Circulaire nr. Ci.RH.421/439.707 dd. 30.06.1992

CIRC 30.06.92/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/439.707 dd. 30.06.1992


Bull. nr. 719, pag. 2132

FISCALE STIMULI
Inschrijving op of aankoop van aandelen of delen

ROERENDE VOORHEFFING
Aanslagvoet
Inkomsten van aandelen of delen

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Grondslag
Vrijstelling


Commentaar op de bepalingen van:

  • de art. 3, 9 en 10, W. 22.2.1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing;
  • de art. 25 en 33, W. 20.7.1990 houdende economische en fiscale bepalingen;
  • art. 15, W. 28.12.1990 betreffende fiscale en niet-fiscale bepalingen.


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

I. INLEIDING

1. Het KB nr. 15 van 09.03.1982, gewijzigd door het KB nr. 150 van 30.12.1982 (zie circ. 14.11.1983, Ci.RH.421/332.973, B. 623) werd in 1990 meermaals gewijzigd.

2. Vooreerst heeft art. 9, W. 22.02.1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing (V. 2033 B. 693) het in art. 2, § 3, eerste lid, KB 15/150 bedoelde vrijstellingspercentage van 13 % op 8 % gebracht waardoor vanaf het aj. 1991 het vrijstellingspercentage in alle gevallen 8 % bedraagt, maar heeft het tegelijkertijd de vrijstellingsperiode gebracht op 12 of 11 boekjaren, wat een verlenging met twee boekjaren betekent.

3. Art. 25, W. 20.07.1990 houdende economische en fiscale bepalingen (V. 2061 - B. 697) heeft de aldus verlengde termijn in bepaalde gevallen nogmaals met één, twee of drie boekjaren verlengd. Voor die bijkomende vrijstellingsperiode wordt het vrijstellingspercentage evenwel tot 5 % verminderd.

4. Tenslotte heeft art. 15, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073 - B. 702) art. 2, § 3, van het KB 15/150 aangevuld met een nieuw lid waardoor, behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking, de in de prospectus van uitgifte van nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging formeel uitgedrukte verbintenis ambtshalve betrekking heeft op de verlengde vrijstellingsperiode.

De gevolgen van de voormelde wijzigingen op het vlak van de Ven.B en de R.V. worden hierna besproken (*). De gecoördineerde tekst van het KB nr. 15 van 09.03.1982 is opgenomen als bijlage.

(*) De bijzonderheden in verband met de PB zullen afzonderlijk worden besproken.

II. VRIJSTELLING VAN DE VEN.B.

A. Algemeen

5. Vennootschappen die in 1982 of 1983 zijn opgericht of hun kapitaal hebben verhoogd kunnen onder bepaalde voorwaarden en in een bepaalde mate vrijstelling van Ven.B genieten op de inkomsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen die het in aanmerking komende kapitaal vertegenwoordigen.

Die vrijstelling werd in principe verleend voor zover de uitgekeerde inkomsten niet meer bedroegen dan 8 % van het in aanmerking komende kapitaal, met dien verstande dat :

  • ten aanzien van vennootschappen die meer dan drie jaar na hun oprichting hun kapitaal verhoogden de vrijstelling werd verleend voor elk van de eerste vijf boekjaren die volgden op dat van de kapitaalverhoging;
  • ten aanzien van vennootschappen die in 1982 of in 1983 zijn opgericht en van vennootschappen die in 1982 of in 1983 hun kapitaal binnen drie jaar na hun oprichting verhoogden, de vrijstelling naar keuze van die vennootschappen werd verleend of wel voor de eerste vijf boekjaren, of wel voor elk van het tweede tot en met het zesde, of wel voor elk van het derde tot en met het zevende boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald.


Het voormelde vrijstellingspercentage van 8 % werd evenwel op 13 % gebracht en de voormelde vrijstellingsperiode van vijf boekjaren werd op tien of negen boekjaren gebracht (naargelang de verrichting plaats had in 1982 of in 1983), indien de betrokken vennootschap zich tegenover de inschrijvers verbond om de belastingbesparing die uit de vrijstelling voortvloeit volledig over te dragen op de aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen uitgekeerde inkomsten en de vennootschap die verbintenis ook werkelijk nakomt. Vennootschappen die zelf geen belastingbesparing verwezenlijken moesten de verbintenis aangaan en naleven om het uit de vrijstelling voortvloeiende aanvullend inkomen door te geven aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen.

6. Met ingang van het aj. 1991 wordt het vrijstellingspercentage van 13 % naar 8 % teruggebracht en wordt de vrijstellingsperiode verlengd tot 12 of 11 boekjaren naargelang de oprichting of kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden in 1982 of in 1983.

Om vennootschappen die gekozen hadden voor de aanvang van de vrijstellingsperiode vanaf het tweede of derde boekjaar niet te benadelen wordt hen een bijkomende vrijstellingsperiode van 1 of 2 boekjaren verleend. Evenwel bedraagt het vrijstellingspercentage voor die bijkomende boekjaren geen 8 %, maar slechts 5 %. Om dezelfde reden wordt bovendien aan vennootschappen die de keuze hadden om hun vrijstellingsperiode te laten aanvangen vanaf het eerste, tweede of derde boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald en waarvan het eerste boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd betaald, méér bedroeg dan 12 maanden en werd afgesloten na 30 december een bijkomende verlenging van één boekjaar verleend. Ook voor dat boekjaar wordt het vrijstellingspercentage van 8 % naar 5 % teruggebracht.

B. Vennootschappen die in 1982 of in 1983 hun kapitaal hebben verhoogd meer dan drie jaar na hun oprichting

7. De inkomsten die dergelijke vennootschappen aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen uitkeren worden vanaf het aj. 1991 vrijgesteld in zover ze per boekjaar niet meer bedragen dan 8 % van het in aanmerking komende kapitaal.

De oorspronkelijke vrijstellingsperiode van 10 of 9 boekjaren wordt op 12 of 11 boekjaren gebracht naargelang de kapitaalverhoging in 1982 of in 1983 heeft plaatsgevonden.

Voorbeeld 1

8. Een vennootschap, opgericht in 1975 en die per kalenderjaar boekhoudt, verhoogde in 1982 haar kapitaal met 10.000.000 F; dat bedrag werd tijdens hetzelfde jaar volledig in geld gestort.

Voor zover de vennootschap aan alle ter zake gestelde voorwaarden heeft voldaan, bedraagt het maximaal vrijstelbare bedrag van de uitgekeerde winsten :

  • 13 % van 10.000.000 F of 1.300.000 F gedurende de aanslagjaren 1984 t/m 1990;
  • 8 % van 10.000.000 F of 800.000 F gedurende de aanslagjaren 1991 t/m 1995.


C. Vennootschappen die in 1982 of in 1983 werden opgericht of in 1982 of in 1983 hun kapitaal binnen de drie jaar na hun oprichting verhoogden en die niet bedoeld zijn in D hierna

1. Vennootschappen die gekozen hebben voor de vrijstelling vanaf het eerste boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald

10. Voor dergelijke vennootschappen is het vrijstellingspercentage en de vrijstellingsperiode identiek als voor vennootschappen die in 1982 of in 1983 hun kapitaal hebben verhoogd meer dan drie jaar na hun oprichting.

Er kan derhalve mutatis mutandis worden verwezen naar het nr. 7.

2. Vennootschappen die gekozen hebben voor de vrijstelling vanaf het tweede boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald

11. De vrijstellingsperiode van 12 of 11 boekjaren wordt met 1 boekjaar verlengd waarbij het vrijstellingspercentage voor dat bijkomende boekjaar 5 % bedraagt.

Voorbeeld 1

12. Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt en voor de eerste maal haar jaarrekening afsluit op 31.12.1982 werd op 01.04.1982 opgericht met een kapitaal van 5.000.000 F dat onmiddellijk in geld werd gestort. De vennootschap heeft gekozen voor de vrijstelling vanaf het tweede boekjaar volgend op de oprichting.

Het maximaal vrijstelbare bedrag van de uitgekeerde winsten bedraagt :

  • 13 % van 5.000.000 F of 650.000 F gedurende elk van de aanslagjaren 1985 t/m 1990;
  • 8 % van 5.000.000 F of 400.000 F gedurende elk van de aanslagjaren 1991 t/m 1996;
  • 5 % van 5.000.000 F of 250.000 F voor het aanslagjaar 1997.


Voorbeeld 2

13. Idem als in voorbeeld 1 maar de vennootschap werd opgericht in 1983 en sluit voor de eerste maal haar jaarrekening af op 31.12.1983.

Het maximaal vrijstelbare bedrag van de uitgekeerde winsten bedraagt :

  • 13 % van 5.000.000 F of 650.000 F gedurende elk van de aanslagjaren 1986 t/m 1990;
  • 8 % van 5.000.000 F of 400.000 F gedurende elk van de aanslagjaren 1991 t/m 1996;
  • 5 % van 5.000.000 F of 250.000 F voor het aanslagjaar 1997.


3. Vennootschappen die gekozen hebben voor de vrijstelling vanaf het derde boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald

14. De vrijstellingsperiode van 12 of 11 boekjaren wordt met twee boekjaren verlengd waarbij het vrijstellingspercentage voor die twee bijkomende boekjaren 5 % bedraagt.

Voorbeeld 1

15. Een vennootschap opgericht in 1981 die per kalenderjaar boekhoudt heeft in 1982 een kapitaalverhoging van 10.000.000 F doorgevoerd die onmiddellijk in geld werd gestort. De vennootschap heeft gekozen voor de vrijstelling vanaf het derde boekjaar volgend op dat van de kapitaalverhoging.

Het maximaal vrijstelbare bedrag van de uitgekeerde winsten bedraagt :

  • 13 % van 10.000.000 F of 1.300.000 F gedurende elk van de aanslagjaren 1986 t/m 1990;
  • 8 % van 10.000.000 F of 800.000 F gedurende elk van de aanslagjaren 1991 t/m 1997;
  • 5 % van 10.000.000 F of 500.000 F gedurende de aanslagjaren 1998 en 1999.


D. Vennootschappen bedoeld in C hiervoor, behalve dat het eerste boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald meer dan twaalf maanden omvat en wordt afgesloten na 30 december

17. Dergelijke vennootschappen krijgen een supplementaire verlening van de vrijstellingsperiode met één boekjaar. Het vrijstellingspercentage voor dat boekjaar bedraagt 5 %.

Voorbeeld

18. Een vennootschap opgericht in 1982 sluit haar boekjaar af op 31 december, en voor de eerste maal op 31 december 1983. De volgende maximale vrijstellingen kunnen worden verleend : 1. Keuze aanvang vrijstellingsperiode vanaf het 1e boekjaar : - aj. 1985 tot aj. 1990, d.w.z. 6 ajren : 13 % - aj. 1991 tot aj. 1996, d.w.z. 6 ajren : 8 % - aj. 1997, d.w.z. 1 aj. : 5 % 2. Keuze aanvang vrijstellingsperiode vanaf het 2e boekjaar : - aj. 1986 tot aj. 1990, d.w.z. 5 ajren : 13 % - aj. 1991 tot aj. 1997, d.w.z. 7 ajren : 8 % - aj. 1998, d.w.z. 1 aj. : 5 % - aj. 1999, d.w.z. 1 aj. : 5 % 3. Keuze aanvang vrijstellingsperiode vanaf het 3e boekjaar : - aj. 1987 tot aj. 1990, d.w.z. 4 ajren : 13 % - aj. 1991 tot aj. 1998, d.w.z. 8 ajren : 8 % - aj. 1999 en aj. 2000, d.w.z. 2 ajren : 5 % - aj. 2001, d.w.z. 1 aj. : 5 % E. Verplichtingen

19. De bepalingen van art. 2, § 10, KB 15/150 m.b.t. het behoud van de voor de investeringsverplichting in aanmerking genomen activa (zie circ. 14.11.1983, Ci.RH.421/332.973, nr. 2/68) zijn eveneens van toepassing op de verlengde vrijstellingsperiode.

20. Om de vrijstelling op uitgekeerde inkomsten vanaf het zesde boekjaar te kunnen genieten moeten de vennootschappen tegenover de inschrijvers de formele verbintenis hebben aangegaan de belastingbesparing over te dragen of het aanvullend inkomen door te geven en moeten zij die verbintenis ook effectief nakomen (zie nrs. 2/26 en volgende van voormelde circ.). Die verbintenis tot overdracht van de belastingbesparing of tot het doorgeven van het aanvullend inkomen, die oorspronkelijk slechts voor 10 of 9 boekjaren gold, moest formeel worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of kapitaalverhoging (zie art. 2, § 3, voorlaatste lid, KB 15/150).

Art. 15, W. 28.12.1990 bepaalt dat, behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking, de in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging formeel uitgedrukte verbintenis ambtshalve betrekking heeft op de zeven of zes boekjaren die in het § 2, derde lid, van voormeld KB 15/150, vermelde vrijstellingstijdperk verlengen.

Er mag worden aanvaard dat de voormelde bepaling eveneens van toepassing is op de bijkomende boekjaren waarvoor de vrijstelling van 5 % wordt toegepast.

F. Inwerkingtreding

21. De hierboven besproken bepalingen zijn van toepassing vanaf het aj. 1991.

Elke wijziging die vanaf 22.01.1990 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de voormelde bepalingen.

III. ROERENDE VOORHEFFING

22. Luidens art. 174, tweede lid, WIB, zoals het werd gewijzigd door art. 3, W. 22.02.1990 houdende verlaging van de R.V., wordt de aanslagvoet van de R.V. op inkomsten van aandelen of delen en van belegde kapitalen van 25 % op 20 % gebracht wat de inkomsten van aandelen of delen betreft die inbrengen in geld vertegenwoordigen welke in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als bedoeld in art. 2, KB 15/150 en die zijn verleend of toegekend voor de vijf, de tien of de negen eerste boekjaren waarvoor die inkomsten zijn vrijgesteld van personenbelasting krachtens art. 3, § 1, van vermeld KB 15/150.

Derhalve is de verlaagde R.V. van 20 % niet meer van toepassing voor de hierboven vermelde inkomsten die zijn toegekend vanaf het elfde boekjaar (oprichtingen of kapitaalverhogingen in 1982) of vanaf het tiende boekjaar (oprichtingen of kapitaalverhogingen in 1983) waarvoor de inkomsten krachtens art. 3, § 1, KB 15/150, vrijgesteld zijn van de personenbelasting.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Inspecteur-generaal,


M. PORRE.


BIJLAGE

G E C O O R D I N E E R D E T E K S T (*)

van de art. 2 tot 5 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen (V. 1600 - B. 606), gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 150 van 30 december 1982 (V. 1660 - B. 615).

(*) Gecoördineerde tekst na de wijzigingen door :
  • art. 78 van de Herstelwet van 31.07.1984;
  • art. 9, W. 22.02.1990, houdende verlaging van de roerende voorheffing;
  • art. 25, W. 20.07.1990 betreffende economische en fiscale bepalingen;
  • art. 15, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen.


Art. 2. § 1. voor vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bepaald in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, die tijdens ieder der jaren 1982 en 1983 opgericht worden of hun kapitaal verhogen, worden de inkomsten, uitgekeerd aan aandelen of aan deelbewijzen van belegde kapitalen die inbrengen in geld met het oog op die verrichtingen vertegenwoordigen, van de in de vennootschapsbelasting belastbare vennootschapswinst uitgesloten onder de hierna bepaalde voorwaarden.

§ 2. De uitgekeerde inkomsten zijn slechts vrijgesteld in zover zij, per boekjaar, niet meer bedragen dan 8 % van het kapitaal dat, volgens het geval, in 1982 of in 1983, in geld afbetaald is en dat vertegenwoordigd wordt door de in § 1 bedoelde aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, welk kapitaal eventueel wordt vermeerderd met de uitgiftepremies die door de aandeelhouders of vennoten afbetaald en op de balans van de vennootschap ingeschreven zijn.

Ten aanzien van vennootschappen die meer dan drie jaar na hun oprichting hun kapitaal verhogen, wordt de vrijstelling verleend tijdens elk van de eerste vijf boekjaren die volgen op dat waarin die kapitaalverhoging werkelijk afbetaald is.

Ten aanzien van vennootschappen die in 1982 of in 1983 zijn opgericht en van vennootschappen die in 1982 of in 1983 hun kapitaal binnen drie jaar na hun oprichting verhogen, wordt de vrijstelling, naar keuze van die vennootschappen, verleend, of wel voor elk van de eerste vijf boekjaren, of wel voor elk van het derde tot en met het zevende boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald. De keuze tussen die drie tijdperken van vijf boekjaren moet onherroepelijk worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de geldbeleggers.

§ 3. Bij afwijking van § 2 wordt de termijn van vijf boekjaren op twaalf of elf boekjaren gebracht, naargelang de verrichting plaatsheeft in 1982 of in 1983, indien de betrokken vennootschap zich tegenover de inschrijvers verbindt de belastingbesparing die uit de vrijstelling voortvloeit, volledig over te dragen op de aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen uitgekeerde inkomsten, en zij die verbintenis nakomt.

Voor vennootschappen die zelf geen belasting besparen op de aan hun nieuwe aandelen of deelbewijzen uitgekeerde inkomsten, is de vrijstelling evenzeer van toepassing voor twaalf of elf boekjaren, voor zover zij zich verbinden het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen, door te geven aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen en dat werkelijk ook doen; die doorgeving is slechts verplicht als de betrokken vennootschappen inkomsten uitkeren aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen.

Voor vennootschappen die zijn bedoeld in de vorige twee leden en die overeenkomstig § 2, derde lid, hebben gekozen voor de aanvang van de vrijstelling voor het tweede of voor het derde boekjaar volgend op het boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd afbetaald, wordt de termijn van twaalf of elf boekjaren verlengd :

  • met een boekjaar ingeval voor het tweede boekjaar werd gekozen;
  • met twee boekjaren ingeval voor het derde boekjaar werd gekozen


waarbij het in § 2, eerste lid, vermeld percentage van 8 % op 5 % wordt teruggebracht voor elk van de bijkomende boekjaren.

Ten aanzien van de in § 2, derde lid, bedoelde vennootschappen waarvan het eerste boekjaar waarin het kapitaal of de kapitaalverhoging werkelijk werd betaald, meer dan twaalf maanden omvat en dat wordt afgesloten na 30 december, wordt daarenboven een bijkomende verlenging van één boekjaar verleend; het in § 2, eerste lid, vermeld percentage van 8 % wordt eveneens op 5 % teruggebracht.

De verbintenis die de vennootschap aangaat tegenover de inschrijvers om de belastingbesparing over te dragen of om het aanvullende inkomen door te geven moet formeel worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van kapitaalverhoging, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de geldbeleggers.

Behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking, heeft de in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging formeel uitgedrukte verbintenis ambtshalve betrekking op de zeven of de zes boekjaren die het in § 2, derde lid vermeld vrijstellingstijdperk verlengen.

§ 4. Voor de toepassing van § 1 worden niet aangemerkt als aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen ter vertegenwoordiging van inbrengen in geld :



effecten ter vertegenwoordiging of wel van inbrengen gedaan ter gelegenheid van fusie, splitsing of omvorming van vennootschappen, of wel van inbrengen van één of meer takken van werkzaamheid of van algemeenheid van goederen;
.....
deelbewijzen van belegde kapitalen die voortvloeien uit de opneming in het kapitaal van rentegevende voorschotten aan personenvennootschappen toegestaan door de vennoten of hun echtgenoot, alsook door hun kinderen wanneer de vennoten of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben;
de in geld afbetaalde aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen in zover het bedrag van de afbetaling niet hoger is dan de opbrengst van de overdracht, door de inbrenger aan de vennootschap die de inbreng verkrijgt, van goederen die of wel voorheen voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt, of wel deel hebben uitgemaakt van zijn privaat vermogen.
§ 5. Voor vennootschappen, die na 31 december 1981 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij later in de in § 1 gestelde voorwaarden overgaan, slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen behalve als deze kapitaalverminderingen worden gebruikt, of wel om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren, of wel om onbeschikbare reserves aan te leggen of als zij het gevolg zijn van het feit dat de betrokken vennootschap haar eigen aandelen of deelbewijzen na inkoop vernietigd.

§ 6. Vennootschappen die recht hebben op de in dit artikel bedoelde vrijstelling en die, vóór het verstrijken van de in § 2 en in § 3 bedoelde vrijstellingstermijn, hun kapitaal verminderen of onbeschikbare reserves uitkeren, verliezen, met ingang van het boekjaar waarin die vermindering of uitkering heeft plaatsgehad het recht op de vrijstelling voor het gedeelte van het kapitaal dat gevormd is door in 1982 en in 1983 verrichte inbrengen in geld en dat gelijk is aan die vermindering van hun kapitaal en aan die uitkering van hun onbeschikbare reserves.

Het eerste lid is niet van toepassing als de kapitaalverminderingen worden gebruikt of wel om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren, of wel om onbeschikbare reserves aan te leggen, en evenmin als die verminderingen het gevolg zijn van het feit dat de vennootschap haar eigen aandelen of deelbewijzen na inkoop heeft vernietigd.

§ 7. Wanneer vennootschappen die zijn opgericht of hun kapitaal hebben verhoogd in de voorwaarden als bedoeld in § 1 van dit artikel, fusioneren of worden gesplitst of omgevormd in de voorwaarden als bedoeld in artikel 124, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, blijft het bepaalde in dit artikel van toepassing op de opslorpende, uit de fusie, die splitsing of de omvorming ontstane vennootschappen, alsof de fusie, splitsing of omvorming niet had plaatsgehad.

In geval van splitsing zijn die bepalingen van toepassing op ieder van de opslorpende of uit de splitsing ontstane vennootschappen, naar verhouding van de nettowaarde van de inbrengen die door de gesplitste vennootschap werden gedaan.

§ 8. Het bewijs dat de in § 3 bedoelde verbintenis wordt nageleefd, moet worden geleverd door de vennootschappen die ze hebben aangegaan, en moet jaarlijks worden gevoegd bij hun aangifte met betrekking tot de roerende voorheffing die is verschuldigd op de aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen uitgekeerde inkomsten.

Indien dat bewijs niet wordt geleverd voor één of meer van de in § 3 bedoelde boekjaren volgend op het vijfde, verliezen de betrokken vennootschappen het recht op vrijstelling voor dat boekjaar of die boekjaren.

§ 9. Dit artikel is niet van toepassing op de vennootschappen die tegenover de inschrijvers niet de verbintenis aangaan of naleven om, vóór het einde van het eerste boekjaar waarvoor de vrijstelling kan worden toegepast, een som van ten minste 60 % van het kapitaal of van de kapitaalverhoging die in geld zijn afbetaald, eventueel verhoogd met de uitgiftepremies, te gebruiken tot volgende doeleinden :



aanschaffing of vervaardiging van immateriële of materiële vaste activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt;
verhoging van het totaal bedrag van de al dan niet in effecten belichaamde vorderingen op rijksinwoners, enigerlei vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben, de Belgische Staat, Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten of gemeenten, alsmede inrichtingen waarover belastingplichtigen die aan de belasting der niet-verblijfhouders zijn onderworpen, in België beschikken, met uitsluiting van de vorderingen die de aard hebben van thesauriebeleggingen of die het gevolg zijn van verrichtingen die niet tegemoet komen aan rechtmatige behoeften van financiële of economische aard;
afbetaling in geld van aandelen of deelbewijzen van andere vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
De tegenover de inschrijvers aangegane verbintenis moet formeel worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de geldbeleggers; het bewijs dat die verbintenis is nageleefd moet worden voorgelegd met de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het eerste boekjaar waarvoor de vrijstelling kan worden toegepast.

Op aanvraag van de betrokken vennootschap verlaagt de Minister van Financiën de grens van zestig percent in de mate dat dit nodig is voor het terugbetalen van bepaalde schulden, voor het aanzuiveren van verliezen of voor het nemen van participaties in buitenlandse vennootschappen waartoe de vennootschap genoopt is om, of wel haar bevoorrading in grondstoffen of in energieprodukten, of wel de afzet van haar produkten veilig te stellen.

De in het derde lid bedoelde aanvraag dient door de nodige verantwoording gestaafd te worden. Geen enkele verbintenis tegenover de inschrijvers, geen enkel aanbod, geen enkele openbare oproep, geen enkele akte tot kapitaalverhoging mag aan de beslissing van de Minister van Financiën voorafgaan.

Indien de afwijking wordt toegestaan, moet zulks worden vermeld in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van kapitaalverhoging, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de geldbeleggers.

§ 10. De vennootschappen die de in § 9 gestelde voorwaarden nakomen verliezen het recht op vrijstelling ingeval de activa die in aanmerking werden genomen, om na te gaan of de grens van 60 % of de toegestane lagere grens is bereikt, worden overgedragen en niet binnen drie maanden worden wederbelegd in eveneens in § 9 bedoelde activa, en zulks met ingang van het boekjaar waarin de gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

Art. 3. § 1. De inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die gedurende de jaren 1982 of 1983 gedane inbrengen in geld voor de in artikel 2 bedoelde verrichtingen vertegenwoordigen, zijn vrijgesteld van personenbelasting, ongeacht of de verkrijger van die inkomsten al dan niet zelf heeft ingeschreven op de effecten waarop zij betrekking hebben.

Die vrijstelling geldt voor de inkomsten die zijn uitgekeerd voor de boekjaren waarvoor vrijstelling van vennootschapsbelasting krachtens artikel 2, §§ 2 of 3, van toepassing is. Het verlies van het recht op vrijstelling van vennootschapsbelasting brengt slechts het verlies van vrijstelling van personenbelasting mee, in geval van kapitaalvermindering of van uitkering van onbeschikbare reserves als bedoeld in artikel 2, § 6.

Wanneer een vennootschap meer dan drie jaar na haar oprichting, haar kapitaal verhoogt, door publiek beroep te doen op de geldbeleggers, geldt de vrijstelling van personenbelasting evenzeer voor de inkomsten die aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen worden uitgekeerd voor het boekjaar waarin de kapitaalverhoging is ingeschreven en afbetaald.

De verkrijgers van de aldus vrijgestelde inkomsten zijn niet gehouden ze in hun jaarlijkse aangifte in de bovenbedoelde belasting aan te geven. Voor degene die van die mogelijkheid gebruik maken is de op die vrijgestelde inkomsten ingehouden roerende voorheffing definitief door de Schatkist verworven. Voor degenen die van die mogelijkheid geen gebruik maken, is de op die vrijgestelde inkomsten verschuldigde belasting gelijk aan de ingehouden roerende voorheffing behalve wanneer de toepassing van het stelsel van het gemeen recht op het geheel van de inkomsten met inbegrip van die van de in het eerste lid bedoelde aandelen of deelbewijzen voordeliger is.

Deze paragraaf geldt evenzeer voor het bedrag van de inkomsten van de bedoelde aandelen of deelbewijzen die begrepen zijn in de inkomsten van de certificaten van de door de wet van 27 maart 1957 beheerste Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen, indien de inkomsten van die certificaten per categorie zijn omgedeeld voor de toepassing van artikel 191, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

§ 2. Bij afwijking van artikel 15 van het Wetboek der successierechten en van artikel 131 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zijn die rechten niet verschuldigd op de in § 1, eerste lid, van dit artikel bedoelde aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen :



a)waarop is ingeschreven en die niet zijn afbetaald in de loop van de twaalf jaar vóór het openvallen van de nalatenschap of vóór de schenking, hetzij door de overledene of door zijn echtgenoot hetzij door de schenker of door zijn echtgenoot;
b)die de overledene of de schenker of de echtgenoot zich anderszins heeft aangeschaft meer dan drie jaar vóór het openvallen van de nalatenschap of vóór de schenking, voor zover die gebeurtenis plaatsgrijpt binnen twaalf jaar na de inschrijving en de afbetaling van de betrokken aandelen of deelbewijzen.
Het bewijs van de inschrijving en van de afbetaling of van de aanschaffing van de aandelen of deelbewijzen door de overledene, de schenker of de echtgenoot, en meer algemeen het bewijs dat de voorwaarden zijn vervuld voor de vrijstelling van de in het eerste lid bedoelde rechten, mag worden geleverd door alle wettelijke middelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed.

Voor de toepassing van deze paragraaf is de aanschaffing van aandelen of deelbewijzen in het kader van openbare verkoopaanbiedingen na vaste overnamen gelijkgesteld met inschrijving.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel worden de certificaten van door de wet van 27 maart 1957 beheerste Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen, mits die fondsen speciaal erkend zijn door de Minister van Financiën, tot 31 december 1993 gelijkgesteld met de in § 1, eerste lid, bedoelde aandelen of deelbewijzen.

Met betrekking tot die certificaten is voor de toepassing van § 2 bovendien vereist dat de overledene of schenker of de echtgenoot ze zich meer dan drie jaar vóór het openvallen van de erfenis of van de schenking heeft aangeschaft en dat die gebeurtenis plaatsgrijpt vóór 1 januari 1994.

Voor de toepassing van deze paragraaf is de erkenning van gemeenschappelijke beleggingsfondsen afhankelijk van de vereiste dat de beheermaatschappijen van die fondsen de verbintenis aangaan hun activa tot 31 december 1992 te gebruiken voor ten minste 95 % in aandelen of deelbewijzen als bedoeld in § 1, eerste lid, en voor ten hoogste 5 % in deposito's als bedoeld in artikel 19, 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

De Koning regelt de wijze waarop de erkenning wordt toegekend en behouden en de controle op het naleven van de aangegane verbintenis.

Art. 4. § 1. Voor de aanslagjaren 1983 tot 1986 mogen de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen van hun gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde categorieën, de bedragen aftrekken die zij gedurende het belastbare tijdperk hebben besteed aan de aanschaffing van of aan de inschrijving op en de afbetaling van :



aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld bij de artikelen 98, 100 en 102 van hetzelfde Wetboek, alsook van de aan die aandelen of delen gehechte inschrijvings- of toewijzingsrechten of -bons;
certificaten van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen beheerst door de wet van 27 maart 1957 en erkend door de Minister van Financiën.
§ 2. De in § 1, 1°, van dit artikel bedoelde aandelen of deelbewijzen omvatten niet :



de in 1982 of in 1983 uitgegeven aandelen of deelbewijzen waarvoor de belastingplichtige niet onherroepelijk, in de door de Minister van Financiën vastgestelde vorm, verzaakt aan de toepassing van artikel 3 of waarvoor die bepalingen niet gelden;
de niet ter beurs genoteerde aandelen of deelbewijzen uitgegeven vóór 1 januari 1982, tenzij het gaat om aandelen of deelbewijzen aangeschaft ter gelegenheid van een openbare verkoping ingericht door een beurscommissie van het Rijk.
§ 3. Voor de toepassing van dit besluit is de erkenning van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen inzonderheid afhankelijk van de vereiste dat de beheersmaatschappijen van die fondsen de verbintenis aangaan hun activa tot 31 december 1990 te gebruiken voor ten minste 75 % in aandelen of deelbewijzen van Belgische vennootschappen en voor ten hoogste 25 % in geldmiddelen die in Belgische frank in België in bewaring zijn gegeven of in effecten die zijn uitgegeven door een Belgische publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of door een buitenlandse publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon en onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interesten, door een of meer Belgische publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen, waarbij de in buitenlandse munt luidende effecten niet hoger mogen oplopen dan 10 % van de activa van het fonds.

De Koning regelt de wijze waarop de erkenning wordt toegekend en behouden en de controle op het naleven van de aangegane verbintenis.

§ 4. De in § 1 van dit artikel bedoelde aftrek is per belastbaar tijdperk beperkt tot 40.000 F, verhoogd met 10.000 F voor de echtgenoot en voor ieder ander persoon ten laste als bedoeld bij artikel 82, § 1, 2° tot 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

In geval van toepassing van artikel 75, § 1, van hetzelfde Wetboek, is de aftrek beperkt tot 25.000 F per echtgenoot.

§ 4bis. Wanneer tijdens een van de jaren 1982 tot 1985 aangeschafte effecten worden verkocht in de loop van het jaar waarin ze zijn aangeschaft, wordt voor die aanschaffing geen aftrek verleend indien de overdrachtsprijs niet in de loop van datzelfde jaar wordt wederbelegd in effecten als bedoeld in § 1.

§ 5. In geval van overdracht, binnen vijf jaar na de aanschaffing, van effecten waarvoor de in § 1 bedoelde aftrek is verricht, wordt het belastbaar inkomen van het jaar waarin die overdracht plaatsgreep verhoogd met een bedrag aan gezamenlijk belastbare diverse inkomsten dat gelijk is aan zoveel maal één-zestigste van de aanschaffingsprijs van die effecten, als er nog volle maanden te lopen blijven tot het einde van de termijn van vijf jaar.

Die bepaling is niet van toepassing indien :



a)de overdrachtsprijs binnen de drie maand wordt wederbelegd in effecten als bedoeld in § 1;
b)de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of gebeurt om niet aan een erfgerechtigde in rechte lijn; alsdan zijn de bepalingen van het eerste lid voor de overblijvende termijn van toepassing op de nieuwe bezitter van de effecten.
§ 6. De belastingplichtigen die aanspraak maken op de in § 1 bedoelde aftrek moeten de bewijsstukken van de aankoop, van het behoud of van de wederbelegging van de effecten, overleggen met hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek is verricht en voor de volgende vijf belastbare tijdperken.

In de bij § 5, tweede lid, b, bedoelde gevallen, berust die verplichting bij de nieuwe bezitter van de effecten.

§ 7. Indien het gaat om aandelen of deelbewijzen van vennootschappen op aandelen of om certificaten van erkende gemeenschappelijke beleggingsfondsen die in open bewaargeving zijn gegeven bij een tussenpersoon die gemachtigd is om dergelijke bewaargevingen te ontvangen, moeten de door de bewaarnemer uitgereikte bewijsstukken het aantal en de volledige benaming van de in bewaring gegeven effecten vermelden, zomede de aankoopdatum en -prijs van die effecten, de eventuele overdrachten op opnemingen en wederbeleggingen en aantal, benaming en waarde, evenals het nettobedrag van de inkomsten die ingevolge de in bewaring gegeven effecten zijn geïncasseerd.

Indien het gaat om aandelen of deelbewijzen van vennootschappen op aandelen of om certificaten van erkende gemeenschappelijke beleggingsfondsen die niet in bewaring, als bedoeld in het voorgaande lid, zijn gegeven, zijn de bewijsstukken :

  • voor het jaar van de aanschaffing, het aankoop- of inschrijvingsborderel afgeleverd door een wisselagent-correspondent als bedoeld in de artikelen 69 en 70 van Boek I, Titel V, van het Wetboek van Koophandel of door een financiële instelling als bedoeld in artikel 50, 1°, vierde lid, a tot d, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, en, eventueel, het bewijsstuk van de incassering van de inkomsten die tijdens het jaar van aanschaffing betaalbaar zijn gesteld, met vermelding van de identiteit en het volledig adres van de verkrijger van de inkomsten, het aantal en de identificatie van de effecten waarop de inkomsten betrekking hebben; de bewijsstukken van de aanschaffing of van de inschrijving en van de inkomsten van aandelen of deelbewijzen van vennootschappen die zelf hun financiële diens waarnemen, mogen door die vennootschappen, onder de controle van de administratie, worden afgeleverd;
  • voor de volgende vijf jaar, de bewijsstukken, ofwel van de incassering van de inkomsten die tijdens ieder van die jaren betaalbaar zijn gesteld door de vennootschappen of instellingen die de effecten hebben uitgegeven waarvoor de aftrek is verricht, ofwel eventueel, van de overdracht of van de wederbelegging van de overdrachtprijs van de overgedragen effecten.


Indien het gaat om aandelen of deelbewijzen op naam kunnen de bewijsstukken, volgens het geval, bestaan in een uittreksel van het register van de aandelen op naam of van het register der vennoten.

Art. 5. Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en inzonderheid die van Titel VII, Hoofdstuk X, dat betrekking heeft op de strafbepalingen, van toepassing op de bepalingen van dit besluit.

Artikel 18 WIB 1992


Dividenden omvatten :

1° alle voordelen van aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welken hoofde en op welke wijze ook verkregen van een vennootschap;

2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;

3° interest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijving :

  • ofwel de in artikel 55 gestelde grens.
  • ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk >> :




het wordt aangevuld met een als volgt luidend tweede lid :
Als voorschot wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde vordering van een bestuurder van een kapitaalvennootschap op die vennootschap of van een vennoot van een personenvennootschap op de vennootschappen, van hun echtgenoot of van hun kinderen wanneer de bestuurder, vennoot of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, met uitzondering van :

obligaties uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen;
vorderingen op coöperatieve vennootschappen die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend.
vorderingen in het bezit van bestuurders en vennoten die in artikel 179 vermelde vennootschappen zijn >>.
Inwerkingtreding : van toepassing op vanaf 27.03.1992 betaalde of toegekende interest.