Circulaire nr. Ci.RH.233/439.182 dd. 22.04.1993

CIRC 22.04.93/2

Circulaire nr. Ci.RH.233/439.182 dd. 22.04.1993


Bull. nr. 728, pag. 1550

FISCALE BEPALINGEN
Roerende voorheffing.
Vennootschap in vereffening.

ROERENDE VOORHEFFING
Vastrentend effect.
Vennootschap in vereffening.
Vrijstelling van de roerende voorheffing.


Commentaar op :

  • de art. 294 en 295, W 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen;
  • art. 22, W 20.7.1990 houdende economische en fiscale bepalingen;
  • de art. 1 en 2, KB 7.12.1990, tot wijziging, op het stuk van de roerende voorheffing, van het KB/WIB.


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.



I.INLEIDING
1. Art. 294, W 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (BS 29.12.1989 - V 2019 - Bull. 691) heeft in art. 164, tweede lid, b, WIB, de woorden "en vennootschappen in vereffening" geschrapt.

2. Daarnaast heeft art. 295 van dezelfde Wet art. 170, derde lid, WIB, door de volgende bepaling vervangen :

"In geen geval kan Hij afzien van de inning van de roerende voorheffing op de inkomsten van door effecten belichaamde leningen waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die werden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interesten."

Bovendien hebben de art. 1 en 2, KB 7.12.1990 (BS 21.12.1990 - V 2070 - Bull. 702), in de art. 89, § 1, en 94, § 1, KB/WIB, de woorden "in artikel 11bis" vervangen door de woorden "in artikel 170, laatste lid".

3. Anderzijds heeft art. 22, W 20.7.1990 houdende economische en fiscale bepalingen (BS 1.8.1990 - V 2061 - Bull. 697), art. 164, tweede lid, WIB, aangevuld met een als volgt luidende littera f :

"f) in artikel 136 bedoelde belastingplichtigen die inkomsten van vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong innen of verkrijgen, wanneer die effecten vóór de vervaldag van de inkomsten werden vervreemd."



II.ALGEMEEN
4. De door de hierboven vermelde bepalingen in het WIB en KB/WIB aangebrachte wijzigingen hebben tot doel :



de vennootschappen in vereffening te schrappen in de lijst van de genieters van bepaalde roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong die schuldenaar zijn van de RV (zie art. 164, tweede lid, b, WIB);
een juiste omschrijving te geven van de inkomsten van vastrentende effecten waarvoor de Koning in geen geval kan afzien van de inning van de RV (zie art. 170, derde lid, WIB, en art. 89, § 1, en 94, § 1, KB/WIB) waarbij de verwijzing naar art. 11bis -oud-, WIB, wegvalt;
te bepalen dat de RV verschuldigd is door de aan de RPB onderworpen belastingplichtigen die in bepaalde gevallen inkomsten van vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong hebben geïnd of verkregen (zie art. 164, tweede lid, f, WIB).





III.VENNOOTSCHAPPEN IN VEREFFENING
5. Art. 294, W 22.12.1989, heeft art. 164, tweede lid, b, WIB, gewijzigd in die zin dat de vennootschappen in vereffening geen RV meer verschuldigd zijn op de roerende inkomsten en andere opbrengsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in art. 11, 4° en 5°, WIB (zie Com.IB 16/1, e.v.), die zij rechtstreeks in het buitenland innen.

Deze wijziging vloeit voort uit het feit dat de vennootschappen in vereffening voortaan, op dezelfde wijze als de andere vennootschappen, onderworpen zijn aan de gewone aanslag in de Ven.B, daar waar zij voorheen - ondermeer bij de verdeling van het maatschappelijk vermogen - aan een bijzondere aanslagregeling onderworpen waren (zie art. 118 en 131, 2° -oud-, WIB), waarbij de RV op de hierboven bedoelde inkomsten en opbrengsten, niet verrekenbaar noch terugbetaalbaar was.

6. Luidens art. 333, § 1, 9°, W 22.12.1989, is deze bepaling van toepassing op de vennootschappen die in vereffening zijn gesteld vanaf 1.1.1990. Daaruit vloeit voort dat die welke vóór deze datum zijn ontbonden, als genieter van rechtstreeks in het buitenland geïnde roerende inkomsten, de RV verschuldigd blijven.



IV.BELASTINGPLICHTIGEN ONDERWORPEN AAN DE RPB
7. Met betrekking tot vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong zijn de overeenkomstig art. 136, WIB, aan de RPB onderworpen belastingplichtigen ingevolge art. 11bis, § 2, WIB, belastbaar in verhouding tot de bezitsduur van deze effecten (de bepalingen van art. 11bis, WIB, worden in een afzonderlijke circ. gecommentarieerd).

Indien deze belastingplichtigen echter dergelijke effecten vóór de vervaldag van de inkomsten vervreemdden, bestond er voorheen geen enkele bepaling waardoor een belasting of een voorheffing kon worden gevorderd op het gedeelte van de roerende inkomsten dat bij deze gelegenheid werd geïnd of verkregen. Aldus konden diezelfde belastingplichtigen ontsnappen aan elke vorm van belasting m.b.t. de bedoelde inkomsten aangezien in dergelijk geval de RV de definitieve belasting vormt.

Art. 22, W 20.7.1990, heeft deze leemte opgevuld door art. 164, tweede lid, WIB, aan te vullen met een littera f, waardoor voortaan bij de vervreemding van vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong vóór de vervaldag van de inkomsten, de RV verschuldigd is door de aan de RPB onderworpen belastingplichtigen zelf en meer bepaald op het gedeelte van de inkomsten waarvan zij werkelijk het genot hebben gehad.

Dienaangaande wordt er aan herinnerd dat, m.b.t. de inkomsten en opbrengsten waarvan de genieter de enige schuldenaar van de RV is, overeenkomstig art. 171, vijfde lid, WIB, moet worden geacht dat zij zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin zij zijn geïnd of verkregen. Voor aan de RPB onderworpen belastingplichtigen is dit 31 december (zie Com.IB 164/23). Voor het overige blijven de regels inzake aangifte en storting van de RV, vervat in de Com.IB 164/34 tot 46, terzake van toepassing.

8. Luidens art. 33, § 4, W 20.7.1990, heeft voormelde maatregel uitwerking voor de inkomsten uit vervreemdingen die plaatshebben vanaf 1.5.1990.



V.VERZAKING VAN DE INNING VAN DE RV
9. Voorheen verwees art. 170, derde lid, WIB, naar art. 11bis, WIB, en schreef voor dat in geen geval kon worden afgezien van de inning van de RV op de door die bepaling beoogde inkomsten. Destijds bepaalde datzelfde art. 11bis dat de sommen die door de schuldenaars van de inkomsten boven het kapitaal werden betaald of toegekend bij de terugbetaling of de inkoop -al dan niet op de vervaldag- van de effecten waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of die zijn uitgegeven met een disconto, met roerende inkomsten werden gelijkgesteld.

Voormeld art. 11bis werd vervangen door art. 253, W 22.12.1989, inzonderheid teneinde het uit te breiden tot alle vastrentende effecten. Derhalve was het eveneens noodzakelijk om het voormelde art. 170, derde lid, WIB, aan te passen zodat het verbod tot verzaking van de inning van de RV niet zou worden uitgebreid tot de inkomsten van alle vastrentende effecten, maar beperkt bleef tot de inkomsten die bedoeld waren in art. 11bis, WIB zoals het bestond vóór het werd gewijzigd. Deze aanpassing werd aangebracht door art. 295, W 22.12.1989.

10. Deze maatregel is van toepassing op de inkomsten ontvangen vanaf 1.1.1990.

11. De wijzigingen welke door art. 1 en 2, KB 7.12.1990 in art. 89, § 1, en 94, § 1, KB/WIB, werden aangebracht zijn slechts aanpassingen die het gevolg zijn van de hierboven besproken wijzigingen.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Inspecteur-generaal,


M. PORRE