Circulaire nr. Ci.RH.421/630.628 (AAFisc Nr. 11/2014) dd. 05.03.2014
Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst VENB
Vennootschapsbelasting
Circulaire nr. Ci.RH.421/630.628 (AAFisc Nr. 11/2014) dd. 05.03.2014
Vennootschapsbelasting
Belastbare grondslag in de VenB
Vrijgestelde winst
Erkend Belgisch audiovisueel werk
Circulaire die de bepalingen van art. 194ter, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 12, W 17.06.2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkelingen (BS 28.06.2013) bespreekt
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de bepalingen van art. 194ter, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 12 van de Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling (BS 28.06.2013).
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
W 17.06.2013
Art. 12
2. In artikel 194ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wetten van 17 mei 2004, 3 december 2006 en 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in § 1, eerste lid, 3°, tweede streepje, worden de woorden "ten minste 150 pct." vervangen door de woorden "ten minste 90 pct." en de woorden ", anders dan in vorm van lening, " worden opgeheven;
b) in § 1, wordt een lid ingevoegd tussen het eerste lid en het tweede lid, luidende:
"In afwijking van het eerste lid, 3°, tweede streepje, wordt, wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, de maximale periode om productie- en exploitatiekosten te maken, verhoogd tot 24 maanden.";
c) in § 1, vierde lid, voorheen derde lid, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
d) de § 1 wordt aangevuld met vijf leden, luidende:
"Tenminste 70 pct. van de bedoelde uitgaven in het eerste lid, 4°, moeten uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
Onder uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie worden begrepen uitgaven die verbonden zijn aan de creatieve en technische productie van het audiovisuele werk, zoals:
- kosten met betrekking tot de artistieke rechten met uitzondering van de ontwikkelingskosten van het scenario die dateren van de periode voor de raamovereenkomst;
lonen en andere vergoedingen van het personeel, vergoedingen van zelfstandige dienstverleners;
- kosten toegerekend aan de betaling van de acteurs, muzikanten en artistieke functies voor zover zij bijdragen aan de interpretatie en realisatie van het in aanmerking komend werk;
sociale lasten in verband met lonen en kosten bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten van decors, rekwisieten, kostuums en attributen, die in beeld worden gebracht;
- kosten van vervoer en accommodatie, beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan 25 pct. van de kosten, bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten toegewezen aan hardware en andere technische middelen;
- kosten van laboratorium en de aanmaak van de master;
- verzekeringskosten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie;
- kosten van publicatie en van promotie eigen aan het werk van de producent: aanmaken van het persdossier, basiswebsite, de montage van een trailer, alsook de première.
Daarentegen zijn uitgaven die gerelateerd zijn aan de administratieve en financiële organisatie en begeleiding van de audiovisuele productie, uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
De volgende uitgaven zijn te beschouwen als uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn aan de productie:
- algemene kosten en commissielonen van de productie ten bate van de producent;
- financiële vergoedingen en commissielonen betaald in verband met de werving van ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk;
- kosten inherent aan de financiering van het in aanmerking komend werk, de interest op leningen niet inbegrepen, maar met inbegrip van kosten voor juridische bijstand, advocatenkosten, garantiekosten, administratieve kosten, commissielonen en representatiekosten;
- vergoedingen voor executive producers, co-producers, associate of andere producers, met uitzondering van de vergoedingen betaald aan de productie-manager en postproductie-coördinator;
- facturen die zijn opgesteld door de in § 2, eerste lid bedoelde vennootschappen met uitzondering van facturen van facilitaire audiovisuele bedrijven voor zover de aangerekende goederen of diensten tot de directe productiekosten kunnen gerekend worden en voor zover de gehanteerde prijzen overeenkomen met de prijs die zou worden betaald als de tussenkomende vennootschappen totaal onafhankelijk van elkaar zouden zijn;
- distributiekosten die voor rekening van de productievennootschap zijn.
Het rendement tegen een vast gegarandeerd minimumtarief van de aanschaffingswaarde van eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst, dat rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is met die rechten, al dan niet inbegrepen in die raamovereenkomst, eventueel in het kader van een terugkoopclausule, mag niet hoger zijn dan het gemiddelde van het interesttarief Euribor op 12 maanden van de laatste werkdag van de maanden van januari tot december van het jaar die voorafgaat aan de ondertekening van deze raamovereenkomst, verhoogd met driehonderd basispunten.";
e) in § 4, eerste lid, wordt een 5°bis ingevoegd tussen het 5° en het 6°, luidende:
"5°bis tenminste 70 pct. van de uitgaven bedoeld in § 1, eerste lid, 4°, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie in de zin van § 1, zesde lid;";
f) in § 4, eerste lid, 7°, worden de woorden "onder 4° en 5° " vervangen door de woorden "onder 4°, 5° en 5°bis";
g) in § 4, worden twee leden ingevoegd tussen het eerste lid en het tweede lid, luidende:
"Wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, wordt in afwijking van het eerste lid, 3°, de maximale duur van de niet overdraagbaarheid van de rechten beperkt tot een periode van 24 maanden.
Wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, wordt in afwijking van het eerste lid, 7°, de termijn om de in § 2, eerste lid, bedoelde sommen werkelijk te betalen verhoogd tot 24 maanden.";
h) de § 5, 5°, wordt aangevuld met een streepje, luidende:
"- het gedeelte gefinancierd door elke andere, eerder getekende raamovereenkomst betreffende hetzelfde in aanmerking komende werk;";
i) in § 5, 8°, eerste streepje, worden de woorden "150 pct." vervangen door de woorden "90 pct." en de woorden "anders dan in vorm van lening" worden opgeheven;
j) de § 5, 8°, wordt aangevuld met een streepje, luidende:
"-het besteden van tenminste 70 pct. van de uitgaven bedoeld in § 1, eerste lid, 4°, aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.";
k) in § 6, tweede lid, worden de woorden ", ten name van elke belastingplichtige, " ingevoegd tussen de woorden "In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn" en de woorden "kosten en verliezen";
l) de § 6, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden "met uitzondering van de eigendoms- en exploitatierechten in de mate waarin ze worden teruggekocht door de in aanmerking komende productievennootschap die deze vorderingen of rechten heeft uitgegeven bij het afsluiten van de raamovereenkomst aan een waarde die de aanschaffingswaarde van deze rechten door de vennootschap die heeft geïnvesteerd in het kader van deze raamovereenkomst, niet overschrijdt. Wanneer meerdere vennootschappen deelnemende partij zijn als in aanmerking komende productievennootschappen bij het afsluiten van de raamovereenkomst, wordt deze uitzondering pro rata beperkt voor elk van hen tot haar deel van de uitgegeven rechten.".
Art. 23
…
Artikel 12, a, d tot f en h tot l, is van toepassing op de raamovereenkomsten die vanaf 1 juli 2013 zijn getekend.
…
Gecoördineerde tekst van art. 194ter, WIB 92
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° in aanmerking komende productievennootschap: de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in artikel 227, 2°, die geen televisieomroep is of geen onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen en die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft;
2° raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk: de basisovereenkomst gesloten, naargelang het geval, tussen een in aanmerking komende productievennootschap, enerzijds, en één of meerdere binnenlandse vennootschappen en/of één of meerdere belastingplichtigen als bedoeld in artikel 227, 2°, anderzijds, voor de financiering van de productie van een in aanmerking komend werk met vrijstelling van de belastbare winst;
3° in aanmerking komend werk:
- een Belgisch audiovisueel werk zoals een fictiefilm, een documentaire of een animatiefilm bestemd om in de bioscoop te worden vertoond, een lange fictiefilm voor televisie, een animatieserie, kinder- en jeugdreeksen, zijnde fictiereeksen met een educatieve, culturele en informatieve inhoud voor een doelgroep van 0 tot 16-jarigen of een documentaire voor televisie, dat door de bevoegde diensten van de betrokken gemeenschap is erkend als Europees werk zoals bedoeld in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" van 3 oktober 1989 (89/552/EEG), gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en bekrachtigd door de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999, door de Vlaamse Gemeenschap op 25 januari 1995 en door het Brusselse hoofdstedelijk Gewest op 30 maart 1995;
- waarvoor de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van dat werk, ten minste 90 pct belopen van de totale sommen die zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig paragraaf 2;
4° de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan: de exploitatiekosten en de financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten name van de begunstigde, belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners, met uitzondering van de kosten vermeld in artikel 57 die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, van de kosten vermeld in artikel 53, 9° en 10°, alsmede alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk.
In afwijking van het eerste lid, 3°, tweede streepje, wordt, wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, de maximale periode om productie- en exploitatiekosten te maken, verhoogd tot 24 maanden.
In afwijking van het eerste lid, 4°, worden, wanneer de kosten, voor de begunstigde, de vergoeding van dienstverrichtingen vertegenwoordigen en wanneer de begunstigde een beroep doet op één of meerdere onderaannemers voor de verwezenlijking van deze dienstverrichtingen, deze kosten slechts als in België gedane kosten aangemerkt indien de vergoeding van de dienstverrichtingen van de onderaannemer of onderaannemers 10 pct. van de kosten niet overschrijdt. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer de begunstigde zich hiertoe schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de productievennootschap als ten aanzien van de federale overheid.
Voor de berekening van het percentage bepaald in het derde lid, wordt er geen rekening gehouden met de vergoedingen van de onderaannemers welke hadden kunnen worden beschouwd als in België gedane kosten indien deze onderaannemers rechtstreeks een contract zouden hebben aangegaan met de productievennootschap.
Tenminste 70 pct. van de bedoelde uitgaven in het eerste lid, 4°, moeten uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
Onder uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie worden begrepen uitgaven die verbonden zijn aan de creatieve en technische productie van het audiovisuele werk, zoals:
- kosten met betrekking tot de artistieke rechten met uitzondering van de ontwikkelingskosten van het scenario die dateren van de periode voor de raamovereenkomst;
- lonen en andere vergoedingen van het personeel, vergoedingen van zelfstandige dienstverleners;
- kosten toegerekend aan de betaling van de acteurs, muzikanten en artistieke functies voor zover zij bijdragen aan de interpretatie en realisatie van het in aanmerking komend werk;
- sociale lasten in verband met lonen en kosten bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten van decors, rekwisieten, kostuums en attributen, die in beeld worden gebracht;
- kosten van vervoer en accommodatie, beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan 25 pct. van de kosten, bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten toegewezen aan hardware en andere technische middelen;
- kosten van laboratorium en de aanmaak van de master;
- verzekeringskosten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie;
- kosten van publicatie en van promotie eigen aan het werk van de producent: aanmaken van het persdossier, basiswebsite, de montage van een trailer, alsook de première.
Daarentegen zijn uitgaven die gerelateerd zijn aan de administratieve en financiële organisatie en begeleiding van de audiovisuele productie, uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
De volgende uitgaven zijn te beschouwen als uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn aan de productie:
- algemene kosten en commissielonen van de productie ten bate van de producent;
- financiële vergoedingen en commissielonen betaald in verband met de werving van ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk;
- kosten inherent aan de financiering van het in aanmerking komend werk, de interest op leningen niet inbegrepen, maar met inbegrip van kosten voor juridische bijstand, advocatenkosten, garantiekosten, administratieve kosten, commissielonen en representatiekosten;
- vergoedingen voor executive producers, co-producers, associate of andere producers, met uitzondering van de vergoedingen betaald aan de productie-manager en postproductie-coördinator;
- facturen die zijn opgesteld door de in § 2, eerste lid bedoelde vennootschappen met uitzondering van facturen van facilitaire audiovisuele bedrijven voor zover de aangerekende goederen of diensten tot de directe productiekosten kunnen gerekend worden en voor zover de gehanteerde prijzen overeenkomen met de prijs die zou worden betaald als de tussenkomende vennootschappen totaal onafhankelijk van elkaar zouden zijn;
- distributiekosten die voor rekening van de productievennootschap zijn.
Het rendement tegen een vast gegarandeerd minimumtarief van de aanschaffingswaarde van eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst, dat rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is met die rechten, al dan niet inbegrepen in die raamovereenkomst, eventueel in het kader van een terugkoopclausule, mag niet hoger zijn dan het gemiddelde van het interesttarief Euribor op 12 maanden van de laatste werkdag van de maanden van januari tot december van het jaar die voorafgaat aan de ondertekening van deze raamovereenkomst, verhoogd met driehonderd basispunten.
§ 2. Ten name van de vennootschap, die geen in aanmerking komende productievennootschap of televisieomroep is, die in België een raamovereenkomst sluit voor de productie van een in aanmerking komend werk, wordt de belastbare winst binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden vrijgesteld ten belope van 150 pct., hetzij van de sommen die werkelijk door die vennootschap betaald zijn ter uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij van de sommen waarvoor de vennootschap zich heeft verbonden deze te storten ter uitvoering van de raamovereenkomst.
De in het eerste lid bedoelde sommen kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen, voor zover de vennootschap geen kredietinstelling is, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk.
§ 3. Per belastbaar tijdperk wordt de vrijstelling als bedoeld in § 2 verleend ten belope van een bedrag beperkt tot 50 pct., met een maximum van 750.000 EUR, van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld in § 4.
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de vrijstelling per belastbaar tijdperk nooit hoger mag zijn dan de in het eerste lid gestelde grenzen.
De vrijstelling waarop aanspraak gemaakt wordt uit hoofde van de sommen die met toepassing van § 2, eerste lid, werkelijk betaald zijn en van de in het tweede lid bedoelde overdracht wordt uiterlijk toegekend voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk het laatste van de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, bedoelde attesten door de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 227, 2° die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in paragraaf 2, aan haar aanslagdienst wordt toegezonden op voorwaarde dat deze toezending plaatsvindt binnen de vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts verleend en behouden wanneer:
1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft tot op de datum waarop het laatste van de in 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt toegezonden;
2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van enige beloning of toekenning tot op de datum waarop het laatste van de in 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt toegezonden;
3° de schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst blijven behouden, zonder terugbetaling of retrocessie, in volle eigendom door de oorspronkelijke houder van deze rechten tot de verwezenlijking van het gereed product welke het afgewerkte in aanmerking komend werk is; de maximale duur van de onoverdraagbaarheid van de rechten welke voortvloeit uit hetgeen voorafgaat is evenwel beperkt tot een periode van 18 maanden vanaf de datum van het afsluiten van de raamovereenkomst bestemd voor de productie van een in aanmerking komend werk;
4° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de overeenkomst hebben afgesloten daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2, niet meer bedraagt dan 50 pct. van het totale budget van de kosten voor het in aanmerking komend werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend;
5° het totaal van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst, in de vorm van leningen, zijn aangewend door het geheel van de binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de overeenkomst hebben gesloten, niet meer bedraagt dan 40 pct van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2 zijn aangewend;
5°bis tenminste 70 pct. van de uitgaven bedoeld in § 1, eerste lid, 4°, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie in de zin van § 1, zesde lid;
6° de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling een afschrift van de raamovereenkomst, alsmede een document waarin de betrokken Gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een in aanmerking komend werk als bedoeld in § 1, eerste lid, 3°, overlegt binnen de termijn die bepaald is voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk, en deze documenten bij de aangifte voegt;
7° de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de aanslagdienst waarvan de productievennootschap van het in aanmerking komend werk afhangt uiterlijk binnen de vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst enerzijds, verklaart dat de voorwaarden inzake de kosten in België overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 3° en 4°, voor de in de raamovereenkomst bepaalde doeleinden door de productievennootschap, alsmede de bij de bepalingen onder 4°, 5° en 5°bis bepaalde voorwaarden en grenzen zijn nageleefd en, anderzijds, dat de vennootschap die aanspraak maakt op de toekenning en het behoud van de vrijstelling de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde sommen werkelijk heeft betaald aan de productievennootschap binnen een termijn van achttien maanden die aanvangt op de datum waarop de raamovereenkomst is gesloten;
7°bis de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de betrokken Gemeenschap uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst bevestigt dat de productie van het werk is voltooid en dat de globale financiering van het werk overeenkomstig dit artikel met naleving van de in 4° bepaalde voorwaarden en grenzen is uitgevoerd;
8° de productievennootschap geen achterstallen heeft bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid op het moment van het afsluiten van de raamovereenkomst;
9° de in 1° tot 5° van deze paragraaf bedoelde voorwaarden op een ononderbroken wijze worden nageleefd.
Wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, wordt in afwijking van het eerste lid, 3°, de maximale duur van de niet overdraagbaarheid van de rechten beperkt tot een periode van 24 maanden.
Wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, wordt in afwijking van het eerste lid, 7°, de termijn om de in § 2, eerste lid, bedoelde sommen werkelijk te betalen verhoogd tot 24 maanden.
Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. Ingeval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.
§ 4bis. In afwijking van § 4 en voor zover de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde attesten worden toegezonden binnen de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde periode van vier jaar, worden de sommen die overeenkomstig de §§ 2 tot 4 tijdelijk zijn vrijgesteld, definitief vrijgesteld vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk het laatste van deze attesten door de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in artikel 227, 2° die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in paragraaf 2, aan haar aanslagdienst wordt toegezonden.
§ 5. De raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk bevat de volgende verplichte vermeldingen:
1° de benaming en het maatschappelijk doel van de productievennootschap;
2° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de raamovereenkomst hebben gesloten met de in 1° bedoelde vennootschap;
3° het totaal van de met toepassing van § 2 aangewende sommen evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke deelnemende vennootschap vermeld onder 2°;
4° de identificatie en de beschrijving van het in aanmerking komend werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst;
5° het budget van de uitgaven die nodig zijn voor het werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen:
- het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de productievennootschap;
- het gedeelte gefinancierd door de binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 227, 2°, die samen deelnemers aan de raamovereenkomst zijn en die aanspraak maken op de vrijstelling bedoeld in paragraaf 2;
- het gedeelte gefinancierd door de andere deelnemers aan de raamovereenkomst die aanspraak maken of niet op de vrijstelling bedoeld in paragraaf 2;
- het gedeelte gefinancierd door elke andere, eerder getekende raamovereenkomst betreffende hetzelfde in aanmerking komende werk;
6° de overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die, naar gelang van hun aard, worden aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst;
7° de waarborg dat elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige die overeenkomstig 2° geïdentificeerd is noch een productievennootschap, noch een televisieomroep is, evenals dat de geldschieters geen kredietinstellingen zijn;
8° de verbintenis van de productievennootschap:
- overeenkomstig § 1 in België uitgaven te doen ten belope van 90 pct. van het geïnvesteerde bedrag;
- het definitieve bedrag dat in beginsel wordt aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het in aanmerking komend werk voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, en om alle overeenkomstig § 2 gestorte bedragen daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van dit budget;
- het totaal van de sommen die in de vorm van leningen zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°;
- het besteden van tenminste 70 pct. van de uitgaven bedoeld in § 1, eerste lid, 4°, aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
§ 6. De voorgaande bepalingen laten onverlet het recht van de vennootschap aanspraak te maken op de eventuele aftrek als beroepskosten van andere bedragen dan die vermeld in § 2 die eveneens besteed werden aan de productie van in aanmerking komende werken en dat binnen de voorwaarden vermeld in de artikelen 49 en volgende.
In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn, ten name van elke belastingplichtige, kosten en verliezen, en ook waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen met betrekking tot, naargelang van het geval, de schuldvorderingen en de eigendoms- en exploitatierechten op het in aanmerking komend werk, die voortvloeien uit leningen of verrichtingen vermeld in § 2, niet aftrekbaar als beroepskosten of -verliezen, noch vrijgesteld met uitzondering van de eigendoms- en exploitatierechten in de mate waarin ze worden teruggekocht door de in aanmerking komende productievennootschap die deze vorderingen of rechten heeft uitgegeven bij het afsluiten van de raamovereenkomst aan een waarde die de aanschaffingswaarde van deze rechten door de vennootschap die heeft geïnvesteerd in het kader van deze raamovereenkomst, niet overschrijdt. Wanneer meerdere vennootschappen deelnemende partij zijn als in aanmerking komende productievennootschappen bij het afsluiten van de raamovereenkomst, wordt deze uitzondering pro rata beperkt voor elk van hen tot haar deel van de uitgegeven rechten.
III. DRAAGWIJDTE VAN DE WIJZIGINGEN
A. Voorwaarde met betrekking tot de in België gedane kosten
3. Ter verduidelijking en ter vereenvoudiging heeft de wetgever er voor gekozen om het percentage van de productie- en exploitatiekosten die in België worden gedaan aan te passen door dat percentage te verbinden met het geheel van de sommen die zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst en niet enkel met de sommen die anders dan in de vorm van leningen zullen worden aangewend.
Daarom verduidelijkt het nieuwe art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, dat de productie- en exploitatiekosten die in België worden gedaan, ten minste 90 pct. belopen van de totale sommen (zowel in de vorm van leningen als in de vorm van eigendomsrechten) die zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig art. 194ter, § 2, WIB 92.
4. Als gevolg van die wijziging, bepaalt art. 194ter, § 5, 8°, eerste streepje, WIB 92, dat de raamovereenkomst verplicht de verbintenis van de productievennootschap moet bevatten om overeenkomstig art. 194ter, § 1, WIB92, inBelgië uitgaven te doen ten belope van 90 pct. van het geïnvesteerde bedrag.
B. Termijnen voor de uitgaven en de niet overdraagbaarheid van de rechten voor animatiefilms
5. Om tegemoet te komen aan de kenmerken van de sector van de animatiefilms en in het bijzonder aan het doorgaans langere fabricageproces van animatieproducties, heeft de wetgever beslist om de termijn voor het uitvoeren van de uitgaven evenals de minimumduur voor het behoud van de eigendomsrechten naar 24 maanden, in plaats van 18, te brengen.
Daarom wijkt het nieuwe art. 194ter, § 1, tweede lid, WIB 92, uitdrukkelijk af van de termijn van 18 maanden door te verduidelijken dat wanneer het in aanmerking komend werk een animatiefilm is, de maximale periode om productie- en exploitatiekosten te maken, verhoogd wordt tot 24 maanden.
6. Bovendien wordt, overeenkomstig het nieuwe art. 194ter, § 4, tweede en derde lid, WIB 92, de vrijstelling slechts verleend en behouden wanneer, in afwijking van de termijn van 18 maanden, een termijn voor de niet overdraagbaarheid van de rechten van 24 maanden wordt nageleefd en de door de investerende vennootschap te betalen sommen werkelijk worden betaald binnen dezelfde termijn van 24 maanden.
7. Er wordt aan herinnerd dat die termijnen aanvangen op de datum waarop de raamovereenkomst is afgesloten.
C. Uitsplitsing van de productie - en exploitatiekosten
8. Het nieuwe art. 194ter, § 1, vijfde tot achtste lid, WIB 92, voert de verplichting in om tenminste 70 pct. van het globale budget van de uitgaven die in aanmerking komen voor het Tax Shelter regime te besteden aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en dat om te vermijden dat een te groot deel van die sommen wordt uitgegeven aan diverse kosten.
9. De belangrijkste uitgaven worden op basis van twee niet limitatieve lijsten ingedeeld. De keuze voor het percentage van 30 pct. (eerder dan 20 pct.) voor de uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie, voorziet de betrokken partijen van een veiligheidsmarge om hun uitgaven zodanig te beheren dat de kosten die niet in één van de twee lijsten zijn opgenomen en eventueel nog altijd besproken kunnen worden, toch nog binnen de vereiste verdeling 70 pct. - 30 pct. blijven. Die maatregel garandeert dat minstens 70 pct. van de opgehaalde sommen in het kader van de Tax Shelter effectief toegekend worden aan de audiovisuele productie (zie Parl. St., Kamer, DOC 53 2756 - 2757/001, blz. 10).
a) Uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie (nieuw art. 194ter, § 1, vijfde en zesde lid, WIB 92)
10. Onder uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie worden de uitgaven begrepen die verbonden zijn aan de creatieve en technische productie van het audiovisuele werk. Ze bevatten inzonderheid:
- kosten met betrekking tot de artistieke rechten met uitzondering van de ontwikkelingskosten van het scenario die dateren van de periode voor de raamovereenkomst;
- lonen en andere vergoedingen van het personeel, vergoedingen van zelfstandige dienstverleners;
- kosten toegerekend aan de betaling van de acteurs, muzikanten en artistieke functies voor zover zij bijdragen aan de interpretatie en realisatie van het in aanmerking komend werk;
- sociale lasten in verband met lonen en kosten bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten van decors, rekwisieten, kostuums en attributen, die in beeld worden gebracht;
- kosten van vervoer en accommodatie, beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan 25 pct. van de kosten, bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten toegewezen aan hardware en andere technische middelen;
- kosten van laboratorium en de aanmaak van de master;
- verzekeringskosten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie;
- kosten van publicatie en van promotie eigen aan het werk van de producent: aanmaken van het persdossier, basiswebsite, de montage van een trailer, alsook de première.
b) Uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie (nieuw art. 194ter, § 1, zevende en achtste lid, WIB 92)
11. Integenstelling tot de voormelde uitgaven, zijn de uitgaven die gerelateerd zijn aan de administratieve organisatie, de financiële organisatie en de begeleiding van de audiovisuele productie, uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
De volgende uitgaven zijn inzonderheid te beschouwen als uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie:
- algemene kosten en commissielonen van de productie ten bate van de producent;
- financiële vergoedingen en commissielonen betaald in verband met de werving van ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk;
- kosten inherent aan de financiering van het in aanmerking komend werk, de interest op leningen niet inbegrepen, maar met inbegrip van kosten voor juridische bijstand, advocatenkosten, garantiekosten, administratieve kosten, commissielonen en representatiekosten;
- vergoedingen voor executive producers, co-producers, associate of andere producers, met uitzondering van de vergoedingen betaald aan de productie-manager en postproductie-coördinator;
- facturen die zijn opgesteld door de vennootschap, die geen in aanmerking komende productievennootschap of televisieomroep is, die in België een raamovereenkomst sluit voor de productie van een in aanmerking komend werk (vennootschap zoals bedoeld in art. 194ter, § 2, eerste lid, WIB 92).
De voormelde facturen omvatten niet de facturen van facilitaire audiovisuele bedrijven voor zover de aangerekende goederen of diensten tot de directe productiekosten kunnen gerekend worden en voor zover de gehanteerde prijzen overeenkomen met de prijs die zou worden betaald als de tussenkomende vennootschappen totaal onafhankelijk van elkaar zouden zijn;
- distributiekosten die voor rekening van de productievennootschap zijn.
12. De verplichting om tenminste 70 pct. van het globale budget van de in aanmerking komende kosten te besteden aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie wordt overeenkomstig het nieuwe art. 194ter, § 4, 5°bis, WIB 92, eveneens een voorwaarde sine qua non voor de toekenning en het behoud van de Tax Shelter vrijstelling.
13. De attesteringverplichting zoals bedoeld in art. 194ter, § 4, 7°, WIB 92, werd eveneens aangepast in die zin dat het bedoelde attest moet vermelden dat de voorwaarde met betrekking tot de drempel van de in België gedane uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie werd nageleefd.
14. Omwille van het feit dat een percentage werd opgelegd voor de in aanmerking komende kosten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie, moet de raamovereenkomst overeenkomstig het nieuwe art. 194ter, § 5, 8°, vierde streepje, WIB 92, de verbintenis van de productievennootschap bevatten om ten minste 70 pct. van de bedoelde uitgaven te besteden aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
D. Verduidelijking met betrekking tot bepaalde uitgaven
15. Verzekeringskosten worden beschouwd als uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie voor zover ze betrekking hebben op de productie zelf en geen betrekking hebben op de financiering van de productie.
16. Net zoals de kosten die verbonden zijn aan de "première" van een film, zijn de kosten die betrekking hebben op de "avant-première" uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
17. De kosten die betrekking hebben op de persoonlijke internetwebsite van de producent komen, in tegenstelling tot de kosten van publicatie en van promotie eigen aan het werk van de producent in het kader van een audiovisueel werk, niet in aanmerking als productie- en exploitatiekosten.
18. De kosten voor juridische bijstand en advocatenkosten worden in principe steeds geacht uitgaven te zijn die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
19. Het nieuwe art. 194ter, § 1, achtste lid, vierde streepje, WIB 92, verduidelijkt dat de vergoedingen voor executive producers, co-producers, associate of andere producers, met uitzondering van de vergoedingen betaald aan de productie-manager en postproductie-coördinator, uitgaven zijn die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
Onder "producteur exécutif" moet men in de Franse versie van de wettekst "producteur délégué" verstaan (in het Engels spreekt men van "executive producer" en die bewoording is trouwens weerhouden in de Nederlandse versie van de wettekst).
De uitgaven met betrekking tot de executive producer zijn nooit uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie. In voorkomend geval, zullen die kosten kunnen worden opgenomen onder de uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie voor zover ze opgenomen zijn in een "externe" factuur, d.w.z. een factuur opgesteld door een niet verbonden onderneming.
De kosten met betrekking tot de "line producer" (in het Frans "producteur exécutif"), de productie-manager en de postproductie-coördinator kunnen worden beschouwd als uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
20. De distributiekosten die voor rekening zijn van de productievennootschap, zijn uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.
Die beperkte distributiekosten die voor rekening zijn van de productievennootschap (het grootste deel van die kosten is voor rekening van de distributeur) kunnen bijvoorbeeld voortvloeien uit het opstarten van een website of nog uit het ontwerpen van een affiche (zie in die zin Parl. St., Kamer, DOC 53 2756-2757/001, blz. 12).
21. De kosten met betrekking tot de cessie of concessie van auteursrechten en naburige rechten kunnen in principe niet worden beschouwd als kosten die overeenkomstig art. 194ter, § 1, 4°, WIB92, inaanmerking komen als productie- en exploitatiekosten. Die bepaling definieert de voormelde kosten als zijnde de exploitatiekosten en de financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien die ten name van de begunstigde belastbaar zijn.
Art. 37, tweede lid, WIB 92, kwalificeert de auteurs- en naburige rechten die de grens van 37.500 EUR overschrijden immers niet automatisch als beroepsinkomsten. Ter zake is het al dan niet gebruiken van de rechten voor de beroepswerkzaamheid zonder gevolg op het vlak van de RV die in principe steeds verschuldigd is.
22. Om dezelfde reden komen de kosten met betrekking tot de huur van onroerende goederen zoals bedoeld in art. 37, eerste lid, WIB 92, zoals bepaalde decors, in beginsel niet in aanmerking als productie- en exploitatiekosten.
E. Beperkt rendement van de eigendomsrechten
23. Om het alsmaar opdrijven van rendementen, die aan de investeerders worden aangeboden en die verbonden zijn aan het terugkopen van de rechten, te bestrijden en om het gedeelte van de financiering dat echt naar de productie van het audiovisuele werk gaat, te verhogen, beperkt een nieuwe bepaling opgenomen in art. 194ter, § 1, negende lid, WIB 92, het rendement tegen een vast gegarandeerd minimumtarief van de aanschaffingswaarde van de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst (zie in die zin Parl. St., Kamer, DOC 53 2762/001, blz. 10-11).
Dat rendement mag niet hoger zijn dan het gemiddelde van het interesttarief Euribor op 12 maanden van de laatste werkdag van de maanden van januari tot december van het jaar die voorafgaat aan de ondertekening van die raamovereenkomst verhoogd met driehonderd basispunten.
24. Die beperking is van toepassing op het rendement dat rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is met de eigendomsrechten, al dan niet inbegrepen in de bedoelde raamovereenkomst of eventueel in het kader van een terugkoopclausule.
F. Budget van de uitgaven die nodig zijn voor het audiovisuele werk
25. De raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk moet inzonderheid het budget van de uitgaven die nodig zijn voor het werk in kwestie vermelden.
Overeenkomstig art. 194ter, § 5, 5°, WIB 92, zal dat budget, naast het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de productievennootschap en het gedeelte dat gefinancierd wordt door de andere deelnemers aan de raamovereenkomst, ook het gedeelte moeten vermelden gefinancierd door elke andere, eerder getekende raamovereenkomst betreffende hetzelfde in aanmerking komende werk.
G. Verworpen uitgaven
26. Om elk probleem van misbruik met betrekking tot de ruilwaarde van de rechten te vermijden wordt de bepaling inzake de niet-aftrekbaarheid zoals bedoeld in art. 194ter, § 6, tweede lid, WIB 92, uitgebreid tot alle belastingplichtigen.
Er werd immers opgemerkt dat die niet-aftrekbaarheid gemakkelijk kon worden omzeild door de overdracht van de rechten aan een derde, terwijl die niet aftrekbaarheid nochtans eigen is aan de coherentie van het Tax Shelter regime. Voortaan zal die niet-aftrekbaarheid verbonden worden aan de rechten zelf eerder dan aan de houders ervan (zie Parl. St., Kamer, DOC 53 2756-2757/001, blz. 14).
Er wordt aan herinnerd dat het hier enkel gaat om de rechten die verbonden zijn aan de raamovereenkomst.
27. Daarnaast wordt er in art. 194ter, § 6, tweede lid, WIB 92, een uitzondering voorzien, met name dat eigendom- en exploitatierechten aftrekbaar zijn, in de mate waarin de in aanmerking komende productievennootschap die deze vorderingen of rechten heeft uitgegeven bij het afsluiten van de raamovereenkomst deze laatste terugkoopt aan een waarde die de aanschaffingswaarde van deze rechten door de vennootschap die heeft geïnvesteerd in het kader van die raamovereenkomst, niet overschrijdt.
28. Indien evenwel de terugkoopprijs van die rechten hoger zou zijn dan hun aanschaffingswaarde, is de bedoelde uitzondering enkel van toepassing tot het bedrag van die aanschaffingswaarde.
29. Door dergelijke terugkopen heft de productievennootschap automatisch het verbonden karakter van die rechten met het Tax Shelter regime op. Als zij achteraf overgaat tot de verkoop van de rechten zullen deze geacht worden nieuwe rechten te zijn, zonder band met de oorspronkelijke raamovereenkomst (zie Parl. St., Kamer, DOC 53 2756-2757/001, blz. 14).
30. Ingeval verschillende vennootschappen deelnemende partij zijn als productievennootschap, wordt de uitzondering pro rata beperkt voor elk van hen tot haar deel van de uitgegeven rechten.
IV. INWERKINGTREDING
31. Wat betreft de bepalingen die worden besproken in de nrs. 5 en 6 met betrekking tot de animatiefilms, vermeldt de wet geen datum van inwerkingtreding zodat die bepalingen moeten worden toegepast vanaf 8 juli 2013 (10 dagen na de publicatie van de tekst in het BS).
De andere besproken bepalingen zijn van toepassing op de raamovereenkomsten die werden ondertekend vanaf 1 juli 2013.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Administrateur generaal van de Fiscaliteit,
R. ROSOUX
Adviseur-generaal dd. - Auditeur-generaal van financiën dd.
