Circulaire nr. Ci.RH.81/562.220 - E.T. 118.235 (AOIF Nr. 28/2010) d.d. 01.04.2010

Inkomstenbelasting

Belasting over de toegevoegde waarde

Invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte

Fiscale regularisatie

Toepassingsgebied

Toepassingsvoorwaarde

Indienen van de aangifte

Eenmalige bevrijdende aangifte

Regularisatie-aangifte

Verificatie van de aangifte

Regularisatie-attest

Rol van de taxatieambtenaar

Weerslag inzake fiscale procedure van de W. 31.12.2003, houdende invoering van EBA en van de W 27.12.2005 houdende invoering van een fiscale regularisatie en weerslag op de aanvullende aangifte.

Aan alle ambtenaren van de Algemene administratie van de FISCALITEIT.

INHOUDSTABEL

I. DE EENMALIGE BEVRIJDENDE AANGIFTE - WET VAN 31 DECEMBER 2003

A. WETTEKST 1

B. INLEIDING 3

C. BEPALINGEN 4

1. Algemeen 4

2. Principe van regularisatie 5

3. Bedoelde sommen 6

4. Uitgesloten sommen 7

5. Bedoelde natuurlijke personen 8

6. Gevolgen van de EBA 9

7. EBA zonder uitwerking 11

D. WEERSLAG INZAKE FISCALE PROCEDURE 12

1. Praktische modaliteiten 12

2. Draagwijdte van de maatregel 14

3. Door de wet bedoelde specifieke onderzoeksdaden 16

4. Fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen 18

5. Vertrouwelijkheid van de EBA 20

6. Controle van de authenticiteit van het attest 25

7. Administratieve sancties 26

II. DE FISCALE REGULARISATIE - PROGRAMMAWET 27 DECEMBER 2005

A. WETTEKST 28

B. INLEIDING 30

C. BEPALINGEN 31

1. Algemeen 31

2. Principe van regularisatie 32

3. Bedoelde sommen 39

4. Heffing (totaal bedrag aan verschuldigde belasting ten gevolge van de regularisatie) 40

5. De aangever 43

6. Weerslag van de regularisatie 44

7. Regularisatie zonder uitwerking 47

D. WEERSLAG INZAKE FISCALE PROCEDURE 48

1. Praktische modaliteiten 48

2. Draagwijdte van de maatregel 50

3. Door de wet bedoelde specifieke onderzoeksdaden 54

4. Uitgesloten overtredingen 55

5. Fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen 57

6. Vertrouwelijkheid van de regularisatie-aangifte 58

7. Fiscale vrijstelling 62

8. Verwerking van geregulariseerde inkomsten in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners/vennootschap 65

III. DE AANVULLENDE AANGIFTE

A. De aanvullende aangifte inzake IB. 66

B. De aanvullende aangifte inzake BTW 71

C. Bevoegdheden van de buitendiensten van de AOIF 74

D. Bijlagen :

1. Wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte (BS 6 januari 2004 - Ed. 2) (inwerkingtreding 16 januari 2004)

2. Wet van 14 december 2004 (BS 24 december 2004)

Bijlage 2

3. Wet van 26 maart 2005 (BS 26 april 2005)

Bijlage 3

4. Koninklijk besluit van 9 januari 2004 (BS 14 januari 2004 - Ed 2) tot vastlegging van de modellen van formulieren die moeten worden gebruikt ter uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte

Bijlage 4

5. Koninklijk besluit van 9 januari 2004 (BS 14 januari 2004 - Ed 2) tot uitvoering van de artikelen 2, § 1, zevende lid, 4, § 2, 6, § 3, tweede lid, en 10 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte

Bijlage 5

6. Ministerieel besluit van 19 januari 2004 (BS 28 januari 2004) in uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte en van de uitvoeringsbesluiten van 9 januari 2004

Bijlage 6

7. Koninklijk besluit van 2 februari 2004 (BS 9 februari 2004) tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2004 (BS 14 januari 2004) tot vastlegging van de modellen van formulieren die moeten worden gebruikt ter uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte

Bijlage 7

8. Programmawet van 27 december 2005, titel VII hoofdstuk VI, artikels 121 tot 127 houdende invoering van een fiscale regularisatie (BS 30 december 2005) (inwerkingtreding 9 januari 2006)

Bijlage 8

9. Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, titel III, hoofdstuk VI (BS 28 juli 2006), artikels 55 en 56

Bijlage 9

10. Koninklijk besluit van 8 maart 2006 (BS 15 maart 2006) houdende oprichting van het "Contactpunt regularisaties" bij de Federale Overheidsdienst Financiën

Bijlage 10

11. Koninklijk besluit van 9 maart 2006 (BS 15 maart 2006) tot vastlegging van de formuliermodellen te gebruiken in uitvoering van artikel 124 van de programmawet van 27 december 2005

Bijlage 11

I. DE EENMALIGE BEVRIJDENDE AANGIFTE - WET VAN 31 DECEMBER 2003

A. Wettekst

1. Wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte (BS 6 januari 2004, Ed. 2) (in werking getreden op 16 januari 2004), gewijzigd door de Wet van 14 december 2004 (BS 24 december 2004)(1) en de Wet van 26 maart 2005 (BS 26 april 2005).

(1) De nadere regels inzake de oprichting en de werking van het bijzonder college beoogd in artikel 11, § 6, van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte worden vastgelegd door het ministerieel besluit van 16 mei 2008 (BS 4 juni 2008). De leden van dit bijzonder college werden aangesteld bij ministerieel besluit van 30 juni 2008 (BS 23 juli 2008). Het bijzonder college is gevestigd op het volgende adres: FOD Financiën - EBA College - North Galaxy - Koning Albert II-laan 33, bus 12 - 1030 Brussel (BS 24 april 2008).

De wetteksten gaan in bijlage 1, 2 en 3.

2. Uitvoeringsbesluiten :

a) Koninklijk besluit van 9 januari 2004 (BS 14 januari 2004 - Ed. 2) tot vastlegging van de modellen van formulieren die moeten worden gebruikt ter uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte.

b) Koninklijk besluit van 9 januari 2004 (BS 14 januari 2004 - Ed. 2) tot uitvoering van de artikelen 2, § 1, zevende lid, 4, § 2, 6, § 3, tweede lid, en 10 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte.

c) Ministerieel besluit van 19 januari 2004 (BS 28 januari 2004) in uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte en van de uitvoeringsbesluiten van 9 januari 2004.

d) Koninklijk besluit van 2 februari 2004 (BS 9 februari 2004) tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2004 (BS 14 januari 2004) tot vastlegging van de modellen van formulieren die moeten worden gebruikt ter uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte.

De teksten van de besluiten gaan in bijlage 4, 5, 6 en 7.

B. Inleiding

3. De wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte (EBA), met een tijdelijk en eenmalig karakter, biedt de wettelijke mogelijkheid om de voorheen niet aangegeven bedragen te regulariseren.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 5)

C. Bepalingen

1. Algemeen

4. De EBA betreft enkel de natuurlijke personen die "sommen, kapitalen of roerende waarden" hebben genoten die niet, of die voortspuiten uit inkomsten die evenmin, in een in België verplichte boekhouding of aangifte werden opgenomen of waarop de in België verschuldigde belasting niet werd voldaan, wanneer die sommen, kapitalen of roerende waarden vóór 1 juni 2003 bij een buitenlandse kredietinstelling of buitenlandse beursvennootschap geplaatst waren.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, Samenvatting nr. 51 0353/001 - blz. 3)

2. Principe van regularisatie

5. Van 1 januari 2004 tot 31 december 2004 kan de belastingplichtige door het indienen van een bevrijdende aangifte, onder bepaalde voorwaarden en volgens bepaalde regels, zijn vroegere fiscale toestand rechtzetten. Mits betaling van een tarief van 9 % of 6 %, afhankelijk van de besteding van de bedoelde sommen, kapitalen of roerende waarden, is de aangever bevrijd van alle fiscale en sociale lasten en bovendien geniet hij van een strafrechtelijke immuniteit.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, Samenvatting nr. 51 0353/001 - blz. 3)

3. Bedoelde sommen

6. Zijn bedoeld:

- de sommen, kapitalen of roerende waarden die vóór 1 juni 2003 bij een buitenlandse kredietinstelling of buitenlandse beursvennootschap geplaatst waren op een op hun naam geopende rekening of op een rekening waarvan ze aantonen dat ze de uiteindelijk gerechtigde zijn;

- de roerende waarden bedoeld in artikel 2, 1°, a) tot d), van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, met inbegrip van effecten van niet genoteerde vennootschappen, waarvan de betrokken natuurlijke personen met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van het bewijs door getuigen, de bekentenis en de eed, aantonen dat zij die waarden vóór 1 juni 2003 in bezit hadden.

(art. 2, § 1, 1ste lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

4. Uitgesloten sommen

7. Zijn uitgesloten van de EBA, sommen, kapitalen of roerende waarden, niet geplaatst op een aandelenrekening, geplaatst op een rekening in België, bewaard in een kluis of cash bewaard, alsook elke andere niet expliciet in de wet voorziene activa.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 5 en nr. 51 0353/005 - blz. 52)

5. Bedoelde natuurlijke personen

8. Zijn bedoeld :

- de op grond van artikel 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners;

- de op grond van artikel 227, 1°, WIB 92, aan de belasting van niet-inwoners onderworpen niet-rijksinwoners.

(art. 2, § 1, 2de lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

6. Gevolgen van de EBA

9. De in een EBA opgenomen sommen, kapitalen of roerende waarden worden na betaling van de verschuldigde eenmalige bijdrage geacht onweerlegbaar en definitief bevrijd te zijn van alle belastingen, sociale zekerheidsbijdragen, belastingverhogingen, bijdrageopslagen, nalatigheidsinteresten en boetes die, met betrekking tot die sommen, kapitalen of roerende waarden, verschuldigd zijn of hadden kunnen verschuldigd zijn vóór de datum van de indiening van de aangifte.

(art. 3, 1ste lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

Dit geldt zowel in hoofde van de aangever en zijn rechtsvoorgangers als in hoofde van de natuurlijke personen of rechtspersonen van wie deze sommen, kapitalen of roerende waarden rechtstreeks of onrechtstreeks werden verkregen of die deze sommen aan de aangever of zijn rechtsvoorganger op enigerlei wijze hebben toegekend.

(art. 3, 2de lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven bedoeld onder andere in de artikelen 449 en 450 van het WIB 92, en 73 en 73bis van het Wetboek BTW (C.BTW) zijn vrijgesteld van strafvervolging uit dien hoofde, indien zij niet vóór de datum van indiening van de EBA, het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven en indien de EBA werd gedaan onder de voorwaarden van de wet met betaling van de verschuldigde bedragen.

(art. 7 - Wet 31.12.2003 - EBA)

7. EBA zonder uitwerking

11. De EBA en de betaling van de eenmalige bijdragen hebben geen uitwerking :

- indien de sommen, kapitalen of roerende waarden afkomstig zijn van het verrichten van een witwasoperatie of van een onderliggend misdrijf als bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld;

- indien vóór de indiening van de aangifte de aangever door een Belgische belastingadministratie, sociale zekerheidsinstelling of sociale inspectiedienst schriftelijk in kennis is gesteld van lopende specifieke onderzoeksdaden;

- met betrekking tot de aanslagen die in hoofde van de aangever worden gevestigd op beroepsinkomsten bedoeld in artikel 23 van het WIB 92 en met betrekking tot de bijdragen met betrekking tot de maatschappelijke zekerheid van de arbeiders en zelfstandigen, die in hoofde van de aangever worden gedaan op de beroepsinkomsten van de belastbare tijdperken 2002, 2003 en 2004.

(art. 2, § 2 - Wet 31.12.2003 - EBA)

D. Weerslag inzake fiscale procedure

1. Praktische modaliteiten

12. Het gaat om een individuele beslissing van de belastingplichtige die beslist voor welke bedragen (alle of een deel van de kapitalen, roerende waarden of sommen die hij bezit of alle of een deel van de voortgebrachte inkomsten) en in welke mate hij gebruik wenst te maken van de EBA.

(Integraal verslag - plenumvergadering - Kamer - zitting 2003-2004, nr CRIV 51 PLEN 031, 02.54 blz. 27)

13. De praktische modaliteiten van aangifte, betaling en attesten vallen niet onder de bevoegdheid van de AOIF.

2. Draagwijdte van de maatregel

14. Zowel de aangiften inzake inkomstenbelastingen (zelfs indien er overeenkomstig art. 313, WIB 92, geen eigenlijke verplichting tot aangifte is) als deze inzake BTW zijn bedoeld.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 6)

15. Inzake directe belastingen zijn bedoeld :

a) roerende inkomsten voortvloeiend uit vóór 31 mei 2003 aangehouden kapitalen, dus daarin begrepen deze overeenstemmend met de inkomstenjaren 2002 en 2003;

b) de, in de loop van de jaren 1999, 2000 en 2001 verworven, niet aangegeven beroepsinkomsten die de in de EBA bedoelde sommen tot stand gebracht hebben (aanslagjaren 2000, 2001 en 2002), maar niet voor de inkomstenjaren 2002, 2003 en 2004.

(art. 2, § 2, 3de lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 10)

3. Door de wet bedoelde specifieke onderzoeksdaden

16. De EBA heeft geen uitwerking voor de dossiers waarvoor de Belgische belastingadministratie, de sociale zekerheidsinstellingen en de sociale inspectiediensten, schriftelijk aan de belastingplichtige, vóór de indiening van de aangifte, laat weten over te gaan tot specifieke onderzoeksdaden.

(art. 2, § 2, 2de lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 7)

17. De verwijzing naar specifieke onderzoeksdaden moest vermijden dat de fiscale diensten, omwille van de invoering van de huidige wet, snel verschillende onderzoeken zouden verrichten in dossiers om te voorkomen dat bepaalde belastingplichtigen een regularisatieaangifte voor het verleden zouden indienen.

Als NIET specifieke onderzoeksdaden beoogt men bijvoorbeeld :

- het systematisch verzenden van aankondigingen van bezoek ter plaatse;

- het verzenden van algemene vragenlijsten;

- de onderzoeksdaden die geen betrekking hebben op de sommen, kapitalen of roerende waarden die het voorwerp kunnen vormen van een EBA.

Als specifieke onderzoeksdaden beoogt men bijvoorbeeld :

- de in hoofdstuk III van titel VII van het WIB 92 voorziene onderzoeksdaden;

- de regularisatieopgave of het proces-verbaal welke aan de belastingplichtige wordt medegedeeld;

- het voorstel van aanslag van ambtswege dat is betekend;

- een verzoek tot uitleg aan de belastingplichtige betreffende belastbare handelingen die aan de basis liggen van het vermogen welke de belastingplichtige had willen vermelden in de bevrijdende aangifte;

- een feitelijk onderzoek met betrekking tot een fraude;

- het dwangbevel;

- enz.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 7)

Drie voorwaarden dienen vervuld te zijn :

- de administratie beschikt over concrete aanwijzingen van fraude;

- op grond van deze aanwijzingen, werden specifieke onderzoeksdaden uitgevoerd;

- de belastingplichtige is omtrent het onderzoek ingelicht.

4. Fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen

18. De aangifte, de daaropvolgende betaling van de verschuldigde belasting en/of het afgeleverde attest EBA kunnen niet als indicie of aanwijzing worden aangewend om fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen uit te voeren aangaande de door de regularisatie bedoelde periode(n) behalve met betrekking tot de vaststelling van de ingevolge de aangifte verschuldigde bijdragen.

(art. 5 - Wet 31.12.2003 - EBA)

Artikel 5 van de wet heeft tot doel de belastingplichtige te garanderen dat de sommen, kapitalen of roerende waarden die ze aangeven :

a) niet zullen kunnen gebruikt worden om inlichtingen uit te wisselen krachtens artikel 338, WIB 92, artikel 93 terdecies BTW Wetboek en de verdragen ter vermijding van dubbele belasting;

b) geen aanwijzing zullen vormen inzake belastingontduiking die de bijkomende termijn van twee jaar om onderzoekingen te verrichten, mogelijk maakt zoals bepaald in art. 333, WIB 92;

c) geen indicie uitmaken van een inbreuk op de fiscale wetgeving waarvan krachtens artikel 29 van het Wetboek van strafvordering aangifte moet worden gedaan bij de Procureur des Konings.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 12-13)

19. Daarentegen zal een niet-relevant attest EBA kunnen:

a) worden afgewezen. De administratie zal dan op basis van dezelfde elementen een aanslag kunnen vestigen (Fiscale kamer, REA Bergen, vonnis van 18.11.2009);

b) gebruikt worden als een indicie of aanwijzing om verdere fiscale onderzoeken of controleverrichtingen uit te voeren ten laste van de aangever of een derde, of om andere overheden in te lichten over mogelijke fiscale inbreuken, of om inlichtingen uit te wisselen.

5. Vertrouwelijkheid van de EBA

20. De vertrouwelijkheid geldt enkel gedurende de fase van de EBA zelf en natuurlijk tegenover de klant bij een eventuele controle bij een kredietinstelling of een beursvennootschap.

21. Indien de aangifte werd ingediend bij de bevoegde dienst van de Federale overheidsdienst Financiën, in dit geval de Administratie van de Thesaurie, worden de gegevens die deze bevat bewaard in een geautomatiseerd bestand. Deze inlichtingen zullen worden verstrekt aan de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.

(art. 6, § 3, 3de lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 14)

Overeenkomstig artikel 327, WIB 92, zullen de aldus bekomen inlichtingen kunnen worden aangewend voor het verzekeren van de vestiging of de inning van de door de Staat gevestigde belastingen voor latere tijdperken (beroepsinkomsten vanaf het jaar 2002 en roerende inkomsten geïnd na 1 juni 2003).

(art. 3, 1ste lid - Wet 31.12.2003 - EBA)

22. Het op het ogenblik van de betaling van de ingevolge de aangifte verschuldigde eenmalige bijdrage afgeleverde attest kan gebruikt worden als bewijsmiddel voor de hoven en rechtbanken, voor administratieve rechtscolleges, evenals tegenover elke openbare dienst of parastatale instelling.

(art. 6, § 5 - Wet 31.12.2003 - EBA)

In het kader van een gewone controle- en onderzoeksprocedure door de fiscale administratie ziet de belastingplichtige die de betaling van de eenmalige bevrijdende bijdrage wenst in te roepen af van zijn vertrouwelijkheid. Het attest welke de belastingplichtige voorlegt ter staving van zijn betaling moet op zijn naam opgesteld zijn. Deze regeling is analoog met deze bepaald in art. 341, 2de lid, WIB 92.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 13)

23. De vertrouwelijkheid ten opzichte van de fiscale autoriteiten doet geen afbreuk aan de naleving door de kredietinstelling of de beursvennootschap van haar verplichtingen inzake identificatie van de klanten krachtens voormelde wet van 11 januari 1993. Zij doet evenmin geen afbreuk aan de naleving door deze van de regels die erop gericht zijn het oneigenlijk gebruik te voorkomen van haar interne rekeningen met de bedoeling de identiteit te verbergen van de persoon die de overschrijving verricht.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 14)

24. De fiscale administratie heeft uiteraard het recht de documenten waarvan sprake is te controleren (samenvattende opgaven opgesteld door kredietinstellingen of beursvennootschappen, originelen van de aangiften zonder identiteit van de aangever) teneinde zich ervan te vergewissen of de kredietinstelling of de beursvennootschap de juiste bedragen aan de Schatkist heeft doorgestort.

(Parl. st., Kamer, zitting 2003-2004, nr. 51 0353/001 - blz. 14)

6. Controle van de authenticiteit van het attest

25. De door de wet van 11 januari 1993 opgerichte Cel voor financiële informatieverwerking staat in voor de controle van de authenticiteit van het attest.

(art. 6 en 8 - Wet 31.12.2003 - EBA)

Indien de ambtenaar twijfelt omtrent de authenticiteit van het bij een fiscale controle of onderzoek door de aangever als bewijs voorgelegde attest kan hij een gemotiveerd verzoek richten aan de directie II/5A van de centrale diensten van de AOIF die via het Antifraudecomité met voormelde cel contact zal nemen teneinde de gewenste controle naar de authenticiteit van het voorgelegde document te bekomen.

7. Administratieve sancties

26. Vanaf 1 januari 2005 wordt bij niet aangifte van sommen, kapitalen of roerende waarden die betrekking hebben op sommen, kapitalen of roerende waarden waarvoor de betrokken belastingplichtige gebruik kon maken van de voormelde mogelijkheid en heeft nagelaten dit te doen, de belastingverhoging vastgesteld op minstens 100 %.

(art. 9 - Wet 31.12.2003 - EBA)

27. Inzake BTW voorziet artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek in een boete gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Deze geldboete wordt verminderd tot 10 of 20 % van de verschuldigde belasting indien het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controleperiode van één jaar respectievelijk minder dan of gelijk is aan 1.250 EUR, of hoger is dan dit bedrag (KB nr. 41 van 30 januari 1987, Tabel G, Eerste afdeling, V).

De hiervoor voorziene schaal voor vermindering is niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Een boete gelijk aan 100 % van de ontdoken belasting overeenstemmend met de in artikel 9 van de wet van 31 december 2003 bepaalde belastingverhoging dient dus te worden toegepast indien de voorwaarden vervuld zijn, in de plaats van de in het KB nr. 41 van 30 januari 1987 beoogde schaal voor vermindering.

* *

*

II. DE FISCALE REGULARISATIE - PROGRAMMAWET VAN 27 DECEMBER 2005

A. Wettekst

28. Programmawet van 27 december 2005, titel VII, hoofdstuk VI, artikelen 121 tot 127 - De fiscale regularisatie (BS 30 december 2005) (inwerkingtreding 9 januari 2006).

Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, titel III, hoofdstuk VI, artikelen 55 en 56 (BS 28 juli 2006).

De desbetreffende artikelen gaan in bijlage 8 en 9.

29. Uitvoeringsbesluiten :

a) Koninklijk besluit van 8 maart 2006 houdende oprichting van het "Contactpunt regularisaties" bij de Federale Overheidsdienst Financiën (BS 15 maart 2006 - Ed. 2).

b) Koninklijk besluit van 9 maart 2006 tot vastlegging van de formuliermodellen te gebruiken in uitvoering van artikel 124 van de programmawet van 27 december 2005 (BS 15 maart 2006 - Ed. 2).

De teksten van de besluiten gaan in bijlage 10 en 11.

B. Inleiding

30. De programmawet van 27 december 2005 voert een systeem in van fiscale regularisatie van sommen, waarden en inkomsten voor elke belastingplichtige of BTW-belastingplichtige die hiertoe een aanvraag indient bij de Federale Overheidsdienst Financiën met het oog op het bekomen van een regularisatie-attest mits betaling van het normaal verschuldigde belastingtarief.

(art. 121, 1° - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

C. Bepalingen

1. Algemeen

31. Het ingevoerde systeem van fiscale regularisatie verleent op permanente wijze aan elke belastingplichtige of BTW-belastingplichtige de mogelijkheid spontaan over te gaan tot regularisatie van zijn fiscale toestand. Het betreft enerzijds "geregulariseerde overige inkomsten" en "geregulariseerde beroepsinkomsten" wat de inkomstenbelastingen betreft en "geregulariseerde BTW-handelingen" m.b.t. de BTW. Aan de belastingplichtige wordt een fiscale en strafrechterlijke onschendbaarheid verstrekt.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 71)

2. Principe van regularisatie

32. Voor het ontvangen van de regularisatie-aangiften wordt binnen de Federale Overheidsdienst Financiën en in onderhavig geval binnen de Dienst "Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken" (DVB) een "Contactpunt regularisaties" (2) opgericht. De regularisatie-aangifte wordt bij de DVB ingediend door middel van een aangifteformulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld. Dit aangifteformulier vermeldt onder andere de naam van de indiener van de aangifte en in voorkomend geval de naam van zijn gemachtigde, de oorsprong en het bedrag van de aangegeven sommen en de datum van indiening van de aangifte.

(2) Zie bijlagen 9 en 10.

33. Na ontvangst van de regularisatie-aangifte, brengt het vermelde contactpunt binnen de 30 dagen, de aangever of zijn gemachtigde schriftelijk op de hoogte van de ontvankelijkheid ervan en stelt in dezelfde brief het bedrag vast van de verschuldigde heffing.

34. De betaling van de heffing moet verricht worden binnen 15 dagen volgend op de verzendingsdatum van die brief.

35. Op het ogenblik van de ontvangst van de betaling, verzendt het contactpunt aan de aangever of zijn gemachtigde, een regularisatie-attest waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat onder andere bevat : de naam van de aangever en in voorkomend geval van zijn gemachtigde, het bedrag van de heffing, het bedrag van de geregulariseerde sommen, waarden en inkomsten.

36. De aangiften die bij het contactpunt worden verricht worden door haar genummerd en bijgehouden. Het contactpunt houdt bovendien een lijst bij van de afgeleverde regularisatie-attesten met vermelding van het nummer van de regularisatie-aangifte.

37. Een afschrift van de lijst waarvan sprake in punt 36 wordt om de zes maanden overgemaakt aan de door de wet van 11 januari 1993 opgerichte Cel voor financiële informatieverwerking.

De ambtenaren en personeelsleden die actief zijn binnen het contactpunt zijn gehouden tot het beroepsgeheim bedoeld in artikel 337 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Voor de aangiften waarvan de attesten niet worden doorgezonden aan de lokale taxatiedienst, mogen zij de naar aanleiding van de regularisatie-aangifte verkregen inlichtingen bovendien niet bekend maken aan de andere diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.

(art. 124 - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

3. Bedoelde sommen

39. Worden bedoeld de verrichtingen welke de aangever nagelaten heeft aan te geven bij de fiscale Administratie, zoals :

a) De "geregulariseerde overige inkomsten" betreffen de sommen, waarden en inkomsten die het voorwerp uitmaken van een regularisatie-aangifte ingediend bij het contactpunt regularisatie, door een natuurlijke persoon, waarbij deze persoon aantoont dat zij in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen een andere aard hebben dan deze van beroepsinkomsten.

b) De "geregulariseerde beroepsinkomsten" betreffen de sommen, waarden en inkomsten die het voorwerp uitmaken van een regularisatie-aangifte ingediend bij het contactpunt regularisatie, door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon wanneer deze niet kan aantonen dat deze inkomsten in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen een andere aard hebben dan beroepsinkomsten.

c) De "geregulariseerde BTW-handelingen" betreffen de in artikel 51 van het BTW-Wetboek vermelde aan de BTW onderworpen handelingen die het voorwerp uitmaken van een regularisatie-aangifte ingediend bij het contactpunt regularisatie door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon.

(art. 121, 2°, 3° en 4° - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

4. Heffing (totaal bedrag van de ingevolge de regularisatie verschuldigde belasting)

40. De geregulariseerde overige inkomsten worden onderworpen aan :

- hun normale belastingtarief indien de regularisatie-aangifte ten laatste op 30 juni 2006 wordt ingediend;

- hun normale belastingtarief verhoogd met een boete van 5 percentpunten, indien de regularisatie-aangifte vanaf 1 juli 2006 en ten laatste op 31 december 2006 wordt ingediend;

- hun normale belastingtarief verhoogd met een boete van 10 percentpunten, indien de regularisatie-aangifte vanaf 1 januari 2007 wordt ingediend.

41. De geregulariseerde beroepsinkomsten worden onderworpen aan hun normaal belastingtarief van toepassing met betrekking tot het belastbaar tijdperk waarin deze inkomsten werden behaald of verkregen, in voorkomend geval verhoogd met de aanvullende crisisbelasting of de toepasselijke aanvullende gemeentebelastingen.

42. De geregulariseerde BTW-handelingen worden onderworpen aan de BTW aan het tarief van toepassing met betrekking tot de geregulariseerde verrichting in het jaar waarop deze verrichtingen plaatsvonden.

(art. 122, § 1, § 2 en § 4, 1ste lid - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

5. De aangever

43. De aangever is de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die overgaat tot het indienen van een regularisatieaangifte hetzij in persoon hetzij door bemiddeling van een gemachtigde.

Met natuurlijke personen worden bedoeld :

- de op grond van artikel 3, WIB 92, aan de personenbelasting onderworpen Rijksinwoners;

- of de op grond van artikel 227, 1°, WIB 92, aan de belasting van niet-inwoners onderworpen niet-rijksinwoners;

Met rechtspersonen worden bedoeld :

- de op grond van artikel 179, WIB 92, aan de vennootschapsbelasting onderworpen binnenlandse vennootschappen;

- of de op grond van artikel 227, 2°, WIB 92, aan de belasting van niet-inwoners onderworpen buitenlandse vennootschappen.

Onder gemachtigden verstaat men de in de 2" book="CATCH_ALL">2ter van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, beoogde personen en ondernemingen.

(art. 121, 5° en 6° - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

6. Weerslag van de regularisatie

a) Inzake inkomstenbelastingen :

44. Indien de regularisatie-aangifte werd gedaan conform de voorziene bepalingen, heeft de betaling van de heffingen tot gevolg dat de geregulariseerde overige inkomsten en de geregulariseerde beroepsinkomsten die deze heffing hebben ondergaan voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan de inkomstenbelasting zoals bepaald in het WIB 92, met inbegrip van de daarin vermelde belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten en boetes, noch aan de door artikel 9 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte, voorziene belastingverhoging van 100 percent.

Het feit dat de beroepsinkomsten ten onrechte als geregulariseerde overige inkomsten aan de heffing werden onderworpen, verhindert niet dat een nieuwe taxatie als beroepsinkomsten kan plaatsvinden.

(art. 122, § 3 - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

b) Inzake BTW :

45. In geval van een regularisatie-aangifte voor geregulariseerde BTW-handelingen conform de voorziene bepalingen, heeft de betaling van de BTW-heffing tot gevolg dat deze verrichtingen voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan enige BTW-heffing, noch aan enige bijkomende sanctie, boete of bijkomende heffing van om het even welke aard voorzien in het BTW-Wetboek.

(art. 122, § 4, 2de lid - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

c) Strafrechtelijk :

46. Personen die zich met name schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het WIB 92, in de 73" book="CATCH_ALL">73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, blijven vrijgesteld van strafvervolging uit dien hoofde, indien zij niet vóór de datum van indiening van de bedoelde aangiften, het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven en indien er een regularisatie-aangifte werd gedaan onder de voorwaarden van de wet en de ingevolge die regularisatie-aangifte verschuldigde bedragen werden betaald.

(art. 127 - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

7. Regularisatie zonder uitwerking

47. Noch de regularisatie-aangifte, noch de betaling van de heffingen, noch het attest hebben uitwerking :

a) indien de geregulariseerde inkomsten voortkomen uit een witwasmisdrijf of een onderliggend misdrijf bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;

b) indien voor de indiening van de regularisatie-aangifte de aangever door een Belgische belastingadministratie, een sociale zekerheidsinstelling of een Belgische sociale inspectiedienst, schriftelijk in kennis is gesteld van lopende specifieke onderzoeksdaden;

c) indien ten behoeve van dezelfde aangever of BTW-plichtige reeds een regularisatie-aangifte werd ingediend.

(art. 123 - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

D. Weerslag inzake fiscale procedure

1. Praktische modaliteiten

48. Het gaat om een individuele en spontane beslissing van de belastingplichtige die nagelaten heeft inkomsten aan te geven bij de fiscale administratie.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 71)

49. De praktische modaliteiten van aangifte, betaling en attesten vallen niet onder de bevoegdheid van de AOIF.

2. Draagwijdte van de maatregel

50. Het toepassingsveld is ruimer dan dit van de hiervoren besproken eenmalige bevrijdende aangifte :

a) De maatregel beoogt eveneens de rechtspersonen.

(nochtans valt op te merken dat de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen niet bedoeld zijn door deze regularisatiemaatregel).

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 72)

(FAQ - Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken - nr. 2)

b) De maatregel is niet beperkt tot bepaalde bedragen, kapitalen of roerende waarden.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 72)

c) De maatregel is permanent.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 72)

a) De bijdrage is niet forfaitair maar behelst een heffing bepaald overeenkomstig de regels betreffende de belasting van toepassing volgens de aard van de geregulariseerde inkomsten rekening houdend met de periode waarin deze inkomsten werden geïnd.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 72)

51. De maatregel heeft eveneens een eenmalig karakter. Eenzelfde belastingplichtige (zie omschrijving punt 43) kan slechts eenmaal gebruik maken van het stelsel van de regularisatie-aangifte.

(Parl. St., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 76)

52. De aangever heeft de vrije keuze omtrent de te regulariseren periode (3, 5 of meerdere jaren) en de te vermelden inkomsten.

(FAQ - Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken - nr. 5)

53. Opgelet, de regularisatie kan geen betrekking hebben op sommen, inkomsten en waarden waarvoor de gewone aangiftetermijn nog niet is verstreken, met name de periode gedurende dewelke de fiscale aangifte geldig kan worden ingediend bij de bevoegde taxatiedienst.

(FAQ - Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken - nr. 6)

3. Door de wet bedoelde specifieke onderzoeksdaden

54. Dit begrip van specifieke onderzoeksdaden is ontleend aan artikel 2, § 2, van de wet van 31 december 2003 tot invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte (zie nrs. 16 tot 17 hiervoor).

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 74)

4. Uitgesloten overtredingen

55. Er wordt opgemerkt dat inkomsten die voortkomen uit een witwasmisdrijf of een onderliggend misdrijf uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van de fiscale regularisatie, zoals de inkomsten die voortvloeien uit een begane overtreding gelieerd aan ernstige en georganiseerde fraude steunend op ingewikkelde constructies of die gebruik maakt van methodes met internationale omvang, zoals bijvoorbeeld BTW-carrousels.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 75)

56. Desalniettemin kan het feit alleen van het niet aangeven of vermelden van bepaalde inkomsten, kapitalen of BTW-handelingen op zich geen aanleiding geven tot uitsluiting. Inderdaad indien geen andere daad werd gesteld die een misdrijf zou inhouden (bijvoorbeeld een niet-aangifte gecombineerd met een frauduleuze ontvreemding van bepaalde tegoeden, …), kan de regularisatie-aangifte geldig worden onderschreven.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 75 en 76)

5. Fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen

57. De aangifte, de daaropvolgende betaling van de verschuldigde heffing en het attest kunnen niet als indicie of aanwijzing worden aangewend om fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen uit te voeren, om mogelijke inbreuken op de belastingwetgeving te melden, behalve met betrekking tot de vaststelling van de ingevolge de aangifte verschuldigde heffingen.

(art. 125 - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

6. Vertrouwelijkheid van de regularisatie-aangifte

58. Ingeval het gaat om een volledige of gedeeltelijke regularisatie van overige geregulariseerde inkomsten, of ingeval dat de regularisatie-aangifte niet ontvankelijk is wordt de vertrouwelijkheid van de aangifte gewaarborgd, wat inhoudt dat het attest niet het voorwerp vormt van een toezending aan de plaatselijke controledienst.

(art. 124, in fine - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 71 en 77)

(FAQ - Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken - nr. 11)

59. Een afschrift van elk regularisatie-attest dat sommen, waarden en inkomsten betreft die onderworpen zijn aan de heffing inzake geregulariseerde beroepsinkomsten en/of geregulariseerde BTW-handelingen, wordt toegezonden aan de plaatselijke dienst (BTW-kantoor en/of taxatiedienst) waarvan de aanvrager afhangt en wordt aan zijn fiscaal dossier toegevoegd.

(art. 124, in fine - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 71 en 76)

De bevoegde plaatselijke dienst zal nagaan of het BTW-kantoor of de taxatiedienst niet moet worden ingelicht dat een regularisatie werd doorgevoerd indien deze slechts betrekking heeft op de BTW of op de inkomstenbelastingen.

60. Binnen de grenzen van de voorziene bepalingen, kan het regularisatie-attest gebruikt worden als bewijsmiddel voor de hoven en rechtbanken, voor de administratieve rechtscolleges, evenals tegenover elke openbare dienst.

(art. 126 - Programmawet 27.12.2005 - Fiscale regularisatie)

61. Op geen enkel moment worden de ambtenaren van de AOIF en van het Contactpunt regularisatie verzocht om met mekaar in verbinding te treden.

7. Fiscale vrijstelling

62. De inkomsten die het voorwerp zijn van een regularisatie-aangifte waarvoor de verschuldigde heffing werd betaald genieten fiscale vrijstelling. De regularisatie heeft tot gevolg dat de geregulariseerde inkomsten niet meer onderworpen kunnen worden aan "hun belasting" noch aan administratieve sancties.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 77)

63. De taxatieambtenaar die geconfronteerd wordt met een belastingplichtige die gebruik heeft gemaakt van een fiscale regularisatie dient te waken over een juiste heffing van de belasting. Hij zal aandacht schenken aan het tijdstip, de volledigheid en de rechtsgeldigheid van de regularisatie maar ook aan volgende punten :

a) Indien later zou blijken dat inkomsten geregulariseerd als "andere geregulariseerde inkomsten" in werkelijkheid beroepsinkomsten waren zal de inning van de oorspronkelijke heffing een latere taxatie als beroepsinkomsten niet verhinderen. Deze taxatie zal evenwel worden doorgevoerd zonder toepassing van boetes of belastingverhogingen.

(Parl. st., Kamer, 4e zitting 2005-2006, nr. 51 2097/001 - blz. 74)

b) Het regularisatie-attest zal niet dienend zijn in de in artikel 123 van de programmawet voorziene gevallen (zie punt 47, a en b hiervoor).

c) De vrijstelling geldt slechts voor de geregulariseerde belasting (een regularisatie inzake IB staat een supplement inzake BTW niet in de weg en omgekeerd).

De wetgever geeft geen enkel verhaal voorzien tegen een ondoordacht doorgevoerde regularisatie en de daarop volgende betaling van de verschuldigde heffing.

64. De belastingplichtige zal zelf de procedure van fiscale regularisatie moeten inroepen om de niet-aangegeven roerende inkomsten te rechtvaardigen, daar het Contactpunt geen afschrift van het regularisatie-attest naar de plaatselijke taxatiedienst zal hebben toegezonden (zie punt 58).

In zo'n geval en bij twijfel omtrent het verband tussen de inkomsten (aangegeven of niet-aangegeven) in een aangifte in de personenbelasting te vermelden en de inkomsten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een regularisatie, zal de belastingplichtige verzocht worden om aan het Contactpunt een aanvullend attest te vragen waaruit blijkt in welke mate de voormelde inkomsten betrekking hebben op kapitalen en roerende inkomsten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een fiscale regularisatie.

Het door de belastingplichtige overgemaakte aanvullende attest zal de taxatieambtenaar toelaten de juistheid van de aangifte in de personenbelasting op het vlak van inkomsten uit roerende goederen en kapitalen (geen verzuim voor het betrokken jaar of voor één of meerdere vorige jaren) en zelfs van beroepsinkomsten te beoordelen.

8. Verwerking van geregulariseerde inkomsten in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners/vennootschap.

65. Indien de vennootschap een fiscale regularisatie verricht, betreffende een onderwaardering van activa of een overwaardering van passiva, geeft dit aanleiding tot het inschrijven van een onzichtbare reserve (opgave 328R) - op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de betaling van de heffing (verschuldigde belasting wegens de regularisatie) werd uitgevoerd - voor een bedrag dat overeenstemt met de bedragen die aanleiding hebben gegeven tot de regularisatie.

Indien de vennootschap in voorkomend geval een boekhoudkundige herziening doorvoert voor de bedragen die belast zijn geweest als geregulariseerde inkomsten (door de geregulariseerde bedragen in haar boekhouding op te nemen), geeft dit aanleiding tot het verminderen van de in de vorige lid bedoelde onzichtbare reserve - op het einde van het belastbaar tijdperk waarin die boekhoudkundige herziening heeft plaatsgevonden - ten belope van in beginsel een bedrag dat overeenstemt met de doorgevoerde boekhoudkundige herziening.

Het Contactpunt regularisaties spreekt zich niet uit over de boekingen post-regularisatie.

(FAQ - Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken nr. 3)

* * *

*

III. DE AANVULLENDE AANGIFTE

A. De aanvullende aangifte inzake IB

66. Inzake inkomstenbelastingen laat geen enkele wettelijke bepaling toe dat na de toegestane termijn aanvullende aangiften worden ingediend (Luik, 7.4.1944, Carlier, B. 195, blz. 107).

67. De regels die aan de grondslag liggen van de vestiging van de belasting zijn algemeen van toepassing en dus eveneens ten overstaan van een spontaan door de belastingplichtige onjuist erkende aangifte.

Hetzelfde geldt onder andere eveneens voor wat betreft de bepalingen met betrekking tot onderzoeks- en controlerechten, bewijsmiddelen en aanslagtermijnen, de sancties, de uitwisseling van inlichtingen of aangifte bij het gerecht. De nalatigheidsinteresten zullen berekend worden.

68. Op het vlak van de administratieve richtlijnen is het niet meer toegelaten dat de belastingplichtige die spontaan de door hem bewimpelde inkomsten aangeeft uit dien hoofde belast wordt zonder toepassing van belastingverhoging bij wijze van straf (opheffing van nr. 444/8, Com. IB 92, zie circ. Ci.RH.81/561.394 van 13 januari 2004).

69. De belastingplichtige die zijn aangifte inzake inkomstenbelastingen aanvult, stelt zich niet alleen bloot aan fiscale (directe en indirecte belastingen) en sociale rechtzettingen maar ook aan administratieve sancties (de aandacht wordt gevestigd op punt 26 hiervoor) op de erkende inkomsten alsook op de inkomsten die aan het licht worden gebracht ten gevolge van de onderzoeken naar aanleiding van de erkenning (onderzoek naar de oorsprong van het kapitaal, indiciaire situatie, …) en dit voor alle jaren waarvoor de verjaring nog niet speelt. Indien nodig, zal worden overgegaan tot de gewone uitwisselingen van inlichtingen en, in voorkomend geval, zullen de feiten ter kennis van het gerecht worden gebracht.

70. Nochtans zou eventueel van de toepassing van een sanctie kunnen worden afgezien wanneer het duidelijk is dat de bijkomend erkende inkomsten wel degelijk betrekking hebben op een spontane aangifte buiten EBA die het gevolg is van een vergetelheid, vergissing, onachtzaamheid of gebrek aan kennis (bijvoorbeeld: een loontrekkende die een inkomstenfiche vergeet aan te geven) bij toepassing van Com. IB 92, 444/22, op voorwaarde dat het een minimumverhoging van 10 % betreft dewelke een eerste overtreding bestraft en de administratie oordeelt dat de belastingplichtige te goeder trouw is.

B. De aanvullende aangifte inzake BTW

71. Bij toepassing van artikel 3 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW geniet de schuldenaar die zijn toestand spontaan rechtzet vóór enige tussenkomst van de administratie automatisch van de volledige kwijtschelding van de geldboeten.

Deze regularisatie zonder toepassing van enige sanctie ten aanzien van de schuldenaar gebeurt meestal door het inschrijven van het ten voordele van de Schatkist te regulariseren bedrag in vak [61] van de periodieke BTW-aangifte voor de periode voor dewelke de schuldenaar overgaat tot bedoelde regularisatie. In bepaalde uitzonderlijke omstandigheden kan zij gebeuren via een regularisatieopgave (meer bepaald indien de schuldenaar niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften).

De schuldenaar die van deze regularisatie in zijn periodieke BTW-aangifte gebruik maakt om het vastgestelde verschil tussen het inzake inkomstenbelastingen aangegeven omzetcijfer en dit dat inzake BTW werd aangegeven, kan het spontane karakter van deze rechtzetting inroepen wanneer deze ten laatste gebeurt bij de indiening van zijn aangifte inzake inkomstenbelastingen en voor zover dit niet systematisch gebeurt.

72. De regularisatie van de verschuldigde BTW uitgevoerd na de aankondiging van een controle of nadat het omzetcijfer door de administratie der Directe belastingen ten gevolge van een controle werd verhoogd (in het geval BTW verschuldigd is op het overeenstemmende omzetcijfer) wordt niet meer als spontaan beschouwd. In dergelijk geval loopt de belastingschuldige een boete op voor niet-betaling van de belasting en is hij in voorkomend geval nalatigheidsinteresten verschuldigd.

73. Indien de spontane regularisatie tot doel heeft inbreuken te verbergen die werden begaan met het oog de belasting te ontwijken of toe te laten deze te ontwijken, zal deze niet kunnen genieten van de in artikel 3 van het voormelde KB nr. 41 voorziene volledige kwijtschelding van de boetes.

C. Bevoegdheden van de buitendiensten van de AOIF

74. De wet heeft het samengaan van de procedure van permanente regularisatie van de inkomsten met de mogelijkheid voor de belastingplichtige om een spontane aangifte bij de taxatiediensten van de fiscale administratie in te dienen, niet opgeheven.

75. De diensten van de AOIF, zowel centrale diensten als taxatiediensten, worden regelmatig geconfronteerd met algemene of bijzondere aanvragen tot regularisatie.

76. In voorkomend geval zal de ambtenaar voorafgaandelijk van de aangever elke nuttige inlichting bekomen (zoals bijvoorbeeld: over welke periode gaat de spontane aangifte, of er niet reeds een regularisatie-aangifte is ingediend).

Hij zal nagaan of er zich niet reeds een regularisatie-attest in het fiscaal dossier bevindt (als inlichting voor de desbetreffende belasting, of als bewijsmiddel), of er geen onderzoek lopende is, of het geen geld betreft afkomstig van een witwasoperatie, …

Uit hoofde van zijn opdracht is de taxatieambtenaar er toe gehouden de aangever, in voorkomend geval, in te lichten omtrent de verschillende regularisatiemogelijkheden die voor hem toegankelijk zijn :

- ofwel, indien geen uitsluitingsgronden aanwezig zijn, de mogelijkheid die hem wordt geboden om voorafgaandelijk het contactpunt regularisaties te raadplegen en/of zijn toestand bij dat contactpunt te regulariseren (3). Hiervoor zal hij hem alle nuttige inlichtingen verstrekken;

(3) Contactpunt regularisatie, Wetstraat 24, 1000 Brussel

(Tel: 0257/93800 - fax: 0257/95101 - http://www.ruling.be)

- ofwel de aanvullende aangifte bij zijn diensten.

77. In geval van spontane aangifte bij de diensten van de AOIF zijn de ter zake in de punten 66 tot 73 hiervoor herinnerde richtlijnen strikt na te leven.

NAMENS DE MINISTER :

De Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d.

C. SIX