Circulaire nr. Ci.RH.244/613.502 (AAFisc Nr. 35/2012) d.d. 12.11.2012
Algemene administratie van de FISCALITEIT – Centrale diensten
Personenbelasting
Bedrijfsvoorheffing
Vrijstelling van storting van de BV
Gedeeltelijke vrijstelling van storting van de BV
Bezoldiging
Sportbeoefenaar
Bespreking van de Wet van 28 april 2011 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de vrijstelling van doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van sportbeoefenaars betreft.
Zie ook:
Aan alle ambtenaren.
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de Wet van 28 april 2011 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de vrijstelling van doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van sportbeoefenaars betreft (BS 13.5.2011). Voormelde wet is op 1 juli 2010 in werking getreden.
2. De in artikel 275^6, WIB 92, vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing worden ervan vrijgesteld 80% (*) van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de aan sportbeoefenaars betaalde of toegekende bezoldigingen in de Schatkist te storten.
(*) Het percentage van 70% vermeld in artikel 275^6, eerste lid, WIB 92, is in uitvoering van het laatste lid van dat artikel verhoogd tot 80% bij artikel 95^1, KB/WIB 92.
3. Wanneer de bedrijfsvoorheffing waarvoor de vrijstelling van doorstorting in de Schatkist wordt gevraagd betrekking heeft op bezoldigingen van "oudere sportbeoefenaars" (met name sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt), moet de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing voldoen aan de in artikel 275^6, tweede lid, WIB 92, vermelde bestedingsverplichting.
4. Overeenkomstig artikel 275^6, tweede en derde lid, WIB 92, komen voor de invulling van die bestedingsverplichting volgende bestedingen in aanmerking:
- de bedragen besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, met name de betaling van bezoldigingen van personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening;
- de bezoldigingen van de jonge sportbeoefenaars.
Tot 30 juni 2010 zijn de in artikel 275^6, tweede en derde lid, WIB 92, beoogde jonge sportbeoefenaars diegenen die minstens 12 jaar oud zijn en de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
5. Artikel 64 van de Wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen (BS 31.12.2009, tweede editie) bracht verschillende wijzigingen in artikel 275^6, WIB 92 aan. Zo werd het derde lid van artikel 275^6, WIB 92, aangevuld met de volgende zin: "De bestede bedragen mogen slechts voor de helft bestaan uit de betaling of de toekenning van lonen aan jonge sportbeoefenaars". Voormelde wetswijziging trad op 1 juli 2010 in werking (zie ook hoofdstuk VI van de circulaire nr. Ci.RH.241/603.774 (AOIF Nr. 48/2010 d.d. 2 juli 2010).
6. Artikel 2, 2° van de Wet van 28 april 2011 verving evenwel met ingang van 1 juli 2010 het derde lid van voormeld artikel 275^6, WIB 92, zodat de door artikel 64 van de Wet van 22 december 2009 aangebrachte aanvulling van artikel 275^6, derde lid, WIB 92, nooit effectief van toepassing is geweest.
7. De Wet van 28 april 2011 bracht volgende wijzigingen aan:
- de minimumleeftijd (12 jaar) van de in artikel 275^6, tweede en derde lid, WIB 92, bedoelde jonge sportbeoefenaars werd opgeheven ;
- de voorwaarde dat de besteding slechts voor de helft mag worden aangewend voor bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars werd vervangen door een maximale bezoldiging per sportbeoefenaar.
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
8. Wet van 28 april 2011 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de vrijstelling van doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van sportbeoefenaars betreft (BS 13.5.2001).
Art. 2
In artikel 275^6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "minstens 12 jaar oud zijn en" opgeheven;
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder bedragen besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, de bezoldiging van personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening en de bezoldiging van de jonge sportbeoefenaars. De bezoldiging van jonge sportbeoefenaars omvat de betaalde of toegekende bezoldiging tot maximaal het achtvoud van het bedrag bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en de ermee verband houdende kosten bedoeld in artikel 52, 3°"."
Art. 3
Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2010.
III. BESPREKING
A. De in artikel 275^6, tweede lid, WIB 92, vermelde minimumleeftijd van 12 jaar wordt opgeheven
9. Overeenkomstig artikel 275^6, tweede lid, WIB 92 (oud) wordt, wanneer de bezoldigingen waarvoor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt gevraagd betrekking hebben op sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling van doorstorting wordt gevraagd 26 jaar of ouder zijn, de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing toegekend, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, de helft van deze vrijstelling van doorstorting wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars.
10. Onder bedragen besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, wordt overeenkomstig artikel 275^6, derde lid, WIB 92, verstaan:
- betaling van lonen aan personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van jonge sportbeoefenaars;
- betaling van lonen aan deze jonge sportbeoefenaars.
11. Tot 30 juni 2010 moesten voormelde "jonge sportbeoefenaars" op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd minstens 12 jaar oud zijn en de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt.
12. Vanaf 1 juli 2010 vervalt de minimumleeftijd, zodat de vanaf die datum betaalde bezoldigingen aan personen die belast zijn met de opleiding van sportbeoefenaars jonger dan 12 jaar eveneens in aanmerking kunnen komen voor de invulling van de bestedingsverplichting.
13. De maximumgrens van 23 jaar blijft evenwel behouden zodat bijvoorbeeld de bezoldigingen van een trainer die zowel "oudere" (23 jaar of ouder) als "jongere" (jonger dan 23 jaar) sportbeoefenaars opleidt, nog steeds op een redelijke wijze moeten worden omgedeeld over beide leeftijdsgroepen. Enkel het deel van de bezoldigingen die zijn betaald voor de opleiding van "jongere" sportbeoefenaars kan in aanmerking worden genomen voor de in artikel 275^6, tweede lid, WIB 92, bedoelde bestedingsverplichting.
B. De vanaf 1 juli 2010 betaalde bezoldiging van jonge sportbeoefenaars omvat de betaalde of toegekende bezoldiging tot maximaal het achtvoud van het bedrag bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en de ermee verband houdende kosten bedoeld in artikel 52, 3°, WIB 92
B.1. Vaststellen van het maximumbedrag
14. De vanaf 1 juli 2010 betaalde of toegekende bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars worden overeenkomstig artikel 275^6, derde lid, WIB 92, beperkt tot maximaal het achtvoud van het bedrag bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars. Concreet gaat het dan om het minimumbedrag van het loon dat men moet genieten om als een betaalde sportbeoefenaar te worden beschouwd.
15. Dat minimumbedrag wordt jaarlijks door middel van een koninklijk besluit vastgesteld:
periode | bedrag |
|
1.7.2010 - 30.6.2011 (Belgisch Staatsblad van 12.8.2010) | 8.675 EUR |
|
1.7.2011-30.6.2012 (Belgisch Staatsblad van 1.7.2011) | 8.850 EUR |
|
1.7.2012 – 30.6.2013 (Belgisch Staatsblad van 29.6.2012, tweede editie) | 9.027 EUR |
16. De termijn voor de invulling van de in artikel 275^6, tweede lid, WIB 92, bedoelde bestedingsverplichting verstrijkt steeds op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
17. Wanneer voor eenzelfde kalenderjaar verschillende bedragen gelden als bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (de bedragen worden per seizoen vastgesteld), mag het gemiddelde van de voor dat kalenderjaar van toepassing zijnde bedragen worden gemaakt. Om uit te maken in welke mate de bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars in aanmerking kunnen worden genomen voor de in artikel 275^6, tweede lid, WIB 92, bedoelde bestedingsverplichting, wordt voormeld gemiddeld bedrag vervolgens vermenigvuldigd met 8.
18. Zo kan voor het kalenderjaar 2011 het in artikel 275^6, derde lid, WIB 92, bedoelde grensbedrag als volgt worden bepaald:
(8.675 EUR + 8.850 EUR) : 2 x 8 = 70.100 EUR.
19. De in artikel 275^6, derde lid, WIB 92, opgenomen begrenzing van de bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars moet per sportbeoefenaar worden toegepast en is een grens in absolute cijfers. Die grens moet dus niet pro rata worden toegepast omwille van het feit dat de bepalingen van de Wet van 28 april 2011 slechts uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2010, noch omdat een sportbeoefenaar slechts een gedeelte van het jaar werd tewerkgesteld door de persoon die de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing vraagt.
20. Voormelde begrenzing is alleen van toepassing op de bezoldigingen van de jonge sportbeoefenaars zelf. De bezoldigingen van opleiders, trainers of begeleiders moeten niet worden begrensd of moeten geen minimumbedrag hebben bereikt om in aanmerking te kunnen komen voor de invulling van de bestedingsverplichting.
B.2. Wijze waarop de begrenzing moet worden toegepast
21. De vanaf 1 juli 2010 werkelijk betaalde bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars moeten worden begrensd tot het in artikel 275^6, derde lid, WIB 92, vermelde maximumbedrag (zie nrs. 14 tot en met 20 hiervoor).
22. De vanaf 1 juli 2010 betaalde kosten, bedoeld in artikel 52, 3°, WIB 92, die verband houden met de hiervoor vermelde bezoldigingen (met name de werkelijk betaalde bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars, in voorkomend geval begrensd tot het in artikel 275^6, derde lid, WIB 92, vermelde maximumbedrag) kunnen, naast die eventueel begrensde bezoldiging, in aanmerking komen voor de invulling van de bestedingsverplichting.
23. Tot de in artikel 52, 3°, WIB 92, bedoelde kosten behoren:
a. de wettelijk verschuldigde sociale lasten;
b. de werkgeversbijdragen en -premies, gestort ter uitvoering van:
- een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of overlijden;
- een collectieve of individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, met het oog op de vorming van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden;
- een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
- een collectieve of individuele toezegging die moet worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte;
c. de bijdragen inzake sociale verzekering of voorzorg die in b niet worden genoemd en die verschuldigd zijn krachtens contractuele verplichtingen;
d. de bijzondere bijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 38, § 3novies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
24. Voor de invulling van de in artikel 275^6, derde lid, WIB 92, bedoelde bestedings- verplichting komen enkel de werkelijk betaalde kosten in aanmerking die verband houden met de eventueel begrensde bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars.
C. Voorbeeld
25. Een club (VZW) stelt verschillende sportbeoefenaars, trainers, begeleiders en andere personeelsleden tewerk.
Tijdens het jaar 2011 werden volgende bezoldigingen door de VZW betaald of toegekend:
Sportbeoefenaars | Trainers, begeleiders van sportbeoefenaars | Andere personeelsleden | |||
Leeftijd op 1 januari van het jaar na het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd | 23 jaar | 23-25 jaar | 26 jaar en ouder | ||
Bruto belastbare bezoldiging |
397.500,00 (*) | 700.000,00 | 850.000,00 | 95.000,00 | 65.000,00 |
Ingehouden bedrijfsvoorheffing | 169.000,00 | 273.000,00 | 356.175,00 | 30.423,00 | 24.233,89 |
De RSZ-bijdragen werkgever en werknemer die verband houden met de bezoldigingen van
95.000 EUR betaald aan de trainers en begeleiders van de sportbeoefenaars bedraagt 33.557,23 EUR.
(*)
Detail van de personeelskosten:
Jaar 2011 | Bruto belastbare bezoldiging | Overeenkomstig art. 275^6, derde lid, WIB 92, begrensde bezoldiging | RSZ-bijdragen die verband houden met de (in voorkomend geval begrensde) bezoldigingen | Werkgeversbijdragen groepsverzekering en premie aanvullende verzekering arbeidsongeschiktheid (in voorkomend geval beperkt tot diegene die verband houden met de begrensde bezoldigingen) |
Speler 1 | 90.000 | 70.100 | 6.126,94 | 16.265,06 |
Speler 2 | 55.000 | 55.000 | 6.126,94 | 10.225,06 |
Speler 3 | 105.000 | 70.100 | 6.126,94 | 16.265,06 |
Speler 4 | 75.000 | 70.100 | 6.126,94 | 16.265,06 |
Speler 5 | 50.000 | 50.000 | 6.126,94 | 8.225,06 |
Speler 6 | 22.500 | 22.500 | 5.724,00 | 1.205,93 |
TOTAAL | 397.500 | 337.800 | 36.358,70 | 68.451,23 |
De RSZ-bijdragen werden overeenkomstig de van toepassing zijnde reglementering vastgesteld.
Gevraagde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 275^6, WIB 92 (jaar 2011)
(169.000 + 273.000 + 356.175) x 80% = 638.540 EUR.
Te besteden bedrag voor de in 2011 gevraagde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
356.175 x 80% x 50% = 142.470 EUR
Dit bedrag moet uiterlijk op 31 december 2012 zijn besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars.
Bestedingen die in aanmerking komen voor de invulling van de in artikel 275^6, derde lid, WIB 92, bedoelde bestedingsverplichting
1) Bezoldigingen van personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening
Bruto belastbaar bedrag van de bezoldigingen 95.000,00 EUR
RSZ werkgever en werknemer + 33.557,23 EUR
Totaal 128.557,23 EUR
bezoldigingen die verband houden met opleiding jonge
sportbeoefenaars (*) 45.567,17 EUR
2) Bezoldiging van jonge sportbeoefenaars
(337.800 + 36.358,70 + 68.451,23) 442.609,93 EUR
Totaal bestedingen 2011 488.177,10 EUR
(*) Voor trainers die zowel "oudere" als "jongere" sportbeoefenaars opleiden moet een verdeelsleutel gehanteerd worden. Dit is een feitenkwestie die ondermeer kan blijken uit de arbeidsovereenkomst. In het voorbeeld wordt geacht dat van de totale bezoldigingen van personen belast met de opleiding begeleiding of ondersteuning (128.557,23 EUR) er 45.567,17 EUR betrekking heeft op de opleiding van jonge sportbeoefenaars.
Er is, wat de in 2011 gevraagde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing betreft, voldaan aan de in artikel 275^6, tweede lid, WIB 92, vermelde bestedingsverplichting.
IV. BIJLAGE
26. De gecoördineerde wettekst van artikel 275^6, WIB 92, zoals hij vanaf 1 juli 2010 van toepassing is, wordt als bijlage toegevoegd.
Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit:
De Auditeur-generaal van financiën,
S. QUINTENS
Bijlage
Gecoördineerde wettekst artikel 275^6, WIB 92 (van toepassing vanaf 1 juli 2010)
Artikel 275^6
De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, 1°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan vrijgesteld 70% van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten.
De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedoeld in het eerste lid wordt eveneens toegekend wanneer ze bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of toekennen aan niet in het eerste lid bedoelde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, de helft van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder bedragen besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, de bezoldiging van personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening en de bezoldiging van de jonge sportbeoefenaars. De bezoldiging van jonge sportbeoefenaars omvat de betaalde of toegekende bezoldiging tot maximaal van het achtvoud van het bedrag bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en de ermee verband houdende kosten bedoeld in artikel 52, 3°.
Bij het verstrijken van de voormelde termijn, moeten de niet overeenkomstig het tweede en derde lid bestede bedragen in de Schatkist worden gestort, verhoogd met nalatigheidsinteresten berekend overeenkomstig artikel 414.
Om de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs dat de sportbeoefenaar in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, beantwoordt aan de voorwaarden tijdens de hele periode waarop de vrijstelling betrekking heeft en dat de bedragen werkelijk overeenkomstig het tweede en derde lid werden besteed, ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing verhogen tot maximum 80% of het verlagen tot minimum 60%.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, 3°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 232, eerste lid, 2°, c, rechtstreeks betalen of toekennen aan sportbeoefenaars.
