belastingplichtigen)
1° Ga naar de website http://www.fisconet.fgov.be;
2° Kies "Directe belastingen";
3° Kies "Wetgeving";
4° Kies "Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992";
5° Kies "WIB 92 - aanslagjaar 2004 (inkomsten 2003)";
6° Kies "art 14525";
7° Onderaan de tekst van dit artikel is een rechtstreekse hyperlink aangebracht naar de tekst van het KB 4.6.2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 14525, tweede lid, WIB 92.
b) via intranet van de FOD Financiën (voor de ambtenaren) :
kies "Fisconet" en voer achtereenvolgens de in a, 2° tot 7°, hiervoor vermelde stappen uit.]
B. Commentaar
1. Doelstelling
Deze maatregel beoogt de achtergestelde stadswijken aantrekkelijker te maken en er plaatsen van te maken waar het goed leven en werken is.
2. Lokalisering
De maatregel betreft de zones voor positief grootstedelijk beleid (Brussel, Antwerpen, Gent, Luik, Charleroi, …) die worden bepaald door het koninklijk besluit van 4.6.2003 (BS van 20.6.2003). De kwalificatie als zone voor positief grootstedelijk beleid geldt voor een periode van 6 jaar, wat wil zeggen dat de kwalificatie van een zone voor positief grootstedelijk beleid slechts tijdelijk is.
3. Belastingvermindering
De maatregel bestaat erin dat de belastingplichtige die aan zijn woning, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, en die gelegen is in een zone voor positief grootstedelijk beleid, een of meerdere renovatiewerken heeft laten uitvoeren, een belastingvermindering zal verkrijgen.
De renovatie kan worden uitgevoerd met of zonder hypothecaire lening.
Dit recht wordt slechts éénmaal per aanslagjaar toegekend voor de betreffende woning.
4. Voorwaarden voor het verkrijgen van de vermindering
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
- op het ogenblik van de uitvoering van de werken is die woning de enige woning van de belastingplichtige;
- de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik genomen ;
- de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 2.500 EUR;
- de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het ondernemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401, WIB 92.
5. Soorten werken
De dienstverrichtingen zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, te weten, de prestaties die de verbouwing, de vernieuwing, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van de woning ten doel hebben, met uitsluiting van de reiniging.
6. Uitgesloten uitgaven
Om te vermijden dat sommige belastingplichtigen tweemaal dezelfde uitgaven in rekening brengen om een fiscaal voordeel te bekomen, wordt bepaald dat geen belastingvermindering wordt toegestaan voor de uitgaven die :
- in aanmerking genomen zijn als verantwoorde beroepskosten ;
- recht geven op de in artikel 69, WIB 92 vermelde investeringsaftrek ;
- in aanmerking komen voor de in artikel 104, 8°, WIB 92 vermelde aftrek van de uitgaven die zijn gedaan aan gebouwde onroerende goederen, die zijn beschermd overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen ;
- in aanmerking komen voor de in artikel 145 24, WIB 92 vermelde belastingvermindering (vermindering voor energiebesparende uitgaven).
7. Gemengd gebruik
Wanneer bepaalde uitgaven een gemengd karakter vertonen (de belastingplichtige gebruikt een deel van zijn woning voor de uitoefening van zijn beroep), kan enkel het niet beroepsmatig gedeelte van de uitgaven in aanmerking worden genomen voor de belastingvermindering.
8. Bedrag van de vermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de werkelijk gedane uitgaven.
De belastingvermindering mag, per belastbaar tijdperk, niet meer dan 500 EUR, niet geïndexeerd bedrag, per woning bedragen.
9. Bijzonderheden
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waaraan de werken zijn uitgevoerd.
10. Toepassingsmodaliteiten
In het KB van 12.5.2003 wordt gepreciseerd dat de geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, een factuur moet uitreiken die :
- melding maakt van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
- op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, bevestigt dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
- bevestigt dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van deze maatregel vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63 12, KB/WIB 92";
- indien hier reden voor is, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeven tussen deze bedoeld in deze maatregel en de andere werken.
Van zijn kant moet de belastingplichtige die het voordeel aanvraagt, het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van die factuur en van het betalingsbewijs hiervan.
11. Kadastraal inkomen
In geval van vernieuwing van een gebouwd onroerend goed wordt overgegaan tot een herziening van het kadastraal inkomen (KI).
Op grond van artikel 494, § 5, WIB 92, wordt het nieuw KI geacht te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltooiing van de werken.
Teneinde de vernieuwing van gebouwen in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 145 25, WIB 92 te stimuleren, wordt voorgesteld door middel van de nieuwe bepaling, om de inwerkingtreding van de uit een herschatting voortspruitende verhoging van het KI uit te stellen met 6 jaar. Aan de periode van 6 jaar komt onmiddellijk een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie.
De maatregel geldt enkel voor de herschatting van onroerende goederen die volledig in een zone voor positief grootstedelijk beleid zijn gelegen.
Artikel 494, § 6, WIB 92 is een afwijking op de algemene regel en geldt enkel inzake PB. De afwijking geldt derhalve niet voor de berekening van de OV.
12. Inwerkingtreding
De belastingvermindering treedt in werking met ingang van aj. 2004.
De maatregel inzake de herschatting van het KI heeft uitwerking met ingang van 1.1.2003.
(Art. 110 en 111, programmawet 8.4.2003 - art. 145 25 en 494, WIB 92).
IV. VERVROEGD VAKANTIEGELD
A. Wettekst
HOOFDSTUK X. - Afzonderlijke taxatie van het vervroegd uitbetaald vakantiegeld
Art. 123.Artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt :
"- het vakantiegeld dat, tijdens het jaar dat de werknemer zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald;".
Art. 124.Dit hoofdstuk heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2003.
B. Commentaar
Het arrest van het Arbitragehof nr. 185/2002 van 11.12.2002 heeft op de volgende twee discriminaties gewezen :
- in zoverre artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) (afzonderlijke taxatie van het vervroegd vakantiegeld tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten) enkel van toepassing is op de bedienden, is het niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
- in zoverre het vakantiegeld dat wordt uitbetaald aan de arbeiders die met brugpensioen gaan, onder de toepassing van artikel 147, 2°, WIB 92 en niet onder de toepassing van artikel 147, 1°, WIB 92 (beperking van de belastingvermindering ingevolge de taxatie van het vervroegd vakantiegeld tegen het progressief tarief) valt, is het eveneens niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Teneinde die door het Arbitragehof vastgestelde discriminaties uit te sluiten, vervangt de nieuwe maatregel artikel 171, 6°, eerste streepje, WIB 92 zodat hier voortaan uitdrukkelijk het vakantiegeld wordt beoogd dat is betaald aan een werknemer die zijn werkgever verlaat, en dat betrekking heeft op de periode van het jaar waarin de werknemer is tewerkgesteld door die werkgever, in zoverre het in het jaar zelf is uitbetaald. De maatregel breidt zich uit tot alle werknemers, zonder een onderscheid te maken tussen bedienden en arbeiders.
Door deze nieuwe bepaling wordt op die wijze een einde gesteld aan de dubbele discriminatie die door het Arbitragehof wordt aangeklaagd.
Deze bepaling treedt in werking met ingang van aj. 2003.
Opmerking : Om iedere twijfel uit te sluiten wat de bedrijfsleider-werknemer betreft, heeft de programmawet van 5.8.2003, BS 7.8.2003 - Ed. 2, een tekstaanpassing aangebracht die de genoemde categorie van bedrijfsleiders expliciet in de wet vermeldt.
(Art. 123 en 124, programmawet 8.4.2003 - Art.171, 6°, 1 e streepje, WIB 92)
V. KRINGLOOPFONDS
A. Wettekst
HOOFDSTUK IV. - Belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds
Art. 113.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsepties ingevoegd, die luidt als volgt :
Onderafdeling IIsepties. - Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds - Terugname van de vermindering
Art. 145^26. - § 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van 60 maanden die door het Kringloopfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Kringloopfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over.
De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven.
§ 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
§ 3. Het Kringloopfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor het jaar van vervreemding : het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
B. Commentaar
1. Doelstelling
Om het ethisch beleggen aan te moedigen, is gekozen voor een gerichte actie om investeerders aan te trekken die bereid zijn te beleggen in sociale economiebedrijven waardoor extra tewerkstelling wordt gecreëerd.
Aangezien bij sociale economiebedrijven de uitkering van dividenden aan de aandeelhouders van ondergeschikt belang is, wordt een Kringloopfonds opgericht dat tussen die bedrijven en de investeerders zal staan. Dat Fonds zal obligatieleningen uitgeven waarop de investeerders zullen kunnen inschrijven.
Het is de bedoeling dat die obligatieleningen kunnen worden uitgegeven met een normaal rendement dat overeenstemt met het rendement van een OLO met een looptijd van 5 jaar.
Naast dat normale rendement wordt ook een extrastimulans ingebouwd door middel van een belastingvermindering die wordt toegekend op het ingeschreven bedrag.
Hierdoor moet het beleggingsmiddel voldoende interessant worden om investeerders aan te trekken.
2. Belastingvermindering
Artikel 145 26, WIB 92 bevat een maatregel betreffende de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving van obligaties met een looptijd van 60 maanden die op naam worden uitgegeven door het Kringloopfonds.
Die fiscale stimulans bestaat erin dat de inschrijver die dergelijke stortingen heeft gedaan, een belastingvermindering zal verkrijgen.
3. Voorwaarden en modaliteiten
De belastingvermindering wordt slechts eenmaal per aanslagjaar toegekend aan de inschrijver zelf.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver. In geval van vervreemding in een van de jaren volgend op het jaar van storting bepaalt artikel 145 26, § 2, WIB 92 de wijze waarop een deel van de belastingvermindering wordt teruggenomen. Dat deel wordt bekomen door het bedrag van de werkelijk bekomen belastingvermindering te vermenigvuldigen met een breuk met in de noemer 60 en in de teller het aantal nog niet verlopen maanden;
2° bij vervreemding van de obligaties binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering. De belastingvermindering wordt enkel toegekend bij rechtstreeks inschrijving op een nieuwe uitgifte van een obligatielening door het Kringloopfonds;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Kringloopfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° het Kringloopfonds stelt jaarlijks in tweevoud een attest op waarvan een exemplaar wordt bezorgd aan de inschrijver en een ander aan de bevoegde belastingdienst, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor elk van de andere jaren : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver, ofwel zijn vervreemd met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
4. Bedrag van de belastingvermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 5 % van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen. Voor aj. 2004, inkomsten van het jaar 2003, bedraagt de maximale belastingvermindering na indexering 250 EUR.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien hij de obligaties op zijn persoonlijke naam heeft verworven.
5. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking op 27.4.2003.
(Art. 113, programmawet 8.4.2003 - Art. 145 26, WIB 92)
VI. STARTERSFONDS
A. Wettekst
HOOFDSTUK VII. - Belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds
Art. 116.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIocties ingevoegd, die luidt als volgt :
Onderafdeling IIocties. - Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds - Terugname van de vermindering.
Art. 145^27. - § 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van zestig maanden die door het Startersfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Startersfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over.
De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven.
§ 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het startersfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
§ 3. Het Startersfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor het jaar van vervreemding : het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
B. Commentaar
1. Doelstelling
Het aanmoedigen van de oprichting van zelfstandige ondernemingen en KMO's blijft een belangrijke prioriteit voor de regering.
Aangezien de moeilijke toegang tot de financiering één van de belangrijkste obstakels blijft, wordt een Startersfonds opgericht teneinde, met de steun van de openbare sector, externe privé financiering te mobiliseren bij middel van obligatieleningen.
Om dit beleggingsmiddel voldoende interessant te maken voor de beleggers wordt een extra stimulans ingebouwd door middel van een belastingvermindering toegekend op het ingeschreven bedrag.
2. Belastingvermindering
Artikel 145 27, WIB 92 bevat een maatregel betreffende de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving van obligaties met een looptijd van 60 maanden die op naam worden uitgegeven door het Startersfonds.
Die fiscale stimulans bestaat erin dat de inschrijver die dergelijke stortingen heeft gedaan, een belastingvermindering zal verkrijgen.
3. Voorwaarden en modaliteiten
Dit recht wordt slechts eenmaal per aanslagjaar toegekend aan de inschrijver zelf.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten :
1° de obligaties moeten gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver. In geval van vervreemding in een van de jaren volgend op het jaar van storting bepaalt artikel 145 27, § 2, WIB 92 van het ontwerp de wijze waarop een deel van de belastingvermindering wordt teruggenomen. Dat deel wordt bekomen door het bedrag van de werkelijk bekomen belastingvermindering te vermenigvuldigen met een breuk met in de noemer 60 en in de teller het aantal nog niet verlopen maanden;
2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering. De belastingvermindering wordt enkel toegekend bij rechtstreeks inschrijving op een nieuwe uitgifte van een obligatielening door het Startersfonds;
3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Startersfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;
4° het Startersfonds stelt jaarlijks in tweevoud een attest op waarvan een exemplaar wordt bezorgd aan de inschrijver en een ander aan de bevoegde belastingdienst, met daarin :
- voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;
- voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;
- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;
- voor elk van de andere jaren : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver, ofwel zijn vervreemd met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.
4. Bedrag van de belastingvermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 5 % van de werkelijk gedane betalingen.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen. Voor aj. 2004, inkomsten van het jaar 2003, bedraagt de maximale belastingvermindering na indexering 250 EUR.
Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien hij de obligaties op zijn persoonlijke naam heeft verworven.
5. Inwerkingtreding
De voormelde maatregel treedt in werking op 27.4.2003.
(Art. 116, programmawet 8.4.2003 - Art. 145 27, WIB 92).
VII. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
A. Wettekst
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de programmawet van 24 december 2002
Art. 117. In artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd :
"De in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting, van de bedrijfsvoorheffing kan ook worden toegekend aan de wetenschappelijke instellingen die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers".
B. Commentaar
1. Doelstelling
De programmawet (I) van 24.12.2002 heeft ter versterking van het wetenschappelijk onderzoek een maatregel ingevoerd ter stimulering van het aanstellen van assistent-onderzoekers en postdoctorale onderzoekers. Het toepassingsgebied van deze maatregel is beperkt tot de assistent-onderzoekers betaald door universiteiten of hogescholen en postdoctorale onderzoekers betaald door het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Andere wetenschappelijke instellingen komen niet in aanmerking.
De bedoeling van de nieuwe maatregel is deze vrijstelling uit te breiden tot wetenschappelijke instellingen die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en die bezoldigingen betalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers.
2. Inwerkingtreding
De voormelde maatregel treedt in werking op 1.10.2003.
(Art. 117, programmawet 8.4.2003 - Art. 385, programmawet (I) 24.12.2002)
Bron: FisconetPlus
