Circulaire nr. AFZ/1999-0995 (AFZ 15/2003) dd. 22.07.2003
CIRC 15/2003
Circulaire nr. AFZ/1999-0995 (AFZ 15/2003) dd. 22.07.2003
PROCEDURE
RECHT OP AFTREK
VERJARING
Vordering tot voldoening van de belasting
Vordering tot teruggaaf van de BTW
VOLDOENING VAN DE BELASTING
Commentaar betreffende het koninklijk besluit van 16 juni 2003 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde
Aan alle ambtenaren van de niveau's 1, B en C van de sector BTW.
In het Belgisch Staatsblad van 27 juni 2003, 4 de editie werd het koninklijk besluit van 16 juni 2003 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd.
De artikelen 53 en 55 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen ( Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999) hebben in het BTW-Wetboek twee nieuwe bepalingen ingevoegd betreffende respectievelijk de verjaring van de vordering tot voldoening en de verjaring van de vordering tot teruggaaf van de BTW.
Artikel 81 bis, § 1, eerste lid, nieuw, van het BTW-Wetboek bepaalt voortaan dat er verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, terwijl artikel 82 bis, nieuw, van dit Wetboek stelt dat er verjaring is voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Gelet op de nieuwe regels inzake de verjaring dienden de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 een aantal wijzigingen van technische aard te ondergaan. Hierna volgt per koninklijk besluit een opsomming van de voornaamste doorgevoerde wijzigingen.
Koninklijk besluit nr. 3
Artikel 4
In principe oefent de belastingplichtige zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor een aangiftetijdvak, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan en uitgeoefend kan worden krachtens artikel 3 (artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3).
Wanneer evenwel de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de in artikel 3, § 1, 1°, bedoelde factuur werd uitgereikt na het verstrijken van de termijn voorgeschreven door artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, kan volgens de nieuwe bepalingen van artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 dat recht voortaan nog maar worden uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden.
Om dezelfde reden vervalt § 2 (oud) van bovenvermelde bepaling (uitoefening van het recht op aftrek mits uitdrukkelijke toelating van de betrokken ambtenaar, binnen de vijf jaar die volgen op het ontstaan van het recht op aftrek).
Koninklijk besluit nr. 4
Artikels 5, § 2, 9 en 11
Om in overeenstemming te zijn met de nieuwe verjaringstermijn voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten (artikel 82bis, van het BTW-Wetboek), dienden voormelde bepalingen eveneens te worden aangepast.
Bedoelde aanvragen tot teruggaaf moeten dus worden ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Ten aanzien van tabaksfabrikaten of andere in artikel 58, § 1, van het BTW-Wetboek bedoelde goederen dient, wanneer een en dezelfde oorzaak de teruggaaf van de accijns en van de BTW rechtvaardigt, de aanvraag om teruggaaf van de BTW voortaan te worden ingediend bij het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert (artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).
Artikel 6, tweede lid
Artikel 6 van het koninklijk besluit nr.4 bepaalt dat de teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie, niet kan plaatsvinden door toerekening op het bedrag van de door de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon verschuldigde belasting, voor zover het niet gaat om teruggaaf van de in een aangifte vastgestelde te betalen sommen.
Gelet op de wijzigingen ingevoerd door de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken werden de te vervullen formaliteiten van bedoelde aanvragen tot teruggaaf gewijzigd.
De vordering tot teruggaaf van die belasting, interesten en geldboeten is derhalve niet afhankelijk van het vervullen van de bij artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalde formaliteiten; ze moet worden ingesteld bij de rechtbank bepaalt in artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, bij een verzoekschrift op tegenspraak, opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies van dat Wetboek.
Artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°
Gelet op de opheffing van artikel 39ter van het BTW-Wetboek (bekrachtigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1999), diende voornoemde bepaling te worden aangepast.
Artikel 8^1, § 3, tweede en vierde lid en artikel 8^3, derde en vijfde lid
Deze bepalingen dienden te worden aangepast om in overeenstemming te zijn met artikel 89 van het BTW-Wetboek betreffende de wijze van stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Artikel 89 (gewijzigd door artikel 59 van de wet van 15 maart 1999) voorziet immers dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit door een vordering in rechte.
Artikel 8^1, § 5, eerste, zesde en zevende lid
Deze bepalingen hebben betrekking op de maandelijkse teruggaaf als bedoeld in artikel 8 1, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 4.
Om de vergunning te bekomen voor de maandelijkse teruggaaf moet de aanvraag alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de bijzondere voorwaarden, vereist voor het bekomen van deze teruggaaf, vervult.
Indien de administratie overeenkomstig artikel 8 1, § 5, zesde lid, van genoemd koninklijk besluit aan een belastingplichtige een vergunning verleent op grond van vooruitzichten (in geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een in het buitenland gevestigde onderneming), moest deze laatste vroeger een nieuwe vergunning aanvragen op het einde van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Door de nieuwe bepaling bedraagt de geldigheidsduur van die vergunning in elk geval twaalf kalendermaanden vanaf de datum van afgifte van de vergunning. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd in de loop van de twaalfde maand die volgt op die waarin de eerste vergunning werd verleend.
Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden of dat de belastingplichtige geen handelingen meer verricht waarvoor hij aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in artikel 8 1, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 4 ( handelingen vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis, en 39quater van het BTW-Wetboek, en, binnen de door de vanwege de Minister van Financiën te bepalen beperkingen en voorwaarden, van de artikelen 40, 41 en 42 van het BTW-Wetboek) wegens een wijziging van de werkzaamheid of van de exploitatievooruitzichten (bvb. ten gevolge van een fusie, splitsing, opslorping of wijziging van werkzaamheid), kan de vergunning op ieder ogenblik bij een met redenen omklede beslissing worden ingetrokken.
Artikel 14
Artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 4 diende te worden vervangen gelet op de opheffing van artikel 90 van het BTW-Wetboek door artikel 60 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (z. aanschrijving nr. 2 van 26 mei 2000). Tevens worden de termijnen gepreciseerd van de vordering tot teruggaaf die voortaan door een vordering in rechte wordt ingesteld.
Koninklijke besluiten nrs. 14, 48 en 51
Gelet op artikel 82bis van het BTW-Wetboek waarbij een nieuwe termijn werd ingevoerd voor de initiële verjaring van de vordering tot teruggaaf van de belasting en haar toebehoren (cfr. supra) dienden ook artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970, artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 48 van 29 december 1992 en artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 51 van 14 april 1993 te worden aangepast.
Het betreft inzonderheid de aanvragen om teruggaaf ingediend door respectievelijk de belastingplichtigen bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje, of b, tweede streepje van het BTW-Wetboek (de zogenaamde toevallige vervreemders van nieuwe gebouwen of van de zakelijke rechten hierop), de verkopers van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, van het BTW-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het BTW-Wetboek en de belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen op wie de afwijking bepaald in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2° van het BTW-Wetboek toepasselijk is die teruggaaf verkrijgen van het bedrag van de in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de accijnsproducten voldane accijns.
Dit besluit treedt in werking op 7 juli 2003.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Circulaire nr. AFZ/1999-0995 (AFZ 15/2003) dd. 22.07.2003
PROCEDURE
RECHT OP AFTREK
VERJARING
Vordering tot voldoening van de belasting
Vordering tot teruggaaf van de BTW
VOLDOENING VAN DE BELASTING
Commentaar betreffende het koninklijk besluit van 16 juni 2003 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde
Aan alle ambtenaren van de niveau's 1, B en C van de sector BTW.
In het Belgisch Staatsblad van 27 juni 2003, 4 de editie werd het koninklijk besluit van 16 juni 2003 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd.
De artikelen 53 en 55 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen ( Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999) hebben in het BTW-Wetboek twee nieuwe bepalingen ingevoegd betreffende respectievelijk de verjaring van de vordering tot voldoening en de verjaring van de vordering tot teruggaaf van de BTW.
Artikel 81 bis, § 1, eerste lid, nieuw, van het BTW-Wetboek bepaalt voortaan dat er verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, terwijl artikel 82 bis, nieuw, van dit Wetboek stelt dat er verjaring is voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Gelet op de nieuwe regels inzake de verjaring dienden de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 een aantal wijzigingen van technische aard te ondergaan. Hierna volgt per koninklijk besluit een opsomming van de voornaamste doorgevoerde wijzigingen.
Koninklijk besluit nr. 3
Artikel 4
In principe oefent de belastingplichtige zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor een aangiftetijdvak, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan en uitgeoefend kan worden krachtens artikel 3 (artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3).
Wanneer evenwel de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de in artikel 3, § 1, 1°, bedoelde factuur werd uitgereikt na het verstrijken van de termijn voorgeschreven door artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, kan volgens de nieuwe bepalingen van artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 dat recht voortaan nog maar worden uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden.
Om dezelfde reden vervalt § 2 (oud) van bovenvermelde bepaling (uitoefening van het recht op aftrek mits uitdrukkelijke toelating van de betrokken ambtenaar, binnen de vijf jaar die volgen op het ontstaan van het recht op aftrek).
Koninklijk besluit nr. 4
Artikels 5, § 2, 9 en 11
Om in overeenstemming te zijn met de nieuwe verjaringstermijn voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten (artikel 82bis, van het BTW-Wetboek), dienden voormelde bepalingen eveneens te worden aangepast.
Bedoelde aanvragen tot teruggaaf moeten dus worden ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Ten aanzien van tabaksfabrikaten of andere in artikel 58, § 1, van het BTW-Wetboek bedoelde goederen dient, wanneer een en dezelfde oorzaak de teruggaaf van de accijns en van de BTW rechtvaardigt, de aanvraag om teruggaaf van de BTW voortaan te worden ingediend bij het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert (artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).
Artikel 6, tweede lid
Artikel 6 van het koninklijk besluit nr.4 bepaalt dat de teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie, niet kan plaatsvinden door toerekening op het bedrag van de door de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon verschuldigde belasting, voor zover het niet gaat om teruggaaf van de in een aangifte vastgestelde te betalen sommen.
Gelet op de wijzigingen ingevoerd door de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken werden de te vervullen formaliteiten van bedoelde aanvragen tot teruggaaf gewijzigd.
De vordering tot teruggaaf van die belasting, interesten en geldboeten is derhalve niet afhankelijk van het vervullen van de bij artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalde formaliteiten; ze moet worden ingesteld bij de rechtbank bepaalt in artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, bij een verzoekschrift op tegenspraak, opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies van dat Wetboek.
Artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°
Gelet op de opheffing van artikel 39ter van het BTW-Wetboek (bekrachtigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1999), diende voornoemde bepaling te worden aangepast.
Artikel 8^1, § 3, tweede en vierde lid en artikel 8^3, derde en vijfde lid
Deze bepalingen dienden te worden aangepast om in overeenstemming te zijn met artikel 89 van het BTW-Wetboek betreffende de wijze van stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Artikel 89 (gewijzigd door artikel 59 van de wet van 15 maart 1999) voorziet immers dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit door een vordering in rechte.
Artikel 8^1, § 5, eerste, zesde en zevende lid
Deze bepalingen hebben betrekking op de maandelijkse teruggaaf als bedoeld in artikel 8 1, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 4.
Om de vergunning te bekomen voor de maandelijkse teruggaaf moet de aanvraag alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de bijzondere voorwaarden, vereist voor het bekomen van deze teruggaaf, vervult.
Indien de administratie overeenkomstig artikel 8 1, § 5, zesde lid, van genoemd koninklijk besluit aan een belastingplichtige een vergunning verleent op grond van vooruitzichten (in geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een in het buitenland gevestigde onderneming), moest deze laatste vroeger een nieuwe vergunning aanvragen op het einde van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Door de nieuwe bepaling bedraagt de geldigheidsduur van die vergunning in elk geval twaalf kalendermaanden vanaf de datum van afgifte van de vergunning. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd in de loop van de twaalfde maand die volgt op die waarin de eerste vergunning werd verleend.
Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden of dat de belastingplichtige geen handelingen meer verricht waarvoor hij aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in artikel 8 1, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 4 ( handelingen vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis, en 39quater van het BTW-Wetboek, en, binnen de door de vanwege de Minister van Financiën te bepalen beperkingen en voorwaarden, van de artikelen 40, 41 en 42 van het BTW-Wetboek) wegens een wijziging van de werkzaamheid of van de exploitatievooruitzichten (bvb. ten gevolge van een fusie, splitsing, opslorping of wijziging van werkzaamheid), kan de vergunning op ieder ogenblik bij een met redenen omklede beslissing worden ingetrokken.
Artikel 14
Artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 4 diende te worden vervangen gelet op de opheffing van artikel 90 van het BTW-Wetboek door artikel 60 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (z. aanschrijving nr. 2 van 26 mei 2000). Tevens worden de termijnen gepreciseerd van de vordering tot teruggaaf die voortaan door een vordering in rechte wordt ingesteld.
Koninklijke besluiten nrs. 14, 48 en 51
Gelet op artikel 82bis van het BTW-Wetboek waarbij een nieuwe termijn werd ingevoerd voor de initiële verjaring van de vordering tot teruggaaf van de belasting en haar toebehoren (cfr. supra) dienden ook artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970, artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 48 van 29 december 1992 en artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 51 van 14 april 1993 te worden aangepast.
Het betreft inzonderheid de aanvragen om teruggaaf ingediend door respectievelijk de belastingplichtigen bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje, of b, tweede streepje van het BTW-Wetboek (de zogenaamde toevallige vervreemders van nieuwe gebouwen of van de zakelijke rechten hierop), de verkopers van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, van het BTW-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het BTW-Wetboek en de belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen op wie de afwijking bepaald in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2° van het BTW-Wetboek toepasselijk is die teruggaaf verkrijgen van het bedrag van de in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de accijnsproducten voldane accijns.
Dit besluit treedt in werking op 7 juli 2003.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Bron: FisconetPlus
