Circulaire nr. 9/2014 d.d. 23.04.2014 (AFZ nr. 6/2014)

W. Reg. - W. Succ. - W.D.R.T.

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst - 2de directie

Dossier nr. 461

PATRIMONIUMDOCUMENTATIE

Kadaster, Registratie en Domeinen,

E.E./L 256

bijlage: 2

Op datum van 23.07.2020, is lid 5 gewijzigd en een zesde lid wordt ingevoegd aan punt “1.1. Verplichting tot betaling van het veroordelingsrecht - Art. 35, derde lid, W. Reg.” van deze circulaire, gepubliceerd aanvankelijk op 23.04.2014. Deze wijziging en toevoeging zijn in het grijs gemarkeerd in deze tekst.

Wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen

Registratierechten

Successierechten

Diverse rechten en taksen

Inleiding

In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2013, editie 2, werd de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen bekendgemaakt (1).

De titels 4 (art. 38 tot 87) en 9 (art. 111) van deze wet betreffen de modernisering van de patrimoniumdocumentatie en regelen in het bijzonder de elektronische aanbieding van sommige akten aan de formaliteiten van de registratie en de openbaarmaking op het hypotheekkantoor.

Drie koninklijke besluiten vervolledigen de reglementering die daartoe nodig is (één betreffende de afbakeningsplannen, één betreffende het gebruik van elektronische registers voor de registratie en betreffende de vorm van het nummer van het repertorium van een notaris, en één betreffende de elektronische aanbieding van de akten).

De titels 5 (art. 88), 6 (art. 89 en 90) en 7 (art. 91 tot 96) van de voornoemde wet bevatten verscheidene andere maatregelen, respectievelijk op het vlak van de diverse rechten en taksen, de registratierechten en de successierechten.

Deze circulaire bevat een eerste commentaar bij de voornoemde titels 5 tot 7 .

Een afzonderlijke circulaire zal worden gewijd aan de titels 4 en 9 evenals aan de voornoemde koninklijke besluiten.

----------

[(1) Kamer, Doc 53 3236/ (2013/2014):

001: Wetsontwerp.

002: Amendementen.

003: Verslag.

004: Tekst aangenomen door de commissie.

005: Amendement.

006: Tekst aangenomen in plenaire zitting en overgemaakt aan de Senaat.

Integraal verslag : 17 en 18 december 2013.

Senaat:

Doc 5- 2419/ (2013/2014)

Nr. 1: Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. Niet geamendeerd.

Nr. 2: Amendementen.

Nr. 3: Verslag.

Nr. 4: Beslissing niet te amenderen.

Annalen van de Senaat: 18 en 19 december 2013.]

----------

1. Registratierechten

1.1. Verplichting tot betaling van het veroordelingsrecht - Art. 35, derde lid, W. Reg. (1)

Het veroordelingsrecht, verschuldigd wegens een vonnis of arrest houdende veroordeling tot sommen, kan niet enkel ingevorderd worden ten laste van de veroordeelde, maar sedert 1 januari 1990 is dat ook mogelijk ten laste van de begunstigde van de veroordeling, zij het enkel tot beloop van de helft van de sommen die hij (effectief) ontvangen heeft.

De mogelijkheid om het recht rechtstreeks ten laste van de begunstigde van de veroordeling in te vorderen wordt nu opgeheven.

Bij gebreke van een bijzondere bepaling, treedt deze opheffing in werking op 10 januari 2014 (10 dagen na de bekendmaking in het B.S. - Wet van 31 mei 1961, art. 4).

De vorige tekst blijft van toepassing op de vonnissen en arresten die dagtekenen van vóór die datum.

Gelet op de - bij vergetelheid - ongewijzigde tekst van de artikelen 150 en 184bis, W. Reg. blijft het voorrecht ingesteld bij artikel 150, W. Reg. bestaan en hetzelfde geldt voor het verbod ingesteld bij artikel 184bis, eerste lid, W. Reg. waarbij het aan de notarissen gerechtsdeurwaarders, griffiers, vereffenaars en curators evenals aan de ambtenaren van de Deposito- en Consignatiekas verboden wordt de betaling, overschrijving of teruggave van sommen of waarden die voortkomen van een veroordeling, vereffening of rangregeling te doen alvorens de ontvanger der registratie een attest heeft afgeleverd waaruit blijkt dat er niets meer verschuldigd is als recht of als boete voortkomende van de veroordeling, vereffening of rangregeling.

Noch uit de wijziging van artikel 35, derde lid W.Reg. noch uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de wetgever tevens de artikelen 150 en 184bis, W.Reg. had moeten wijzigen en dat hij dit bij vergetelheid (zoals aangehaald in de oorspronkelijke versie van deze circulaire) niet zou hebben gedaan, temeer deze artikelen werden ingevoerd op een ogenblik waarop artikel 35, derde lid W.Reg. eveneens enkel in een rechtstreekse invorderingsmogelijkheid van het veroordelingsrecht ten laste van de veroordeelde voorzag. Het bestaansrecht van voormelde artikelen 150 en 184bis, W.Reg. hangt bijgevolg niet af van de rechtstreekse gehoudenheid tot betaling van het veroordelingsrecht door de begunstigde van de veroordeling.

----------

(1) Op datum van 23.07.2020, is lid 5 gewijzigd en een zesde lid wordt ingevoegd in deze circulaire, gepubliceerd aanvankelijk op 23.04.2014. Deze wijziging en toevoeging zijn in het grijs gemarkeerd in deze tekst.

1.2. Art. 183, W. Reg. - Inlichtingen - Antwoordtermijn - verlenging

In artikel 183, W. Reg. wordt een bepaling ingevoegd krachtens dewelke de derde die aangezocht is om inlichtingen te verstrekken, voortaan binnen drie maanden moet antwoorden, bij gebreke waarvan hij de boete bepaald in hetzelfde artikel 183 verbeurt.

De aangezochte derde kan evenwel rechtstreeks bij de ambtenaar die belast is met het onderzoek een verlenging van de antwoordtermijn vragen. Een dergelijk verzoek is onontvankelijk wanneer het na verloop van de voornoemde termijn van drie maanden wordt gedaan.

Bij gebreke van bijzondere bepalingen wordt de termijn van drie maanden berekend overeenkomstig de regels van het gemeen recht.

Een gelijkaardige bepaling werd ingevoegd in artikel 100 van het Wetboek der successierechten.

Vermits het gaat om een procedureregel die van kracht is vanaf 10 januari 2014 (bij gebreke van bijzondere bepaling geldt wat betreft de inwerkingtreding de normale regel van 10 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bij toepassing van artikel 4 van de wet van 31 maart 1961) is zij zowel van toepassing op de nieuwe (= vanaf die datum) als op de hangende (= van vóór die datum) vragen om inlichtingen.

Voor de hangende vragen om inlichtingen moet 10 januari 2014 als de dies a quo van de antwoordtermijn beschouwd worden.

2. Successierechten

2.1. Artikel 70, W. Succ.

De wijziging van artikel 70 van het Wetboek der successierechten houdt een radicale oplossing in voor het grondwettelijk probleem dat zich volgens het grondwettelijk hof(2) in dat artikel stelde.

Vóór het werd gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 bevatte het tweede lid van artikel 70, W. Succ. één uitzondering op de verplichting in hoofde van de algemene rechtverkrijgenden tot betaling van de rechten en intresten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene of onder bijzondere titel. Deze ene uitzondering betrof de rechten en intresten die verschuldigd zijn op de in artikel 37 voorziene nieuwe aangiften, wanneer de verplichting tot het indienen ervan niet op de algemene rechtverkrijgenden berust.

----------

[(2) In haar arrest nr.162/2011 van 20 november 2011 zegt het Grondwettelijk Hof voor recht dat "Artikel 70, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner samen aansprakelijk zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, zelfs wanneer de eerstgenoemden niet de mogelijkheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de laatstgenoemden de rechten en interesten zullen betalen die zij verschuldigd zijn.".]

----------

De hier becommentarieerde wet voegt een tweede uitzondering in voor de rechten en intresten die betrekking hebben op sommen, renten of waarden die bij toepassing van artikel 8, W. Succ. met een legaat worden gelijkgesteld (W. 21 december 2013, art. 91).

Merk op dat de eventuele mogelijkheid voor de algemene rechtverkrijgenden om zich ervan te vergewissen dat de rechtverkrijgenden onder algemene of onder bijzondere titel de rechten en interesten zullen betalen die zij verschuldigd zijn, niet belet dat de nieuwe uitzondering op de verplichting tot betaling van toepassing is.

2.2. Artikelen 96 en 97, W. Succ.

Het eerste lid van de artikelen 96 en 97 werd gewijzigd en die artikelen werden aangevuld met meerdere leden.

De ratio legis voor de wijzigingen van de genoemde artikelen is gelijk en drieledig: de uitbreiding van de verplichting om inlichtingen te verstrekken in het kader van alle overlijdens, een betere identificatie van de overledene bewerkstelligen door het gebruik van het nationaal nummer of het nummer van het bis-register voor te schrijven (wanneer aan de overledene een dergelijk nummer werd toegekend) en het bepalen van een termijn voor het verstrekken van de inlichtingen. Hierna wordt op elk van die aspecten kort ingegaan.

2.2.1 Algemene verplichting om informatie te verschaffen

Vanaf 1 januari 2015 (art. 96 van de wet) is de bij de artikelen 96 en 97, W. Succ. opgelegde verplichting om informatie te verschaffen van toepassing in het kader van om het even welk overlijden.

Deze uitbreiding van het toepassingsgebied tot de gevallen van het overlijden van een niet-rijksinwoner heeft een dubbele reden.

Inderdaad betreffende de instellingen en personen die verplicht zijn de inlichtingen te verstrekken wordt in de artikelsgewijze toelichting van het ontwerp van wet gezegd: "Onder het voorwendsel niet te weten of een overledene al dan niet een "Rijksinwoner" is, pogen steeds meer instellingen aan deze verplichting te ontsnappen. Dit wordt ondervangen door in het eerste lid van artikel 96 (eerste wijziging) niet meer het woord "Rijksinwoner" te gebruiken."(3).

De toelichting gaat verder met te zeggen dat: "De inlichtingen die de administratie aldus ook betreffende niet-rijksinwoners zal bekomen, kunnen in voorkomend geval nuttig worden aangewend in het kader van de Europeesrechtelijke regels inzake de wederzijdse bijstand in het kader van de heffing van de belastingen (cf. Richtlijn 2011/16/EU van de Raad, van 15 februari 2011, betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG)."(4).

2.2.2. Termijn voor het verstrekken van de informatie

Voorheen moest het bericht worden gegeven of de lijst worden afgegeven vóór de betaling, teruggave, overdracht, conversie, enz., aan de rechtverkrijgende. Deze verplichting blijft bestaan maar er wordt een termijn aan toegevoegd voor de uitvoering ervan. Die termijn bedraagt in principe drie maanden te rekenen van het overlijden en dat dus zelfs in geval er geen betaling, teruggave, overdracht, conversie enz. door een rechtverkrijgende werd gevraagd.

Evenwel "(…) wordt het bericht gegeven of de lijst afgegeven binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan drie maanden na het overlijden (art. 96, eerste lid en art. 97, eerste lid, nieuw, W. Succ.)

In geval van elektronische toezending van de berichten of van de lijsten (zie punt 2.2.4.), wordt de vermelde termijn van 3 maanden verlengd met één maand en wordt het bericht of de lijst toegezonden binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting of persoon kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan drie maanden na het overlijden (laatste lid van de artikelen 96 en 97, W. Succ.).

Ten slotte, " spreekt het vanzelf dat de overschrijding van de termijn niet van de voornaamste verplichting vrijstelt, dit is de verplichting tot het geven van het bericht (of van de lijst) voor de overdracht, de overgang, de conversie of de betaling ten voordele van de rechthebbenden. Het spreekt eveneens vanzelf dat diegenen die het bericht (of de lijst) moeten bezorgen niet zullen kunnen bestraft worden wegens overschrijding van de termijn, wanneer zij geen weet hebben van het overlijden."(5).

----------

[(3) Kamer, Parl. Doc. 53K3236/001, blz. 52 (commentaar bij de artikelen 92 en 93).

(4) Ibid.

(5) Kamer, Parl. Doc. 53K3236/001, blz. 53 (commentaar bij de artikelen 92 en 93)]

----------

Vermits het gaat om procedureregels die van kracht worden op 1 januari 2015 (art. 96 van de wet), zijn zij onmiddellijk van toepassing vanaf die datum voor alle nalatenschappen, en dus niet enkel voor die weke vanaf die datum openvallen.

2.2.3. De identificatie van de overledene

Vanaf 1 januari 2015 (art. 96 van de wet) zal de overledene geïdentificeerd moeten worden met (onder meer) zijn Rijksregisternummer … of het identificatienummer in het bisregister, dat hem is toegekend bij toepassing van artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid", wanneer diegene die het bericht of de lijst bedoeld in de artikelen 96 en 97, W. Succ. moet overmaken, gemachtigd is dat nummer te gebruiken.

2.2.4. Elektronische toezending van de verplichte informatie.

Ten slotte werden de artikelen 96 en 97, W. Succ. nog aangevuld met een bepaling die de Koning toelaat de verplichting op te leggen om het bericht of de lijst op elektronische wijze toe te zenden. Bij gebreke van bijzondere bepaling ter zake, is deze bepaling in werking getreden op 10 januari 2014 (wet van 31 mei 1961, art. 4).

2.3. Artikel 100, W. Succ.

In artikel 100, W. Succ. werd een bepaling opgenomen die de aangezochte derde verplicht binnen de drie maanden te antwoorden. Wanneer hij binnen die termijn niet antwoordt, verbeurt de derde de boete bepaald in artikel 130 van hetzelfde wetboek.

De aangezochte derde kan rechtstreeks tot de ambtenaar die het onderzoek verricht, een verzoek tot verlenging van de termijn richten. Een dergelijk verzoek is niet ontvankelijk wanneer het wordt gedaan na verloop van de vorenbedoelde termijn van drie maanden.

Bij gebreke van bijzondere bepalingen wordt de termijn van drie maanden berekend overeenkomstig de regels van het gemeen recht.

Vermits het gaat om een procedureregel die van kracht is vanaf 10 januari 2014 (bij gebreke van bijzondere bepaling geldt wat betreft de inwerkingtreding de normale regel van 10 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bij toepassing van artikel 4 van de wet van 31 maart 1961) is zij zowel van toepassing op de nieuwe (= vanaf die datum) als op de hangende (= van vóór die datum) vragen om inlichtingen.

Voor de hangende vragen om inlichtingen moet 10 januari 2014 als de dies a quo van de antwoordtermijn beschouwd worden.

2.4. Opheffing van Boek III W. Succ.

Boek III W. Succ., dat de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra bevat, wordt opgeheven met uitwerking op 1 januari 2011.

De bepalingen van Boek III blijven evenwel van toepassing voor de taksen die tot 31 december 2010 geheven werden.

3. Afschaffing van artikel 9 van het Wetboek diverse rechten en taksen

Deze afschaffing kadert deels in het dynamiseren van het Belgisch octrooisysteem. Voor het overige genereerde artikel 9, afgeschaft met ingang van 10 januari 2014, haast geen opbrengst.

Een octrooi dat ter registratie wordt aangeboden om het vaste datum te geven, wordt, zoals voorheen, geregistreerd tegen betaling van het algemeen vast recht.

4. Inwerkingtreding

De becommentarieerde wijzigingen treden in werking op hetzij 10 januari 2014 hetzij 1 januari 2015. Cf. de punten 1 tot 3 hierboven.

IN NAAM VAN DE MINISTER:

de Adviseur-generaal,

Georges DE BOLLE

BIJLAGE 1

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2013, ed. 2

21 DECEMBER 2013. - Wet houdende diverse fiscale en financiële bepalingen

(…)

TITEL 5. - Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen

Art. 88. Artikel 9 van het Wetboek diverse rechten en taksen wordt opgeheven.

TITEL 6. - Andere wijziging van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten

Art. 89. Artikel 35, derde lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten, vervangen door de wet van 22 december 1989 wordt vervangen als volgt:

"De verplichting tot betaling van de rechten en van de geldboeten waarvan de vorderbaarheid blijkt uit de arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken, berust op de verweerders, elkeen in de mate waarin de veroordelingen, vereffeningen of rangregelingen te zijnen laste werden uitgesproken of vastgesteld, en op de verweerders hoofdelijk in geval van hoofdelijke veroordeling.".

Art. 90. Inartikel 183 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

"De inlichtingen moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze werden gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door de ambtenaar aangewezen in de machtiging bedoeld in het tweede lid.".

TITEL 7. - Andere wijzigingen van het Wetboek der successierechten

Art. 91. Artikel 70, tweede lid, van het Wetboek der successierechten, wordt aangevuld met de volgende zin:

"Hij is evenmin van toepassing op de rechten en interesten verschuldigd op een verkrijging die door artikel 8 met een legaat wordt gelijkgesteld.".

Art. 92. Inartikel 96 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de besluitwet van 4 mei 1940 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 2 mei 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid worden de woorden "een Rijksinwoner die titularis van een inschrijving of effect op naam is, de overdracht, de overgang, de conversie of de betaling daarvan slechts bewerkstelligen, na de daartoe aangestelde ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen bericht te hebben gegeven van het bestaan van de inschrijving of het effect op naam waarvan de overledene eigenaar is." vervangen door de woorden "iemand die titularis van een inschrijving of effect op naam is, de overdracht, de overgang, de conversie of de betaling daarvan slechts bewerkstelligen, na de daartoe aangestelde ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen bericht te hebben gegeven, binnen drie maanden na het overlijden, van het bestaan van de inschrijving of het effect op naam waarvan de overledene eigenaar is. In afwijking van het voorafgaande, wordt het bericht gegeven binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan twee maanden na het overlijden.";

2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende:

"De in het eerste lid bedoelde personen vermelden in het bericht het Rijksregisternummer van de overledene of het identificatienummer in het bisregister, dat hem is toegekend bij toepassing van artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, wanneer zij gemachtigd zijn dat nummer te gebruiken.

De Koning kan bepalen dat de berichten op elektronische wijze moeten worden gegeven en de nadere regels daarvan bepalen.

In afwijking van het eerste lid wordt, in geval het bericht op elektronische wijze wordt gegeven, de in het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden verlengd met een maand en wordt het bericht gegeven of de lijst verstuurd binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan drie maanden na het overlijden.".

Art. 93. Inartikel 97 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de besluitwet van 4 mei 1940 en gewijzigd bij de wet van 13 augustus 1947, het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en de wetten van 22 december 1989, 2 mei 2002 en 28 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid worden de woorden "een Rijksinwoner, mogen de teruggaaf, de betaling of de overdracht daarvan slechts doen na de echt en deugdelijk verklaarde lijst der effecten, sommen of waarden aan de daartoe aangewezen ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te hebben afgegeven." vervangen door de woorden "iemand, mogen de teruggaaf, de betaling of de overdracht daarvan slechts doen na de echt en deugdelijk verklaarde lijst der effecten, sommen of waarden aan de daartoe aangewezen ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te hebben afgegeven binnen drie maanden na de dag van het overlijden. In afwijking van het voorafgaande, wordt de lijst bezorgd binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting of persoon kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan twee maanden na het overlijden.";

2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende:

"De in het eerste lid bedoelde instellingen en personen vermelden in de lijst het Rijksregisternummer van de overledene of het identificatienummer in het bisregister, dat hem is toegekend bij toepassing van artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, wanneer zij gemachtigd zijn dat nummer te gebruiken.

De Koning kan bepalen dat de lijst op elektronische wijze moet worden toegezonden en de nadere regels daarvan bepalen.

In afwijking van het eerste lid wordt, in geval het bericht op elektronische wijze wordt gegeven, de in het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden verlengd met een maand en wordt het bericht gegeven binnen de maand na de dag waarop de betrokken instelling of persoon kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan drie maanden na het overlijden.".

Art. 94. Artikel 100 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de besluitwet van 4 mei 1940 en gewijzigd bij de wetten van 13 augustus 1947, 22 december 1989 en 2 mei 2002, wordt aangevuld met een lid, luidende:

"De inlichtingen moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze werden gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door de ambtenaar aangewezen in de in het derde lid bedoelde machtiging.".

Art. 95. Boek III van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven met uitwerking met ingang van 1 januari 2011.

De bepalingen van boek III blijven echter van toepassing voor de taksen geheven tot 31 december 2010.

Art. 96. De artikelen 92 en 93 treden in werking op 1 januari 2015, met uitzondering van de bepalingen in die artikelen die de Koning toelaten de elektronische toezending van de berichten of lijsten op te leggen en nader te regelen, die in werking treden 10 dagen na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

TITEL 8. - (…)

(…)

BIJLAGE 2

Geconsolideerde teksten

Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Artikel 35 (van toepassing vanaf 10.01.2014)

De verplichting tot aanbieding ter registratie van akten of verklaringen en tot betaling van de desbetreffende rechten en gebeurlijk de geldboeten, waarvan de vorderbaarheid uit bewuste akten of verklaringen blijkt, berust ondeelbaar:

1° op de notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten aanzien van de akten van hun ambt;

2° (…)

3° (…);

4° de notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten aanzien van de akten, overeenkomstig artikel 26 aan hun akten gehecht of in hun handen neergelegd, zonder voorafgaande registratie;

5° op de bestuursoverheden en agenten van Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, ten aanzien van de door hen opgemaakte akten;

6° op de contracterende partijen, ten aanzien van de onderhandse of buitenslands verleden akten, waarvan sprake in artikel 19, 2°, 3°, b), en 5° en ten aanzien van de in artikel 31 voorziene verklaringen;

7° op de verhuurder ten aanzien van de onderhandse of buitenlands verleden akten waarvan sprake in artikel 19, 3°, a).

De verplichting tot aanbieding ter registratie van de arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken berust op de griffiers. In afwijking van artikel 5 worden deze arresten en vonnissen in debet geregistreerd.

De verplichting tot betaling van de rechten en van de geldboeten waarvan de vorderbaarheid blijkt uit de arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken, berust op de verweerders, elkeen in de mate waarin de veroordelingen, vereffeningen of rangregelingen te zijnen laste werden uitgesproken of vastgesteld, en op de verweerders hoofdelijk in geval van hoofdelijke veroordeling.

Zo op een vonnis of arrest verschuldigde rechten en boeten slaan op een overeenkomst waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, zijn die rechten en boeten ondeelbaar verschuldigd door de personen die partijen bij de overeenkomst zijn geweest.

De rechten en, in voorkomend geval, de geldboeten worden betaald binnen de termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag van de verzending van het betalingsbericht bij ter post aangetekende brief door de ontvanger der registratie.

Artikel 183 (van toepassing vanaf 10.01.2014)

(aangevuld bij art. 90 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2))

Openbare instellingen, stichtingen van openbaar nut en private stichtingen, alle verenigingen en vennootschappen die in België hun hoofdinrichting, een filiale of eenigerlei zetel van verrichtingen hebben, bankiers, wisselagenten en wisselagentcorrespondenten, zaakwaarnemers en aannemers, openbare of ministerieële officieren zijn ertoe gehouden aan de agenten van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, met desvoorkomend inzageverleening van de stukken tot staving, al de inlichtingen te verstrekken welke dezen van noode achten om de richtige heffing van de te hunnen laste of ten laste van derden invorderbare rechten te verzekeren.

Deze inlichtingen kunnen slechts gevraagd worden krachtens bijzondere machtiging van den directeur-generaal van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, houdende nauwkeurige aanduiding van het rechtsfeit omtrent hetwelk navorsching dient gedaan.

De inlichtingen moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze werden gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door de ambtenaar aangewezen in de machtiging bedoeld in het tweede lid.

Voor elke overtreding wordt een boete verbeurd van 250 tot 2.500 EUR, waarvan het bedrag door den gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen wordt vastgesteld.

Wetboek der successierechten

Artikel 70 (van toepassing vanaf 10.01.2014)

(aangevuld bij art. 91 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2))

De erfgenamen, legatarissen en begiftigden zijn tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij overlijden en voor de interesten, ieder voor het door hem verkregene.

Bovendien, zijn de erfgenamen, algemeene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een Rijksinwoner samen aansprakelijk, ieder in verhouding van zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemeenen titel of onder bijzondere titel. Deze regel is niet van toepassing op de rechten en interesten verschuldigd op de in artikel 37 voorziene nieuwe aangiften, wanneer het op hen niet berust deze aangiften in te leveren. Hij is evenmin van toepassing op de rechten en interesten verschuldigd op een verkrijging die door artikel 8 met een legaat wordt gelijkgesteld.

Artikel 96 (van toepassing vanaf 10.01.2014, behoudens anders vermeld)

(gewijzigd bij art. 92 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2)

De besturen en de openbare instellingen, de stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen, alle verenigingen of vennootschappen die in België hun voornaamste instelling, een bijhuis of een om 't even welken zetel van verrichtingen hebben, mogen, na het overlijden van een Rijksinwoner die titularis van een inschrijving of effect op naam is, de overdracht, den overgang, de conversie of de betaling daarvan slechts bewerkstelligen, na den daartoe aangestelden ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen bericht te hebben gegeven van het bestaan van de inschrijving of het effect op naam waarvan de overledene eigenaar is.

OPMERKING

vanaf 01.01.2015 is de volgende tekst van toepassing (art. 96 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2):

De besturen en de openbare instellingen, de stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen, alle verenigingen of vennootschappen die in België hun voornaamste instelling, een bijhuis of een om 't even welken zetel van verrichtingen hebben, mogen, na het overlijden van iemand die titularis van een inschrijving of effect op naam is, de overdracht, de overgang, de conversie of de betaling daarvan slechts bewerkstelligen, na de daartoe aangestelde ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen bericht te hebben gegeven, binnen drie maanden na het overlijden, van het bestaan van de inschrijving of het effect op naam waarvan de overledene eigenaar is. In afwijking van het voorafgaande, wordt het bericht gegeven binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan twee maanden na het overlijden.

Wanneer de titularis van een inschrijving of effect op naam de overdracht, den overgang, de conversie of de betaling daarvan aanzoekt na het overlijden van zijn echtgenoot, moet hij dit overlijden ter kennis der betrokken inrichting brengen, en deze mag het aanzoek slechts inwilligen na den bevoegden ambtenaar bericht te hebben gegeven van het bestaan van de inschrijving of het effect waarvan de aanzoeker titularis was op den dag van het overlijden van zijn echtgenoot.

Indien de betrokken inrichting, na het overlijden van den echtgenoot van den titularis van een inschrijving of effect op naam en in de onwetendheid van dit overlijden, een overdracht, overgang, conversie of betaling heeft bewerkstelligd, is zij ertoe gehouden, zoodra zij kennis heeft van dit overlijden, de bevoegde ambtenaar bericht te geven van het bestaan van de inschrijving of het effect op den overlijdensdag.

Deze beschikking is eveneens toepasselijk indien er een overdracht, overgang, conversie of betaling plaats gegrepen heeft op verzoek van den lasthebber of wettelijken vertegenwoordiger van den titularis der inschrijving, na het overlijden en in de onwetendheid van het overlijden van den lastgever of van den onbekwame. In deze onderstellingen moet de lasthebber of de wettelijke vertegenwoordiger van den onbekwame, zodra hij kennis heeft van het overlijden van den lastgever of van den onbekwame, daarvan bericht geven aan de betrokken inrichting, die er alsdan toe gehouden is de in vorige alinea bedoelde kennisgeving aan den bevoegden ambtenaar over te maken.

Toekomstig recht (vanaf 1 januari 2015)

De in het eerste lid bedoelde personen vermelden in het bericht het Rijksregisternummer van de overledene of het identificatienummer in het bisregister, dat hem is toegekend bij toepassing van artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, wanneer zij gemachtigd zijn dat nummer te gebruiken.

De Koning kan bepalen dat de berichten op elektronische wijze moeten worden gegeven en de nadere regels daarvan bepalen.

Toekomstig recht (vanaf 1 januari 2015)

In afwijking van het eerste lid wordt, in geval het bericht op elektronische wijze wordt gegeven, de in het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden verlengd met een maand en wordt het bericht gegeven binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan drie maanden na het overlijden.

Artikel 97 (van toepassing vanaf 10.01.2014, behoudens anders vermeld)

(gewijzigd bij art. 92 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2)

De besturen en de openbare instellingen, de stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen, alle verenigingen of vennootschappen die in België hun voornaamste instelling, een bijhuis of een om 't even welken zetel van verrichtingen hebben, de bankiers, de wisselagenten, de wisselagent-correspondenten, de zaakwaarnemers en de openbare of ministeriële ambtenaren die houders of schuldenaars zijn, uit welken hoofde ook, van effecten, sommen of waarden welke toekomen aan een erfgenaam, legataris, begiftigde of anderen rechthebbende ingevolge het overlijden van een Rijksinwoner, mogen de teruggaaf, de betaling of de overdracht daarvan slechts doen na de echt en deugdelijk verklaarde lijst der effecten, sommen of waarden aan de daartoe aangewezen ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te hebben afgegeven.

OPMERKING

vanaf 01.01.2015 is de volgende tekst van toepassing (art. 96 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2)):

De besturen en de openbare instellingen, de stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen, alle verenigingen of vennootschappen die in België hun voornaamste instelling, een bijhuis of een om 't even welken zetel van verrichtingen hebben, de bankiers, de wisselagenten, de wisselagent-correspondenten, de zaakwaarnemers en de openbare of ministeriële ambtenaren die houders of schuldenaars zijn, uit welken hoofde ook, van effecten, sommen of waarden welke toekomen aan een erfgenaam, legataris, begiftigde of anderen rechthebbende ingevolge het overlijden van iemand, mogen de teruggaaf, de betaling of de overdracht daarvan slechts doen na de echt en deugdelijk verklaarde lijst der effecten, sommen of waarden aan de daartoe aangewezen ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te hebben afgegeven binnen drie maanden na de dag van het overlijden. In afwijking van het voorafgaande, wordt de lijst bezorgd binnen de maand na de dag waarop de betrokken inrichting of persoon kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan twee maanden na het overlijden.

Het eerste lid is van toepassing op de sommen, renten of waarden, die na het overlijden worden verkregen ingevolge een contract bevattende een door de overledene gemaakt beding.

De bepalingen van artikel 96, tweede, derde en vierde lid, zijn van toepassing op de teruggaaf, betaling of overdracht van de in dit artikel bedoelde effecten, sommen, renten of waarden.

In afwijking van het eerste lid en alvorens de hierin bedoelde lijst wordt afgegeven mag de schuldenaar van deposito's op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de overledene of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, overeenkomstig de bij artikel 1240ter van het Burgerlijk Wetboek bepaalde nadere regels een bedrag ter beschikking stellen dat de helft van de beschikbare creditsaldi noch 5.000 euro overschrijdt.

Het in het vierde lid bedoelde bedrag wordt uitbetaald onverminderd de betaling van de in de artikelen 19 en 20 van de hypotheekwet van 16 december 1851 vermelde bevoorrechte kosten.

Toekomstig recht (vanaf 1 januari 2015)

De in het eerste lid bedoelde instellingen en personen vermelden in de lijst het Rijksregisternummer van de overledene of het identificatienummer in het bisregister, dat hem is toegekend bij toepassing van artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, wanneer zij gemachtigd zijn dat nummer te gebruiken.

De Koning kan bepalen dat de lijst op elektronische wijze moet worden toegezonden en de nadere regels daarvan bepalen.

Toekomstig recht (vanaf 1 januari 2015)

In afwijking van het eerste lid wordt, in geval [het bericht](6) op elektronische wijze wordt [gegeven](7), de in het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden verlengd met een maand en wordt [het bericht gegeven](8) binnen de maand na de dag waarop de betrokken instelling of persoon kennis heeft van het overlijden, wanneer die kennis wordt verkregen meer dan drie maanden na het overlijden.

Artikel 100 (van toepassing vanaf 10.01.2014)

(aangevuld bij art. 94 van de wet van 21 dec. 2013 (B.S., 31.12.2013 - ed. 2))

De besturen en de openbare instellingen, de stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen, alle verenigingen of vennootschappen die in België hun voornaamste instelling, een bijhuis of een om 't even welken zetel van verrichtingen hebben, de bankiers, de wisselagenten, de wisselagent-correspondenten, de zaakwaarnemers en de openbare of ministeriële ambtenaren moeten aan de ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, met gebeurlijke rechtvaardiging van hun gelijkvormigheid en zonder verplaatsing, alle inlichtingen verschaffen welke dezen noodig achten om de juiste heffing der successierechten te verzekeren.

Deze inlichtingen mogen slaan op al de verrichtingen die gedaan werden, hetzij door den overledene, hetzij door zijn echtgenoot, zijn opvolger of door een derden persoon vóór of na het openvallen van de nalatenschap, en die van aard zouden zijn invloed op de heffing der belasting uit te oefenen.

Voormelde inlichtingen mogen slechts worden gevraagd krachtens een bijzondere machtiging van den directeur-generaal van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, behelzende de aanduiding van den overleden persoon; bovendien, zoo het onderzoek betrekking heeft op feiten die meer dan drie jaar vóór het openvallen der nalatenschap gebeurd zijn ofwel op om 't even welke door een ander persoon dan den overledene of dezes echtgenoot gedane verrichtingen, moet bedoelde machtiging de feiten die het voorwerp van de opzoeking uitmaken nauwkeurig bepalen.

De inlichtingen moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze werden gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door de ambtenaar aangewezen in de in het derde lid bedoelde machtiging.

Boek III. - (opgeheven)

Wetboek diverse rechten en taksen

Art. 9. (opgeheven)

----------

[(6) Lees: de lijst

(7) Lees: toegezonden

(8) Lees: de lijst toegezonden]

----------