Circulaire nr. Ci.RH.244/474.228 dd. 29.08.1996

CIRC 29.08.96/1

Circulaire nr. Ci.RH.244/474.228 dd. 29.08.1996


Bull. nr. 764

BEZOLDIGING
personeel van de voormalige provincie Brabant
loonfiche
fiche 281.10


Bijgaande afschriften van de instructies van 12 juli 1996 worden tot kennisgeving en naricht toegezonden.

Bijlage 1 heeft betrekking op het jaar 1994 en bijlage 2 op het jaar 1995.

Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,

V. KINDT INSTRUCTIE

EC MINISTERIE VAN FINANCIEN

----------------------------------------

Administratie der directe belastingen

----------------------------------------

Directie II/6 Ci.RH.244/474.228

----------------------------------------

ONDERWERP : Inkomstenbelastingen.

Betreft : Provincie Brabant. Wet 20.12.1995 - art. 26. Jaar 1994.

----------------------------------------

Bijlagen : 1 individuele fiche 281 m.b.t. 1994.

----------------------------------------

Brussel, 12 juli 1996

Hfd.cr. - Leid. CTK te .

1. In tegenstelling met de andere overheidsinstellingen heeft de voormalige "unitaire" Provincie Brabant de beroepsinkomsten van de maand december 1994 in die maand - in plaats van in januari 1995 - betaald.

Die vervroegde betaling heeft tot gevolg dat de individuele fiches 281 van de personeelsleden van de voormalige "unitaire" Provincie Brabant voor het jaar 1994 één maand meer (dus eventueel 13 maanden) beroepsinkomsten bevatten.

Indien die toestand ongewijzigd blijft, zouden die personeelsleden voor aanslagjaar 1995 een hogere belasting verschuldigd zijn en bepaalde sociale voordelen waarvan de toekenning afhangt van het belastbaar inkomen, kunnen verliezen.

2. Om daaraan te verhelpen bepaalt art. 26 van de W 20 december 1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen (BS 23 december 1995 - V 2422 - Bull. 757, blz. 159) dat :

a) de beroepsinkomsten van de maand december 1994 die de voormalige "unitaire" Provincie Brabant in die maand heeft betaald, moeten behandeld worden als beroepsinkomsten van het belastbaar tijdperk 1995 (zie ook nrs 52 en 53, van de circ. van 29 december 1995, nr Ci.D.19/478.462, Bull. 757, blz. 206);

b) van de aanslagen die voor aanslagjaar 1995 zouden zijn gevestigd zonder dat rekening is gehouden met de sub a) vermelde uitzonderingsbepaling, ontheffing wordt verleend :

  • ofwel ambtshalve, wanneer de overbelasting door de administratie werd vastgesteld of door de belastingplichtige aan de administratie werd bekendgemaakt binnen een termijn van 3 jaar vanaf de publicatie van voormelde wet in het BS (dit is dus ten laatste op 23 december 1998);
  • ofwel ingevolge een gemotiveerd bezwaarschrift dat bij de Gewestelijk directeur, moest worden ingediend binnen een termijn van 6 maanden vanaf de publicatie van voormelde wet in het BS (dit is dus ten laatste op 24 juni 1996, nl. de eerstvolgende werkdag na het verstrijken van voormelde termijn van 6 maanden).
3. Verder bepaalt artikel 26 van dezelfde wet dat op de + belastingen die ingevolge de sub 2, b, vermelde ontheffingen worden terugbetaald geen moratoriuminteresten mogen worden toegekend.

4. Om praktische redenen, is in overleg met de vertegenwoordigers van de voormalige "unitaire" Provincie Brabant de volgende werkwijze overeengekomen.

a) M.b.t. de brutoberoepsinkomsten van de maand december 1994, in dezelfde maand betaald, en de daarop betrekking hebbende bedrijfsvoorheffing, worden voor het jaar 1994 negatieve individuele fiches 281 opgesteld met een dubbel voor het personeelslid.

Die negatieve fiches vermelden de voormalige "unitaire" Provincie Brabant als schuldenaar.

Het hoofdbestuur geeft door bemiddeling van het Doc. centrum BV te Brussel aan de lokale aanslagdiensten de opdracht de toestand van de betrokken personeelsleden voor aanslagjaar 1995 zo spoedig mogelijk aan de hand van die negatieve fiches ambtshalve te regulariseren.

De betrokken personeelsleden moeten dus voor het jaar 1994 + geen enkel initiatief nemen.

b) M.b.t. de brutoberoepsinkomsten van de maand december 1994, in + dezelfde maand betaald, en de daarop betrekking hebbende bedrijfsvoorheffing, worden voor het jaar 1995 individuele fiches 281 opgesteld met een dubbel voor het personeelslid.

Die fiches vermelden de voormalige "unitaire" Provincie Brabant als schuldenaar.

De personeelsleden moeten het bedrag van de beroepsinkomsten en van de bedrijfsvoorheffing die op die fiches zijn vermeld opnemen in hun aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 1996.

5. De personeelsleden van de voormalige "unitaire" Provincie Brabant zijn van de sub 4 uiteengezette werkwijze in kennis gesteld door hun huidige personeelsdienst.

6. Bijgaande negatieve individuele fiche 281 m.b.t. het jaar 1994 wordt U gelet op de sub 4, a, uiteengezette werkwijze toegezonden.De op die negatieve fiche vermelde brutoberoepsinkomsten en bedrijfsvoorheffing moeten voor aanslagjaar 1995 in mindering worden gebracht van de bedragen die terzake door de voormalige "unitaire" Provincie Brabant op de oorspronkelijke individuele fiche 281 van het jaar 1994 zijn vermeld en dit :

  • ofwel ter gelegenheid van de nog voor dat aanslagjaar te vestigen aanslag;
  • ofwel door een ambtshalve ontheffing (zie sub, 2, b, eerste gedachtenstreep) die ten laatste op 18 oktober 1996 moet worden verleend voorzover die bedragen niet reeds in mindering zijn gebracht ter gelegenheid van een reeds voor dat aanslagjaar gevestigde aanslag of ingevolge een bezwaarschrift (zie sub 2, b, tweede gedachtenstreep).
7. Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid.

Op sommige negatieve fiches werd tegenover kenletter D (bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid) ten onrechte een bedrag vermeld.

Dat bedrag mag evenwel niet in mindering worden gebracht van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid (rubriek D) die op de oorspronkelijke fiche van het jaar 1994 door de voormalige "unitaire" Provincie Brabant werd vermeld.

Inderdaad, het bedrag dat tegenover kenletter D van de oorspronkelijke fiche moet voorkomen, is de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid met betrekking tot de bezoldigingen van het jaar 1994 (zie nr 36 van het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten, gepubliceerd in de bijlagen tot het BS van 17 februari 1995 en gevoegd bij de Bull. nr 747).

8. De sub 4, b, vermelde individuele fiche 281 voor het jaar 1995 wordt afzonderlijk toegezonden.

Voor de Directeur-generaal,
De Auditeur-generaal,

V. KINDT. INSTRUCTIE

EC MINISTERIE VAN FINANCIEN

----------------------------------------

Administratie der directe belastingen

----------------------------------------

Directie II/6 Ci.RH.244/474.228

---------------------------------------

ONDERWERP : Inkomstenbelastingen.

Betreft : Provincie Brabant. Wet 20.12.1995 - art. 26. Jaar 1995.

----------------------------------------

Bijlagen : 1 individuele fiche 281 m.b.t. 1995.

-------------------------------------------------

Brussel, 12 juli 1996

Hfd.cr. - Leid. CTK te .

1. In tegenstelling met de andere overheidsinstellingen heeft de + voormalige "unitaire" Provincie Brabant de beroepsinkomsten van de maand december 1994 in die maand - in plaats van in januari 1995 - betaald.

Die vervroegde betaling heeft tot gevolg dat de individuele fiches 281 van+ de personeelsleden van de voormalige "unitaire" Provincie Brabant voor het jaar 1994 één maand meer (dus eventueel 13 maanden) beroepsinkomsten bevatten.

Indien die toestand ongewijzigd blijft, zouden die personeelsleden voor aanslagjaar 1995 een hogere belasting verschuldigd zijn en bepaalde sociale voordelen waarvan de toekenning afhangt van het belastbaar inkomen, kunnen verliezen.

2. Om daaraan te verhelpen bepaalt art. 26 van de W 20 december 1995 + houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen (BS 23 december 1995 - V 2422 - Bull. 757, blz. 159) dat :

a) de beroepsinkomsten van de maand december 1994 die de voormalige + "unitaire" Provincie Brabant in die maand heeft betaald, moeten behandeld worden als beroepsinkomsten van het belastbaar tijdperk 1995 (zie ook nrs 52 en 53, van de circ. van 29 december 1995, nr Ci.D.19/478.462, Bull. 757, blz. 206);

b) van de aanslagen die voor aanslagjaar 1995 zouden zijn gevestigd + zonder dat rekening is gehouden met de sub a) vermelde uitzonderingsbepaling, ontheffing wordt verleend :

  • ofwel ambtshalve, wanneer de overbelasting door de administratie+ werd vastgesteld of door de belastingplichtige aan de administratie werd bekendgemaakt binnen een termijn van 3 jaar vanaf de publicatie van voormelde wet in het BS (dit is dus ten laatste op 23 december 1998);
  • ofwel ingevolge een gemotiveerd bezwaarschrift dat bij de + Gewestelijk directeur, moest worden ingediend binnen een termijn van 6 maanden vanaf de publicatie van voormelde wet in het BS (dit is dus ten laatste op 24 juni 1996, nl. de eerstvolgende werkdag na het verstrijken van voormelde termijn van 6 maanden).
3. Verder bepaalt art. 26 van dezelfde wet dat op de + belastingen die ingevolge de sub 2, b, vermelde ontheffingen worden terugbetaald geen moratoriuminteresten mogen worden toegekend.

4. Om praktische redenen, is in overleg met de + vertegenwoordigers van de voormalige "unitaire" Provincie Brabant de volgende werkwijze overeengekomen.

a) M.b.t. de brutoberoepsinkomsten van de maand december 1994, in + dezelfde maand betaald, en de daarop betrekking hebbende bedrijfsvoorheffing, worden voor het jaar 1994 negatieve individuele fiches 281 opgesteld met een dubbel voor het personeelslid.

Die negatieve fiches vermelden de voormalige "unitaire" + Provincie Brabant als schuldenaar.

Het hoofdbestuur geeft door bemiddeling van het Doc. + centrum BV te Brussel aan de lokale aanslagdiensten de opdracht de toestand van de betrokken personeelsleden voor aanslagjaar 1995 zo spoedig mogelijk aan de hand van die negatieve fiches ambtshalve te regulariseren.

De betrokken personeelsleden moeten dus voor het jaar 1994 + geen enkel initiatief nemen.

b) M.b.t. de brutoberoepsinkomsten van de maand december 1994, in + dezelfde maand betaald, en de daarop betrekking hebbende bedrijfsvoorheffing, worden voor het jaar 1995 individuele fiches 281 opgesteld met een dubbel voor het personeelslid.

Die fiches vermelden de voormalige "unitaire" Provincie + Brabant als schuldenaar.

De personeelsleden moeten het bedrag van de + beroepsinkomsten en van de bedrijfsvoorheffing die op die fiches zijn vermeld opnemen in hun aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 1996.

5. De personeelsleden van de voormalige "unitaire" Provincie + Brabant zijn van de sub 4 uiteengezette werkwijze in kennis gesteld door hun huidige personeelsdienst.

6. Bijgaande individuele fiche 281 m.b.t. het jaar 1995 wordt + U gelet op de sub 4, b, uiteengezette werkwijze toegezonden.

De op die fiche vermelde brutoberoepsinkomsten en + bedrijfsvoorheffing moeten met inachtneming van de passende procedureregels en aanslagtermijnen in aanmerking worden genomen bij het vestigen van de aanslag voor aanslagjaar 1996.

7. Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid.

Op sommige fiches werd tegenover kenletter D (bijzondere + bijdrage voor sociale zekerheid) ten onrechte een bedrag vermeld.

Dat bedrag mag evenwel niet voor aanslagjaar 1996 worden + verrekend en dus niet worden toegevoegd aan het bedrag van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid dat op andere individuele fiches 281 van het jaar 1995 tegenover de kenletter D is vermeld.

Inderdaad, het bedrag dat tegenover kenletter D van de bijgaande+ individuele fiche voorkomt heeft betrekking op de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid van het jaar 1994 en is reeds terecht opgenomen op de oorspronkelijke fiche van het jaar 1994 (zie nr 36 van het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten, gepubliceerd in de bijlagen tot het BS van 17 februari 1995 en gevoegd bij de Bull. nr 747).

8. De sub 4, a, vermelde negatieve individuele fiche 281 voor + het jaar 1994 werd reeds afzonderlijk toegezonden.

Voor de Directeur-generaal,
De Auditeur-generaal,

V. KINDT.