Circulaire nr. Ci.RH.332/517.431 d.d. 21.12.1999
Bull. nr. 801, pag. 401
PENSIOEN
Normale datum van pensionering.
WET
Leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Modernisering van de sociale zekerheid.
In overeenstemming brengen van het fiscaal begrip 'normale datum van pensionering' met de nieuwe wettelijke bepalingen inzake de pensioenleeftijd voor vrouwen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3.
ALGEMEEN
1. Het Koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van. 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 17.1.1997) heeft de pensioenleeftijd voor zowel mannen als vrouwen op 65 jaar vastgesteld.
2. Datzelfde besluit bepaalt bij overgangsmaatregel, dat wat de vrouwen betreft, de pensioenleeftijd in de regel wordt vastgesteld op:
NORMALE DATUM VAN PENSIONERING
3. Het begrip 'pensionering op normale datum', dat voorkomt in art. 171, 2°, e, en 4° g, WIB 92, is van belang om het aanslagstelsel vast te stellen dat van toepassing is op bepaalde beroepsinkomsten.
Het betreft inzonderheid en voornamelijk spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden gevormd in het kader van het pensioensparen, evenals kapitalen geldend als renten of pensioenen die voortkomen uit een extra- wettelijke voorzorgsregeling (pensioenfonds) of die gratis zijn toegekend.
Onder normale datum van pensionering moet het tijdstip worden verstaan waarop de loopbaan wettelijk of statutair eindigt wegens ouderdomsredenen.
Dat begrip 'normale datum van pensionering' moet bijgevolg in de zin van voormelde wetswijzigingen worden geïnterpreteerd.
Op fiscaal vlak moet in de regel dus de leeftijd van 65 jaar bij voortduur in aanmerking worden genomen om de normale datum van pensionering voor mannen te bepalen. Voor vrouwen daarentegen is de in aanmerking te nemen leeftijd niet langer 60 jaar, maar in principe wel:
61 jaar vanaf 1 juli 1997;
62 jaar vanaf 1 januari 2000;
63 jaar vanaf 1 januari 2003;
64 jaar vanaf 1 januari 2006;
65 jaar vanaf 1 januari 2009.
INWERKINGTREDING
4. Om ieder misverstand te vermijden, zullen deze bepalingen op fiscaal vlak evenwel slechts van toepassing zijn vanaf 1 januari 2000.
VOORBEELD
5. Mevrouw MARTIN gaat op pensioen op 1 juni 2000 op de leeftijd van 57 jaar, en ontvangt ter gelegenheid daarvan een kapitaal geldend als pensioen dat gevormd is in het kader van een pensioenfonds en uitsluitend gestijfd is met werkgeversbijdragen.
Aangezien het kapitaal haar wordt toegekend ter gelegenheid van haar pensionering in één van de vijf jaren die voorafgaan aan de normale datum van pensionering, op dat ogenblik 62 jaar, zal het bedoelde kapitaal in aanmerking komen om op grond van de art. 171, 4°, g, en 515bis, 5de lid, WIB 92, afzonderlijk te worden belast tegen de aanslagvoet van 16,5 %.
Gelet op de precisering inzake de inwerkingtreding vermeld in nr. 4. hiervoor, zou mevrouw MARTIN eveneens hetzelfde afzonderlijk aanslagstelsel kunnen verkrijgen indien zij in de loop van het jaar 1998, op de leeftijd van 55 jaar, op pensioen was gegaan, aangezien de in aanmerking te nemen normale datum van pensionering op dat ogenblik 60 jaar zou zijn.
6. De Com.IB 92 zal eerlang in voormelde zin worden aangepast.
PENSIOEN
Normale datum van pensionering.
WET
Leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Modernisering van de sociale zekerheid.
In overeenstemming brengen van het fiscaal begrip 'normale datum van pensionering' met de nieuwe wettelijke bepalingen inzake de pensioenleeftijd voor vrouwen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3.
ALGEMEEN
1. Het Koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van. 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 17.1.1997) heeft de pensioenleeftijd voor zowel mannen als vrouwen op 65 jaar vastgesteld.
2. Datzelfde besluit bepaalt bij overgangsmaatregel, dat wat de vrouwen betreft, de pensioenleeftijd in de regel wordt vastgesteld op:
- 61 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
- 62 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
- 63 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
- 64 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
NORMALE DATUM VAN PENSIONERING
3. Het begrip 'pensionering op normale datum', dat voorkomt in art. 171, 2°, e, en 4° g, WIB 92, is van belang om het aanslagstelsel vast te stellen dat van toepassing is op bepaalde beroepsinkomsten.
Het betreft inzonderheid en voornamelijk spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden gevormd in het kader van het pensioensparen, evenals kapitalen geldend als renten of pensioenen die voortkomen uit een extra- wettelijke voorzorgsregeling (pensioenfonds) of die gratis zijn toegekend.
Onder normale datum van pensionering moet het tijdstip worden verstaan waarop de loopbaan wettelijk of statutair eindigt wegens ouderdomsredenen.
Dat begrip 'normale datum van pensionering' moet bijgevolg in de zin van voormelde wetswijzigingen worden geïnterpreteerd.
Op fiscaal vlak moet in de regel dus de leeftijd van 65 jaar bij voortduur in aanmerking worden genomen om de normale datum van pensionering voor mannen te bepalen. Voor vrouwen daarentegen is de in aanmerking te nemen leeftijd niet langer 60 jaar, maar in principe wel:
61 jaar vanaf 1 juli 1997;
62 jaar vanaf 1 januari 2000;
63 jaar vanaf 1 januari 2003;
64 jaar vanaf 1 januari 2006;
65 jaar vanaf 1 januari 2009.
INWERKINGTREDING
4. Om ieder misverstand te vermijden, zullen deze bepalingen op fiscaal vlak evenwel slechts van toepassing zijn vanaf 1 januari 2000.
VOORBEELD
5. Mevrouw MARTIN gaat op pensioen op 1 juni 2000 op de leeftijd van 57 jaar, en ontvangt ter gelegenheid daarvan een kapitaal geldend als pensioen dat gevormd is in het kader van een pensioenfonds en uitsluitend gestijfd is met werkgeversbijdragen.
Aangezien het kapitaal haar wordt toegekend ter gelegenheid van haar pensionering in één van de vijf jaren die voorafgaan aan de normale datum van pensionering, op dat ogenblik 62 jaar, zal het bedoelde kapitaal in aanmerking komen om op grond van de art. 171, 4°, g, en 515bis, 5de lid, WIB 92, afzonderlijk te worden belast tegen de aanslagvoet van 16,5 %.
Gelet op de precisering inzake de inwerkingtreding vermeld in nr. 4. hiervoor, zou mevrouw MARTIN eveneens hetzelfde afzonderlijk aanslagstelsel kunnen verkrijgen indien zij in de loop van het jaar 1998, op de leeftijd van 55 jaar, op pensioen was gegaan, aangezien de in aanmerking te nemen normale datum van pensionering op dat ogenblik 60 jaar zou zijn.
6. De Com.IB 92 zal eerlang in voormelde zin worden aangepast.
Voor de Directeur-generaal:
De Directeur,
P. LEROY
Bron: FisconetPlus
