Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 14e afl. dd. 27.03.1991
CIRC 27.03.91/1
Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 14e afl. dd. 27.03.1991
Bull. nr. 705, pag. 1149
DRUKWERKEN
Opgave 276L.
FISCALE BEPALINGEN 1989
Meerwaarden op aandelen
NALATIGHEIDSINTERESTEN
Meerwaarden
VRIJGESTELDE MEERWAARDEN
Herbeleggingstermijn
Herbeleggingsvoorwaarden
Meerwaarden op aandelen
Commentaar op art. 160 en 310, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen en op art. 17, W. 20.7.1990 houdende economische en fiscale bepalingen : vrijstelling van meerwaarden op aandelen (art. 36 (nieuw), WIB).
VOORWAARDELIJKE VRIJSTELLING VAN MEERWAARDEN OP AANDELEN
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN I/236 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE I/237 en I/238 III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN I/239 IV. VRIJSTELBARE MEERWAARDEN A. Algemeen I/240 - I/242 B. Uitgesloten meerwaarden I/243 C. Beleggingsduur I/244 V. HERBELEGGING A. Algemeen I/245 B. Bedrag van de herbelegging I/246 C. Plaats van de herbelegging I/247 D. Aard van de herbelegging I/248 en I/249 E. Nieuwe activa I/250 - I/253 F. Herbeleggingstermijn I/254 G. Gevolgen van het niet-tijdig herbeleggen 1. Intrekking van de vrijstelling I/255 2. Nalatigheidsinteresten I/256 VI. BEHOUD VAN DE ALS HERBELEGGING VERKREGEN BESTANDDELEN A. Algemeen I/257 en I/258 B. Behoud gedurende drie jaar I/259 C. Opeenvolgende herbeleggingen I/260 en I/261 D. Stopzetting van de beroepswerkzaamheid I/262 E. Opmerking I/263 en I/264 F. Belastbaar tijdperk I/265 VII. FORMALITEITEN I/266 en I/267 VIII. INWERKINGTREDING I/268 VOORWAARDELIJKE VRIJSTELLING VAN MEERWAARDEN OP AANDELEN
I. WETTEKSTEN
I/236
Art. 36, WIB, vervangen door art. 260, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2061 - B. 697), luidt voortaan als volgt :
"§ 1. Evenzeer volledig vrijgesteld zijn de meerwaarden die verwezenlijkt worden in welke nijverheids-, handels-, of landbouwbedrijven ook, op aandelen of delen, wanneer die bestanddelen sedert meer dan vijf jaar voor de verwezenlijking ervan voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
Het vorige lid vindt slechts toepassing voor zover het bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de verwezenlijkte aandelen of delen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 21, laatste lid, werden belast.
Dit artikel is evenwel niet van toepassing op de meerwaarden :
Als investeringsvennootschappen worden beschouwd, de vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk het gemeenschappelijk beleggen van roerende waarden, deviezen en geldmiddelen tot doel hebben.
§ 2. De vrijstelling wordt slechts toegekend en behouden mits de belastingplichtige bewijst dat een bedrag gelijk aan de verkoopprijs van de bestanddelen waarop de meerwaarden betrekking hebben, wederbelegd werd :
§ 3. Wanneer de wederbelegging bedoeld in § 2 van dit artikel gedaan wordt bij wijze van inschrijving op aandelen of delen :
§ 4. Om de gevraagde vrijstelling te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelasting een opgave voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor ieder aanslagjaar waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd en voor ieder der aanslagjaren waarin de bij § 2 van dit artikel gestelde investering moet zijn verricht.
§ 5. Bij gebrek aan wederbelegging in de vormen en termijnen gesteld in § 2, worden de voorheen vrijgestelde meerwaarden aangemerkt als winst behaald tijdens het belastbaar tijdperk waarin de investeringstermijn verstreek.
§ 6. De vrijstelling wordt ingetrokken voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de bestanddelen die als wederbelegging in aanmerking zijn genomen, worden vervreemd wanneer deze vervreemding plaats vindt minder dan drie jaar na het verkrijgen of het tot stand brengen van deze bestanddelen, behalve wanneer de belastingplichtige bewijst dat een som gelijk aan de verkoopprijs van die bestanddelen is wederbelegd onder de voorwaarden vereist voor de oorspronkelijke wederbelegging en binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van vervreemding van de bestanddelen die als wederbelegging verkregen of tot stand zijn gebracht".
Art. 310 van eerstgenoemde wet heft bovendien art. 32, § 3, van de hervormingswet 1988 op (volledigheidshalve dient hier nog te worden aan toegevoegd dat ook §§ 1 en 2 van hetzelfde wetsartikel in feite zonder voorwerp geworden zijn daar eerstbedoelde paragraaf het inmiddels verdwenen art. 35, WIB wijzigt en de inhoud van de tweede paragraaf hernomen is als nieuwe § 6 van art. 36, WIB).
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
I/237
Art. 260, W. 22.12.1989, neemt alleen voor aandelen en delen (1) de bepalingen van het vroegere art. 36, WIB in een aangepaste vorm over.
Het nieuwe art. 36, WIB strekt ertoe het niet-monetaire gedeelte vrij te stellen van meerwaarden die tijdens het belastbare tijdperk door nijverheids-, handels-, of landbouwondernemingen worden verwezenlijkt op aandelen, op voorwaarde dat :
(1) Verder kortweg alleen nog aandelen genoemd.
I/238
Voortaan zijn meerwaarden op aandelen van investeringsvennootschappen en op andere portefeuillewaarden dan aandelen wel van de vrijstelling uitgesloten (1).
Op te merken is ook, dat de vrijstelling evenmin van toepassing is in zover de meerwaarden overeenstemmen met de recuperatie van vroeger op de vervreemde aandelen aangenomen waardeverminderingen die nog geen aanleiding hebben gegeven tot belasting overeenkomstig art. 21, laatste lid, WIB
(1) Art. 445bis, WIB, dat door art. 302, W. 22.12.1989 is ingevoegd, voorziet evenwel in een overgangsregeling waardoor meerwaarden op effecten die voor 01.01.1990 zijn uitgegeven of gewaarborgd door openbare instellingen, op voorwaarde van herbelegging van de verkoopprijs, over zes opeenvolgende belastbare tijdperken gespreid worden belast. Deze bepaling zal afzonderlijk worden besproken.
III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN
I/239
Voor de vrijstelling van meerwaarden ingevolge art. 36, WIB, komen in beginsel alle nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen in aanmerking (2).
De vrijstelling geldt derhalve niet voor meerwaarden op aandelen die door natuurlijke personen worden verwezenlijkt in het kader van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid (art. 20, 3°, WIB).
(2) De bijzonderheden ter zake van de Ven.B. worden afzonderlijk behandeld.
IV. VRIJSTELBARE MEERWAARDEN
A. Algemeen
I/240
Terwijl zij voorheen betrekking had op meerwaarden i.v.m. onroerende goederen, outillering, deelnemingen en portefeuillewaarden, geldt de vrijstelling thans nog uitsluitend voor meerwaarden die verwezenlijkt zijn op aandelen. Die aandelen moeten bovendien meer dan vijf jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt.
Overeenkomstig art. 36, § 1, 2e lid, WIB, is de vrijstelling bovendien slechts van toepassing in zover het bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de vervreemde aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die op grond van art. 21, laatste lid, WIB zijn belast (1).
(1) Bedoeld zijn hier de meerwaarden op aandelen die vroeger aangenomen minderwaarden compenseren (zie Com.IB 21/41.5 tot 21/41.8).
I/241
Opgemerkt wordt ook dat, bij gebreke van een duidelijke omschrijving door de wetgever, onder het begrip "aandelen" in beginsel moeten worden verstaan, zowel aandelen uit de rubriek "Financiële vaste activa" als uit de rubriek "Geldbeleggingen", zoals omschreven in de boekhoudwetgeving.
I/242
Als aandelen in de zin van de wet gelden overigens niet alleen eigenlijke kapitaalaandelen, doch ook alle andere aandelen, ongeacht hun benaming en de rechten die zij aan de bezitter verlenen (zoals winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en oprichtersaandelen).
De wet maakt geen onderscheid tussen aandelen van kapitaal- en personenvennootschappen, noch tussen aandelen van Belgische en buitenlandse vennootschappen.
Obligaties, daarin begrepen winstdelende obligaties en in aandelen converteerbare obligaties, zijn uitgesloten van de toepassing van art. 36, WIB
B. Uitgesloten meerwaarden
I/243
Van de vrijstelling zijn uitdrukkelijk uitgesloten, meerwaarden :
Praktisch zijn dus alleen meerwaarden bij verkoop vrijstelbaar krachtens art. 36, WIB
(2) Zoals de "beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal" (afgekort Bevek) en de "beleggingsvennootschap met vast kapitaal" (afgekort Bevak).
C. Beleggingsduur
I/244
De aandelen moeten op de datum van de vervreemding "sedert meer dan vijf jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt".
Deze voorwaarde is dezelfde als die welke is gesteld voor de toepassing van het door art. 32sexies, WIB ingevoerde stelsel van de gespreide belasting van vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden. Ter zake wordt dan ook naar nrs. I/164 en I/165 verwezen.
V. HERBELEGGING
A. Algemeen
I/245
De vrijstelling wordt slechts voorlopig toegekend en blijft alleen behouden indien de belastingplichtige bewijst dat een bedrag, gelijk aan de verkoopprijs van de aandelen, duurzaam is herbelegd :
B. Bedrag van de herbelegging
I/246
Een bedrag gelijk aan de verkoopprijs van de aandelen moet in de vereiste vormen en binnen de gestelde termijn worden herbelegd. Bedoeld wordt de nettoprijs na aftrek van de aan de verkoop inherente bijzondere kosten (makelaarslonen, commissielonen, heffingen).
C. Plaats van de herbelegging
I/247
De herbelegging van de verkoopprijs moet ongeacht de aard van de belegde activa, in België geschieden, d.w.z. in een inrichting waarover de belastingplichtige in België beschikt.
Het is echter voor de toepassing van art. 36, WIB zonder belang dat de aandelen waarop de verwezenlijkte meerwaarden betrekking heeft, voor hun vervreemding in Belgische of buitenlandse inrichtingen van de belastingplichtige waren belegd.
D. Aard van de herbelegging
I/248
De herbelegging moet geschieden in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa (1) of in aandelen.
(1) Deze afschrijfbare bestanddelen worden besproken in Com.IB 44/138 tot 44/147.4.
I/249
Uitdrukkelijk zijn uitgesloten :
E. Nieuwe activa
I/250
Art. 36, § 2, 1°, WIB, bepaalt voorts dat voor herbelegging alleen in aanmerking komen :
(2) Ter zake gelden dezelfde regels als voor de toepassing van art. 42ter, WIB betreffende de investeringsaftrek (zie Com.IB 42terW/14 tot 42ter/16).
I/251
Wat de herbelegging in nieuwe aandelen betreft, mag worden aangenomen dat de aanschaffing van aandelen in het kader van verkoopaanbiedingen na vaste overnamen met een inschrijving overeenstemt, indien de aanschaffing ten laatste drie maanden na de vaste overname plaatsheeft tegen een prijs die gelijk is aan de oorspronkelijke inschrijvingsprijs.
Dit betekent dat wanneer een uitgifte van aandelen door een syndicaat van banken vast is overgenomen, de bij het publiek geplaatste effecten geacht worden rechtstreeks door de belastingplichtige te zijn verkregen bij de vennootschap-emittent, op voorwaarde dat de aanschaffing ten laatste binnen drie maanden na de vaste overname plaatsheeft en dat de betaalde prijs gelijk is aan die waartegen de financiële instelling heeft ingeschreven bij de vennootschap-emittent.
I/252
Wanneer de herbelegging in aandelen geschiedt, vereist de wet bovendien dat het aandelen betreft van vennootschappen of rechtspersonen als bedoeld in art. 98, 100 en 102, WIB, die aan de Ven.B. zijn onderworpen.
I/253
Derhalve komen in aanmerking, aandelen van :
F. Herbeleggingstermijn
I/254
Om geldig te zijn, moet de herbelegging plaatsvinden binnen een termijn van drie jaar vanaf de eerste dag van het jaar of boekjaar waarin de meerwaarden zijn verwezenlijkt en ten laatste bij het stopzetten van de exploitatie (1), met dien verstande dat een herbelegging in aandelen ook binnen de herbeleggingstermijn afbetaald moet zijn.
Gezien de aanvang van de herbeleggingstermijn, is de daadwerkelijke en voorafgaande beschikking over de verkoopprijs van de verwezenlijkte aandelen op het tijdstip van de "herbelegging" geen vereiste.
(1) Behoudens in gevallen als bedoeld in art. 40, WIB (voortzettingsstelsel, inbreng in vennootschap).
G. Gevolgen van het niet-tijdig herbeleggen
1. Intrekking van de vrijstelling
I/255
De voorheen verleende vrijstelling wordt ingetrokken indien de herbelegging niet in de gestelde vormen en binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden.
In dat geval worden de vrijgestelde meerwaarden op aandelen aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.
2. Nalatigheidsinteresten
I/256
Bij het belasten van voorheen vrijgestelde meerwaarden op aandelen zijn nalatigheidsinteresten verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de vrijstelling aanvankelijk is toegestaan (art. 306, WIB, gewijzigd door art. 301, W. 22.12.1989).
VI. BEHOUD VAN DE ALS HERBELEGGING VERKREGEN BESTANDDELEN
A. Algemeen
I/257
Art. 36, § 6, WIB herneemt in feite de door het thans opgeheven art. 32, § 3, van de Hervormingswet 1988 ingevoerde voorwaarden van behoud van de herbelegde bestanddelen.
I/258
De verleende vrijstelling wordt teruggenomen in het belastbare tijdperk waarin de als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen worden vervreemd, indien die vervreemding minder dan drie jaar na de verkrijging of de vervaardiging van die bestanddelen plaatsvindt.
Het voordeel van de vrijstelling wordt weliswaar behouden indien de belastingplichtige bewijst dat een bedrag, gelijk aan de verkoopprijs van de met een meerwaarde verwezenlijkte aandelen, onder de voorwaarden die vereist zijn voor de oorspronkelijke herbelegging is herbelegd binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de vervreemding van de als herbelegging aangeschafte of vervaardigde bestanddelen.
Indien de stopzetting van de exploitatie plaatsheeft naar aanleiding van een belastingvrije verrichting als vermeld in art. 40, WIB, wordt de verplichting om de herbelegde bestanddelen te behouden automatisch naar de verkrijger overgebracht.
B. Behoud gedurende drie jaar
I/259
De belastingplichtige die voor het verkrijgen van de vrijstelling van verwezenlijkte meerwaarden als herbelegging bestanddelen heeft aangeschaft of vervaardigd ten belope van de verkoopprijs van de aandelen, is bovendien verplicht die bestanddelen gedurende ten minste drie jaar te behouden vanaf de datum van verkrijging of vervaardiging ervan (zie evenwel nr. I/261), zoniet verliest hij de vrijstelling.
Voorbeeld
Een handelaar die per kalenderjaar boekhoudt heeft op 23.03.1990 een meerwaarde van 20.000 F verwezenlijkt op aandelen die sinds 1983 in zijn exploitatie zijn belegd. De verkoopprijs van die aandelen -140.000 F- wordt in zijn exploitatie herbelegd in nieuw kantoormeubilair dat op 19.05.1990 is aangeschaft.
Om de vrijstelling van de meerwaarden te behouden, moet de betrokken handelaar in principe het meubilair tot en met 18.05.1993 in zijn bedrijf laten.
Indien het bedoelde meubilair op 17.04.1992 wordt vervreemd, moet de in 1990 verwezenlijkte meerwaarde van 20.000 F als een winst van het jaar 1992 worden beschouwd (zie evenwel nr. I/260).
C. Opeenvolgende herbeleggingen
I/260
Indien de belastingplichtige om bepaalde redenen de bestanddelen, die oorspronkelijk als herbelegging in aanmerking zijn genomen, niet gedurende drie jaar wil behouden, mag hij die bestanddelen vervreemden, op voorwaarde dat hij met inachtneming van bepaalde voorwaarden in de vervanging ervan voorziet.
Met andere woorden, het doet er niet toe of de oorspronkelijk als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen worden vervreemd tijdens de in I/259 bedoelde termijn van drie jaar, mits een gelijkwaardige investering in de plaats komt van die bestanddelen.
Tijdens de parlementaire werkzaamheden betreffende de Hervormingswet 1988 is overigens verduidelijkt dat meer dan éénmaal mag worden herbelegd, maar steeds onder dezelfde voorwaarden (cf. Verslag van de Commissie voor de Financiën van de Senaat, Buitengewone zitting 1988, Stuk 440-2, blz. 130). Het is dus niet alleen toegelaten de oorspronkelijke herbelegging te vervangen, maar ook herhaaldelijk vervangen herbelegging te doen.
Evenwel moet aan de hiernavolgende voorwaarden voldaan zijn :
Indien één of meer van die voorwaarden niet worden nageleefd, moet de aanvankelijk vrijgestelde meerwaarde op aandelen worden aangemerkt als een winst van het belastbare tijdperk waarin de bestanddelen die als herbelegging hebben gediend zijn vervreemd.
Zelfs indien de belastingplichtige slechts een gedeelte van de bestanddelen die als herbelegging hebben gediend vervreemdt (en ze niet vervangt), wordt de voorheen vrijgestelde meerwaarde volledig belastbaar.
(1) Zie evenwel I/253.
I/261
In feite moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten termijnen :
Voorbeeld
Wij hernemen het voorbeeld sub I/259, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokkenen niet tevreden is met het op 19.05.1990 aangeschafte kantoormeubilair en beslist het op 03.07.1991 te verkopen voor een bedrag van 100.000 F.
De in 1990 verwezenlijkte meerwaarden op aandelen 20.000 F blijft vrijgesteld indien de betrokken belastingplichtige ten minste een bedrag van 140.000 F (overeenstemmend met de verkoopprijs van de aandelen waarop de meerwaarde is verwezenlijkt) in zijn exploitatie herbelegt, bij voorbeeld in nieuw kantoormeubilair, en zulks ten laatste op 02.10.1991 (d.w.z. binnen drie maanden na de vervreemding van de als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen).
Het uiterlijk op 02.10.1991 aangeschafte meubilair zelf moet uiteraard tot en met 18.05.1993 in de exploitatie belegd blijven, tenzij de betrokken belastingplichtige beslist het op zijn beurt te vervangen met naleving van de in I/260 uiteengezette voorwaarden en termijn.
D. Stopzetting van de beroepswerkzaamheid
I/262
Indien de belastingplichtige nog niet voldoende heeft herbelegd en zijn beroepswerkzaamheid stopzet voor het verstrijken van de herbeleggingstermijn van drie jaar, wordt de voorheen vrijgestelde meerwaarde belastbaar in het belastbare tijdperk waarin de stopzetting plaatsvindt (1).
(1) Behalve indien art. 40, WIB (voortzettingsstelsel, inbreng in vennootschap) van toepassing is.
E. Opmerking
I/263
Wanneer de als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen minder dan drie maanden voor het verstrijken van de termijn van drie jaar (zie I/261, 1e lid, 1°), worden vervreemd, moet de belastingplichtige niettemin tot vervanging overgaan, met dien verstande dat hij ter zake altijd over een termijn van drie maanden beschikt vanaf de datum van vervreemding van die bestanddelen.
Voorbeeld
I/264
Een industrieel die per kalenderjaar boekhoudt heeft op 17.02.1990 een meerwaarde verwezenlijkt op aandelen.
Hij herbelegt op 22.12.1990, maar vervreemdt de bestanddelen die als herbelegging hebben gediend op 11.12.1993.
De termijn van drie jaar voor het behoud van de herbelegde bestanddelen verstrijkt op 21.12.1993.
De belastingplichtige kan tot en met 10.03.1994 tot een nieuwe herbelegging overgaan.
Bij ontstentenis van nieuwe herbelegging, wordt de meerwaarde als een belastbare winst van het jaar 1993 aangemerkt (zie I/265).
F. Belastbaar tijdperk
I/265
Wanneer de belastingplichtige de verplichting tot behoud van de herbelegde bestanddelen niet naleeft, wordt de aanvankelijk vrijgestelde meerwaarde op aandelen aangemerkt als een winst van het belastbare tijdperk waarin die bestanddelen zijn vervreemd zonder binnen een termijn van drie maanden te zijn vervangen (2).
(2) Op de aldus verschuldigde belasting moet geen nalatigheidsinterest worden berekend.
VII. FORMALITEITEN
I/266
De belastingplichtige die de vrijstelling van meerwaarden op aandelen ingevolge art. 36, WIB wil verkrijgen en behouden, moet bij zijn aangifte in de P.B. voor ieder aanslagjaar waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd en voor ieder aanslagjaar waarin een geldige herbelegging is gebeurd, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde zal worden vastgelegd; zij zal het nr. 276 L dragen.
I/267
Geen enkele meerwaarde mag worden vrijgesteld en geen enkele investering mag als herbelegging in aanmerking worden genomen zolang de belastingplichtige ze niet in de voorgeschreven opgave nr. 276 L heeft aangegeven.
VIII. INWERKINGTREDING
I/268
De hierboven besproken vrijstellingsregeling is van toepassing op vanaf 01.01.1990 verwezenlijkte meerwaarden op aandelen (art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989).
De vroegere vrijstellingsregeling voor vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden op onroerende goederen, outillering, deelnemingen en portefeuillewaarden (oud art. 36, WIB) blijft dus van toepassing op de voor 01.01.1990 verwezenlijkte meerwaarden. Dit betekent inzonderheid dat erop moet worden gelet dat aan de door de wet gestelde voorwaarden inzake herbelegging en behoud van de herbelegde bestanddelen voldaan is en/of blijft. Is zulks niet het geval, dan moet de verleende vrijstelling op de voorgeschreven wijze worden teruggenomen (1).
(1) Zie Com.IB art. 36 en circ. 08.03.1990, Ci.D.19/402.192 (16e aflevering - Hervormingswet 1988).
Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 14e afl. dd. 27.03.1991
Bull. nr. 705, pag. 1149
DRUKWERKEN
Opgave 276L.
FISCALE BEPALINGEN 1989
Meerwaarden op aandelen
NALATIGHEIDSINTERESTEN
Meerwaarden
VRIJGESTELDE MEERWAARDEN
Herbeleggingstermijn
Herbeleggingsvoorwaarden
Meerwaarden op aandelen
Commentaar op art. 160 en 310, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen en op art. 17, W. 20.7.1990 houdende economische en fiscale bepalingen : vrijstelling van meerwaarden op aandelen (art. 36 (nieuw), WIB).
VOORWAARDELIJKE VRIJSTELLING VAN MEERWAARDEN OP AANDELEN
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN I/236 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE I/237 en I/238 III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN I/239 IV. VRIJSTELBARE MEERWAARDEN A. Algemeen I/240 - I/242 B. Uitgesloten meerwaarden I/243 C. Beleggingsduur I/244 V. HERBELEGGING A. Algemeen I/245 B. Bedrag van de herbelegging I/246 C. Plaats van de herbelegging I/247 D. Aard van de herbelegging I/248 en I/249 E. Nieuwe activa I/250 - I/253 F. Herbeleggingstermijn I/254 G. Gevolgen van het niet-tijdig herbeleggen 1. Intrekking van de vrijstelling I/255 2. Nalatigheidsinteresten I/256 VI. BEHOUD VAN DE ALS HERBELEGGING VERKREGEN BESTANDDELEN A. Algemeen I/257 en I/258 B. Behoud gedurende drie jaar I/259 C. Opeenvolgende herbeleggingen I/260 en I/261 D. Stopzetting van de beroepswerkzaamheid I/262 E. Opmerking I/263 en I/264 F. Belastbaar tijdperk I/265 VII. FORMALITEITEN I/266 en I/267 VIII. INWERKINGTREDING I/268 VOORWAARDELIJKE VRIJSTELLING VAN MEERWAARDEN OP AANDELEN
I. WETTEKSTEN
I/236
Art. 36, WIB, vervangen door art. 260, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2061 - B. 697), luidt voortaan als volgt :
"§ 1. Evenzeer volledig vrijgesteld zijn de meerwaarden die verwezenlijkt worden in welke nijverheids-, handels-, of landbouwbedrijven ook, op aandelen of delen, wanneer die bestanddelen sedert meer dan vijf jaar voor de verwezenlijking ervan voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
Het vorige lid vindt slechts toepassing voor zover het bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de verwezenlijkte aandelen of delen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 21, laatste lid, werden belast.
Dit artikel is evenwel niet van toepassing op de meerwaarden :
| 1° | verwezenlijkt op aandelen of delen van investeringsvennootschappen; |
| 2° | vastgesteld ter gelegenheid van een ruiling, een schenking of een inbreng in vennootschap. |
§ 2. De vrijstelling wordt slechts toegekend en behouden mits de belastingplichtige bewijst dat een bedrag gelijk aan de verkoopprijs van de bestanddelen waarop de meerwaarden betrekking hebben, wederbelegd werd :
| 1° | in België, in zijn exploitatie, in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht of in nieuwe aandelen of delen, andere dan : |
| a) | aandelen of delen van investeringsvennootschappen; |
| b) | bestanddelen die zijn verworven als wederbelegging voor de toepassing van artikel 32sexies; |
| 2° | binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de eerste dag van het jaar of boekjaar van de verwezenlijking van de meerwaarden en uiterlijk bij het stopzetten van de exploitatie. |
- moet het gaan om nieuwe aandelen of delen uitgegeven bij de oprichting of bij de kapitaalverhoging van in de artikelen 98, 100 en 102 bedoelde vennootschappen;
- moeten deze aandelen of delen afbetaald worden binnen de in § 2 gestelde termijn.
§ 4. Om de gevraagde vrijstelling te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelasting een opgave voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor ieder aanslagjaar waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd en voor ieder der aanslagjaren waarin de bij § 2 van dit artikel gestelde investering moet zijn verricht.
§ 5. Bij gebrek aan wederbelegging in de vormen en termijnen gesteld in § 2, worden de voorheen vrijgestelde meerwaarden aangemerkt als winst behaald tijdens het belastbaar tijdperk waarin de investeringstermijn verstreek.
§ 6. De vrijstelling wordt ingetrokken voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de bestanddelen die als wederbelegging in aanmerking zijn genomen, worden vervreemd wanneer deze vervreemding plaats vindt minder dan drie jaar na het verkrijgen of het tot stand brengen van deze bestanddelen, behalve wanneer de belastingplichtige bewijst dat een som gelijk aan de verkoopprijs van die bestanddelen is wederbelegd onder de voorwaarden vereist voor de oorspronkelijke wederbelegging en binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van vervreemding van de bestanddelen die als wederbelegging verkregen of tot stand zijn gebracht".
Art. 310 van eerstgenoemde wet heft bovendien art. 32, § 3, van de hervormingswet 1988 op (volledigheidshalve dient hier nog te worden aan toegevoegd dat ook §§ 1 en 2 van hetzelfde wetsartikel in feite zonder voorwerp geworden zijn daar eerstbedoelde paragraaf het inmiddels verdwenen art. 35, WIB wijzigt en de inhoud van de tweede paragraaf hernomen is als nieuwe § 6 van art. 36, WIB).
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
I/237
Art. 260, W. 22.12.1989, neemt alleen voor aandelen en delen (1) de bepalingen van het vroegere art. 36, WIB in een aangepaste vorm over.
Het nieuwe art. 36, WIB strekt ertoe het niet-monetaire gedeelte vrij te stellen van meerwaarden die tijdens het belastbare tijdperk door nijverheids-, handels-, of landbouwondernemingen worden verwezenlijkt op aandelen, op voorwaarde dat :
- die aandelen reeds sedert meer dan vijf jaar voor de vervreemding voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid waren gebruikt;
- de verkoopprijs van die aandelen binnen de gestelde termijn en in de gestelde vormen duurzaam in de exploitatie in België wordt herbelegd.
(1) Verder kortweg alleen nog aandelen genoemd.
I/238
Voortaan zijn meerwaarden op aandelen van investeringsvennootschappen en op andere portefeuillewaarden dan aandelen wel van de vrijstelling uitgesloten (1).
Op te merken is ook, dat de vrijstelling evenmin van toepassing is in zover de meerwaarden overeenstemmen met de recuperatie van vroeger op de vervreemde aandelen aangenomen waardeverminderingen die nog geen aanleiding hebben gegeven tot belasting overeenkomstig art. 21, laatste lid, WIB
(1) Art. 445bis, WIB, dat door art. 302, W. 22.12.1989 is ingevoegd, voorziet evenwel in een overgangsregeling waardoor meerwaarden op effecten die voor 01.01.1990 zijn uitgegeven of gewaarborgd door openbare instellingen, op voorwaarde van herbelegging van de verkoopprijs, over zes opeenvolgende belastbare tijdperken gespreid worden belast. Deze bepaling zal afzonderlijk worden besproken.
III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN
I/239
Voor de vrijstelling van meerwaarden ingevolge art. 36, WIB, komen in beginsel alle nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen in aanmerking (2).
De vrijstelling geldt derhalve niet voor meerwaarden op aandelen die door natuurlijke personen worden verwezenlijkt in het kader van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid (art. 20, 3°, WIB).
(2) De bijzonderheden ter zake van de Ven.B. worden afzonderlijk behandeld.
IV. VRIJSTELBARE MEERWAARDEN
A. Algemeen
I/240
Terwijl zij voorheen betrekking had op meerwaarden i.v.m. onroerende goederen, outillering, deelnemingen en portefeuillewaarden, geldt de vrijstelling thans nog uitsluitend voor meerwaarden die verwezenlijkt zijn op aandelen. Die aandelen moeten bovendien meer dan vijf jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt.
Overeenkomstig art. 36, § 1, 2e lid, WIB, is de vrijstelling bovendien slechts van toepassing in zover het bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de vervreemde aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die op grond van art. 21, laatste lid, WIB zijn belast (1).
(1) Bedoeld zijn hier de meerwaarden op aandelen die vroeger aangenomen minderwaarden compenseren (zie Com.IB 21/41.5 tot 21/41.8).
I/241
Opgemerkt wordt ook dat, bij gebreke van een duidelijke omschrijving door de wetgever, onder het begrip "aandelen" in beginsel moeten worden verstaan, zowel aandelen uit de rubriek "Financiële vaste activa" als uit de rubriek "Geldbeleggingen", zoals omschreven in de boekhoudwetgeving.
I/242
Als aandelen in de zin van de wet gelden overigens niet alleen eigenlijke kapitaalaandelen, doch ook alle andere aandelen, ongeacht hun benaming en de rechten die zij aan de bezitter verlenen (zoals winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en oprichtersaandelen).
De wet maakt geen onderscheid tussen aandelen van kapitaal- en personenvennootschappen, noch tussen aandelen van Belgische en buitenlandse vennootschappen.
Obligaties, daarin begrepen winstdelende obligaties en in aandelen converteerbare obligaties, zijn uitgesloten van de toepassing van art. 36, WIB
B. Uitgesloten meerwaarden
I/243
Van de vrijstelling zijn uitdrukkelijk uitgesloten, meerwaarden :
- verwezenlijkt op aandelen van investeringsvennootschappen, die door de wet zijn omschreven als "vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk het gemeenschappelijk beleggen van roerende waarden, deviezen en geldmiddelen tot doel hebben" (2);
- vastgesteld ter gelegenheid van ruiling en inbrengen in een vennootschap.
Praktisch zijn dus alleen meerwaarden bij verkoop vrijstelbaar krachtens art. 36, WIB
(2) Zoals de "beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal" (afgekort Bevek) en de "beleggingsvennootschap met vast kapitaal" (afgekort Bevak).
C. Beleggingsduur
I/244
De aandelen moeten op de datum van de vervreemding "sedert meer dan vijf jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt".
Deze voorwaarde is dezelfde als die welke is gesteld voor de toepassing van het door art. 32sexies, WIB ingevoerde stelsel van de gespreide belasting van vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden. Ter zake wordt dan ook naar nrs. I/164 en I/165 verwezen.
V. HERBELEGGING
A. Algemeen
I/245
De vrijstelling wordt slechts voorlopig toegekend en blijft alleen behouden indien de belastingplichtige bewijst dat een bedrag, gelijk aan de verkoopprijs van de aandelen, duurzaam is herbelegd :
- in zijn exploitatie in België;
- in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht of in nieuwe aandelen;
- binnen een termijn van drie jaar, die aanvangt op de eerste dag van het jaar of boekjaar waarin de meerwaarden zijn verwezenlijkt en ten laatste bij de stopzetting van de exploitatie.
B. Bedrag van de herbelegging
I/246
Een bedrag gelijk aan de verkoopprijs van de aandelen moet in de vereiste vormen en binnen de gestelde termijn worden herbelegd. Bedoeld wordt de nettoprijs na aftrek van de aan de verkoop inherente bijzondere kosten (makelaarslonen, commissielonen, heffingen).
C. Plaats van de herbelegging
I/247
De herbelegging van de verkoopprijs moet ongeacht de aard van de belegde activa, in België geschieden, d.w.z. in een inrichting waarover de belastingplichtige in België beschikt.
Het is echter voor de toepassing van art. 36, WIB zonder belang dat de aandelen waarop de verwezenlijkte meerwaarden betrekking heeft, voor hun vervreemding in Belgische of buitenlandse inrichtingen van de belastingplichtige waren belegd.
D. Aard van de herbelegging
I/248
De herbelegging moet geschieden in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa (1) of in aandelen.
(1) Deze afschrijfbare bestanddelen worden besproken in Com.IB 44/138 tot 44/147.4.
I/249
Uitdrukkelijk zijn uitgesloten :
- aandelen van investeringsvennootschappen die, zoals gesteld in nr. I/243, evenmin voor de vrijstelling zelf in aanmerking komen;
- afschrijfbare immateriële en materiële vaste activa die als herbelegging zijn verworven voor de toepassing van de gespreide belasting van meerwaarden ingevolge art. 32sexies, WIB
E. Nieuwe activa
I/250
Art. 36, § 2, 1°, WIB, bepaalt voorts dat voor herbelegging alleen in aanmerking komen :
- afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht (2);
- nieuwe aandelen, d.w.z. aandelen waarop is ingeschreven bij de oprichting of bij de kapitaalverhoging van een vennootschap.
(2) Ter zake gelden dezelfde regels als voor de toepassing van art. 42ter, WIB betreffende de investeringsaftrek (zie Com.IB 42terW/14 tot 42ter/16).
I/251
Wat de herbelegging in nieuwe aandelen betreft, mag worden aangenomen dat de aanschaffing van aandelen in het kader van verkoopaanbiedingen na vaste overnamen met een inschrijving overeenstemt, indien de aanschaffing ten laatste drie maanden na de vaste overname plaatsheeft tegen een prijs die gelijk is aan de oorspronkelijke inschrijvingsprijs.
Dit betekent dat wanneer een uitgifte van aandelen door een syndicaat van banken vast is overgenomen, de bij het publiek geplaatste effecten geacht worden rechtstreeks door de belastingplichtige te zijn verkregen bij de vennootschap-emittent, op voorwaarde dat de aanschaffing ten laatste binnen drie maanden na de vaste overname plaatsheeft en dat de betaalde prijs gelijk is aan die waartegen de financiële instelling heeft ingeschreven bij de vennootschap-emittent.
I/252
Wanneer de herbelegging in aandelen geschiedt, vereist de wet bovendien dat het aandelen betreft van vennootschappen of rechtspersonen als bedoeld in art. 98, 100 en 102, WIB, die aan de Ven.B. zijn onderworpen.
I/253
Derhalve komen in aanmerking, aandelen van :
- Belgische vennootschappen op aandelen (N.V. en C.V.A.) en daarmede gelijkgestelde rechtspersonen naar Belgisch recht (art. 98, WIB);
- Belgische personenvennootschappen met handelskarakter (V.O.F., B.V.B.A., C.V., G.C.V. - art.100, WIB);
- vennootschappen naar buitenlands recht en daarmede gelijkgestelde rechtspersonen als bedoeld in art. 102, WIB
F. Herbeleggingstermijn
I/254
Om geldig te zijn, moet de herbelegging plaatsvinden binnen een termijn van drie jaar vanaf de eerste dag van het jaar of boekjaar waarin de meerwaarden zijn verwezenlijkt en ten laatste bij het stopzetten van de exploitatie (1), met dien verstande dat een herbelegging in aandelen ook binnen de herbeleggingstermijn afbetaald moet zijn.
Gezien de aanvang van de herbeleggingstermijn, is de daadwerkelijke en voorafgaande beschikking over de verkoopprijs van de verwezenlijkte aandelen op het tijdstip van de "herbelegging" geen vereiste.
(1) Behoudens in gevallen als bedoeld in art. 40, WIB (voortzettingsstelsel, inbreng in vennootschap).
G. Gevolgen van het niet-tijdig herbeleggen
1. Intrekking van de vrijstelling
I/255
De voorheen verleende vrijstelling wordt ingetrokken indien de herbelegging niet in de gestelde vormen en binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden.
In dat geval worden de vrijgestelde meerwaarden op aandelen aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.
2. Nalatigheidsinteresten
I/256
Bij het belasten van voorheen vrijgestelde meerwaarden op aandelen zijn nalatigheidsinteresten verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de vrijstelling aanvankelijk is toegestaan (art. 306, WIB, gewijzigd door art. 301, W. 22.12.1989).
VI. BEHOUD VAN DE ALS HERBELEGGING VERKREGEN BESTANDDELEN
A. Algemeen
I/257
Art. 36, § 6, WIB herneemt in feite de door het thans opgeheven art. 32, § 3, van de Hervormingswet 1988 ingevoerde voorwaarden van behoud van de herbelegde bestanddelen.
I/258
De verleende vrijstelling wordt teruggenomen in het belastbare tijdperk waarin de als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen worden vervreemd, indien die vervreemding minder dan drie jaar na de verkrijging of de vervaardiging van die bestanddelen plaatsvindt.
Het voordeel van de vrijstelling wordt weliswaar behouden indien de belastingplichtige bewijst dat een bedrag, gelijk aan de verkoopprijs van de met een meerwaarde verwezenlijkte aandelen, onder de voorwaarden die vereist zijn voor de oorspronkelijke herbelegging is herbelegd binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de vervreemding van de als herbelegging aangeschafte of vervaardigde bestanddelen.
Indien de stopzetting van de exploitatie plaatsheeft naar aanleiding van een belastingvrije verrichting als vermeld in art. 40, WIB, wordt de verplichting om de herbelegde bestanddelen te behouden automatisch naar de verkrijger overgebracht.
B. Behoud gedurende drie jaar
I/259
De belastingplichtige die voor het verkrijgen van de vrijstelling van verwezenlijkte meerwaarden als herbelegging bestanddelen heeft aangeschaft of vervaardigd ten belope van de verkoopprijs van de aandelen, is bovendien verplicht die bestanddelen gedurende ten minste drie jaar te behouden vanaf de datum van verkrijging of vervaardiging ervan (zie evenwel nr. I/261), zoniet verliest hij de vrijstelling.
Voorbeeld
Een handelaar die per kalenderjaar boekhoudt heeft op 23.03.1990 een meerwaarde van 20.000 F verwezenlijkt op aandelen die sinds 1983 in zijn exploitatie zijn belegd. De verkoopprijs van die aandelen -140.000 F- wordt in zijn exploitatie herbelegd in nieuw kantoormeubilair dat op 19.05.1990 is aangeschaft.
Om de vrijstelling van de meerwaarden te behouden, moet de betrokken handelaar in principe het meubilair tot en met 18.05.1993 in zijn bedrijf laten.
Indien het bedoelde meubilair op 17.04.1992 wordt vervreemd, moet de in 1990 verwezenlijkte meerwaarde van 20.000 F als een winst van het jaar 1992 worden beschouwd (zie evenwel nr. I/260).
C. Opeenvolgende herbeleggingen
I/260
Indien de belastingplichtige om bepaalde redenen de bestanddelen, die oorspronkelijk als herbelegging in aanmerking zijn genomen, niet gedurende drie jaar wil behouden, mag hij die bestanddelen vervreemden, op voorwaarde dat hij met inachtneming van bepaalde voorwaarden in de vervanging ervan voorziet.
Met andere woorden, het doet er niet toe of de oorspronkelijk als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen worden vervreemd tijdens de in I/259 bedoelde termijn van drie jaar, mits een gelijkwaardige investering in de plaats komt van die bestanddelen.
Tijdens de parlementaire werkzaamheden betreffende de Hervormingswet 1988 is overigens verduidelijkt dat meer dan éénmaal mag worden herbelegd, maar steeds onder dezelfde voorwaarden (cf. Verslag van de Commissie voor de Financiën van de Senaat, Buitengewone zitting 1988, Stuk 440-2, blz. 130). Het is dus niet alleen toegelaten de oorspronkelijke herbelegging te vervangen, maar ook herhaaldelijk vervangen herbelegging te doen.
Evenwel moet aan de hiernavolgende voorwaarden voldaan zijn :
| 1° | de nieuwe bestanddelen die worden verkregen of vervaardigd als "herbelegging van een herbelegging" moeten wat hun aard betreft aan dezelfde voorwaarden voldoen als die welke voor de oorspronkelijke herbelegging zijn gesteld in art. 36, § 2, 1°, WIB; |
| 2° | indien de herbelegging in aandelen geschiedt, moeten deze nieuw zijn en uitgegeven door aan de Ven.B. onderworpen rechtspersonen (1) (art. 36, § 3, WIB) en indien die aandelen inbrengen in geld vertegenwoordigen, moeten zij binnen de vereiste termijn zijn afbetaald (zie I/254); |
| 3° | de aanschaffings- of vervaardigingsprijs van de verkregen bestanddelen moet steeds ten minste gelijk zijn aan de "verkoopprijs" van de bestanddelen die ze vervangen, d.w.z. aan de verkoopprijs die ontstaan heeft gegeven aan de verwezenlijkte meerwaarden op aandelen (zie voorbeeld in I/262); |
| 4° | er mogen niet meer dan drie maanden verlopen zijn tussen de datum van vervreemding van de oude bestanddelen en de datum van de verkrijging of van de verkrijging of van de vervaardiging van de bestanddelen die ze vervangen; |
| 5° | tenslotte moet de belastingplichtige gedurende drie jaar vanaf de datum van de datum van de oorspronkelijke investering, ofwel de oorspronkelijk als herbelegging verkregen of vervaardigde bestanddelen, ofwel de vervangende bestanddelen hebben behouden. |
Zelfs indien de belastingplichtige slechts een gedeelte van de bestanddelen die als herbelegging hebben gediend vervreemdt (en ze niet vervangt), wordt de voorheen vrijgestelde meerwaarde volledig belastbaar.
(1) Zie evenwel I/253.
I/261
In feite moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten termijnen :
| 1° | de termijnen van drie jaar die ertoe strekt een bepaalde duurzaamheid van de herbelegging te waarborgen, wordt eenmalig en definitief vastgesteld en vangt aan op de datum van de oorspronkelijke investering die als herbelegging in aanmerking is genomen; |
| 2° | de termijn van drie maanden tussen, de datum van vervreemding van de bestanddelen die als herbelegging hebben gediend en de datum van verkrijging of vervaardiging van de nieuwe bestanddelen; deze laatste mag nooit leiden tot een verlenging van de sub 1° vermelde termijn. |
Wij hernemen het voorbeeld sub I/259, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokkenen niet tevreden is met het op 19.05.1990 aangeschafte kantoormeubilair en beslist het op 03.07.1991 te verkopen voor een bedrag van 100.000 F.
De in 1990 verwezenlijkte meerwaarden op aandelen 20.000 F blijft vrijgesteld indien de betrokken belastingplichtige ten minste een bedrag van 140.000 F (overeenstemmend met de verkoopprijs van de aandelen waarop de meerwaarde is verwezenlijkt) in zijn exploitatie herbelegt, bij voorbeeld in nieuw kantoormeubilair, en zulks ten laatste op 02.10.1991 (d.w.z. binnen drie maanden na de vervreemding van de als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen).
Het uiterlijk op 02.10.1991 aangeschafte meubilair zelf moet uiteraard tot en met 18.05.1993 in de exploitatie belegd blijven, tenzij de betrokken belastingplichtige beslist het op zijn beurt te vervangen met naleving van de in I/260 uiteengezette voorwaarden en termijn.
D. Stopzetting van de beroepswerkzaamheid
I/262
Indien de belastingplichtige nog niet voldoende heeft herbelegd en zijn beroepswerkzaamheid stopzet voor het verstrijken van de herbeleggingstermijn van drie jaar, wordt de voorheen vrijgestelde meerwaarde belastbaar in het belastbare tijdperk waarin de stopzetting plaatsvindt (1).
(1) Behalve indien art. 40, WIB (voortzettingsstelsel, inbreng in vennootschap) van toepassing is.
E. Opmerking
I/263
Wanneer de als herbelegging in aanmerking genomen bestanddelen minder dan drie maanden voor het verstrijken van de termijn van drie jaar (zie I/261, 1e lid, 1°), worden vervreemd, moet de belastingplichtige niettemin tot vervanging overgaan, met dien verstande dat hij ter zake altijd over een termijn van drie maanden beschikt vanaf de datum van vervreemding van die bestanddelen.
Voorbeeld
I/264
Een industrieel die per kalenderjaar boekhoudt heeft op 17.02.1990 een meerwaarde verwezenlijkt op aandelen.
Hij herbelegt op 22.12.1990, maar vervreemdt de bestanddelen die als herbelegging hebben gediend op 11.12.1993.
De termijn van drie jaar voor het behoud van de herbelegde bestanddelen verstrijkt op 21.12.1993.
De belastingplichtige kan tot en met 10.03.1994 tot een nieuwe herbelegging overgaan.
Bij ontstentenis van nieuwe herbelegging, wordt de meerwaarde als een belastbare winst van het jaar 1993 aangemerkt (zie I/265).
F. Belastbaar tijdperk
I/265
Wanneer de belastingplichtige de verplichting tot behoud van de herbelegde bestanddelen niet naleeft, wordt de aanvankelijk vrijgestelde meerwaarde op aandelen aangemerkt als een winst van het belastbare tijdperk waarin die bestanddelen zijn vervreemd zonder binnen een termijn van drie maanden te zijn vervangen (2).
(2) Op de aldus verschuldigde belasting moet geen nalatigheidsinterest worden berekend.
VII. FORMALITEITEN
I/266
De belastingplichtige die de vrijstelling van meerwaarden op aandelen ingevolge art. 36, WIB wil verkrijgen en behouden, moet bij zijn aangifte in de P.B. voor ieder aanslagjaar waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd en voor ieder aanslagjaar waarin een geldige herbelegging is gebeurd, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde zal worden vastgelegd; zij zal het nr. 276 L dragen.
I/267
Geen enkele meerwaarde mag worden vrijgesteld en geen enkele investering mag als herbelegging in aanmerking worden genomen zolang de belastingplichtige ze niet in de voorgeschreven opgave nr. 276 L heeft aangegeven.
VIII. INWERKINGTREDING
I/268
De hierboven besproken vrijstellingsregeling is van toepassing op vanaf 01.01.1990 verwezenlijkte meerwaarden op aandelen (art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989).
De vroegere vrijstellingsregeling voor vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden op onroerende goederen, outillering, deelnemingen en portefeuillewaarden (oud art. 36, WIB) blijft dus van toepassing op de voor 01.01.1990 verwezenlijkte meerwaarden. Dit betekent inzonderheid dat erop moet worden gelet dat aan de door de wet gestelde voorwaarden inzake herbelegging en behoud van de herbelegde bestanddelen voldaan is en/of blijft. Is zulks niet het geval, dan moet de verleende vrijstelling op de voorgeschreven wijze worden teruggenomen (1).
(1) Zie Com.IB art. 36 en circ. 08.03.1990, Ci.D.19/402.192 (16e aflevering - Hervormingswet 1988).
Bron: FisconetPlus
