Circulaire nr. Ci.RH.242/568.417 (AOIF 7/2005) dd. 01.03.2005

CIRC 01.03.05/1

Circulaire nr. Ci.RH.242/568.417 (AOIF 7/2005) dd. 01.03.2005


BELASTING VAN NIET-INWONERS
Vrijstelling voor bijkomend personeel

PERSONENBELASTING
Vrijstelling voor bijkomend personeel

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Vrijstelling voor bijkomend personeel

VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL
Toepassingsvoorwaarde

WET
Bevordering van het zelfstandig ondernemerschap


Commentaar op :

  • W 4.7.2004 tot wijziging van art. 29, Programmawet 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, met betrekking tot de vrijstelling van bijkomend personeel
  • KB 10.8.2004 tot wijziging van het KB 19.3.1998 tot uitvoering van art. 29, Programmawet 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

I. INLEIDING

1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die met betrekking tot de vrijstelling voor bijkomend personeel worden aangebracht door :

  • W 4.7.2004 (BS 9.9.2004) tot wijziging van art. 29, Programmawet 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 21.2.1998 - V 2559 - Bull. 782), gewijzigd door art. 167 van de Programmawet van 30.12.2001 (BS 31.12.2001 - V 3010 - Bull. 823);
  • KB 10.8.2004 (BS 9.9.2004) tot wijziging van het KB 19.3.1998 tot uitvoering van art. 29, Programmawet 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 25.4.1998 - V 2574 - Bull. 784).

Inzake de basiscommentaar op de vrijstelling voor bijkomend personeel kan worden verwezen naar de circulaire nr. Ci.RH.242/516.233 (AOIF 27/2003) d.d. 29.10.2003, hierna "de basiscirculaire" genoemd.

II. WETTEKSTEN

W 4.7.2004

Artikel 1

2. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Artikel 2

In artikel 29 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, gewijzigd door artikel 167 van de programmawet (1) van 30 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de §§ 1 en 4 worden de woorden "150.000 frank", die sinds 1 januari 2002 moeten worden gelezen als zijnde "3.718,40 EUR", vervangen door de woorden "3.720 EUR";
2° § 2 wordt vervangen als volgt :
"§ 2. De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samen vallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007.";
3° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
"Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006."

Artikel 3

Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.

KB 10.8.2004



Artikel 1

3. A. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 maart 1998 tot uitvoering van artikel 29 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, worden de woorden "3220 frank" en " 424 frank", die sinds 1 januari 2002 moeten worden gelezen als zijnde "79,82 EUR" en "10,51 EUR", respectievelijk vervangen door de woorden "81,69 EUR" en "10,75".

B. In hetzelfde artikel worden de woorden "81,69 EUR" en "10,75 EUR" respectievelijk vervangen door de woorden "90,32 EUR" en "11,88 EUR".

Artikel 2

Artikel 1, A, treedt in werking vanaf 1 januari 2004.
Artikel 1, B, treedt in werking vanaf 1 januari 2005.
Gecoördineerde tekst art. 29, W 10.2.1998

4. Na die wijzigingen luidt art. 29 van de Programmawet van 10.2.1998 als volgt :

§ 1. Winst van nijverheids-, handels-, of landbouwbedrijven die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 23, § 1, 1° en 4°, van hetzelfde Wetboek, worden van de personenbelasting, van de vennootschapbelasting of van de belasting der niet-verblijfhouders vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 3.720 EUR per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan het bedrag bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
§ 2. De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007.
§ 3. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006.
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 6.
§ 4. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens paragraaf 1 vrijgestelde winsten of baten echter verminderd met 3.720 EUR per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 3, tweede lid.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van artikel 67 van hetzelfde Wetboek.
§ 6. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211 van hetzelfde Wetboek, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.


Gecoördineerde tekst art. 1, KB 19.3.1998

5. Art. 1 van het KB 19.3.1998 tot uitvoering van artikel 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 luidt na de wijzigingen als volgt :

Vanaf 1.1.2004

Het bedrag bedoeld in artikel 29, § 1 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap wordt vastgesteld op maximum 81,69 EUR voor het bruto dagloon en 10,75 EUR voor het bruto uurloon.

Vanaf 1.1.2005

Het bedrag bedoeld in artikel 29, § 1 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap wordt vastgesteld op maximum 90,32 EUR voor het bruto dagloon en 11,88 EUR voor het bruto uurloon.

III. ALGEMEEN

6. Met het oog op het creëren van een gunstig klimaat voor de tewerkstelling van laaggeschoolden heeft de wetgever besloten de tijdelijke vrijstelling voor bijkomend personeel zoals ingevoerd bij art. 29 van de Programmawet van 10 februari 1998, te verlengen voor een periode van vier jaar. De toepassing van de vrijstelling, die door art. 167 van de Programmawet van 30 december 2001 reeds werd verlengd met drie jaar, wordt van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 1998 tot en met 2007 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten na 31 december 1998 tot en met 2007.

De wet legt eveneens het basisbedrag van de vrijstelling vast op een afgerond bedrag van 3.720,00 EUR.

Bij KB van 10 augustus 2004 werd tenslotte de maximumgrens van het bruto dag- en uurloon van het bijkomend laaggeschoold personeelslid waarvoor de vrijstelling kan worden toegekend, opgetrokken tot respectievelijk 81,69 EUR en 10,75 EUR vanaf 1 januari 2004 en 90,32 EUR en 11,88 EUR vanaf 1 januari 2005.

IV. COMMENTAAR

7. Art. 2, 1°, W 4.7.2004 stelt het basisbedrag van de vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon vast op een afgerond bedrag van 3.720,00 EUR per bijkomend personeelslid met een laag loon. Deze aanpassing heeft uitwerking vanaf 1 januari 2004 en heeft geen weerslag op het overeenkomstig art. 178, § 3, 2°, WIB 92 geïndexeerde bedrag van de vrijstelling voor aanslagjaar 2005 dat 4.530,00 EUR bedraagt (BS 9.3.2004, ed. 2).

Het bedrag van de vrijstelling voor aanslagjaar 2006 bedraagt 4.630,00 EUR. Voor het bedrag van de vrijstelling van de vorige ajren. wordt verwezen naar de basiscirculaire onder nr. 42.

8. Deze vrijstelling was reeds van toepassing voor de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 en wordt verlengd voor de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007. Bijgevolg geldt zij in de regel voor de ajren. 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007 en 2008.

In dezelfde zin wordt voor belastingplichtigen die hun boekhouding anders dan per kalenderjaar voeren, de vrijstelling na voormelde verlenging nu aangerekend op de winst van de boekjaren 1998/1999, 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005, 2005/2006, 2006/2007 en 2007/2008.

Voor vennootschappen heeft dit geen gevolgen wat de ajren. betreft waarvoor de vrijstelling van toepassing is (idem eerste lid).

Voor natuurlijke personen die anders dan per kalenderjaar boekhouden zal de vrijstelling die voortvloeit uit de bijkomende tewerkstelling tijdens de kalenderjaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 daarentegen worden toegekend voor de ajren. 2000 (boekjaar 1998/1999), 2001 (boekjaar 1999/2000), 2002 (boekjaar 2000/2001), 2003 (boekjaar 2001/2002), 2004 (boekjaar 2002/2003), 2005 (boekjaar 2003/2004), 2006 (boekjaar 2004/2005), 2007 (boekjaar 2005/2006), 2008 (boekjaar 2006/2007) en 2009 (boekjaar 2007/2008).

9. De vrijstelling voor bijkomende personeelsleden met een laag loon wordt toegekend op basis van de aangroei van het gemiddeld personeelsbestand van personeelsleden met een laag loon. Deze aangroei wordt echter voor de toekenning van de vrijstellingen in voorkomend geval beperkt tot de totale gemiddelde personeelsaangroei. Derhalve moet zowel de totale personeelsaangroei als de personeelsaangroei van de personeelsleden met een laag loon worden berekend, waarbij het gemiddeld personeelsbestand steeds per kalenderjaar wordt beoordeeld.

De totale personeelsaangroei wordt na voormelde wetswijziging voor elk van de kalenderjaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 bepaald door het verschil te maken tussen :

  • enerzijds, het gemiddelde van het volledige personeelsbestand tijdens respectievelijk de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007;
  • en, anderzijds, het gemiddelde van het volledige personeelsbestand tijdens respectievelijk de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006.

De vaststelling van de aangroei van de personeelsleden met een laag loon geschiedt op dezelfde wijze als voor de totale personeelsaangroei, met dien verstande dat bij deze vergelijking slechts rekening zal worden gehouden met de personeelsleden met een laag loon.

Voor meer uitleg inzake de berekening van het aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan worden bekomen wordt verwezen naar de nrs. 37 tot 41 van de basiscirculaire.

10. Ingevolge de door art. 2, 1°, W 4.7.2004 aangebrachte wijziging wordt vanaf 1 januari 2004 het totaal bedrag van de voorheen vrijgestelde winst of baten verminderd met een - nog te indexeren - bedrag van 3.720,00 EUR (voorheen : 3.718,40 EUR) per afgevloeide personeelseenheid indien het gemiddelde personeelsbestand tijdens het daaropvolgende jaar is verminderd. Deze aanpassing heeft evenmin invloed op het geïndexeerd bedrag van de terugname voor aj. 2005 dat onveranderd 4.530,00 EUR per personeelseenheid in min bedraagt (zie ook nr. 7 hiervoor).

De terugname moet gebeuren van zodra het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden gedaald is ten opzichte van het voorgaande jaar waarin de vrijstelling werd verleend.

De terugname mag evenwel nooit meer bedragen dan het bedrag van de vrijstelling dat het aanslagjaar ervoor werkelijk werd toegekend.

Voor meer informatie aangaande de geldende principes inzake de vermindering van het personeelsbestand wordt verwezen naar de nrs. 47 tot 51 van de basiscirculaire.

11. Overeenkomstig art. 1, KB 10.8.2004 wordt de maximumgrens van het bruto dag- en uurloon van het bijkomend laaggeschoold personeelslid waarvoor de vrijstelling kan worden toegekend vanaf 1.1.2004 opgetrokken tot respectievelijk 81,69 EUR en 10,75 EUR. Vanaf 1.1.2005 bedraagt deze maximumgrens 90,32 EUR en 11,88 EUR. Deze verhogingen zijn het gevolg van de gelijkschakeling van de maximumgrens met de zogenaamde loongrens "S0" die sinds 1 januari 2004 wordt gebruikt voor de berekening van de structurele vermindering van de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid (cf. art. 331, programmawet (I) van 24.12.2002 en art. 52, KB 21.1.2004 tot uitvoering van de hoofdstukken 1, 2, 3 en 7 van titel II van de programmawet van 22.12.2003).

Deze aanpassing van de loongrenzen kan bij een vergelijking tussen de kalenderjaren 2003 en 2004, enerzijds, en tussen de kalenderjaren 2004 en 2005, anderzijds, aanleiding geven tot hetzij een grotere aangroei van de personeelsleden met een laag loon of een kleinere afname van de personeelsleden met een laag loon.

In dit verband wordt er wel aan herinnerd dat bij de berekening van het aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan worden bekomen, de aangroei van de personeelsleden met een laag loon in voorkomend geval moet worden beperkt tot de totale personeelsaangroei (zie nr. 41, basiscirculaire). Anderzijds wordt er op gewezen dat er slechts een terugname van de vrijstelling geschiedt indien het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden gedaald is ten overstaan van het jaar waarin die vrijstelling werd verleend (zie nr. 47, basiscirculaire).

V. INWERKINGTREDING

12. De W 4.7.2004 treedt in werking vanaf 1 januari 2004.

Art. 1A, KB 10.8.2004 treedt in werking vanaf 1 januari 2004. Art. 1B, KB 10.8.2004 treedt in werking vanaf 1 januari 2005.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,

G. DELSOIR