Circulaire nr. 10/2013 d.d. 13.11.2013

(Circulaire AAF nr. 10/2013)

Federale overheid - W. Reg. - Protesten : art. 19, 26, 32, 35, 39,157 - Art. 289
W.D.R.T. - Art. 211

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst - 2de directie

PATRIMONIUMDOCUMENTATIE

Kadaster, Registratie en Domeinen

bijlagen: 2

In het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2013, 2de editie, werd de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie bekendgemaakt.

De artikelen 2 en 3 van deze wet van 14 januari 2013 wijzigen respectievelijk de artikelen 211, § 1, van het Wetboek diverse rechten en taksen (1) en artikel 289, § 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (2).

----------

(1) Hierna W.D.R.T.

(2) Zoals voortkomende van de Federale Overheid en hierna aangeduid als W. Reg.]

In het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2013 werd de wet van 14 januari 2013 "houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie", bekendgemaakt.

De artikelen 68 tot 73 van deze wet van 14 januari 2013 schaffen de verplichting af tot aanbieding ter registratie van de protestakten bedoeld in de wet van 3 juni 1997 op de protesten. Deze wet wijzigt de bepalingen in het W. Reg.die betrekking hebben op de protesten (art. 19, 26, 32, 35, 39 W. Reg.) en heft het artikel 157 W. reg. op.

In het Belgisch Staatsblad van 17 mei 2013 werd de wet van 23 april 2013 " tot opheffing van de opdracht van de Nationale Bank van België als centrale depositaris van protesten", bekendgemaakt.

In het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2013 werd het koninklijk besluit van 17 augustus 2013 "tot opheffing van de opdracht van de Nationale Bank van België als centrale depositaris van protesten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake protesten", bekendgemaakt.

Artikel 10 van dat K.B. heft het koninklijk besluit van 24 november 1998 tot uitvoering van artikel 8bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten betreffende het vrijstellen van een bepaalde categorie van akten van de registratieformaliteit, op.

Artikel 15 van het voormelde koninklijk besluit van 17 augustus 2013 regelt de inwerkingtreding van de artikelen 68 tot 73 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie.

Deze circulaire bevat een eerste commentaar van de door de twee voormelde wetten van 14 januari 2013 gewijzigde bepalingen van het W.Reg en van het W.D.R.T.

Bijlage 1 bevat:

1° de artikelen 2 en 3 van de eerst vermelde wet;

2° de artikelen 68 tot 73 alsook artikel 85 van de tweede vermelde wet;

3° de artikelen 10 en 15 van het vermelde koninklijk besluit van 22 augustus 2013.

Bijlage 2 bevat de geconsolideerde teksten van de gewijzigde bepalingen van het W. Reg. en het W.D.R.T., zoals die luiden na de vermelde wetten van 14 januari 2013.

Commentaar

1. Wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie - Toelating tot mededeling van stukken uit gerechtelijke procedures - Openbaar Ministerie.

1.1. Artikel 211, § 1, eerste lid van het W.D.R.T. en artikel 289, § 1, eerste lid van het W. Reg. verplichten een aantal overheidsdiensten en-instellingen, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, (…) wanneer ze daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.

Artikel 211, § 1, vierde lid van het W.D.R.T. en artikel 289, § 1, derde lid van het W. Reg. bepaalden tot nog toe dat "van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal".

Deze toelating kan voortaan gegeven worden door een ambtenaar van het openbaar ministerie, zonder dat dit noodzakelijkerwijze de procureur-generaal of de auditeur-generaal hoeft te zijn.

Er wordt aan herinnerd dat het Wetboek der successierechten geen aan de artikelen 211 W.D.R.T. en 289 W. Reg. analoge bepaling bevat. In het kader van de successierechten is artikel 1 van de wet van 28 juli 1938, zoals vervangen bij de wet van 20 augustus 1947, van toepassing. Dat artikel, waarvan de tekst ter informatie in bijlage gaat, werd niet aangepast zodat in die context nog steeds de toelating van de procureur-generaal of van de auditeur-generaal nodig is.

1.2. De wijzigingen van de artikelen 211 W.D.R.T. en 289 W. Reg. zijn, bij gebreke van een specifieke regeling, in werking getreden de tiende dag na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad (wet van 31 mei 1961, art. 4), dus op 10 februari 2013.

2. Wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie - koninklijk besluit van 17 augustus 2013"tot opheffing van de opdracht van de Nationale Bank van België als centrale depositaris van protesten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake protesten

2.1. De wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie, onttrekt de protesten bedoeld in de wet van 3 juni 1997, aan de verplichting - als akten van gerechtsdeurwaarders - tot aanbieding ter formaliteit van de registratie.

Artikel 19, eerste lid, 1° W. Reg.is in die zin gewijzigd. Daaruit vloeit ook de wijziging van diverse andere artikelen van het W. Reg. (art. 26, 32, 35 en 39) voort en de afschaffing van artikel 157 van hetzelfde Wetboek.

Bovendien is het koninklijk besluit van 24 november 1998 houdende uitvoering van artikel 8bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten betreffende het vrijstellen van een bepaalde categorie van akten van de registratieformaliteit, opgeheven (art. 10 van voormeld K.B. van 17 augustus 2013).

2.2. De wijzigingen van het W. Reg.aangaande de protesten zijn in werking getreden op 1 september 2013 (art. 85 van de wet en art. 15, § 1, van voormeld koninklijk besluit van 17 augustus 2013).

De bepaling die het voornoemd koninklijk besluit van 24 november 1998 opheft, is eveneens in werking getreden op 1 september 2013 (art. 15 van vermeld K.B. van 17 augustus 2013).

Artikel 15, § 2, van vermeld K.B. van 17 augustus 2013 voegt hieraan toe dat de protestakten waarvan de Nationale Bank van België, in haar hoedanigheid van centrale depositaris van protesten, uiterlijk op de dag voor de inwerkingtreding van de artikelen 68 tot 73 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie, een eensluidend verklaard afschrift heeft ontvangen, onderworpen blijven aan de bepalingen die voordien (op 31 augustus 2013 dus) van toepassing waren en dat zowel in het kader van het W. Reg. als van het vermeld K.B. van 24 november 1998.

Quid met een protestakte opgesteld op 31 augustus 2013 (of daarvoor) en waarvan de Nationale Bank van België (hierna "NBB") ten laatste op 31 augustus geen eensluidend verklaard afschrift zou hebben ontvangen?

Uit de formulering van de bepaling betreffende de inwerkingtreding van de voormelde wet van 14 januari 2013 (art. 15 van het voormeld K.B. van 17 augustus 2013) (3) zou men a contrario kunnen afleiden dat een dergelijke protestakte niet meer onderworpen is aan de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van het opmaken van de akte, om de eenvoudige reden dat de NBB er - per hypothese - ten laatste op 31 augustus 2013 geen eensluidend verklaarde kopie van heeft ontvangen.

Bij toepassing evenwel van de algemene regels inzake de toepassing in de tijd van een wet, is een dergelijke akte onderworpen aan de regelgeving die van kracht is op het ogenblik dat ze wordt opgesteld. De artikelen 19, 26, 32, 35 39 en 157 van het W. Reg. waren toen nog van kracht in de versie van vóór de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie.

----------

(3) N.B. De Stafdienst beleidsexpertise en -ondersteuning / Administratie van fiscale zaken, werd niet geraadpleegd.

Bij toepassing van artikel 157 dat de protesten aan een specifiek vast recht van 5 euro onderwierp, brengt dat in het bijzonder mee dat het recht aan de Schatkist is toegevallen vóór de afschaffing van dat artikel.

Dat het voormelde artikel 15, § 2, preciseert dat de bepalingen die op een bepaalde datum, in casu op 31 augustus 2013, van toepassing zijn, dat ook blijven voor de akten waarvan de NBB het vereiste afschrift heeft gekregen vóór de afschaffing van die bepalingen, houdt evenwel niet in dat de overige akten, opgesteld vóór die afschaffing maar waarvan de NBB - bij hypothese - slechts nadien een eensluidend afschrift heeft bekomen, zouden onderworpen zijn aan de wetgeving zoals zij van toepassing is na die afschaffing (4).

----------

(4) In die hypothese voorhouden dat de protestakte - om reden van het feit dat de NBB er ten laatste op 31 augustus 2013 geen eensluidend verklaarde kopie van heeft ontvangen - niet meer zou onderworpen zijn aan de bepalingen die van kracht waren op het ogenblik waarop ze werd opgesteld, zou er op neerkomen de opheffing te doen terugwerken tot een datum vóór die bepaald in artikel 15, § 1, van voormeld koninklijk besluit van 17 augustus 2013, en aldus een discriminatie in te stellen gebaseerd op de datum van de ontvangst door de NBB van een afschrift van de akte die het belastbaar feit van het recht is.

3. Inwerkingtreding

Zie onder nrs. 1.2 en 2.2.

Bijlage 1

1° Wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2013, 2de ed.

(...)

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de Algemene Wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten

Art. 2. In artikel 211, § 1, van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij het Regentsbesluit van 25 november 1947, vervangen bij het Regentbesluit van 20 februari 1950 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2006, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:

« Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie. ».

Art. 3. In artikel 289, § 1, van het Wetboek van registratie- hypotheek- en griffierechten wordt het derde lid vervangen door wat volgt :

« Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie. ».

(… )

2° Wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie (art. 68 tot 73 en art. 85)

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2013

(...)

HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten betreffende de protesten zoals bedoeld in de protestwet van 3 juni 1997

Art. 68. In artikel 19, 1°(5), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij de wet van 12 juli 1960 en gewijzigd bij de wet van 5 juli 1963, worden de woorden «, met uitzondering van de protesten zoals bedoeld in de protestwet van 3 juni 1997 » ingevoegd tussen de woorden « van gerechtsdeurwaarders » en de woorden « ; de arresten ».

----------

(5) Lees: " 19, eerste lid, 1°".

Art. 69. In artikel 26 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 juli 1960 en gewijzigd bij de wet van 5 juli 1963, wordt het derde lid opgeheven.

Art. 70. In artikel 32 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in het 2°, gewijzigd bij de wetten van 5 juli 1963 en 10 juni 1997, worden de woorden « andere dan protesten » opgeheven;

b) het 8°, vervangen bij de wet van 10 juni 1997, wordt opgeheven.

Art. 71. In artikel 35, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in het 1°, gewijzigd bij de wetten van 5 juli 1963 en 10 juni 1997, worden de woorden « andere dan de protesten » opgeheven;

b) het 2°, hersteld bij de wet van 10 juni 1997, wordt opgeheven.

Art. 72. In artikel 39 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in het 1°, gewijzigd bij de wetten van 5 juli 1963 en 10 juni 1997, worden de woorden « andere dan de protesten » opgeheven;

b) het 1°bis, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1997, wordt opgeheven.

Art. 73. Artikel 157 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 juni 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, dat gewijzigd is bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, wordt opgeheven.

(...)

HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding

Art. 85. Deze wet treedt in werking op 1 september 2013.

De Koning kan voor iedere bepaling ervan, evenals voor ieder onderdeel van de bepalingen ervan, een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de vermelde datum in het eerste lid.

In afwijking van het eerste en het tweede lid treden artikelen 2 tot 14 en 23 in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 september 2015.

3° Koninklijk besluit tot opheffing van de opdracht van de NATIONALE BANK VAN BELGIE als centrale depositaris van protesten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake protesten

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2013

Art. 10. Het koninklijk besluit van 24 november 1998 tot uitvoering van artikel 8bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten betreffende het vrijstellen van een bepaalde categorie van akten van de registratieformaliteit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en bij het koninklijk besluit van 19 december 2010, wordt opgeheven.

(...)

Art. 15. § 1. Treden in werking op de door de Minister van Justitie te bepalen datum en ten laatste op 1 september 2013 :

a) de artikelen 68, 69, 70, 71, 72 en 73 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie;

b) de wet van 23 april 2013 tot opheffing van de opdracht van de Nationale Bank van België als centrale depositaris van protesten;

c) dit besluit.

§ 2. Volgende bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op de protestakten waarvan de Nationale Bank van België in haar hoedanigheid van centrale depositaris van protesten uiterlijk op de dag voor de in § 1 bepaalde datum een eensluidend verklaard afschrift heeft ontvangen:

a) de artikelen 68, 69, 70, 71, 72 en 73 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie;

b) de artikelen 9 en 11 van de wet van 23 april 2013 tot opheffing van de opdracht van de Nationale Bank van België als centrale depositaris van protesten;

c) de artikelen 6, 7, 8 en 10 van dit besluit.

Voor de in het eerste lid bedoelde gevallen gelden de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 3. De artikelen 12, 13 en 14 treden buiten werking drie jaar na de dagtekening van het laatste in het repertorium van de Nationale Bank van België opgenomen protest of op het moment waarop de relevante informatie uit dit repertorium wordt overgenomen in het centraal bestand van berichten dat wordt bedoeld in artikel 1389bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek, indien dit gebeurt voor het verstrijken van voormelde driejarige termijn.

Bijlage 2

Geconsolideerde tekst van artikel 211, § 1, W.D.R.T. en van artikel 289, § 1, van het W. Reg. na de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie

Art. 211 W.D.R.T., § 1.

§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de provinciën en van de gemeenten, zomede de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer ze daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.

Onder openbare organismen dienen verstaan, naar de geest van deze wet, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waarvan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.

Die verplichting is echter, tijdens het leven der erflaters en schenkers, niet toepasselijk op de in artikel 5 bedoelde akten van notarissen voor zover zij bij notarissen berustende testamenten betreffen of akten houdende schenking van de toekomstige goederen gedaan tussen echtgenoten.

Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie.

Alinea 1 is niet van toepassing op het bestuur der Postchecks, het Nationaal Instituut voor de Statistiek, noch op de kredietinstellingen. Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën mede ondertekende koninklijke besluiten.

Art. 288 W. Reg., § 1.

§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de provinciën en van de gemeenten, zomede de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der Rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.

Onder openbare organismen dienen verstaan, naar de geest van deze wet, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.

Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de openbaar ministerie.

Alinea 1 is niet van toepassing op het Bestuur der postchecks, het Nationaal Instituut voor de statistiek, noch op de kredietinstellingen. Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën medeondertekende koninklijke besluiten.

Successierechten

Wet van 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van belastingen

Artikel 1. (Vervangen bij art. 34 van de wet van 20 aug. 1947 (B.S., 28.08.1947)

§ 1 De bestuurdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de provinciën en van de gemeenten, zomede de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer zij daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der Rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaren ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.

Onder openbare organismen dienen verstaan, naar de geest van deze wet, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.

Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.

Alinea 1 is niet van toepassing op het Bestuur der Postchecks, het Nationaal Instituut voor de Statistiek, noch op de kredietinstellingen. Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën medeondertekende koninklijke besluiten.

§ 2 Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies, door een ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten, kan door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.

Desondanks kan het aanbieden tot registratie van de processen-verbaal en van de verslagen over expertises betreffende gerechtelijke procedures, het bestuur dan alleen toelaten die akten in te roepen mits het daartoe de in alinea 3 van § 1 bepaalde toelating heeft bekomen.

§ 3 Elk ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijk of een rechtspersoon is van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren.

Geconsolideerde teksten van de artikelen van het W. Reg. die gewijzigd zijn bij de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie

Art. 19. Moeten binnen de bij artikel 32 gestelde termijnen geregistreerd worden:

1° De akten van notarissen; de exploten en processen-verbaal van gerechtsdeurwaarders, met uitzondering van de protesten zoals bedoeld in de protestwet van 3 juni 1997; de arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken die bepalingen bevatten welke door deze titel aan een evenredig recht onderworpen worden;

2° e.v. (ongewijzigd)

Art. 26. Geen akte of geschrift mag aan een van de krachtens artikel 19, 1°, verplichtend te registreren akten, andere dan een vonnis of arrest, worden gehecht, of onder de minuten van een notaris worden neergelegd zonder te voren geregistreerd te zijn.

Evenwel staat het de notarissen en de gerechtsdeurwaarders vrij de aangehechte of neergelegde akte tegelijk met de desbetreffende akte ter registratie aan te bieden.

... (opgeheven)

Het is niet van toepassing in geval van aanhechting of van nederlegging, onder de vorm van minuut, uitgifte, afschrift of uittreksel, van in België verleden gerechtelijke akten of akten van de burgerlijke stand.

Art. 32. De termijnen, binnen welke de aanbieding ter registratie moet plaats hebben van verplichtend aan de formaliteit der registratie onderworpen akten, zijn :

1° Voor akten van notarissen, vijftien dagen;

Evenwel is deze termijn gesteld op vier maand, ingaande met den dag van het overlijden der erflaters of schenkers, voor testamenten en voor daarmede bij artikel 141, 3°, 2e alinea, gelijkgestelde schenkingen, voor akten van derzelver herroeping, voor verklaringen betreffende testamenten in de internationale vorm en voor akten van bewaargeving van een testament door den erflater;

2° Voor akten van gerechtsdeurwaarders, vier dagen;

3° voor arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken, tien dagen;

4° Voor akten waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, vier maand;

5° Voor akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, a), twee maanden en voor akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, b), vier maanden;

6° Voor processen-verbaal van openbare verkoping van lichamelijke roerende goederen opgemaakt door bestuursoverheden en agenten van Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, één maand;

7° Voor akten houdende inbreng van goederen in vennootschappen met rechtspersoonlijkheid waarvan hetzij de zetel der werkelijke leiding in België, hetzij de statutaire zetel in België en de zetel der werkelijke leiding buiten het grondgebied der Lid-Staten van de Europese-Economische Gemeenschap is gevestigd, vier maand;

8° ... (opgeheven)

9° ... (opgeheven)

Art.35. De verplichting tot aanbieding ter registratie van akten of verklaringen en tot betaling van de des betreffende rechten en gebeurlijk de geldboeten, waarvan de vorderbaarheid uit bewuste akten of verklaringen blijkt, berust ondeelbaar:

1° Op de notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten aanzien van de akten van hun ambt;

2° ... (opgeheven);

3° ...;

4° De notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten aanzien van de akten, overeenkomstig artikel 26 aan hun akten gehecht of in hun in handen neergelegd, zonder voorafgaande registratie;

5° Op de bestuursoverheden en agenten van Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, ten aanzien van de door hen opgemaakte akten;

6° Op de contracterende partijen, ten aanzien van de onderhandse of buitenslands verleden akten, waarvan sprake in artikel 19, 2°, 3°, b) en 5°, en ten aanzien van de in artikel 31 voorziene verklaringen;

7° Op de verhuurder ten aanzien van de onderhandse of buitenlands verleden akten waarvan sprake in artikel 19, 3°, a).

De verplichting tot aanbieding ter registratie van de arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken berust op de griffiers. In afwijking van artikel 5 worden deze arresten en vonnissen in debet geregistreerd.

De verplichting tot betaling van de rechten waarvan de vorderbaarheid blijkt uit arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken houdende veroordeling, vereffening of rangregeling rust :

1° op de verweerders, elkeen in de mate waarin de veroordeling, vereffening of rangregeling te zijnen laste wordt uitgesproken of vastgesteld, en op de verweerders hoofdelijk in geval van hoofdelijke veroordeling;

2° op de eisers naar de mate van de veroordeling, vereffening of rangregeling, die ieder van hen heeft verkregen, zonder evenwel de helft van de sommen of waarden die ieder van hen als betaling ontvangt te overschrijden.

Zo op een vonnis of arrest verschuldigde rechten en boeten slaan op een overeenkomst waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, zijn die rechten en boeten ondeelbaar verschuldigd door de personen die partijen bij de overeenkomst zijn geweest.

De rechten en, in voorkomend geval, de geldboeten worden betaald binnen de termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag van de verzending van het belastingbericht bij ter post aangetekende brief door de ontvanger der registratie.

Art. 39. De akten en verklaringen worden geregistreerd:

1° de akten van notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten registratiekantore van hun standplaats;

bis ... (opgeheven);

2° de arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken, ten kantore in welks gebied de zetel van het hof of de rechtbank gelegen is;

3° de akten die overeenkomstig artikel 26 zonder voorafgaande registratie worden aangehecht of neergelegd, ten kantore waar de akte van de notaris of de gerechtsdeurwaarder moet worden geregistreerd;

4° de akten van bestuursoverheden en agenten van de Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, ten kantore in welks gebied hun zetel of de zetel van hun functiën gelegen is;

5° de onderhandse of buitenslands verleden akten en de verklaringen betreffende in België gelegen onroerende goederen en welke in artikel 19, 2° en 3° en in artikel 31, 1° en 3°, zijn bedoeld, ten kantore in welks gebied de goederen gelegen zijn. Zijn die goederen gelegen in hen gebied van verscheidene kantoren, dan mogen de akten en verklaringen onverschillig in een van deze kantoren worden geregistreerd;

6° de verklaringen van vervulling van een in artikel 31, 2°, voorziene schorsende voorwaarde, ten kantore waar de akte werd geregistreerd welke van de overeenkomst laat blijken, of, bij gebreke aan geregistreerde akte, ten kantore in het 5° hiervoren aangeduid;

7° de andere akten dan voornoemde, onverschillig in alle kantoren.

Art. 157. ... (opgeheven)

Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 504 / Kad., Reg. en Domeinen: L 250 F