Circulaire nr. Ci.D.19/304.933 dd. 06.12.1979

CIRC 06.12.79/1

Circulaire nr. Ci.D.19/304.933 dd. 06.12.1979


Bull. nr. 581, pag. 202

AFSCHRIJVINGEN
Berekeningsbasis
Tijdelijk stelsel van de verdubbeling van de lineaire afschrijvingen

ONROERENDE VOORHEFFING
Vrijstelling met economische doeleinden

SUBSIDIES
Subsidies of toelagen door de openbare macht toegekend


I. INLEIDING

1. Titel I, Hoofdstuk I van de Wet van 4.8.1978 tot economische heroriëntering (V. 1478 - B. 566) behelst diverse maatregelen ter bevordering van de economische expansie van de kleine en middelgrote ondernemingen (K.M.O.).

2. Sommige van deze maatregelen bestaan uit voordelen inzake inkomstenbelastingen verleend aan natuurlijke en rechtspersonen die zich voor de economische expansie bepaalde inspanningen getroosten. Die maatregelen kunnen als volgt worden samengevat :

  • een verdubbeling, tijdens ten hoogste drie opeenvolgende belastbare tijdperken van de lineaire afschrijvingen op gebouwen, materieel en outillering verworven of samengesteld overeenkomstig de aangemoedigde verrichting;
  • vrijstelling van de kapitaalpremies en van sommige arbeidsplaatspremies gepaard gaande met een overeenstemmende vermindering van de afschrijvingsbasis der aangemoedigde beleggingen;
  • een vrijstelling voor maximum vijf jaar van de O.V. op onroerende beleggingen.
II. TIJDELIJKE VERDUBBELING VAN DE LINEAIRE AFSCHRIJVINGEN.

3. Art. 7, W 4.8.1978 geeft de in art. 2, van dezelfde wet bedoelde ondernemingen, personen en instellingen - inzonderheid bedrijven geëxploiteerd door natuurlijke of rechtspersonen, alsmede de in art. 4, KB 10.10.1978 (V. 1492 - B. 568) bedoelde beoefenaars van vrije beroepen - de mogelijkheid om bij investeringen, gedurende maximum drie opeenvolgende belastbare tijdperken (het voordeel kan dus eventueel worden beperkt tot één of twee belastbare tijdperken), een jaarlijkse afschrijving toe te passen die gelijk is aan tweemaal de normale lineaire afschrijvingsannuïteit.

4. Krachtens de bewoordingen van art. 6, KB 10.10.1978 kan de verdubbeling van de lineaire afschrijvingen slechts worden toegestaan voor investeringen in gebouwen, materieel en uitrusting waarvoor een rentetoelage of kapitaalpremie werd toegestaan voor een periode van drie jaar of meer.

5. In feite gaat het hier om een maatregel die gelijkaardig is aan die welke voor bedrijven in ontwikkelingszones getroffen werd door resp. art. 12, W. 14.7.1966 en art. 15, § 1, W. 30.12.1970 (cf. Com.IB 44/283.1 tot 283.17).

6. De machtiging tot het toepassen van verdubbelde lineaire afschrijvingen wordt verleend door "de Minister of Staatssecretaris voor Streekeconomie die de economische expansie van de K.M.O. in zijn bevoegdheid heeft". In de huidige omstandigheden gaat het hier om de regionaal bevoegde Staatssecretaris voor (Vlaamse, Brusselse of Waalse) Streekeconomie of een door hem gemachtigd ambtenaar (van het Ministerie van Middenstand - Dienst Economische expansie).

7. Deze machtiging maakt het voorwerp uit van een beslissing die aan de Administratie der directe belastingen ter uitvoering wordt toegezonden.

Op de voornoemde beslissing zal onder meer worden vermeld :

  • de belastbare tijdperken voor dewelke de normale, lineaire afschrijvingen mogen worden verdubbeld (de periode vangt niet noodzakelijkerwijze aan met het jaar van de investering);
  • de omschrijving van de aangemoedigde investeringen.
8. Alleen aan de belastingplichtigen die het voorwerp van een dergelijke beslissing uitmaken mag en moet het voordeel van de verdubbeling van de lineaire afschrijvingen worden toegestaan.

9. De verdubbeling van de lineaire afschrijvingen is, krachtens art. 7, KB 10.10.1978 niet toepasselijk wanneer de bedoelde investeringen :

reeds onder één of andere vorm het voorwerp uitmaken van versnelde afschrijvingen (cf. 44/283.9, Com.IB);

bestaan uit :
  • arbeiderswoningen en andere inrichtingen ten behoeve van het personeel (cf. art. 42, WIB);
  • goederen voor dewelke de belastingplichtige de toepassing vraagt (of heeft gevraagd) :
  • ofwel van de afschrijving naar wens en eventueel de afschrijving tot 110 pct. (cf. art. 2, W 29.11.1977 - V. 1463 - B. 559);
  • ofwel van de vrijstelling wegens aanvullende investeringen (art. 50, W. 4.8.1978).
Zij is evenmin toepasselijk op de ondernemingen die, voor zover ze eraan onderworpen zijn, niet voldoen aan de bepalingen van de W. 17.7.1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen.

10. In verband met de activa waarop de verdubbeling van de lineaire afschrijving werd toegepast, wordt eraan herinnerd dat na de periode van maximum drie opeenvolgende belastbare tijdperken, nog enkel de lineaire afschrijvingsannuïteit, vastgesteld volgens de gewone regelen, als bedrijfslast mag worden aangenomen (cf. 44/283.10 Com.IB).

III. VRIJSTELLING VAN KAPITAALPREMIES EN ARBEIDSPLAATSPREMIES.

11. Art. 30, § 1, W. 4.8.1978 bepaalt dat zowel de toegekende kapitaalpremies als de arbeidsplaatspremies waarvan de toekenning afhankelijk is van arbeidsscheppende investeringen vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen voor het belastbaar tijdperk waarin zij zijn verleend, in de mate dat zij betrekking hebben op andere lichamelijke of onlichamelijke activa dan grondstoffen, produkten of koopwaren. Voor de berekening van de afschrijvingen, meerwaarden of minderwaarden worden die premies evenwel afgetrokken van de aanschaffingsprijs of beleggingswaarde van die activa.

12. Wat de kapitaalpremies betreft biedt deze bepaling geen noemenswaardige moeilijkheden. Het gaat hier om een maatregel die ook vervat is in verschillende vorige expansiewetten (W. 18.7.1959, W. 14.7.1966, W. 30.12.1970). Het volstaat derhalve te verwijzen naar de onderrichtingen die deze materie regelen (vnl. 21/12 en 44/140.3 tot 44/141.2, Com.IB) en hier mutatis mutandis van toepassing zijn.

13. De arbeidsplaatspremies maken in de eerste plaats een bijdrage uit van de Staat in de kosten die voortvloeien uit de aanwerving door een K.M.O. van een bijkomend personeelslid. Die premie bedraagt 15.000 F per jaar en per aangeworven bezoldigde werknemer en kan gedurende maximum vijf opeenvolgende jaren worden toegestaan (art. 10, KB 10.10.1978).

Zij kan "zelfs buiten elke investering om" worden toegestaan (art. 8, zelfde KB).

14. Teneinde op een juiste wijze rekening te houden met de bedoeling van de wetgever, zoals zij inzonderheid blijkt uit de tekst van art. 30, W. 4.8.1978, dient de arbeidsplaatspremie fiscaal als volgt te worden behandeld :

1e geval : de betrokken belastingplichtige voert aan dat de toekenning van de premie afhankelijk werd gesteld van arbeidsscheppende investeringen.

Indien hij het bewijs levert dat hij tijdens het belastbaar tijdperk inderdaad arbeidsscheppende investeringen heeft verricht, de premie vrijstellen en deze voor de berekening van de afschrijvingen, meerwaarden en minderwaarden aftrekken van de kostprijs van die investeringen.

Andere gevallen : de arbeidsplaatspremie als belastbaar winstbestanddeel beschouwen (daarentegen wordt de ganse loonlast van de betrokken arbeidsplaats onder de bedrijfsuitgaven opgenomen).

15. Art. 30, § 2, W. 4.8.1978 bepaalt, zoals vorige expansiewetten, dat wanneer het Rijk de teruggave vordert van vrijgestelde premies, (cf. 14, 1e geval), de gedane betalingen niet als een bedrijfsuitgave worden aangemerkt. Ingeval van terugbetaling van de premies moet de afschrijvingsbasis van de met behulp van de premies aangeschafte activa worden herzien met ingang van het jaar of boekjaar van de terugbetaling, die bij de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende activa moet worden gevoegd.

IV. TIJDELIJKE VRIJSTELLING VAN DE O.V.

16. Art. 8, W. 4.8.1978, verleent vrijstelling van O.V. ten voordele van de onder art. 2, letters a) en b), van dezelfde wet genoemde ondernemingen die van een rentetoelage of kapitaalpremie genieten ten einde een investering in onroerende goederen te verwezenlijken.

De vrijstelling van O.V. :

  • geldt voor maximum vijf jaar ingaande op 1 januari na de ingebruikneming van de onroerende goederen;
  • wordt beperkt tot de goederen die werkelijk het voorwerp zijn geweest van de investeringen;
  • geldt zowel voor de gebouwen en de gronden die daarmede een aaneensluitend geheel vormen, als voor het materieel en de uitrusting, onroerend van natuur of door bestemming, ingeschreven in de kadastrale legger;
  • vervalt wanneer de begunstigde van de Staatshulp de bekomen voordelen verliest of gehouden is tot teruggave (art. 28 van dezelfde wet); de O.V. kan alsdan worden gevestigd, zelfs buiten de termijn van art. 354, WIB 92 (art. 30, § 2, a) van dezelfde wet).
Het KB 7.6.1979 (V. 1507 - B. 576) regelt de uitvoering van voormeld art. 8; de gewestelijke directeurs zullen zoals in het kader van de andere economische expansiewetten, de nodige documenten ontvangen van het hoofdbestuur.



17....