Circulaire nr. Ci.D.19/444.905 11de afl. dd. 04.05.1993

CIRC 04.05.93/1

Circulaire nr. Ci.D.19/444.905 11de afl. dd. 04.05.1993


Bull. nr. 728, pag. 1610

BEDRIJFSVOORHEFFING
Bestuurder.
Werkend vennoot.

BEZOLDIGING VAN BESTUURDER
Huur.

BEZOLDIGING VAN WERKEND VENNOOT
Huur.

FISCALE EN FINANCIELE BEPALINGEN 1992
Bezoldiging van bestuurder.
Bezoldiging van werkend vennoot.


Door een vennootschap aan bestuurders of werkende vennoten betaalde huur.

Commentaar op de art. 4 en 5, W. 28.07.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen.

AAN BESTUURDERS EN WERKENDE VENNOTEN BETAALDE HUUR

Inhoudstabel I. WETTEKSTEN I/201 II. ALGEMEEN I/203 III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN A. Algemeen I/205 B. Bestuurders I/206 C. Werkende vennoten I/208 IV. BEDOELDE ONROERENDE GOEDEREN A. Algemeen I/211 B. Onroerende goederen die in volle eigendom aan een van de echtgenoten toebehoren I/212 C. Gemeenschappelijke onroerende goederen van beide echtgenoten I/213 D. Onroerend goed waarin de bestuurder of de werkend vennoot slechts een onverdeeld aandeel bezit I/214 E. Tussenperioden I/215 F. Begin of einde van de functie I/216 G. Niet bedoelde onroerende goederen I/217 V. GEDEELTE VAN DE HUUR DAT ALS EEN BEROEPSINKOMEN MOET WORDEN AANGEMERKT A. Principe I/218 B. Huurprijs en huurvoordelen I/221 C. Verhuring van verscheidene onroerende goederen aan de vennootschap I/224 VI. VASTSTELLING VAN HET NETTOBEDRAG VAN DE BEZOLDIGINGEN I/225 VII. VOORBEELDEN Voorbeeld 1 I/226 Voorbeeld 2 I/227 Voorbeeld 3 I/228 Voorbeeld 4 I/229 Voorbeeld 5 I/230 VIII. INWERKINGTREDING I/231 IX. BEDRIJFSVOORHEFFING I/232 I. WETTEKSTEN

Art. 4, W. 28.07.1992

I/201

Artikel 32 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een als volgt luidend derde lid :

"Wanneer een bestuurder van een vennootschap aan deze laatste een gebouwd onroerend goed verhuurt, worden, in afwijking van artikel 7, de huurprijs en de huurvoordelen als bezoldiging aangemerkt, in zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen gerevaloriseerd met de in artikel 13 vermelde coëfficiënt. Van deze bezoldigingen worden de kosten in verband met het verhuurde onroerende goed niet in aftrek gebracht".

Art. 5, W. 28.07.1992

I/202

Artikel 33 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een als volgt luidend derde lid :

"Wanneer een werkend vennoot van een vennootschap aan deze laatste een gebouwd onroerend goed verhuurt, worden, in afwijking van artikel 7, de huurprijs en de huurvoordelen als bezoldigingen van werkend vennoot aangemerkt, in zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen gerevaloriseerd met de in artikel 13 vermelde coëfficiënt. Van deze bezoldigingen worden de kosten in verband met het verhuurde onroerend goed niet in aftrek gebracht".

II. ALGEMEEN

I/203

Om de techniek van belastingvermijding te bestrijden waarbij bestuurders en werkende vennoten een beroepsinkomen tot een onroerend inkomen omvormen door middel van een overdreven huur voor de onroerende goederen die ze aan hun eigen vennootschap verhuren, hebben de art. 4 en 5, W. 28.07.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (V 2185 - Bull. 719) respectievelijk de art. 32 en 33, WIB 92 derwijze aangevuld dat de huurprijs en de huurvoordelen in de voornoemde gevallen niet meer als onroerende inkomsten maar als bezoldigingen van bestuurder of van werkend vennoot worden aangemerkt, in zover zij meer dan vijf derden van het gerevaloriseerde KI bedragen.

De kosten in verband met het aldus verhuurde onroerend goed (met inbegrip van de interesten van leningen) zijn geen beroepskosten bij de bestuurder of bij de werkend vennoot.

I/204

De belangrijkste gevolgen van deze nieuwe bepalingen op fiscaal vlak zijn :



1.een verhoging van de beroepsinkomsten van de betrokken bestuurders en werkende vennoten en derhalve ook van de berekeningsgrondslag van de forfaitaire beroepskosten, van de BV en van de belastingvermeerdering ingeval geen of ontoereikende VA zijn gedaan;
2.een correlatieve vermindering van de onroerende inkomsten, die in voorkomend geval tot een vermindering van het bedrag van de aftrekbare interesten leidt.
III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN

A. Algemeen

I/206

Onder "bestuurders" verstaat men alle personen die op fiscaal vlak als dusdanig worden aangemerkt.

Het betreft dus voornamelijk :

  • personen die als zodanig in de oprichtingsakte van de vennootschap zijn aangewezen of door de algemene vergadering van de aandeelhouders zijn aangesteld om de vennootschap te besturen;
  • personen die gelijksoortige functies als deze van bestuurder uitoefenen zonder de titel van bestuurder te dragen;
  • vereffenaars;
  • bestuurders van verenigingen of instellingen (andere dan NV of CVA) die rechtspersoonlijkheid bezitten en die als kapitaalvennootschappen aan de Ven.B zijn onderworpen (art. 2, § 2, 3°, b en c, WIB 92), zoals bijvoorbeeld, de bestuurders van VZW's die aan de Ven.B en niet aan de RPB zijn onderworpen.


I/207

Daarentegen zijn inzonderheid niet bedoeld :

  • de commissarissen-revisoren;
  • de bestuurders van VZW's en andere instellingen of vennootschappen die aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen.


C. Werkende vennoten

I/208

Onder werkende vennoten van een personenvennootschap verstaat men de vennoten die actief aan het dagelijks bestuur van de onderneming deelnemen of er gelijksoortige werkzaamheden als die van een gewoon personeelslid (directeur, boekhouder, bediende of werkman) verrichten.

I/209

Er wordt echter aan herinnerd dat niet als werkende vennoten worden beschouwd, de werknemers die, alhoewel zij in die hoedanigheid tewerkgesteld blijven, vennoten van de vennootschap zijn geworden, mits zij slechts een beperkt aantal aandelen van de vennootschap bezitten en geen enkele leidende functie in de vennootschap vervullen (zie 100/17, Com.IB).

De nieuwe maatregel heeft geen betrekking op stille vennoten en evenmin op zaakvoerders van BVBA's die niet de hoedanigheid van werkend vennoot hebben omdat ze geen enkel aandeel van de vennootschap bezitten.

I/210

Een werkend vennoot die een pensioen ontvangt en in de vennootschap nog een door de pensioenwetgeving toegelaten werkzaamheid uitoefent, wordt geacht zijn vroegere fiscale statuut te behouden, zodat art. 33, 3e lid, WIB 92 van toepassing is wanneer hij een huur blijft ontvangen dat de grens van 5/3 van het gerevaloriseerd KI overschrijdt.

IV. BEDOELDE ONROERENDE GOEDEREN

A. Algemeen

I/211

Het betreft alle gebouwde onroerende goederen die een bestuurder of een werkend vennoot aan zijn vennootschap verhuurt. De bestuurder of de werkend vennoot moet er derhalve eigenaar, bezitter, vruchtgebruiker, erfpachter of opstalhouder van zijn.

Eenvoudigheidshalve worden al deze begrippen onder de benaming "eigenaar" gegroepeerd.

Aangezien de nieuwe bepaling uitdrukkelijk naar het KI van de onroerende goederen verwijst, is de draagwijdte ervan tot de in België gelegen onroerende goederen beperkt.

B. Onroerende goederen die in volle eigendom aan een van de echtgenoten toebehoren

I/212

De nieuwe maatregel geldt niet voor de huur van een onroerend goed dat in volle eigendom toebehoort aan een van de echtgenoten die geen bestuurder of werkend vennoot in de vennootschap-huurster is.

C. Gemeenschappelijke onroerende goederen van beide echtgenoten

I/213

Indien het onroerend goed deel uitmaakt van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, geldt de nieuwe maatregel, zowel voor het KI als voor de huur, alsof ieder van hen voor 50 % eigenaar is.

D. Onroerend goed waarin de bestuurder of de werkend vennoot slechts een
onverdeeld aandeel bezit

I/214

Deze onroerende goederen worden, zowel voor het KI als voor de huur, slechts ten belope van het aandeel in de onverdeeldheid in aanmerking genomen.

E. Tussenperioden

I/215

Het betreft alle gevallen waarin het onroerend goed, ingevolge ofwel een verandering van eigenaar, ofwel een verandering van huurder, of nog een verandering van bestemming, slechts gedurende een gedeelte van het jaar is verhuurd aan de vennootschap waarin de belastingplichtige bestuurder of werkend vennoot is.

De bepaling is slechts van toepassing voor de periode waarin de voorwaarden zijn vervuld. Het KI moet derhalve worden omgedeeld in verhouding tot deze periode, uitgedrukt in maanden.

Wat de "huur" betreft moet er uiteraard rekening worden gehouden met het totale bedrag van de huurprijs en huurvoordelen die de belastingplichtige heeft ontvangen van de vennootschap waarin hij bestuurder of werkend vennoot is.

F. Begin of einde van de functie

I/216

In geval de eigenaar van een aan een vennootschap verhuurd onroerend goed, in de loop van het huurcontract bestuurder of werkend vennoot wordt of ophoudt te zijn, is de bepaling slechts van toepassing voor het deel van het jaar waarin de eigenaar werkelijk als bestuurder of werkend vennoot wordt beschouwd.

G. Niet bedoelde onroerende goederen

I/217

Door de nieuwe bepaling worden niet bedoeld, de onroerende goederen :



die de aard van ongebouwde onroerende goederen hebben;
waarvan het gebruiksrecht krachtens een andere overeenkomst dan een huurcontract is afgestaan, d.w.z. inzonderheid :
a) de contracten van onderverhuring;


b) de contracten van afstand van het vruchtgebruik;


c) de overeenkomsten van erfpacht, van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten (bv. de onroerende leasing);




die worden gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de eigenaar (in dat geval is de huur een beroepsinkomen).
V. GEDEELTE VAN DE HUUR DAT ALS EEN BEROEPSINKOMEN MOET WORDEN AANGEMERKT

A. Principe

I/218

Het bedrag van de huur dat als een bezoldiging moet worden aangemerkt, is gelijk aan het positieve verschil tussen :

  • enerzijds, het totaal van de van de vennootschap ontvangen huurprijs en huurvoordelen;
  • en, anderzijds, vijf derden van het gerevaloriseerde KI.


I/219

Het gerevaloriseerde KI is het KI vermenigvuldigd met de in art. 13, WIB 92 en art. 1, KB/WIB bedoelde revalorisatiecoëfficiënt.

Voor aj. 1994 bedraagt die coëfficiënt 2,95.

I/220

Indien het resultaat van de vorenbedoelde bewerking nul of negatief is, behoudt de huur volledig de aard van een onroerend inkomen.

B. Huurprijs en huurvoordelen

I/221

Deze begrippen zijn identiek met die welke voor het vaststellen van de onroerende inkomsten worden gebruikt (zie ter zake inzonderheid 7/11, Com.IB).

I/222

Dienaangaande wordt eraan herinnerd dat de voor meerdere jaren vooruitbetaalde huur mag worden verdeeld over de gehele periode waarop de betaling betrekking heeft, mits schriftelijk en onherroepelijk akkoord van de belastingplichtige (zie 7/11, f, Com.IB).

I/223

Hetzelfde geldt voor de huurvoordelen die bestaan uit een eenmalige uitgave van de vennootschap-huurster (zie 7/11, c, Com.IB).

C. Verhuring van verscheidene onroerende goederen aan de vennootschap

I/224

Indien een bestuurder of een werkend vennoot verscheidene onroerende goederen aan dezelfde vennootschap verhuurt, moet het gedeelte van de huur dat als een bezoldiging moet worden aangemerkt, worden vastgesteld door de voormelde bewerking voor elk onroerend goed afzonderlijk toe te passen.

VI. VASTSTELLING VAN HET NETTOBEDRAG VAN DE BEZOLDIGINGEN

I/225

De huur die als een bezoldiging van bestuurder of van werkend vennoot wordt aangemerkt, wordt als een gewone brutobelastbare bezoldiging behandeld, die bij de andere bezoldigingen wordt gevoegd en waarmee, in voorkomend geval, bij de berekening van de forfaitaire beroepskosten rekening wordt gehouden.

Indien de belastingplichtige zijn werkelijke beroepskosten bewijst, mag hij er de kosten in verband met het verhuurde onroerend goed, zoals bijvoorbeeld de onderhoudskosten, de herstellingskosten, de interesten van leningen, enz., niet in opnemen.

VII. VOORBEELDEN

Voorbeeld 1

I/226

Een bestuurder is eigenaar van een onroerend goed met een KI van 100.000 F dat hij gedurende het hele jaar 1993 voor 450.000 F aan zijn vennootschap verhuurt.

5/3 van het gerevaloriseerde KI bedraagt 100.000 F w 2,95 x 5/3 = 491.667 F.

Aangezien de bewerking 450.000 F - 491.667 F tot een negatief resultaat leidt, moet de huur uitsluitend als een onroerend inkomen worden aangemerkt.

Voorbeeld 2

I/227

Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, behalve dat de jaarlijkse huurprijs 600.000 F bedraagt.

Gedeelte van de huur dat als een bezoldiging van bestuurder moet worden aangemerkt : 600.000 F - 491.667 F = 108.333 F Onroerende inkomsten : Brutohuur : = 600.000 F Gedeelte dat als bezoldiging wordt aangemerkt : -108.333 F ---------- Verschil : = 491.667 F Kosten (40 %) : -196.667 F (*) ---------- Netto onroerende inkomsten : = 295.000 F (*) Bedrag gelijk aan het aftrekbare maximum : 100.000 x 2,95 x 2/3 = 196.667 F. Voorbeeld 3

I/228

Zelfde gegevens als in voorbeeld 2, behalve dat het onroerende goed tot de huwelijksgemeenschap behoort (de echtgenote van de bestuurder oefent geen enkel mandaat uit in de vennootschap). Bezoldigingen van de echtgenoot, als bestuurder : 300.000 F - (50.000 F x 2,95 x 5/3) = 300.000 F - 245.833 F = 54.167 F. Onroerende inkomsten : Deel van het onroerend goed dat aan de echtgenote wordt toegerekend. Brutohuur : 300.000 F Kosten : (50.000 x 2,95 x 2/3) - 98.333 F (*) ---------- Netto : 201.667 F Deel van het onroerend goed dat aan de echtgenoot wordt toegerekend. Brutohuur : 300.000 F Gedeelte dat als bezoldiging wordt aangemerkt : - 54.167 F ---------- Verschil : 245.833 F Kosten (40 %) : - 98.333 F ---------- Netto : 147.500 F Netto onroerende inkomsten : 201.667 F + 147.500 F 349.167 F (*) Bedrag lager dan 300.000 F x 40 % = 120.000 F. Voorbeeld 4

I/229

Een werkend vennoot is eigenaar van een onroerend goed met een KI van 120.000 F dat hij vanaf april 1993 voor 70.000 F per maand aan zijn vennootschap verhuurt.

Gedurende de eerste 3 maanden van 1993 verhuurt hij dit onroerend goed voor 50.000 F per maand aan een natuurlijke persoon die het voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid heeft gebruikt.

Bezoldigingen van werkend vennoot : (70.000 F x 9) - (120.000 F x 2,95 x 5/3 x 9/12) = 630.000 F - 442.500 F = 187.500 F. Onroerende inkomsten :

1. Verhuring aan de natuurlijke persoon Brutoverhuur : (50.000 F x 3) 150.000 F Kosten : (120.000 F x 2,95 x 2/3 x 3/12 ) 59.000 F (*) --------- Netto : 91.000 F (*) Bedrag lager dan 150.000 F x 40 % = 60.000 F. 2. Verhuring aan de vennootschap Brutohuur : (70.000 F x 9) 630.000 F Gedeelte dat als bezoldiging wordt aangemerkt : -187.500 F ---------- Verschil : 442.500 F Kosten (40 %) : -177.000 F ---------- Netto : 265.500 F Netto onroerende inkomsten : 91.000 F + 265.500 F = 356.500 F Voorbeeld 5

I/230

Een werkend vennoot is eigenaar van twee onroerende goederen (KI 40.000 F en 60.000 F) die hij gedurende het hele jaar 1993 voor respectievelijk 150.000 F en 450.000 F per jaar aan zijn vennootschap verhuurt.

Hij heeft bovendien een brutobelastbare bezoldiging van 500.000 F verkregen.

Bovendien heeft hij in dat jaar 280.000 F aan interesten betaald van schulden die specifiek zijn aangegaan om die onroerende goederen te verwerven.

Hij bewijst zijn werkelijke beroepskosten niet.

Vaststelling van de netto-inkomsten : Bezoldigingen van werkend vennoot : - Brutobelastbare bezoldigingen : 500.000 F - Huur die als een bezoldiging van werkend vennoot moet worden aangemerkt (alleen voor het tweede onroerend goed) (*) : 450.000 F - (60.000 F x 2,95 x 5/3) = 450.000 F - 295.000 F = 155.000 F --------- Totaal : 655.000 F Forfaitaire beroepskosten (5 %) : - 32.750 F ---------- Netto-beroepsinkomsten : 622.250 F (*) Voor het eerste onroerend goed: 150.000 F - (40.000 F x 2,95 x 5/3) 0. Onroerende inkomsten : 1e onroerend goed Brutohuur : 150.000 F Kosten (40 %) : - 60.000 F ---------- Netto : 90.000 F 2e onroerend goed Brutohuur : 450.000 F Gedeelte dat als bezoldiging wordt aangemerkt: -155.000 F ---------- Verschil : 295.000 F Kosten (40 %) : -118.000 F ---------- Netto : 177.000 F Totaal : 90.000 F + 177.000 F = 267.000 F Aftrekbare interesten (te beperken) -267.000 F ---------- Netto onroerende inkomsten : 0 F VIII. INWERKINGTREDING

I/231

Overeenkomstig de bepalingen van art. 47, § 3, W. 28.07.1992, treden deze maatregelen in werking met ingang van het aj. 1994.

IX. BEDRIJFSVOORHEFFING

I/232

De huren die als beroepsinkomsten van bestuurder of werkend vennoot worden aangemerkt, zijn volgens de ter zake geldende algemene regels aan de BV onderworpen. Ze moeten worden opgenomen onder de belastbare bezoldigingen die als dusdanig op de fiches nrs. 281.20 en 281.21 worden vermeld.