Circulaire 2017/C/59 betreffende Fiscale bemiddelingsdienst – uitbreiding bevoegdheden – schorsend effect van een aanvraag tot fiscale bemiddeling

Circulaire 2017/C/59 betreffende Fiscale bemiddelingsdienst – uitbreiding bevoegdheden – schorsend effect van een aanvraag tot fiscale bemiddeling

Bemiddelingsdienst – uitbreiding bevoegdheden – schorsend effect van een aanvraag tot fiscale bemiddeling

Bemiddelingsdienst; uitbreiding bevoegdheden; schorsend effect van een aanvraag tot fiscale bemiddeling

FOD Financiën, 15.09.2017

Algemene administratie van de inning en invordering

I. Doel van de wet

II. Uitbreiding van de bevoegdheden van de bemiddelingsdienst

III.Schorsend effect van een aanvaag tot bemiddeling

IV. Inwerkingtreding

I. Doel van de wet

De wet van 10 juli 2017 (1) tot versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst voert enerzijds een schorsend effect in van een aanvraag tot fiscale bemiddeling en breidt anderzijds de bevoegdheden van de fiscale bemiddelingsdienst uit.

II. Uitbreiding van de bevoegdheden van de bemiddelingsdienst

Voor welke geschillen kan een aanvraag tot fiscale bemiddeling worden ingediend? (2)

Voortaan bepaalt de wet dat een aanvraag tot fiscale bemiddeling kan worden ingediend in het kader van een betwisting met een “ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering” van schulden DB of btw.

De fiscale bemiddelingsdienst is dus niet alleen bevoegd voor geschillen met de ontvanger, maar ook voor geschillen met onder meer de Gewestelijk directeur.

De fiscale bemiddelingsdienst is echter niet bevoegd voor geschillen over niet-fiscale schuldvorderingen.

Recht om de hoorzitting bij te wonen (3)

De fiscale bemiddelingsdienst heeft voortaan ook het recht om de hoorzitting bij te wonen die wordt georganiseerd in het kader van de behandeling van het geschil waarvoor een aanvraag tot bemiddeling is ingediend.

III. Schorsend effect van een aanvraag tot bemiddeling (4)

Principe

Behalve indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, heeft een aanvraag tot bemiddeling schorsende werking.

Welke gevolgen heeft de schorsing?

In beginsel heeft de schorsing tot gevolg dat er geen enkele beslissing kan worden genomen.

Betreft de aanvraag tot bemiddeling een geschil met de ontvanger, zijn alle middelen van tenuitvoerlegging bedoeld in Titel III van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek geschorst.

De reeds gelegde beslagen behouden evenwel hun bewarende werking.

Een uitzondering wordt voorzien voor de derdenbeslagen (waaronder de fiscaalrechtelijke), die hun volle uitwerking behouden. Het is bijgevolg niet langer mogelijk om nieuwe (fiscaalrechtelijke) derdenbeslagen te leggen, maar de reeds gelegde derdenbeslagen behouden hun volle uitwerking.

De schorsing heeft geen effect op:

1° het verzenden van de herinneringsbrieven overeenkomstig artikel 298, tweede lid, WIB 92;

2° de aanwending van terug te geven of te betalen sommen, zoals vermeld in artikel 334

van de programmawet van 27 december 2004;

3° de gegevensuitwisseling via de geautomatiseerde toepassing e-Notariaat;

4° de inhoudings- en doorstortingsplicht bedoeld in artikel 403 WIB 92.

Wanneer vangt de schorsing aan?

De schorsing vangt aan vanaf de datum waarop de aanvraag tot bemiddeling ontvankelijk is verklaard.

Wanneer wordt de schorsing beëindigd?

Betreft de aanvraag tot bemiddeling een geschil met de ontvanger, dan worden alle middelen van tenuitvoerlegging geschorst voor maximum één maand.

In de andere gevallen wordt de schorsing beëindigd:

1° wanneer belastingplichtige verzaakt aan zijn aanvraag of

2° wanneer de partijen een wederzijds akkoord bereiken of

3°op de dag waarop het bemiddelingsverslag wordt goedgekeurd door het College van fiscaal bemiddelaars;

EN

ten laatste 1 maand vóór het verstrijken van de termijnen vermeld in het nieuwe vierde lid van artikel 1385undecies, van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 1385undecies, Ger.W. bepaalt de termijn om een vordering in rechte inzake geschillen over de toepassing van een belastingwet in te stellen. Deze termijn bedraagt zes maanden na ontvangst van het administratief beroep, desgevallend verlengd met drie maanden bij betwisting van een aanslag van ambtswege. Wanneer de aanvraag tot bemiddeling bij de fiscale bemiddelingsdienst ontvankelijk wordt verklaard, wordt die termijn verlengd met maximum vier maanden.

IV.Inwerkingtreding (5)

De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op aanvragen tot fiscale bemiddeling die worden ontvankelijk verklaard vanaf 1september 2017.

____________________

(1) B.S., 20 juli 2017.

(2) Art. 399bis, WIB 92 en art. 85ter, WBTW, zoals vervangen door respectievelijk art. 7 en 8 van de wet.

(3) Art. 116, § 3, wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), zoals vervangen door art. 4 van de wet.

(4) Art. 116, § 1/1 en 1/2, wet van 25 april 2007, zoals vervangen door artikel 2 van de wet.

(5) Art. 9 van de wet